Ga direct naar de content

Dan maar hogere lonen; waarom DNB zich druk maakt over de AIQ

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: april 28 2016

De Nederlandsche Bank vestigt vandaag maar weer eens de aandacht op de magere salarisontwikkeling in Nederland. Zo pakt ze, via het FD, groot uit met het bericht dat de arbeidsinkomensquote als je corrigeert voor de lage inkomens van veel ZZP’ers en de toename in ZZP’ers lager ligt dan eerder gedacht. Dat betekent dat een kleiner deel van de productiviteit in Nederland ten goede komt aan mensen die werk verrichten en een groter deel aan mensen die kapitaal bereid stellen.  

DNB doet dit overigens niet voor het eerst sinds Knot president is. Al eerder, zie hier, verklaarde de bank zich publiekelijk een tegenstander van loonmatiging en riep ze op tot loonsverhogingen in de private sector (de publieke financiën moesten uiteraard in het gareel blijven, zie hier).

Waarom doet de DNB dit? Hoe leuk de vakbeweging dit ook vindt, DNB doet dit niet omdat ze zo begaan is met het lot van de arbeider of de arbeidsmarktpositie van schijnzelfstandige. De bank doet dit omdat de prijsontwikkeling achterblijft bij de inflatiedoelstelling. Dat is haar voornaamste opdracht en daar wordt ze op afgerekend.

Nu zijn er verschillende manieren om hogere prijzen te krijgen. Je kunt de geldhoeveelheid vergroten, dan is er per geproduceerd goed meer geld in de economie en stijgt de hoeveelheid geld per goed, dus hogere prijzen, maar je kunt ook voor meer binnenlandse vraag zorgen, dan zijn er meer mensen die goederen willen kopen en verwacht je ook hogere prijzen. De vraag in de economie neemt toe als iemand in de economie meer besteedt, dat kan de overheid zijn, maar dat kunnen ook de mensen met een inkomen uit arbeid zijn.

Laten we de drie opties even langslopen. DNB ziet verdere verruiming van de geldhoeveelheid niet zitten. De geldhoeveelheid in de economie is al fors vergroot. Eerst gebeurde dat door de kosten van het aanhouden van geld – de rente – te verlagen. Toen die kosten nul waren, gebeurde dat door banken ongelimiteerd leningen aan te bieden. Toen banken niet meer geïnteresseerd waren in leningen gebeurde dat door obligaties te kopen en nieuw geld in handen van de verkoper van deze obligatie te leggen – dat is kwantitatieve verruiming. Nu rest als optie nog geld gratis weggeven aan het publiek – dat is helikoptergeld. Naast dat het mogelijk bubbels oplevert, zitten er twee nadelen aan deze maatregelen voor de centrale bank. Ten eerste, hoe meer van dit soort maatregelen de centrale bank neemt, hoe meer de centrale bank dingen doet die eigenlijk gekozen politici zouden moeten doen. Mocht het misgaan, dan zal ook de centrale bank daar op worden aangekeken. Ten tweede, leveren grote balansposities altijd risico’s op. Dat geldt ook voor de centrale bank: zo vergroten kwantitatieve verruiming en helikoptergeld het risico’s dat DNB in de toekomst sterk stijgende prijzen niet goed in toom kan houden zonder de economische groei te schaden.

DNB ziet hogere overheidsbestedingen niet zitten. Eigenlijk vindt DNB dat nooit een goed idee. Reden daarvoor is dat de centrale bank bang is dat voortdurende begrotingstekorten uiteindelijk tot een beroep op de centrale bank voor monetaire financiering zullen leiden. Een overheid die zijn zaakjes op orde heeft is dan wel zo prettig. Ook is het lastig één monetair beleid te voeren in een monetaire unie waarbij ieder land zo zijn eigen idee heeft van begrotingsdiscipline.

Dus bij gebrek aan betere opties geldt voor DNB: dan maar hogere lonen! Dat je daarmee populair wordt bij de vakbeweging is echter bijvangst.

Auteur

  • Jasper Lukkezen

    Hoofdredacteur van ESB en universitair docent aan de Universiteit Utrecht (UU)

Categorieën