Ga direct naar de content

Arme en rijke landen

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: september 17 1997

Arme en rijke landen
Aute ur(s ):
Ruyter van Steveninck, M.A. de
Ve rs che ne n in:
ESB, 82e jaargang, nr. 4124, pagina 773, 15 oktober 1997 (datum)
Rubrie k :
Redactioneel
Tre fw oord(e n):
ontw ikkelingseconomie

Waarom zijn sommige landen arm en andere rijk? Dit is een vraag waarover economen (en zij niet alleen) zich al heel lang het hoofd
gebroken hebben. Hoewel er nu meer bekend is dan vroeger op dit gebied, is het nog steeds niet zo dat er een volledige blauwdruk voor
ontwikkeling bestaat.
Een eerste verklaring voor de ongelijkheid is die van het kolonialisme. Veel (ex-)koloniën waren arm en de meeste (ex-)kolonisators waren
rijk. Niet zelden hadden de laatsten na hun vertrek vervelende erfenissen zoals willekeurig getrokken grenzen achtergelaten. Maar een
duidelijk causaal verband bleek toch niet zo makkelijk aantoonbaar te zijn. Niet alleen had een aantal rijke landen (Scandinavië, Canada,
Australië) nooit koloniën gehad, ook bleken nieuwe staten (met name die in Afrika) er niet echt op vooruit te zijn gegaan sinds hun
bevrijding. Veel Afrikaanse staten (maar ook een land als Suriname) hebben het nu zelfs aanzienlijk slechter dan toen ze nog onder het
juk van hun Europese meesters zuchtten. Verder behoren de landen die nooit langdurig gekoloniseerd zijn, zoals Liberia, Ethiopië,
Afghanistan, en Nepal, tot de meest achtergebleven ter wereld. Sommige ex-kolonisators – zoals Turkije en Rusland – zijn bovendien
afgedaald tot de rangen der ontwikkelingslanden. Toeval, of zou het kolonialisme ook goede kanten hebben gehad voor de
gekoloniseerden (c.q. minder goede kanten voor de kolonisators)?
Gebrek aan grondstoffen is een volgende verklarende factor: rijke landen hadden veel grondstoffen en arme landen weinig. De VS,
Zweden, Australië, en Zuid-Afrika waren rijk, en Tsjaad, Guinee-Bissau, en de meeste eilandstaatjes in de Carïben en de Stille Zuidzee
waren arm. Dit argument werd later nog vervangen door ‘onrechtvaardige verhoudingen’ tussen de prijzen van grondstoffen en die van
industrieproducten, zonder dat overigens een bevredigende definitie werd gegeven van onrechtvaardigheid. Maar ook deze theorie hield
geen stand toen zij met meer feiten geconfronteerd werd. Landen als Japan, Hongkong, Taiwan, en Zuid-Korea werden in hoog tempo
rijk, hoewel zij nauwelijks natuurlijke hulpbronnen tot hun beschikking hadden. Het leek er eerder op dat dit gebrek hun had gedwongen
tot industrialisatie. Hadden landen als Zaïre, Nigeria, Argentinië, en India maar zo weinig grondstoffen gehad! Het is zeer goed mogelijk
dat een overvloed aan hulpbronnen alleen maar tot een toename van ‘rent-seeking’ gedrag, en dus corruptie, leidt 1. Ook werd nooit
duidelijk waarom sommige landen wel de overstap van primaire naar industriële exporten konden maken, maar andere niet.
Weer een andere verklaring was dat onderontwikkeling zou liggen aan verschillen in religies. Zoals Max Weber al stelde, zouden slechts
Christelijke – en bij voorkeur protestantse – landen, met hun nadruk op spaarzaamheid en hard werken, succesvol kunnen zijn. In een
serieus tijdschrift werd door serieuze wetenschappers het katholieke Latijns-Amerika een grootse toekomst voorspeld 2.
Confucianistische en Boeddhistische landen daarentegen, met hun starre hiërarchische structuren, en daarmee gepaard gaande afkeer
van individualisme en particulier ondernemerschap, zouden (enigszins gechargeerd gesteld) nooit tot echte bloei kunnen komen. De
successen van de Oost-Aziatische tijgers hebben, ondanks de tijdelijke terugslagen die ze momenteel ondergaan, inmiddels anders
geleerd.
De meest recente modekreet in het ontwikkelingswereldje is ‘good governance’. Het klinkt allemaal heel plausibel, en ik wil het begrip
zeker niet als onzin afdoen. Natuurlijk moeten instituties goed functioneren, moet er niet te veel corruptie en willekeur zijn, moeten
ambtenaren en politici er voor het volk zijn (en niet andersom), moeten contracten worden nageleefd, enzovoort. Maar de
bovengeschetste verklaringen, die achteraf vaak toch geen echte verklaringen bleken te zijn, nopen tot enige voorzichtigheid.
Niet zo ver hier vandaan ligt een land waar o.a. veel politici banden lijken te hebben met de georganiseerde misdaad, waar de corruptie
hoogtij viert, waar de telefoons en de posterijen langzaam of helemaal niet werken, waar levering van basale openbare diensten als water
en electriciteit verre van vanzelfsprekend is, en waar publieke ziekenhuizen vol met kakkerlakken zitten. Een land dus dat spot met elke
vorm van good governance. De naam van het land is Italië, en het bbp per hoofd van de bevolking is nauwelijks lager dan dat van
Nederland.
Misschien bevindt de economische wetenschap zich inderdaad in veel opzichten nog in het stadium van de medische wetenschap in het
begin van de twintigste eeuw. Artsen wisten toen redelijk goed hoe bepaalde ziekten (zoals scheurbuik, de pest, of de tering) vermeden
konden worden, maar ze konden nog niet veel echt genezen. Zoals Paul Krugman heeft gesteld 3, geldt dit nu ook voor economen: we
weten hoe hyperinflatie vermeden moet worden, hoe we op een beurskrach moet reageren, en dat handelsbeperkende maatregelen meer
kwaad dan goed doen. Maar hoe een arm land rijk kan worden gemaakt weten we (nog steeds) niet, hoewel de pretenties tot het
tegendeel soms anders doen vermoeden. Dit zou ontwikkelingseconomen en -werkers tot nadenken moeten stemmen

1 The natural resource myth – Ungenerous endowments, The Economist, 23 december 1995, blz. 89-91.
2 C.T. Morris en I, Adelman, The religious factor in development, World Development, 1980, blz. 491-501.
3 P. Krugman, Peddling prosperity – Economic sense and nonsense in the age of diminished expectations , Norton, New York, 1994.

Copyright © 1997 – 2003 Economisch Statistische Berichten ( www.economie.nl)