Ga direct naar de content

Jrg. 36, editie 1783

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juli 18 1951

EUROPESE SAMENWERKING

1CONOMISCH-

STATISTISCHE BERICH’TEN

.1

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

36E
JAARGANG

WOENSDAG 18 JULI 1951

No 1783

COMMISSIE VAN REDACTIE

Ch. Glasz; H.
W. Lambers; J. Tinbergen;

F. de Vries; C. van den Berg (secretaris)


Redacteur-Secretaris: A. de Wit.
1

Assistent-Redacteur: J.
H.
5
Zoon.

S

COMMISSIE VAN- ADVIËS VOOR BELGIË

J. E. Mertens; R. Miry; J.
van
Tichelen;

R.. Vandepüite; ‘F. Versichelen.

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

Gebeurtenissen

‘en- hun resultaten worden in de economische sfeer vaak

vastgelegd met simpele cijfers. Een deficit van f
332 mii-
lioen is voor ons land het voorlopig resultaat van een

ontelbaar aantal handelstransaçties met het buitenland

in de maand Juni, een te verwachten toeneming der be-
• lastingontvangsten vannaar schatting f
245
millioen het
resultaat van een wekenlange verbeten strijd’in de Tweede
Kamer. Nuchtere cijfers op de resultatenrekening van
de ,,British Transport Commission”: het genationaliseerde

Engelse transportbedrijf heeft over het afgelopen jaar
een verlies geleden van £ 14,1 millioen; het totale verlies

• sedert de nationalisatie is daardoor opgelopen tot £ 39,6
milljoën.

Hoopvoller cijfers verstrekte de Zuidafrikaanse Minis-

ter van Arbeid, Openbare Werken en Bosbouw voor
emigratielustigen. Tijdens een bezoek aan’ons land deelde
hij mede, dat zijn land onmiddellijk 8.â 10.000 en in de

komende drie jaren nog 12 â 15.000 geschoolde arbeiders
• kan gebruiken. Eveneens hoopvol zijn de cijfers, genoemd
door onze commissaris voor de emigratie: in het eerste
halfjaar
1951
zijn reeds meer dan 21.000 emigranten –
evenveel als in het gehele jaar 1950 vertrokken; hij
verwacht, dat dit aantal aan het eind van .het jaar tot
35.000 zal zijn gestegen. Minder vlot schijnt de’in\de zo-
mermaand.en optredende migratie naar de bosrjke vacan-tie-centra te verlopen. ,,Wie rusten wil in ‘t groene woud”
van de Veluwe is in de gelegenheid van nabij kennis te
maken met het bedrijfseconomisch probleem der onder

bezetting in de duurdere gelegenheden, een probleem,
waarvoor in de schoenen- en textielindustrie een op-

lossing wordt gezocht door het vervroegd plaatinn van
defensie-orders.
Recordcijfers meldden een ‘aantal landen. De Ameri-
kaanse staalproductie bedroeg het eerste halfjaar 1951 52,3 millioen ton – bijna evenveel als die in Engeland,
Frankrijk en Rusland tezamen in geheel 1950. De West-
Duitsers behaalden een record met roken – 36 pCt meer
sigaretten en sigaren dan vorig jaar; de Russen met het
produceren van champagne – 50 maal zoveel als in 1936,
en de Engelsen met hun werkgelegenheidspercentage –
in Juni bedroeg het aantal werklozen slechts 0,9 pCt van
de werkende bevolking Al zal de Engelsman, naar de
lylinister yan Voedselvoorziening aankondigde, zijn vlees-
rantsoen deze zomer in drie étappes met 60 pCt in tbtaal
verhoogd zien, een recordverbruik zal dan nog geenszins
kunnen worden gemeld.
Niet met cijfers kunnen vooralsnog de resultaten worden

weergegeven van de informele Benelux-ministersconferentie
te Gdes. Een nieuwe werkwijze werd uitgestippeld: er
zullen veelvuldiger conferenties op kleiner schaal, die zich
zullen bezighouden mt bepaalde met de Benelux ver-
bonden problemen, worden gehouden. Moge deze nieuwe
werkwijze de nieuw verwekte verwachtingen niet teleur-
stellen, maar de Zeeuwse wapenspreuk, Luctor et Emergo,
op de werkcomité’s van toepassing zijn.

INHOUD

Blz

Een jaar Europese Betalingsunie
door Prof

S. Posthuma

……………………..
-. 528

Enkele politieke aspecten
1
van het Schuman-

plan door Drs P. L. Justman Jacob ……..
532

Het Kolencornité van de O.E.E.C. ;’verhouding

tot het plan-Schuman
door Dr Ir Ch. Th.

Grooihoff en J. A. Bakker ……………534
1

Europese Jandbouwpolitiek
door Prof Dr H.

J.

Friet etna ……………………..
S
.

537

Een, Europees verkeersgezag?
door Mr J. J.

Oyevaar

……………………….539

Engeland en de Europese integratie
door Prof

Dr H. Brugnians

…………………..
542

Geld- en kapitaalmarkt ………………..544

S t a t i s t ie ken

Bankstaten

………………………..
544

/

J
Ondapils interinq

R. MEE$

&

ZOONEN

ANNOI72O

Bankiers & Assurantie-Makelaars

ROTTERDAM

‘s-Gravenhage, Delft, Schiédam, Vlaardingen.
Amsterdam (alleen Assurantie)

t

Nationale Handelsbank, N.V.

Amsterdam

Rotterdam

‘s-Gravenhage

Alle Bank- en Effectenzaken

526

E plurjbus unurn

het motto van de dollar, dat tevens de leuze moet

zijn van Europa in zijn streven naar integratie.

Van zijn oorsprong af geeft het bankwezen een practisch

voorbeeld van internationale samenwerking ten dienste

van handel en industrie.

Sinds 90 iaar leveren wij hiertoe

een gestadig groeiende bijdrage.

/

1

DE TWENTSCHE BANK
N.V.

Opgericht in 1861

CRRESPONDEtiTEN OVER DE GEHELE WERELD

18 Juli 1951

1
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

527

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK

Prof. S. POSTHUMA, Een jaar Europese Betalingsunie.

De E.B.U. is er in geslaagd de dreigende verstikking

van de multilaterale handel af te wenden. Dit mag ons

echter niet de ogen doen sluiten voor het feit, dat een her-

stel vân het inter-Europese evenwicht daarmede nog aller-

minst is bereikt. De fundamentele onevenwichtigheden

in het inter-Europees verkeer zijn door de. E.B.U. niet
noemenswaardig veranderd. De E.B.U. roept geen krach-
tenin het leven, die automatisch tot een herstel van even-

wicht zullen leiden. Voor het verkrijgen van evenwicht

zal onder het stelsel van de E.B.U. altijd een actieve be-

grotings- en credietpôlitiek van de deelnemende landen
nodig zijn ter ondersteuning van het initiële maar onvol-

doende automatisme. Het positieve element van de E.B.U.
beperkt zich in dit opzicht uitsluitend tot het toezicht,

dat zij op de ontwikkéling uitoefent en de aanbevelingen, die zij op eigen gezag kan doen. Gaat men na wat men na

een jaar EB.U. aan ervaring heeft opgedaan en op welke
wijze men d,e reeds gerezen problemen tegemoet is. getre
den, dan kan men misschien onvoldaan maar toch niet

geheel ontevreden zijn, aldus schr.

Drs P. L. JUSTMAN JA COB, Enkele politieke aspecten van

het Schuman-plan.

Beziet men uitsluitend de economische vraagstukken,
die door de organen der Communauté behandeld moeten worden, dan blijkt de omvang van de taak dezer organen
al zeer indrukwekkend te zijn; realiseert men zich boven-
dien, welke politieke implicaties deze vraagstukken mee-

brengen, dan wodt eerst recht duidelijk, dat het starten
van de Communauté een sprong in het duister is. Naast
een aantal punten, dat alleen voor bepaalde landen van
belang is, en waarbij het verre van denkbeeldig is, dat
de Hoge Autoriteit een andere politiek zal voeren dan de
nationale regeringen zouden hebben gedaan, erft de Hoge

Autoriteit ook nog enkele problemen van veel wij dere
strekking. Te denken,valt hier aan de werkzaamheden van
de Ruhrautoriteit en aan de situatie, die in Duitsland wordt
geschapen door de zgn. Law 27 van de Geallieerde Hoge

Commissie. In hoeverre de Hoge Autoriteit deze moeilijk-heden zal kunnen overwinnen zal voor een niet gering ge-deelte afhangen van het politieke getij in Europa.

Dr Ir Ch. Th. GROOTHOFF en J. A. BAKKER, Het
Kolencomité van de O.E.E.C.; verhouding tot het

plan-Schuman.

In deze bijdrage wordt nagegaan, wat de taak is van
de O.E.E.C. in het algemeen en van het Kolencomité
van deze organisatie in het bijzonder en de vraag bespro-
kin, of het Kolencomité van de O.E.E.C. bij het inwerking-
treden van het plan-Schuman nog reden tot bestaan heeft.
De toekomstige taak van het Kolencomité kan men zich
op tweeërlei wijze voorstellen: a. dat het comité alleen
enige bemoeienis zou hebben met de verdeling van de
exporthoeveelheden,
die beschikbaar gesteld worden door
de organen van het Schuman-plan voor de niet Schurnan-

leden; b. dat het comité een bepaalde taak krijgt in de ver-
deling yan alle beschikbare hoeveelheden,
hetgeen in zekere
zin een voortzetting van zijn huidige werkzaamheden zou
betekenen, met dien verstande, dat de zes Schuman-landen
daarbij als één. economische eenheid moeten worden
gezien. Schrijvers betogen, dat het in het belang van de
Europese samenwerking zou zijn, indien een modus kon
worden gevonden, waarbij aan het Kolencomité van de
O.E.E.C. een bepaalde taak zou worden opgedragen bij
de verdeling van alle beschikbare hoeveelheden.

Prof Dr H. J. FRIETEMA, Europese landbouwpolitiek.

• . Een Eurcçse lardbct’eçclitick zal ren prolectioni

tisch karakter moeten hebben; toepassihg van het vrij-

heidsbeginsel op mondiale schaal zou voor de Euro-

pese landbouw catastrophaal kunhen zijn. Een Europese

landbouwpolitiek is in feite slechts denkbaar, indien de

handelspolitieke belemmeringen, die een liberalisatie van

het internationale handelsverkeer in Europa in de weg

staan, worden opgeheven. Bij een opheffing van de han-
delspolitieke protectie zdu slechts van één middel tot
bescherming vai’i de landbouw gebruik kunnen worden
gemaakt, nl. van dat der directe subsidiëring en wel per

hoeveelheid product. Schr. vraagt zich af, of niet tot

vorming van een Europees landbouwegalisatiefonds zou moeten worden overgegaan, waaruit de subsidies geheel

of gedeeltelijk zouden kunnen worden geput.

Mr J. J. OYEVAAR, Een Europees verkeersgezag?

In dit artikel wordt het vraagstuk van de Europese

integratie van het verkeer besproken. Het ligt in de lijn
van de tot dusver gevolgde Nederlandse verkeerspolitiek,
aan plannen, die de integratie van het verkeer in Europa
bevorderen, krachtig steun te verlenen. Het is van belang

te komen tot een Europees gezagsorgaan voor het verkeer.
Wat de soort organisatie betreft bepleit sçhr. een regionale gespecialiseerde organisatie; wat de werkingssfeer betreft:
aanvankelijk rail, weg en binnenwateren; wat de werk-
wijze betreft: a. optreden langs lijnen van geleidelijkheid;
b. zich baseren op alles wat organisatorisch leeft en groeit,
derhalve veeleer een coördinerende en stimulerende taak
voor het orgaan dan een decreterende; en c. een gebalan-
ceerde belangenbehartiging tussen de verkeersdragers
onderling en tussen het verkeer en de gebruikers; wat de
voorbereiding betreft: een uitnodiging aaii de Inland
Transportcommissie te Genève een plan op vorenbedoel-
de basis uit te werken.

Prof Dr H. BRUGMANS, Engeland en de Europese
integratie.

Hoewel de Engelse Regering grote waarde hecht aan
goede nabuurschappelijke betrekkingen met het vasteland

van Europa, behoeft men niet te verwachten, dat Engeland
bereid zal zijn met Europa te federeren. De begrippen
integratie ‘en federatie houden nl. tweeërlei beginsel in,
waartegen de Engelsen met de grootste duidelijkheid stel-
ling nemen, t.w.: 1. de vorming van een blijvende gemeen-
schap en 2. de yorming van een gezag, hoger dan dat der afzonderlijke staten. De beste maniei om de Britten meer
Europees gezind te maken is volgens schr. het continent
te orgâniseren. Hoofdzaak hierbij is, dat Europa vorderin-
gen maakt, die het in staat stellen ernstig te worden ge-
nomen door een volk, dat niet voor overreding vatbaar
is, maar alleen voor confrontatie met de harde feiten.

SOMMAIRE –
/

Cet exemplaire de l’,,Ç.-S.B.” est entièrement consacré
aux -‘roblèmes de la collaboratïon européenne. Le pro-
fesseur S. Posthuma donne un exposé intitulé ,,Une année
d’union européenne de paiement”. Drs P. L. Justman Jacob
traite, ensuite, de quelques aspects politiques du plan-Schu-
man; Dr Ir Ch. Th. Groothoff et J. A. Bakker s’occupent
du Comité du Charbon de l’O.E.C.E. et de sa relation avec
le plan-Schuman. Les deux articles suivants examinent la
politique agricole européenne (dû â la plume du professeur
Dr H. J. Frietema) et l’intégration européenne du trafic
(rédigé par Mr J. J. Oyevaar). Enfin le professeur Dr
H. Brugmans étudie l’attitude du Royaume-Uni envers
l’intégration européenne.
1

528

.

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

18 Juli 1951

/

Een’ jaar Europese Betalingsunie

Op 18 Augustus 1950 is. door vertegenwoordigers van de laiden, die deel uitmaakten van. de O.E.E.C. te Parijs,

een ‘voorlopig accoord gesloten tot instelling van een

Europese Betalingsunie. Dit accoord is – met uitzondering

van Zwitserland, dat eerst in November toetrad – op 19

September d.a.v. ondértekend. Teneinde de .ratificatie niet

te behoeven afwachten is op diezelfde datum een protocol

getekend, waarbij in anticipatie op de ratificatie bepaald

werd, dat de Unie niet alleen terstond, maar zelfs met
terugwerkende kracht op 1 Juli 1950 in werking zou treden.

De Unie bestaat dus thans ongeveer een jaar en hoewel

de verrekening over Juni op het ogenblik van dit schrijven

nog niet békend is en niet voor de tweede helft van Juli
bekend zal ‘.worden, lijkt dit een geschikt moment ons

rekenschap te geven in hoeverre de Unie aan de gestelde

verwachtingen heeft beantwoord en in hoeverre de ervaring

van een jaar conclusies rechtvaardigt t.a.v. haar toekomst-
mogelijkheden.

Alvorens hiertoe over te gaan lijkt het niet ondienstig
de voornaamste bepalingen nog eens in het kort in herin-
nering te brengen.

De technische structuur van de Europese Betalingsunie.

Technisch is de Unie niet andérs dan een multilateraal

verrekeningssysteem, waarbij maandelijks de schulden. en
vorderingen uit het lopende verkeer, die de deelnemers
telkens in de voorafgaande periode bilateraal tegenover

elkaar hebben verkregen, worden omgerekend in eennomi-

nale eenheid, gebaseerd op de huidige goudwaarde van
de dollar, en waarbij vervolgens de aldus tot één noemer

herleide schulden en vorderingen multilateraal worden

gecleared. De alsdan voor ieder deelnemend land resterende
saldoverplichting of saldovordering op de ,,pool” blijft in

beginsel als zodanig bestaan. Voor ieder land is echter een
quote vastgesteld als grondslag voor een nadere berekening

van het bedrag, waarvoor dit land t.o.v. de Pool
maximaal
debet of credit kan komen te staan. Deze quote is -. be-
houdens enige speciale gevallen (verlaging voor België,
verhoging voor Zwitserland) -, vastgesteld öp 15 pCt
van de handelsomzet in 1949, vermeerderd met een

zekere toeslag voor de zgn. ,,onzichtbare” posten. Deze
quotes
zijn,
voor zover het debetsaldi betreft, verdeeld in
5 gelijke delen; de eerste 20 pCt behoeft in het geheel niet
te worden afgerekend; voor de tweede 20 pCt mag de debi-
teur slechts’voor
4/5
debet blijven staan, doch moet voor
115
in goud of dollars afrekenen. Kohit hij in de derde
zône, dan moet hij hierover
2/5
in goud of dollars betalen;
in de vierde zône stijgt dit gedeelte tot 3/5 en in de vijfde

of laatste zône stijgt dit tot 4/5. Daarna heeft hij zijn crediet-
mogelïjkheden (die dus in totaal bestaan uit, 20 pCt +
(4/5 +
3/5 +
2/5 + 115)
20 pCt of 60 pCt van zijn quote)
uitgeput. Hij moet verder geheel in goud of dollars
betalen.

De regeling van de crediteuren is tiiet volkomen syrn-
metrisch met de regeling van de debiteuren. Weliswaar ont-
vangt ookde crediteur voor de eerste 20 pCt van zijn quote
generlei betaling, doch daarbovenuit ontvangt hij voor de
gehele rest van zijn quote 50 pCt in goud of dollars en moet

voor 50 pCt credit blijven staan. Het maximum crediet,
dat hij aan de ,,pool” zal moeten geven, bedraagt hiermede
echter eveneens 60 pCt van zijn quote (20 pCt
+ 4 x
80 pCt). De debiteuren betalen over hun verplichtingen

aan de E.B.U. een rente van 2 tot 24 pCt al naar gelang
van de tijdsduur waarover zij debet hebben gestaan. De
crediteuren ontvangen over het bedrag van hun vorderin-
gen een rente van 2 pCt. Deze rentepercentages kunnen zo nodig door de Raad van Bestuur worden herzien.

Doordat de mogelijkheid bestaat, dat tegenover een

aantal debiteuren, dat nog geen of slechts geringe percen-

tages aan goud of dollars behoeft te betalen, crediteuren

staan, die reeds voor een belangrijk deel van hun vordering

op 50 pCt goudbetaling aanspraak kunnen maken, bestaat

de kans dat het fonds in een gegeven periode meer goud

of dollars mbet betalen dan het cntvangt. Dit vereist de

aanwezigheid van een initiële goudvoorraad, waartoe de

E.C.A. een bedrag van $ 350 mln ten laste van de zgn.
Marshall-hulp voor de E.B.U. heeft afgezonderd.

Anderzijds bestaat de mogelijkheid, dat de verdeling
tussen debiteuren en crediteuren dusdanig is, dat er meer

goud en dollars binnenkomen dan behbeven te worden

iütbetaald. Dit laatste kan bovendien het geval zijn door-

dat debiteuren weliswaar het recht hebben debiteur te

blijven volgens het aangegeven schema, doch desgewenst

– bijv. ter besparing van rente – deze debetsaldi in goud

of dollars af kunnen lossen.

Vrijwillig in, goud betaalde ‘debetsaldi kunnen ten allen

tijde weer in goud of dollars worden teruggevorderd, ter-

wijl contractueel betaalde goud- of dollarbetalingen bij een
vermindering van het debetsaldo bij volgende clearingen

in omgekeerde volgorde worden terugbetaald.

De Europese Betalingsunie is in beginsel ontworpen

voor twee jaar, doch v66r 31 Maart 1952′ zal het gehele

betalingssysteem aan een onderzoek worden onderworpen,
waarbij, de O.E.E.C. in overleg met de E.C.A. moet be-
slissen op welke voorwaarden de E.B.U. zal worden ge-

continueerd. De mogelijkheid is open gehouden, dat indi-

viduele leden alsdan uit de Betalingsunie treden, terwijl

zowel daarvoor, als daarna zowel éénzijdige debiteur- als
crediteurstaten, die hun quote ten volle hebben verbruikt,’
gedwongen kunnen worden uit de E.B.U. tç treden. Zowel

t.a.v. individueel uittredende als t.a.v. uitgestoten leden is
bepaald, binnen welke termijnen hun verplichting aan c.q.

vordering op de E.B.U. zal moeten worden afgelost, ter-

wijl ook bij liquidatie van de E.B.U. regelen zijn gesteld,
tav.. de wijze en het tempo van de afwikkeling. Daarbij
is tevens vastgesteld volgens welke sleutel de alsdan be-
staande schulden en vorderingen op de E.B.U. over de
deelnemers zullen worden verdeeld.

Doordat de E.B.U. begint met een aanvangskapitaal
van $ 350 mln, zal er bij liquidatie steedseen surplus aan
activa boven passiva te voorschijn komen ai zal dit alsdan
waarschijnlijk niet meer in goud of dollars aanwezig zijn
maar geheel of gedeeltelijk zijn getransformeerd in een sür-
plus aan vorderingen op meer 6f minder dubieuze debi-
teuren. In beginsel opent dit de mogelijkheid tot gehele

of gedeeltelijke kwijtschelding van verplichtingen, waarbij
echter de uiteindelijke beslissing en de eventueel daarbij
te stellen voorwaarden berust bij de E.C.A.
Er zijn nog een paar complicaties, die in het kort ver-

melding verdienen.
In de eerste plaats zijn de bestaande, uit de oude.mone-
taire accoorden voortvloeiende, vorderingen en verplich-

tingen in bilaterale overeenkomsten nadet geregeld. In be-paalde gevallen kunnen de crediteuren over deze bilaterale
vorderingen, naast een beroep op de E.B.U., vrijelijk be-

schikken voor zover zij bij de maandelijkse afrekening

tegenover de E.B.U. cumulatief debiteur zijn. Dit zijn de
zgn. ,,exïsting resources”, waardoor de landen, die deze
vorderingen hebben, eig,nljk buiten het systeem van de
Betalingsunie om t.a.v. bepaalde landen nog over een
zekere extra credietmarge beschikken. Voor het overige
zijn de oude bilaterale vorderingen en §chulden geconsoli-deerd, waarbij de bilateraal overeengekomen maandelijkse
terugbetalingen, ‘die als regel een aflossing van de hoofdsom
in een periode van 2 tot 4 jaar mogelijk maken, telkens

18 Juli 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERIc’HTEN

529

als ,,lopende verplichtingen” in de maandelijkse clearing

zullen worden ingebracht.
I
/

Tenslotte hebben een aantal landen, die geacht werden
een structureel deficit in het inter-Europese,verkeer te

bezitten een extra recht gekregen om op de E.B.U. te trek-

ken tot een voor ieder afzonderlijk va’n te voren vastge-

stelde ,,initial credit balance”, alvorens zij een beroep op

hun normale quote behoeven te doen. Daartegenover staat,

dat een aantal structurele crediteuren bij voorbaat in de

E.B.U. belast zijn met een zgn. ,,initial debit balance”,
welke zij als het ware eerst moeten inverdienen voordat
zij als normaal crediteur van de E.B.U., waarop de quote-

regeling van toepassing is, worden beschouwd. Tegenover

deze ,,initial debit blances” ontvangen zij dollars van de

Verenigde Staten als deel van de Marshall-hulp. Men ,indt
hierin terug een restant van het voormalige systeem van

de zgn. ,,trekkingsrechten” van de Europese debiteur-

staten en de zgn. ,,conditional aid” aan de Europese credi-
teurstaten. Doordat de som van de ,,initial credit balances”

van de Europese debiteuren groter is dan de som van de

,,initial debit balances” van d’e Europese crediteuren, komt

deze regeling voor het verschil tussen deze totalen echter
niet ten laste van de Marshall-hulp in het algemeen maar
meer speciaal ten laste van het initiële kapitaal van de
E.B.U., dat hierdoor per saldo eigenlijk niet $350 mln
maar slechts $ 286 mln bedraagt.

Tenslotte is.er
nog een fonds voor bijzondere hulp van
$ 150 mln, dat kan worden gebruikt zowel voor debiteuren,
die bij een overschrijding van de eerste 20 pCt van hun
quote de verplichte dollarbetaling niet zouden kunnen
voldoen, als voor die, welke door uitputting van hun quote
uit de E.B.U. dreigen te worden gestoten. De beschikking
hierôver berust echter geheel in handen van de E.C.A.

Tot zover de technische strUctuur van de Europese Be-
talingsunie.

De E.B. U. als basis voor een vrijer inter-Europees handels-
verkeer. –

Door dit mechanisme, waarbij op ingenieuze wijze een
stuk Marshail-hulp aan een multilateralisatie vân onder-
linge Europese credietverleningen is gekoppeld, was in
beginsel de mogelijkheid geschapen tot een herstel van een
multilateraal inter-Europees betalingsverkeer. Daarmede
was tevens de basis gelegd voor een multilateraal en dus
vrijer inter-Europees handelsverkeer. –

Reeds in Juli 1949 waren door de Raad van de O.E.E.C.
stappen genomen om te komen tot een vermindering van
de quantitatieve restricties. Veel succes hadden die maat-
regelen echter nog niet gehad; zij konden dit ook niet heb-ben zolang het internationale betalingsverkeer geen moge-
lijkheden tood, schulden die men ten opzichte van het ene
land verkreeg, te betalen met vorderingen op een ander land. Wel was vastgesteld dat op 15 December 1949 de
deelnemende landen tenminste 50 pCt van de invoer voor
particuliere rekening op basis van de invoer van 1948
zouden vrijgeven, doch materieel had deze beslissing niet veel om het lijf aangezien tevens werd bepaald dat de o-
heffing der contingenten niet behoefde te worden toegepast
in het verkeer met landen, waarin zich. voor het liberalise-
rende land betalingsbalansmoeilijkheden zouden kunnen
voordoen. Op 31 Januari 1950 werd besloten het liberali-
satiepercentage tot 60 opte voeren met dierfverstande
echter, dat deze bevrijding eerst in werking zou treden
wanneer een bevredigend stelsel van inter-Europese be-
talingen zou zijn tot stand gebracht. Met het tot stand
komen van de E.B.U. was aan deze voorwaarde voldaan.
De regeling voor de bevrijding van het handelsverkeer
werd vastgelegd in een aan het betalingsaccoord toegevoeg-
de code betreffende het handeisverkeer, terwijl het de be-
doeling was daar bovendien aan toe te voegen een code
betreffende het dienstenverkeçr. De, code betreffende het
handelsverkeer heeft intussen reeds enige malen wijzigingen

ondergaan. Over de code betreffende het dienstenverkeer
is men nog steeds niet tot overeenstemming gekomen.

De code voor het handeisverkeer voorziet niet alleen

in een zekere liberalisering van de invoer op basis van de

cijfers van 1948, doch stipuleert daarenboven het be-

ginsel van non-discriminatie. Zij eist een liberalisatie van

de invoer tot 60 pCt voor elk van de drie categorieën;

grondstoffen, agrarische producten en eindproducten

volgens uniforme non-discriminatoire lijsten en voor het

overige, een niet naar goederencategorieën gesplitste be-
vrijding van de invoer tot
75
pCt. De libralisatie tot 60 pCt
trad in beginsel onmiddellijk in werking, maar de ver-

plichting tot het naleven van de uniforme liberalisatie-

lijst, waardoor de 60 pCt-clausule eerst zijn volle bete-

kenis verkrijgt, alsmede de toepassing van de 75 pCt
clausule, werd enige malen uitgesteld. Besprekingen hier-
over vinden nog voortdurend plaats, waarbij telkens weer

nieuwe moeilijkheden opduiken. Afgezien hiervan zullen

de deelnemende landen principieel het recht behouden
t.a.v. de toepassing van de uniforme liberalisatielijst voor
bepaalde posten uitzonderingen te maken, mits zij deze

met redenen omkieden, en zijn t.a,v. de toepassing van
de algemene liberalisatiebepalingen aan ‘verschillende
landen uitzonderingspositie toegekend (m.n. aan IJsland, –
Griekenland, Oostenrijk, Turkije, Noorwegen, Denemar-

ken en sedert Februari jl. aan Duitsland). T.a.v. de wij’ze,
waarop het beginsel van een non-discriminatie in de niet gel i-
beraliseerde sectoren van de internationale handel practisch
zou kunnen worden toegepast, heeft men tot nog toe geen

aanvaardbare oplossing weten te vinden. Ondanks het feit,
dat deliberalisatie derhalve nog niet zo snel en nog steeds
niet zo ver is voortgeschreden als men zich aanvankelijk
had voorgesteld, heeft zij niettemin geleid tot een uitbrei-
ding van het inter-Europese verkeer en bovenal tot aan-

merkelijke verschuivingen in het in- en uitvoerpatroon
van een aantal deelnemende landen. Het was vooral met
hçt oog op deze laatste te voorziene ontwikkeling, dat een
multilateraal betalingsverkeer een
conditio sine qua non
moest worden geacht.

De feitelijke resultaten gedurende het afgelopen jaar en de

verwachtingen die men mag hebben voor de toekomst.,

Wanneer wij ons nu afvragen in hoeverre de E.B.U.
indèrdaad een bruikbaar mechanisme is gebleken en in
hoeverre het ook voor de toekomst een bruikbaar mecha-
nisme geacht kan worden om een liberalisatie van het
handeisverkeer te bewerkstelligen, dient al dadelijk te
worden opgemerkt, dat
cijfers
over het inter-Europese
handels- en betalingsverkeer gedurende het eerste jaar van
le E.B.U. nog slechts zeer onv6lledig zijn. Men is dus voor-
alsnog in hoofdzaak op schattingen angewezen. Met dit
voorbehoud kan het volgende worden opgemerkt.

Het inter-Europese handelsverkeer zal in het eerste
jaar van de E.B.U. ongeveer .15 pCt gestegen zijn t.o.v.
het voorafgaande jaar. Deze stijging is echter vrijwel
geheel toe te schrijven aan een vergroting van het bilaterale
verkeer. M.a.w. het gedeelte van de inter-Europese handel,
dat bilateraal in evenwicht was, is in het eerste jaar van de
E.B.U. zelfs groter geweest dan in het daaraan voorafgaan-

de jaar. Op het eerste gezicht zal dit misschien verwondering
wekken. Bij een overhaaste corklusie zou men hieruit
misschien zelfs geneigd zijn de slotson

L
te trekken, dat de
E.B.U. als middel ter bereiking van een groter multilateraal
handels- en betalingsverkeer heeft gefaald. Dit laatste ware
echter onjuist. Hetgeen men mag stellen is ten hoogste, dat de inter-Europese handel zolang de ,,swings” op de
bilaterale accoordrekeningen nog zoveel rutmte lieten
voor een eenzijdige credietopneming
Ms
in 1949, deze inder

daad minder in bilateraal evenwicht behoefde te zijn dan
onder het systeem van de E.B.U. Het geval was echter, dat
deze ,,swings’ in de eerste helft van 1950 voor een groot
gedeelte uitgeput raakten en dat een continuatie van het

530

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

18 Juli 1951

oude systeem dus onvermijdelijk had moeten leiden tot

een veel sterker bilateralisme dan thans dpor de instelling

van de E.B.U. het geval is geweest.

T.a.v. de toekèmst dient men zich echter te realiseren,

dat ook de verrekeningen vja’de E.B.U. voor een groot
deel gesteund hebben op regelingen en betalingen, die

naar hun aard een aflopend karakter dragen. De instelling

van de E.B.U. heeft dus wel de mogelijkheid geschapen
de overgang naar een meer evenwichtig verkeer te ver-

tragen, maar zij rechtvaardigt niet de verwachting, dat

men het thans verkregen patroon van de inter-Europese

handel zal kunnen bestendigen. Dit geldt in de eerste
pf’aats voor het gebruik van de ,,initial balances”, die

in het eerste jaar van de E.B.U. reeds geheel zijn uitge-

put. Het feit, dat de E.C.A. zeer waarschijnlijk ookvoor

het jaar 195 1/52 steun zal verlenen aan een aantal struc-

turele Europ6se debiteuren doet aan het beginsel van
de eenmaligheid van een dergelijke eenzijdige betalings-

mogelijkheid niets af. Dit geldt ook voor de goud- en

dollarbetalingen, die op den duur evenmin eenzijdig kun-

nen worden voortgezet, omdat de debiteurstaten slechts

over geringe reserves aan goud en dollars beschikken

n ook de dollarvoorraad van de E.B.U. beperkt is. Het

geldt verder voor het gebruik van dô ,,existing resour-
ces”, die eveneens slechts van beperkte omvang zijn, zij

het dat hiervan in het eerste jaar slechts een gedeelte is
benut. Tenslotte dienen wij t.a.v. de verrekeningen, die
leiden tot een beroep op de quotes, te bedenken, dat ook

deze laatsten gelimiteerd zijn en dat de meeste deelne-

mende landen daarvan reeds meer – en soms zelfs be-
jangrijk meer – hebben verbruikt dan. de zgn. goud-

vrije tranche. Evenals in de voorafgaande periode de

,,swings” ‘ slechts de mogelijkheid boden tot een eenzij-

dige debiteur- of crediteurpositie tot het moment,, waarop
het plafond was bereikt, zal ook in de E.B.U. een een-

zijdig gebruik van de iuote vroeg of laat tot een uitputting
daarvan leiden.

Een gebruik van de quote schept alleen dan de moge-

lijkheid tot’een continuatievan de bestaande in- en uit-
voer, voor zover de ,,overall” betalingsbalansen van de

deelnemende landen min of meer in evenwicht zijn en
het beroep op de quote dus alleen nodig is voor het over-bruggen van seizoensschommelingen en toevallige tijde-

lijke
afwijkingen
van dit evenwicht.

V66r het totstandkomën van de E.B.U. was de mogelijk-
heid van een multilaterale verrekening uitsluitend beperkt
tot de compensatiemogelijkheden, die de zeer beperkte
verdragen van 1948 en 1949 boden en waardoor in feite
nooit meer dan een fractie van een procent van het inter-
Eui’opese handelsverkeer gedekt is geweest. In het jaar

.
1950/51 is dit percentage, dank zij de E.B.U., gestegen tot
ongeveer 3 en wanneer men de schommelingen binnen de

grenzen van het zgn. goudvrije gedeelte van de quotes
mederekent tot 5. Daartegenover bedroeg het percen-
tage van de internationale handel, dat noch bilateraal

noch multilateraal compenseerbaar was, nog altijd ca 8.
Weliswaar bedroeg dit percentage in de voorafgaande
periode ongeveer 12, maar wanneer men in aanmerking
neemt, dat het effect van de multilaterale clearing in

engerezin ongeveer 3 pCt is geweest, moet worden ge-
constateerd, dat de fundamentele onevenwichtigheden
in het inter-Europese verkeer niet noemenswaardig zijn
veranderd.\Ook al mag men aannemen, dat het volgend
jaar nogmaals belangrijke’ bedragen aan ,,initial balan-
ces” beschikbaar zullen worden gesteld, dan zal men
er toch rekening mede moeten houden, dat de andere

bronnen die dit eenzijdig gerichte verkeer hebben gevoed
(goud, ongebruikte quöta, bijzondere credieten) min-
der rijkelijk zullen vloeien dan in het afgelopen jaar. In
aanmerking nemende,’ dat op den duur ook de ,,initial

balances” zullen
verdwijnen,
zullen de deelnemers aan
de E.B.U. derhalve in toenemende mate voor de taak

komen te staan een (multilateraal) evenwicht op hun

betalingsbalansen te forceren. De omstandigheid, dat

de E.B.U. er in het afgelopen jaar in is geslaagd de drei-

gende verstikking van de multilaterale handel, die een
gevolg was van het uitgeput raken van de ,,swings”, af
te (venden, mag ons de ogen niet doen sluiten voor het

feit, dat een herstel van het inter-Europese. evenwicht

daarmede nog allerminst is bereikt.

Binnen het raam van een multilateraal, non-discrimi-natoir, handelsverkeer is dit alleen mogelijk door via het

begrotings- en credietm’dchanisme de resp. nationale

inkomens gecoördineerd. (al naar een land ,,overall” de-
biteur of ,,overall” crediteur is) te verkleinen of te ver

groten. De technische ‘structuur van de E.B.U. kan als

zodanig hiertoe maar’ weinig bijdragen. Noch de debi

teringen, noch de voorgeschreven goudbetalingen van

de debiteurlanden, evenmin als de daartegenoverstaande

crediteringen van en göudbetalingen aan crediteurlanden,
Jiebben daartoe een voldoende credietbeperkend resp.

cr,dietverruimend effect. Aangezien de .Unie voor vor

deringen op een debiteurland geen schatkistpapier van

dit land mag kopen, zullen debiteringen door de Unie

weliswaar ‘leiden tot koopkrachtvermindering in het
debiteurland (resp. crediteringen door de Unie tot koop-

krachtvermeerdering in het crediteurland), doch deze
wijzigingen in de b’innerilandse koopkracht zijn popor-
tioneel, niet cumulatief. Hetzelfde geldt met betrekking

tot de goudbetalingen, nu het goud niet langer – zoals

eertijds onder de gouden standaard’ – de basis vormt’
van een meervoudige geld- en credietstructuur. Daar-
mede is echter tevens gezegd, dat de E.B.U. geen krachten
in het lèven roept, dié automatisch tot een herstel van

evenwicht, zullen leiden, wanneer dit door welke oo’rzaak
ook is verstoord of van de aanvang af heeft ontbroken.

De ervaring heeft nI. geleerd, dat bij een verstoring

van het evenwicht op de betalingsbalans .- voor zover die niet voortvloeit uit oorzaken, die op zich zelf weer
tot een tegengestelde beweging zullen leiden – een daar-

aan gelijkstaande beperking van de binnen1ande koop-

kracht niet voldoende is om het evenwicht te herstellen.
Dit is begrijpelijk, want het feit van de verstoring “an het
evenwicht zelf impliceert een verandering in de ruilvoet
tussen het binnenlandse en het buitenlandse geld. Een
vermindering van de binnenlandse koopkracht verbetert

de betalingsbalâns zowel via een verniindering van de
invoer als via, een vergroting van de uitvoer. Doordat
een vermindering van de binnenlandse koopkracht echter
ten de
J
e een vermindering van de vraag naar binnenlandse
producten ten gevolge heeft, zal het effect op de invoer
bij de koopkrachtvermindering achterblijven. Voor zover

de vermindering van de vraag naar binnenlandse prö-
ducten productiemiddelen vrijmaakt voor de export,
zal deze alleen kunnen worden gerealiseerd tegen lagere
prijzen. Volgens berekeningen, die zijn gemaakt zowel voor Nederland als voor Denemarken, zal voor het ver

krijgen van een effect x op de betalingsbalans een vermin
dering van de binnenlandse koopkracht nodig zijn van
ongeveer 14 x. Het is op zijn minst genomen waar-
schijnlijk, dat deze verhouding nog ongunstigef zal iijn

wanneer zoals in de meeste andere landen het geval is
de buitenlandse handel in verhouding tot de binnen-
landse markt kleiner is dan inNederland en Denemarken.
Voor het verkrijgen van evenwicht in het internatio-

nale verkeer zal ‘onder het stelsel van de E.B.U. dus altijd
een actievë begrotings- en credietpolitiek van de deel-
nemende landen nodig zijn ter ondersteuning van het
initiële maar onvoldoende automatisme. Het positieve
element van de E.B.U. beperkt zich in dit opziht uit-
sluitend tot het toezicht, dat zij op de ontwikkeling uit-
oefent en de aanbevelingen, die zij op eigen gezag kan doen.

In gevallen nl. waarin een deelnemer zijn quote gëheel
heeft uitgeput en zelfs in gevallen, waarin zulk een uitputting

18 Juli 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

531

in de nabije loekornst dreigt, heeft de Raad van Bestuur

van de E.B.U. de bevoegdheid een onderzeek in te stellen
naar de oorzaken van deze evenwichtsverstoring, welk

onderzoek kan leiden tot een nader overleg met en zonodig
tot het uitoefenen van pressie op het desbetreffende land

door het doen van aanbevelingen t.a.v. de door dit land te
nemen maatregelen. Een dergelijke procedure heeft zich
in het afgelopen jaar reeds voorgedaan zowel t.a.v. een land,

dat als debiteur zijn quote had uitgeput (Duitsland) als

t.a.v. een land, dat eenzijdig als crediteur zijn quote• had

verbruikt (Portugal).

Het is in de moderne geschiedeni van West-Europa

nog niet eerder voorgekomen, dat de gezamenlijke West-

europese landen niet alleen rekening en verantwoording hebben gevraagd aan dergelijke evenwichtsverstoorders maar t.a.v. de doordie landen te volgen politiek zelfs tot

min of meer positieve voorschriften zijn gekomen (interne
maatregelen in Duitsland, verdere credietverstrekking aan
de E.B.U. op fifty/fifty basis door Portugal). De betekenis
hiervan kan – dunkt mij – moeilijk worden overschat.

De omstandigheid, dat juist Duitsland het eerste land

is geweest, dat zijn quote had uitgeput, heeft het in zekere
zin gemakkelijk gemaakt deze eerste stap op de weg naar
een werkelijke Europese integratie te doen. Het is de vraag,

of men t.a.v. andere landen zo licht tot gemeenschappelijke

maatregelen zou zijn overgegaan (Prof. Röpke heeft hier terecht op gewezen). Nu echter eenmaal deze eerste stap

is gezet, lijkt de verwachting gewettigd, dat men ook in
de toekomst hiervoor niet zal terugdeinzen, wanneer dit
bij andere landen nodig mocht blijken. Reeds het vooruit-
zicht, dat een regering zich t.a.v. haar economische en
financiële politiek zal hebben te onderwerpen aan een
onderzoek door en een verantwoording aan een internatio-

nale instantie, zal niet nalaten haar politiek te beïnvloeden.
Ons eigen land zou men hierbij als voorbeeld kunnen
noemen. De regeringsverklaring over de te nemen maat-
regelen ter bestrijding van de miandelijks. terugkerende

tekorten op de betalingsbalans – welke telorten niet alleen
de aan ons land over 1950/51 toegekende ,,initial.aid”
hebben doen ‘erdwijnen maar ons bovendien tot in de
vierde zône van onze quote hebben gebracht – dient onge-twijfeld tegen deze achtergrond te worden beoordeeld.

De eisen die men iiioet stellen t.a.v. de verdere ontwikkeling.

Intussen legt een ontwikkeling als hierboven geschetst
aan de E.B.U. de verplichting op tot het zich zetten aan
een verantwoorde classificatie van de mogelijke oorzaken van evenwichtsverstoringen en het stellen van zekere nor-

men t.a.v. de in
A
verschillende gevallen te nemen maat-

regelen.
Het is nu eenmaal zo, dat ieder betalingsbalanstekort en

ieder betalingsbalanssurplus’ van een land tot op zekere hoogte mede afhankelijk is van de door de andere deel-
nemers gevolgde politiek, zowel wat betreft de handels-

politiek in engere zin als wat betreft de gehele interne be-
grotings- en monetaire politiek.
De verhoudingen liggen betrekkelijk eenyoudig wanneer
één land duidelijk een infiatoire politiek volgt te midden van een min of meer evenwichtige groep. Het .probleem

wordt echter gecompliceerder, wanneer de verstoring van
de betalingsbalans van een land mede wordt veroorzaakt
door onvoldoende liberalisatie van de handel van de
andere landen en/df wanneer deze andere landen zelf een
min of meer deflatoire politiek zouden volgen. Er ontstaan
dan problemen, die redelijkerwijze niet eenzijdig maar
slechts in gemeenschappelijk overleg kunnen worden op-

gelost.

Het valt niet te ontkennen, dat de liberalisatie zoals die
tot nog toe heeft plaatsgevonden in sommige landen een
veel grotere reële.betekenisheeft -gehad dan in andere lan-
den. Verschillende oorzaken zijn daarvoor aan te wijzen.

.Reedsthet enkele feit, dat de liberalisatie zich uitsluitend

heeft beperkt en formeel ook wel moest beperken tot de

particuliere handel, betekende, dat het effect van deze liberalisatie groter zou zijn in landen, waarin de over-

heidsaankopen een relarief geringe rol spelen (zoals bijv.

in Nederland met 33 pCt) dan in landen waar de overheids-
aankopen nog altijd een aanzienlijk deel van de invoer

bestrijkeri (zoals Engeland met 26,8 pCt en Frankrijk met

23 pCt).

Een tweede omstandigheid van betekenis is, of een land
behalve zijn physieke contrôles ook nog sterk protectio-

nistische tarieven heeft (Italië, Frankrijk). Vöor zover dit
het geval is, heeft zulks ten gevolge, dat men daar wel ten

volle kan profiteren van de toegenomen uitvoermogelijk-‘

heden, doch hiertegenover geen gelijkwaardige vergroting
van de invoermogelijkheden stelt.
Nog subtieler is het geval, wanneer de vra.g naar de

geliberaliseerde invoer in een land belangrijk intensiever is

dan de geliberaliseerde buitenlandse vraag naar zijn uit-

voerprod ucten.

Het kan niet worden ontkend, dat de E.B.U. aan een

duidelijke probleemstelling t
:
a.v. de hier aangeduide vragen
nog nauwelijks is toegekomen, laat staan dat zij tot een
enigszins verantwoorde oplossing zou zijn gekomen. Waar
de omstandigheden haar voor dergelijke vragen stelde, is

de oplossing telkens ad hoc gezocht en meer langs de weg
van politieke onderhandelingen dan op grond van prin-
cipiële overwegingen tot stand gebracht. Hierin verade-
• ring te brengen is een eerste en gebiedende eis.

Deze eis zal zich, steeds dringender gaan stellen naarmate de Marshall-hulp minder wordt. Verschillende deelnemende
landen hebben tot nog toe het evenwicht op hun betalings-
balans slechts met E.C.A.-hulp en met steun van invoer-
contingenten kunnen verwézenljken. In het inter-Europese
verkeer is nu althans een begin gemaakt met het vermin-
deren van deze physieke contrôles. In het verkeer met het
dollargebied is echter op dit punt nog niets veranderd.
Voor zover er deelnemers zijn, die door de aard van
hun invoer reeds thans zonder E.C.A.-hulpen zonder
invoerbeperkingen een evenwicht niet het dollargebied hebben bereikt of kunnen, bereiken, zullen deze landen
niet het aflopen van de Marshall-hulp steeds meer de
sluizen worden, waardoor de andere Westeuropese landen
• hun behoefte aan Amerikaanse goederen, nadat deze een
meer of minder verdergaande bewerking (of schijnbewer-
king) hebben ondergaan, zullen trahten te dekken. De
-hierdoor dreigende evenwichtsverstoringen in het inter-
nationale verkeer zullen slechts op 2 manieren kunnen
worden ondervangen: a. door het gelijkschakelèn van de
handelspolitiek van alle deelnemende landen t.o.v. het
dollargebied, in aansluiting aan de politiek van de landen
waar zich de dollarschaarste het sterkst doet gevoelen,
hetgeen om vele redenen nauwelijks op het’ terrein van de
directe mogelijkheden ligt; b. door een dusdanige defla-
toire politik in de landen, die tot nog toe Marshall-hulp
kregen, dat ook zij daardoor een ,,overall” evenwicht op
hun betalingsbalans krijgen. Voor zover zij dan toch nog
een tekort aan dollars zouden overhouden,
impiiceert
dit
dat zij een surplus verkrijgen aan valuta’s van andere.
Europese landen, hetgeeii op zijn beurt inhoudt dat laatst
bedoelde landen, indien ook hun ,,overall” betalingsbalans in evenwicht is, een surplus aan dollars zouden verdienen.
ractisch gesproken veronderstelt dit een toestand, waarbij
niet name het pond sterling vrij in dollars converteerbaar
is en het probleem van de Westeuropese dollarschaarste
is opgelost. Een politiek, die dit uitsluitend zou willen
bereiken door het creëren van kasoverschotten op de be-
groting en door credietrestricties, is echter niet denkbaar
zonder ernstige interne ,verstoringen en werkloosheid, en
zal zelfs dan nog in vele landen niet tot het beoogde resul-taat leiden.
Een bevredigende oplossing lijkt alleen mogelijk door

532

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

18 Juli 1951

een zeer
geleidelijke
ontwikkeling in
beide
sub!
a. en b.

genoemde richtingen; een dergelijke geleidelijkheid veron-

derstelt intussen, dat de Verenigde Staten vooreerst nog

bereid
blijven
tot verdere hulp.

Wat deze verdere hulp van de Verenigde Staten betreft,
kan met verheugenis worden geconstateerd, dat President

Truman op 24 Mei ii. het ,,mutual security program”

bij het Congres heeft ingediend, waarin een appropriatie

van $
8,5
mrd (uitsluitend in de vorm van schenkingen)

voor militaire en economische hulpverlening aan het

buitenland wordt aanbevolen. Hiervan zou $1,65 mrd

zijn voor economische hulp ‘en $ 5,24 mrd voor militaire
hulp aan Europa.

De, enorme
prijsstijging
in de Verenigde Staten in ver-

band met de bewapening ten gevolge van het Korea-conflict

heeft overigens het vraagstuk van de Westeuropese dollar-

schaarste, althans voorlopig, minder dreigend gemaakt dan
men een jaar geleden nog had kunnen verwachten. Dit

ontslaat de E.B.U. echter niet van de taak haar aandacht

aan dit vraagstuk, dat zich ten allen
tijde
met vernieuwde

scherpte kan- aandienen, te wijdet

De E.D.U.is in zee gegaan zonder dat men het heeft
gewaagd de hierboven schetsmatig aangeduide problemen

van’S te voren aan een werkelijk serieuze bestudering te
onderwerpen, laat staan’ dat men getracht heeft daarover

bij voorbaat tot overeenstemming te komen.. Sommige

vertegenwoordigers in het
voorbereidend
cmité hadden

hierover wel zeer simplistische opvattingen; anderen waren

reeds veel te blij dat met het totstandkomen van de E.B.U.

de dreigende ineenschrompeling van het inter-Europese
handeisverkeer althans voor de naaste toekomst kon wor-

den voorkomen enhebben er verder maar op gespeculeerd,.
dat de ,,initial balances” en de quotes groot genoeg zouden

blijken om de moeilijkheden zo lang op te vangen totdat

met de tijd ook de ervaring en de wij sheid zou zijn gekomen.

Wanneer wij ons thans na 1 jaar E.B.U. afvragen hoever

.deze ervaring inmiddels is gegroeid, en op welke
wijze
meh

de reeds gerezen pr’oblemen tegemoet is getreden, kan men

misschien onvoldaan maar toch niet geheel ontevreden zijn.

De E.B.U. is geen mechanisme, dat eenmaal in werking

gesteld, automatisch verder loopt. Integendeel, wanneer

men uitsluitend op dit mechanisme zou vertrouwen, zal

zij automatisch vastlopen. De E.B.U. is veeleer een orga-
nisme waarvan de wortels met de plant tezamen moeten

groeien. Niet in de eerste plaats de ingeniositeit van het

schema, maar veeleer de mate van inzicht in de oorzaken

van bepaalde verstoringen en de mate van begrip voor

de beperkte
mogelijkheden
van enkelvoudige oplossingen

en bovenal de bereidheid tot samenwerking zullen op den
duur de levensmogeljkheid en de waarde van de Europese

Betalingsunie bepalen.

Amsterdam.

S. POSTHUMA.

Enkele politieke . aspecten win het Schuman-plan

De heer A. A. vân Amerinen heeft onlangs in een twee-

tal artikelen in dit blad zeer lezenswaardige beschouwi.ngen
gewijd aan de economische paragrafen van het Schuman-
verdrag’). Vanwege de, grote diversiteit van de belangen,

die bij het Schuman-plan betrokken zijn, is het wellicht

de moeite yaard om ook de aandacht te vragen voor en-
kele kanten van het vraagstuk, die naast economische

en sociale elementen ook een s,terk politiek aspect hebben.
Een nadere overweging van de politieke aspecten is voor
een zo goed mogelijke beoordeling van het verdrag van
grote betekénis, omdat de politieke vraagstukken, die

bij de ten uitvoerlegging van het verdrag in het geding
zullen komen ten minste even belangrijk zijn als de eco-
nomische vraagstukken en vermoedelijk zelfs belangrijker.

Het is waarschijnlijk algemeen bekend, dat Ministe

Schuman (en de geestelijke
.
vader van het plan: Monnet)

bij het lanceren ‘van het plan een politiek doel nastreefden:

het wegnemen van de eeuwenoudc tegenstelling tussen Frankrijk en Duitsland om zodoende de basis te leggen
voor een gemeenschap tussen de Westeuropese volkeren.
In de preambule van het verdrag is deze gedachte als volgt

vastgelegd: ,,Résolus A substituer aux rivalités séculaires
une fusion de ‘leurs intéréts essentiels, â fonder par lin-
stauration d’une communauté économique les premières
assises d’une, communauté plus large et plus profonde

entre des peuples longtemps opposés par des divisions
sanglantes, et â jeter les bases d’institutions capables
d’orienter un destin désormais prtagé”. De preambule

brengt tevens tot uitdtukking, dat het chronologisch eerste
middel, dat toegepast moet worden om het.vermelde Po-
litieke doel te verwezenljken, economisch van aard’ is,
namelijk: ,,l’établissement de bases communes de déve-
loppement économique”. Het Schuman-verdrag is in dit
licht bezien niet alleen de ‘basis om te geraken tot een ,,Communauté Européenne du Charbon et de l’Acier”,
maar ,daarenboven een kristallisatiépunt, waaromheen-

5)
Zie: ,,Enkele economische facetten van het plars-Schuman”, in ,,E.-S.B.”
van 27 Juni en 11 Juli 1951.

naar men hoopt de eenwording van Europa geleidelijk

tot stand zal komen
2
).

Het is dus duidelijk, dat d’ politieke doelstelling domi-

nerend is en mitsdïen is de vraag van belang of het verdrag,
dat thans aan de parlementen der zes, landen ter rati-

ficatie wordt voorgelegd, bruikbaar is voor de verwezen-
lijking van de politieke doelstelling. Alvorens iets nader

op deze vraag in te gaan, zij er op gewezen, dat dit initia-
tief qua breedheid van visie- én diepte van conceptie in
zekere’zinop een lijn gesteld kan worden met het Marshall-
plan ‘en het Noord-Atlantisch Pact, ook al is de wer-
kingssfeer van het Schuman-plan – althans in eerste

aanleg – minder vérstrekkend. Het stemt dan ook hoop-
vol, dat de zes delegaties, die de besprekingen gevôerd heb-
ben,, doorlopend vervuld zijn geweèst van de zeer stellige
wens om de onderhandelingen te doen slagen en om een
verdrag tot stand te brengen dat in de praktijk uitvoerbaar
zou zijn. Hoe serieus men daarbij de economische zijden
van het onderhavige complex’ van vraagstukken heeft
trachten te analyseren blijkt o.a. uit de daaraan gewijde

beschouwingen van de heer Van Ameningen. Ook de ove-
rige delen van het verdrag en met name de samenstelling,
de competenties en het onderlinge verband van de organen
der Communauté, zoals de Hoge Autoriteit, de Raad van
Ministers, de Assemblée, het Hof van’ Beroep etc. zijn
ernstig doordacht en tot een uitgebalanceerd en tot in
‘details uitgewerkt geheel geworden.
Het spreekt vanzelf, dat men van mening kan verschillen
over de vraag of gommige
bepalingen
van het verdrag wel
in -overeenstemming zijn met de grondbeginselen en met
andere bepalingen van het verdrag. Al deze discussies
hebben tijdens de voorbereiding van het verdrag reeds tot

2)
wij
zullen in dit artikel niet nader ingaan op de overigens zeer inte-
ressante vraag in hoeverre de integratie van Europa inderdaad door bedrijfs-
taksgewijze ,Schumanisering” kan plaatsvinden, dan wel langs andere weg nagestreefd moet worden. Naar onze mening zal ,,Schumanisering” zonder
– gelijktijdige oplossing van het betalingsbalansprobleern en zonder een reeks
van andere maatregelen, zoals vergroting van de,mobiliteit van de arbeid,
uniformering van belastingstelsels etc., slechts in beperkte mate toepasbaar
zijn.

.18, Juli 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

533

in den treure plaatsgevonden en zij hebben in de een of

andere vorm hun neerslag in het verdrag gevonden. Het

verdrag, dat thans op ratificatie
)
wacht, kan dan ook

worden opgevat als de beste ,,guess”, van de zes landen
van datgene, wat nodig is om de Comniunauté voor

kolen en staal mogelijk te maken. Met deze ,,guess” zal

thans de sprong inhet duister moeten worden gedaan.
Beziet men uitsluitend de vraagstukken, die op economisch

terrein door dç organen der Communauté behandeld

moeten worden, dan blijkt de omvang van de taak van
de organen der Communauté al• zeer indrukwekkend
te zijn. Realiseert men zich echter bovendien welke poli-

tieke implicaties deze vraagstukken meebrengen, dan wordt

het eerst recht duidelijk, dat – ho uitgewerkt en door-

dacht het verdrag ook moge zijn – het starten van de
Communauté een sprong in het duister is. Juist doordat

het van zo eminent belang is, dat deze sprong tot een

succes wordt, is het gewenst, dat ‘ men zich rekenschap tracht te geven van de verschillende politieke moeilijk-

heden, die kunnen rijzen bij de uitvoering van het verdrag.
In het hiernavolgende zal getracht worden enkele van

deze politieke moeilijkheden met een enkel woord te
schetsen.

Het is a1gemeen bekend, dat grote delen van de Bel-
gische kolenmijrrbouw in een deplorabele toestand ver-
keren. Talloze mijnen iouden in de huidige omstandig-
heden niet in staat zijn op eigen.kracht, een buitenlandse
concurrentie het, hoofd te bieden. Zelfs al laat men die

mijnen buiten beschouwing, die weer renderend zouden’
worden bij een devaluatie van de Belgische franc met

bijvoorbeeld 15 â 20 pCt, dan zal toch een aanzienlijk deel
van de mijnbouw in België onrenderend blijven. Ten dele

zullen deze onrendabele mijnen in de overgangsperiode – die verlopen zal voordat zij in het kader van het Schu-man-verdrag blootgesteld worden aan de volledigé con-

currentie uit andere Schuman-landen – door samen-
voeging, rationalisatie en mechaniserin, wellicht weer op
een meer of minder lonende basis gebracht kunnen worden.
Het is echter wel zeker, dat in enkele districten een niet’

onaanzienlijk gedeelte van de mijnbouw ook na een lange
overgangsperiode niet in staat zal zijn een vrije inter-
nationale concurrentie het hoofd te bieden. Volgens de
beginselen van het verdrag dienen deze mijnen gesloten te
worden. Dat het daarmee gepaard gaande massa-ontslag
van mijnwerkers tot grote sociale en politieke moèiljkheden
in België zou voeren, is duide1jk Dit is weliswaar in de
eerste plaats een interne Belgische aangelegenheid, maar

dit neemt niet weg, dat de Hoge Autoriteit ongetwijfeld
bij het uitstippelen van haar beleid ernstig met dergelijke
consequenties rekening zal moeten houden. Het heeft
wellicht de schijn, dat dit overdreven is. Men bedenke
daarbij echter het volgende. Voor een duurzame .goede
voorziening van West-Europa met kolen is het nood-
zakelijk, dat een ,aantal nieuwe, mijnen geoper)d wordt.
De meeste van deze mijnen zullen wêl in het Ruhrkolen-
bekken moeten komen, daar dit bekken de meeste expansie-
mogelijkheden biedt. Deze uitbreiding zal echter hoogst-
waarschijnlijk alleen verwezenlijkt kunnen worden, indien
de Hoge Autoriteit, op grond van de haar in het verdrag
verleende bevoegdheden, haar bemiddeling verleent bij de..
financiering van deze projecten. Politiek ontstaat dan de figuur, dat de Hoge Autoriteit maatregelen neemt, waar-
door de Duitse kolenproductie wordt vergroôt en het
voortbestaan van een reeks Belgische (en wellicht ook
Franse) mijnen onmogelijk wordt. Dat een dergelijke gang
van zaken – hoe juist en verantwoord die uit Europees
oogpunt ook moge zijn – belemmerd of zelfs gefrustreerd
zou kunnen worden door nationaal politieke factofen,
is zonder meer duidelijk.

Een anakog vraagstuk doet zich voor, wanneer men
het oog richt op de Italiaanse staalindustrie. Door de

uitermate ongunstige ligging van Italië ten opzichte. van

de grondstoffen (kolen en/of cokes moeten uit de Ruhr

komen, eigen ertsen heeft Italië slechts in ‘zeer beperkte

omvang, terwijl ook het benodigde schrot voor een groot gedeelte ingevoerd moet worden!) heeft de staalindustrie

in dat land zich alleen kunnen ontwikkelen achter zeer

hoge tariefmuren. Het is voor’ elke insider dan ook een

vaststaand feit, dat de Italiaanse staalindustrie ,bij Vrije

internationale concurrentie gedoemd zou zijn te verdwij-
nen. In het verdrag zijn dan ook enkele bepalingen opge-
nomen, die de Hoge Autoriteit de bevoegdheid geven
om de Vrije concurrentie te mitigeren en deze bepalingen

zijn vooral opgenomen met het oog op de positie van de

Italiaanse staalindustrie. De Hoge Autoriteit zal dus door
de mate, waarin zijvan deze bevoegdheden gebruik.maakt,

de grootte van de Italiaanse staalproductie vérgaand
kunnen beïnvloeden’. Daarmee bepaalt de Hoge Autori-
teit echter niet alleen, de pôsitie van de Italiaanse staal-
industrie, maar tevens tot op zekere hoogte de positie
van de metaalverwerkende industrie in Italië. Immers,

staat zij viade bovenbedoelde bepalingen toe, dat het prjs
niveau voor staal in Italië hoger komt te liggen dan’in
de andere Schuman-landen, dan creëert, resp. bestendigt
zij een achterstand van de Italiaanse metaalverwerkende

industrie ten opzichte van die in de overige Schuman-
landen.

Ook zonder Schuman-verdrag zouden de geschetste
moeilijkheden van de Belgische mijnbouw en de Italiaanse
staalindustrie bestaan. In zoverre verandert er dus niets
,. door het Séhu’man-verdrag. Tot dusverre waren dit echter
moeilijkheden, die de betreffende landen zelf maar moesten
oplossen…..of laten voortbestaan. De Hoge Autoriteit
is echter een supra-nationaal lichaam en moet mitsdien
bij haar beleid uitgaan van de belangen der geiheenschap.

In gevallen als de twee bedoelde is het verrre van denk-
beeldig, dat zij derhalve een andere politiek zal voeren dan
de nationale regeringen gedaan zouden hebben en ‘dan
rijst de vraag hoe in de praktijk lid 2 van Artikel 2 van
het verdrag toegepast zal worden. Dit lid luidt als volgt:
,,La Communauté doit réaliser. l’établissement progressif
de conditions assurant par elles-mêmes la répartition la
plus rationelle de la production au niveau de productivité
le plus élevé, tout en sauvegardant la continuité de l’em-
ploi et en évitant de provoquer, dans leg’ économies des
Etats membres, des troubles fondamentaux et persistants”.

Wij stoten ier op twee cardinale vragen: de taakver’

deling tussen de Hoge Autoriteit en de Raad van Mi-
nisters en de samenstelling van de Hoge Autoriteit, De
Hoge Autoriteit krijgt volgens het verdrag grote bevoegd-
heden – volgens sommigen zelfs veel te grote bevoegd-
heden – doch in vele gevallen kan ‘zij deze bevöegdheden slechts uitoefenen in overleg met of met goedkeuring van
de Raad van Ministers. Dit samenspel van Hoge Autori-

teit en
t
Raad van Ministers is in het verdrag vastgelegd

om de harmonisering vaR het beleid van de Hoge Autori-teit met de economische politiek der deelnemende landen
te verzekeren. De vraag rijst echter of wellicht te zijner
tijd zal blijken, dat door het streven naar voldoende waar-
borgen de balans.niet te ver doorslaat en dat m.a.w. de
macht van de Hoge Autoriteit niet voldoende zal zijn

om. beslissingen door te zetten tegen de ‘publièke opinie
in een of meer landen.in..

De tweede cardinale vraag sluit hier direct bij aan.
Zal het overleg over de samenstelling van de Hoge Au-
toriteit er inderdaad toe voeren, dat dit college zal bestaan
• uit mannen met voldoende karaktervastheid en politiek ,,’en economisch inzicht om hun supra-nationale taak op
passende wijze te vervullen? Wij denken hierbij o.a. aan
de mogelijkheid, dat de candidaat of candidaten door
een land voorgesteld voor een of meer der andere landen

om de een of andere reden niet acceptabel zijn en vice
/

534

ECONOMISCH-STATISTiSCHE BERICHTEN

18 Juli 1951

vera, met als eventueel gevolg een compromis door de

benoeming van kleurloze figuren.

Wij willen niet langer bij deze cardinale vragen stil-
staan. Alleen de praktijk zal hier uitsluitsel kunnen geven.

Liever richten wij onze aandacht op enkele andere poli-

tieke aspecten van het plan. Naast een aantal punten,
die alleen voor bepaalde landen van belang zijn, zoals de

geschetste Belgische en’ Italiaanse moeilijkheden; erft de

Hoge Autoriteit waarschijnlijk ook nog enkele problemen

van veel wijdere strekking. Wij denken hierbij aan de

werkzaamheden van de Ruhrautoriteit en aan de situatie,

die in Duitsland geschapen wordt door de zgn. Law 27

van de Geallieerde Hoge Commissie.

De Ruhrautoriteit houdt zich in hoofdzaak bezig met

de verdeling van de Duitse kolenproductïe tussen binnen-

land en export. Elke krantenlezer zal kunnen bevroeden,

welk een strijd elk kwartaal in de boezem van de Ruhr

autoriteit wordt uitgevochten bij de bepaling van de hoogte

van het exporttonnage. De Duitse gedç.legeerden betogen,

dat een zci groot deel van hun kolenproductie op grond
van de beslissingen van de Ruhrautoriteit geëxporteerd

moet worden, dat de totale Duitse economische activiteit

er op onverantwoorde wijze door beknot wordt en dat

het economisch onzin is, dat de Duitse staalindustrie
genoopt is dure Amerikaanse kolen in te voeren en te,ver

werken, omdat zoveel Duitse kolen geëxporteerd moeten

worden. Andere leden van de Ruhrautoriteit verdedigen
het omgekeerdé standpunt ën wijzen er op, dat de econo-mische activiteit in hun land in vérgaande mate afhanke-
lijk is van de invoer van Duitse kolen. Het ligt niet op
onze weg om een oordeel uit tespreken over de redelijk-

heid van de beslissingen van de Ruhrautoriteit. Wat in

verband met het Schuman-verdrag relevant is, is dat de
Ruhrautoritcit met het in werking treden van het Schuman-

verdrag zal ophouden te bestaan en dat dan de organen

van de Comrnunauté misschien de allocatie van de Duitse
kolen ter hand moeten nemen. Zolang kolen in Europa
schaars zijn en ‘Duitsland de enige grote exporteur in

West-Europa is, betekent dit in feite, dat de Hoge Autori-

teit – al of niet in overëenstemming met de Raad van
Ministers – een doorslaggevende stem heeft bij de bepaling
van de relatieve hoogte van de totale industriële activiteit
van Duitsland 4n van die landen, die voor hun kolen-
voorziening in belangrijke mate op Duitsland zijn aange-

wezen. Het zal dan ook verstandig zijn er rekening mee

te houden; dat de scherpe belangenconflicten, die invloed
uitoefenen op de beslissingén van de Ruhrautoriteit, zich
te zijner tijd ook in de een of andere vorm geldend gullen
trachten te maken bij een eventuele allocatie door de
Comniunauté.

Wij vermeidden voorts reeds even de erfenis, die de Hoge
Autoriteit zal krijgen uit hoofde van Law 27. Deze wet van
de geâllieerde Hoge Commissie heeft als voornaamste
doel de bestaande grote Duitse concerns in de kolen-

en .ijzer- en staalindustrie uiteen te breken in een groot

aantal eenheden, die stuk voor stuk te klein zijn om een

economische en politieke machtsconcentratie te vormen.

in zekere zin parâllel daarmee loopt het streven de vorming
van machtsposities via kartellering onmogelijk te maken.

Het is begrijpelijk, dat aan geallieerde zijde de wens be-

stond de doncentratie van zeggenschap over de Ruhr-

industrie – in dit verband omschreven als de wapensmidse

van Europa – op te lossen. Even begrijpelijk is, dat van

Duitse zijde in’Law 27 en in de ontmanteling van fabrieken,
die naast en los van Law 27 heeft plaatsgevonden, vooral

een poging werd gezien van de Geallieerden om een lastige

concurrent düurzaam te verzwakken. Het heeft weinig
zin hier dieper in te gaan op deze tegenstellingen. Het

gaat er alleen om vast te stellen, dat in verschillende landen

om militaire en/of economische redenen zeer uiteenlopende

opvattingen bestaan omtrent de meest gewenste grooite en

de structuur van de Ruhrindustrie. Neemt men-verder

in aanmerking dat de meeste OEEC-landen, dank zij de
Marshall-hulp in de afgelopen jaren met voortvarendheid

de modernisering en ten dele de vergroting van hun staal-

industrie ter hand konden nemen en dat West-Duitsland
dit tot dusverre in veel geringere mate kon doen, dan is

het duidelijk, dat men van Duitse zijde zijn hoop op de

Hoge Autoriteit heeft gevestigd voor de steun, die nodig

is om de Ruhrindustrie te moderniseren. De Hoge Autori-
teit zal ongetwijfeld spoedig na haar optreden voor, het

vraagstuk van de modernisering en uitbreiding der Duitse

staalindustrie worden geplaatst. Het zal, ,gezien de vele
nationale en internationale economische, politieke en
militaire belangen, die dan geactiveerd worden, uiterst

interessant zijn te zien, welke politiek de Hoge Autdri-

teit zal willen, resp. zal kunnen voeren.

In het voorgaande is getracht met enkele voorbeelden
aan te tonen, dat bij de verwezenlijking van de Commu-
nauté de Hoge Autoriteit belast is met een aantal moeilijk

verteerbare erfenissen uit het verleden, terwijl de Hoge
Autoriteit voorts, g’&zien het zeer grote belang van de onder

haar gezag geplaatste sectoren van het economisch leven,

bij haar beleid zich telkens weer geplaatst zal zien voor
de repercussies van haar beslissingen en maatregelen op
het totale economische leven der deelnemende landen en op dat va’n een aantal andere landen.

in hodverre de Hoge A’utoriteit deze moeilijkheden

zal kunnen overwinnen zal voor een niet gering gdeelte

afhangen van hetpolitieje getij in Europa. Blijft de over-
tuiging, die tijdens de on4erharidelingen over het Schuman-
plan bij alle betrokkenen bestond, ni. dat in redelijk over-

leg een positief resultaat bereikt moest
wordçn,
ook in
de komende jaren bestaan – zowel op het economisch-
sociale als op het politieke plan – dan is de kans op uit-
eindelijk succes groot. Neemt de politieke druk echter af

en verschuift het accent om welke reden dan ook naar
de nationale belangen, dan is het zeer de vraag of een Hoge
Autoriteit, hoe capabel ook, succes zal weten te bereiken.

Beverwijk.

P. L. JUSTMAN JACOB.

Het Kolencomité van de
Ô.E.E.C.;
verhouding tot

het plan-Schuman

Inleiding.
Uiteraard beperkt zich dit onderwerp tot de kolensec-

tor, een sector, die in de laatste jaren – meer dan ooit
– in het brandpunt van de belangstèlling heeft gestaan.
Het kolenvraagstuk zal voor de economie van ons land
ook in de toekomst steeds bijzondere belangstelling op-
eisen, daar immers vaststaat, dat het verbruik van brand-

stoffen door de bevolkingstoeneming en de voortschrij- –

dende industrialisatie de productie steeds meer zal over-
treffen, zodat Nederland blijvend aangewezen zal zijn
op belangrijke invoer van brandstoffen. Het verkrijgen
van voldoende importen gaat op het ogenblik met zeer
veel moeilijkheden gepaard, omdat in de meeste andere
kolenproducerende landen in Europa thans eveneens
het verbruik tot zulk een hoogte is gestegen, dat de eigen productie veelal maar juist voldoende is om dit te dekken

18 Juli 1951

ECONOMISCH-SL’ATISTISCHE BERICHTEN

535

en voor de export beschikbare hoeveelheden sinds het

vorige jaar sterk zijn gedaald. Het Koreaanse conflict

en de daarmee gepaard gaande herbewapening hebben de
verhoudingen op de Westeuropese kolenmarkt volkomen
verstoord. Bleek een jaar geleden bij de organen, die
zich met de allocaties en met anlere vraagstukken op

deze markt bezig hielden, de E.C.E.’) te Genève en de

O.E.E.C.
2
) te Parijs, dat in Europa een kolendeficit plaats
ging maken voor een kolenoverschot, alras kwam hierin
verandering. Engeland heeft zijn exporten drastisch ver-
laagd, Duitsland tracht het exportkwantum regelmatig
verlaagd te krijgen, Polen heeft zijn prijzen tot boven de

Amerikaanse opgevoerd, zodat men zich wel eens af-

vraagt, waar dat heen moet.

Er is weliswaar reden tot enige twijfel, of de opgaven,
die de landen moeten doen van de geraamde kolenbe-

hoefte, welke voor de verdeling van de beschikbare export-

kwanta dienen, wel in overeenstemming zijn met de wer-
kelijkheid, of ten’ dele dienen voor voorraadvorming:

Ook worden enige hoopvoile geluiden gehoord, die voor

spellen, dat er spoedig verlichting mag worden verwacht
in de algemene grondstoffenschaarste, daar het hoogte-
funt van de defensie-inspanningen weldra bereikt zou

zijn
3
).

• .Iooralsnog zal echter rekening moeten worden gehouden

met een schaarste aan brandstoffen in de Westeuropese
landen – die nu veer op grote schaal Amerikaanse
kolen moeten importeren tegen zeer hoge c.i.f.-prijzen –

en liet is vooral met het oog daarop, dat voor lichamen
als de E.C.E. en de O.E.E.C. een belangrijke taak te ver-
vullen valt!
• Het zou ongetwijfeld interessant zijn op een en ander
dieper in te gaan, doch in het kader van het voorgestelde
onderwerp zullen wij ons tot deze inleiding beperken en
thans nagaan, wat de taak is van de O.E.E.C. in het
algemeen en van het Ko1encoÏiit6 van dezeorganisatie
in het bijzonder.

O.E.E.C. – Kolencornité.

De lezer zal zich ongetwijfeld herinneren, dat de Or-
•ganisatie voor Europese Economische Samenwerking haar
ontstaan te danken heeft aan een oproep in 1947’van

Generaal George C. Marshall, destijds Minister van Bui-
tenlandse Zaken van de Verenigde Staten van Noord-
Amerika, die in het kader van een voorgesteld Europees
Herstel Programma (E.R.P. vierjarenperiode 1948-52) de Europese volken opriep het herstel van de door de

oorlog geslagen’wondeft te zoeken in een nauwe samen-
werking, gedachtig aan het ,,eendracht maakt macht”.
De oproep vond weerklank bij practisch alle Europese
landen, met uitzondering van de Sowjet-Unie en de onder
haar invloedssfeer staande regeringen, en zo werd na

voorbereidende besprekingen op 16 April 1948 de O.E.E.C.
gevormd, waaraan thans 18 landen deelnemen.
Het was een verheugend vrschi’jnsel, dat bij de deel-neniende staten de overtuiging leefde, dat het uitgangs-

punt
2
,to work in close co-operation in their economic

relations with one another” de enige basis vormde om
uit de moeilijkheden te geraken. Verder niag worden ge-
constateerd, dat de gedachte voorzat, dat deze geest van samenwerking, waarbij elkanders problemen openhartig
zijn te bespreken, met het oog op de bevordering ‘van
het gemeenschappelijk welijn, niet bedoeld is zich te
beperken tot de periode, waarop de zgn. Marshall-hulp
van kracht is, nl. de jaren 1948-1952, aan het einde van
welke periode, naar gehoopt wordt, Europa weer econo-

‘) ,,Economic Commission for Europe (United Nations)” te Genève,
(mci.
Polen, Tsjechoslowakije, Hongarije, Finland en Joegoslavië, cxci. Spanje).
t)
,,Organisation for European Econonsic Cooperation” (excl. ‘Polen,
Tsjechoslowakije, Hongarije, Finland, Joegoslavië en Spanje).
3)
William Eott, leider E.C.A.-miaaic in Engeland.

misch voldoende hersteld zal zijn om het zonder directe

steun van Amerika te kunnen stellen. Gehoopt wordt,

dat deze geest van verbondenheid zich ook nadien zal

blijven manifesteren. Het gaat ‘er om het economisch even-

wicht en de financiële stabiliteit van Europa
blijvend
te

herstellen.

De ,,Council” (Raad) is het hoogste orgaan van de

O.E.E.C. Voorzitter hiervan is thans Mr Stikker, onze

Minister van Buitenlandse Zaken. Deze Raad wordt bij-
gestaan door een uitvoerend Comité, alsmede door zgn.
horizontale en verticale commissies. Tn het kader van dit
artikel zijn alleen de verticale commissies van belang, daar hiertoe het Kolencomité behoort.- Zij zijn niin of

meer gespecialiseerd en beogen het bestuderen van een

specifieke tak van economische activiteit. Het ligt op

hun terrein alle mogelijke gegevens te verzamelen (zowel

statistische als andere), betrekking hebbende op productie,
verbruik, invoer, uitvoer, prijzen, enz. Deze commissies
bestaan uit vertegenwoordigers van ‘de betrokken landen,

deskundigen, die zich zowel technisch als economisch

bezig houden met alle problemen, welke zich op dit speci-

ale gebied voordoen.

Aan ‘de hand van door deze commissies verzamelde
gegevens wordt
;
in vaak moeizame besprekingen, vast-

gesteld wat de behoeften van de aangeslotèn landen zijn
en uit welke landen tekorten aan grondstoffen door im-

porten moeten worden gedekt.
Na samenvoeging van de programma’s der verschillen-

de sectoren werd getracht tot een verdeling van de toe-

gezegde Marshall-hulp te komen. Deze hulp betekende voor
vele landen, dia een catastrophe nabij waren, een beslis-
sende bijdrage voor de instandhouding van hun economie;

veel is sinds de stichting van de O.E.E.C. in de diverse landen op industrieel gebied tot stand gebracht kunnen
worden. Door het vergevorderd stadium van de Marshall-
hulp is de taak van de O.E.E.C. gewijzigd en thans spe-

ciaal gericht op de coördinatie van de economie yan de
aangesloten landen.
01

Alvorens nog iets te zeggen over het Kolencomité van
de O.E.E.C. moge worden opgemerkt, dat er veel over

eenkomst is tussen het streven van de O.E.E.C. en de doel-
stellingen, neergelegd in het plan-Schuman, waarover aan
het slot van dit artikel nog een en ander zal worden ge-

zegd.

Eind 1949 kon geconstateerd worden, dat de productie
en de interne finançiële positie van de aangesloten landen

belangrijk was verbeterd, doch het probleem van het
dollartekort bleef voor West-Europa in belangrijke mate
bestaan. Mede tot oplossing van dit probleem zag men
steeds meer in, dat het noodzakelijk is tot een nauwere
integratie van de economieën van de Mar5hall-landep
te geraken en de erkennning van deze noodzaak werd
belichaamd in twee besluiten, nl. dat van 2 November
1949: ,,the need to form a single large marketin Europe

in which goods and services could move Treely”, en het be-
sluit van 31 Januari 1950, zeggende dat de aangesloten
landen ,,should compare their financial, economic, social;

tariff and investrnent policies with the object of achievmg
such harmonisation as may appear necesary for arriving
at closer economic and monetary associations between

them”.
In het kort geleden gepubliceerde derde jaarlijkse rapport
van de O.E.E.C. wordt, naast een beschouwing omtrent
de vooruitgang, die in de Westeuropese landen te bespeu-
ren valt sinds het Marshall-plan werkt, een aantal maatre-

gelen aanbevolèn, die noodzakelijk zijn om de moeilijk-
heden, die door de spanningen, veroorzaakt door het
Koreaanse conflict, zijn’ ontstaan, het hoofd te kunnen
bieden. Deze maatregelen beogen o.a.: 1. een belangrijke vergroting ‘an de productie van grond-
stoffen, in het bijzonder die van kolen, ijzer en zwavel;

536

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

18 Juli 1951

een rechtvaardige verdeling van de schaare gfond-

stoffen over alle aangesloten landen;

de re’servering voor belangrijke doeleinden van de

sçhaarse grondstoffen, door het nemen van maatre-

gelen, waartoe in gemeenschappelijk overleg besloten
wordt.
Ook het Kolencomité heeft bij het beramen van middelen

om elk dezer maatregelen in toepassing te brengen een voor

name taak. Het streeft niet alleen naar vermeerdering

van de nationale steenkolenproductie, maar tracht daar

naast ook tot een zo billijk mogelijke verdeling van de
beschikbare hoeveelheden te geraken aan de hand van

opgaven van de aangesloten landen en inlichtingen van het ,,CoalCommittee” van de E.C.E. te Genève omtrent

beschikbare hoeveelheden vaste brandstoffen uit de niet-

Marshall-landen, zoals Polen. Hierbij dient te worden

opgemerkt, dat het Kolencomité van de O.E.E.C., sinds

Duitsland in het bgin van dit jaar in dit comité is toe-

gelaten, de bevoegheid heeft verkregen zelf aan de hand

van bovenstaande gegevens omtrent productie, verbruik enz., een schema van verdeling op te stellen, daarbij re-

kening houdend met de leveringen uit de niet-aangesloten
landen en de Verenigde Staten van Noord-Amerika. Dit

vindt thans elk kwartaal plaats, doch ten gevolge van het
feit, dat het deficit zulke grote afmetingen heeft aangeno-
men, blijkt het de laatste tijd veel voeten in de aarde te

hebben gehad alvorens omtrent een verdelingsschema tot

overeenstemmIng kon’ worden gekomen. –

Als vanzelf komen wij nu voor de vraag te
staan:
wat is
de verhouding van het Kolencomité van de Ô.E.E.C. tot
het plan-Schunian?

Daar het doel en streven van het plan-Schuman elders

in dit nummer en in vorige nummers van dit b1ad
4
) reeds

breedvoerig is behandeld, behoeft hier nu niet meer diep
op in te worden gegaan. De eerste en belangrijkste doel-stellingen zijn: ,,het scheppen van een saamhorigheid en
het leggen van gemeenschappelijke grondslagen voor de

economische ontwikkeling; door uitbreiding van de pro-

ductie der basisindustrieën gezamenlijk bij te dragen tot een verhogen van het levenspeil”.

Vele doelstellingen, die het plan-Schurnan in de Euro-
pese gemeenschap voor koleii en staal zal trachten te ver-
wezenlijken, vindt men in zekere zin terug in het ideaal,
dat de O.E.E.C. van de aanvang af voor ogen stond, nl.

dat alleen nauwe en voortdurende samenwerking van de
aangesloten landen kah bijdragen tot- de welvaart van
Europa. –

Heeft bij het inwerkingtreden van het plan-Schuman

het Kolencomité van de O.E.E.C. eigenlijk nog wel reden
tot bestaan? Deze .vraag dringt zich onwillekeurig op
na bestudering van het ,,Verdrag tot Oprichting van de

Europese Gemeenschap. voor Kolen en Staal”. Al ligt het
voor de hand, dat de uitvoerende organen van het plan-
Schuman vooral in de overgangsperiode eën dankbaar
gebruik zullen maken van’alle statistische en andere ge-
gevens, die door het Kolencomité van de O.E.E.C. op het
gebied van productie, verbruik en van de in- en uit-

voer van vaste brandstoffen zijn en worden bijeengebracht,
toch is de vraag gewettigd, of de taak, die thans op het
Kolencyn-tité van de O.E.E.C. rust, ook in de ‘toekomst
nog van betekenis kan zijn.

Het is duidelijk, dat de werkzaamheid van de O.E.E.C.
tot nu toe hoofdzakelijk gericht was op de oplossing

van de pioblemen, die de schaarste aan brandstoffen mee-
•brengt. Hoe voorziet nu het plan-Schuman hierin? De
maatregelen, die in.geval van schaarste moeten worden
genomen, zijn vastgelegd in artikel
59
van het Schuman-
verdrag, waar lid 2a zegt:

) Zie: ,,Enkele economische facetten van het plan-5chuman” door Drs
A. A. van Ameringen in ,,C.-S.B.” van 27 Juni en 11 Juli 1951 en ,,De kan-
sen van het Schuman-p!an” door Mr K. P. yan der Mandele in ,,E.-S.B.”
van 4 Juli 1951.

,,De Raad
5
) besluitende bij eenstemmigheid op voorstel

van en in overleg met’ de Hoge Autoriteit, beslist enerzijds
aangaande de verbruiksprioriteiten en anderzijds aangaan-

de de verdeling van de beschikbare hoeveelheden kolen

en staal van de Gemeenschap over de industrieën, welke

aan haar rechtsmachl zijn onderworpen, de uitvoer en
het overige verbruik”.

Hier is sprake van een verdeling van de beschikbare

kolen over de onder het gezag van de Hoge Autoriteit

staande kolen- en staalbedrijven, de overige tot het Schu-

man-gebied behorende consumenten èn de export naar
niet-Schuman-landen.

Voorts is het 5e lid van artikel 59 van belang, liidende:

,,In de toestand van ernstige schaarste kan de Hoe Auto-

riteit overeenkomstig de bepalingen van artikel 57 na

raadpleging van het Raadgevend Comité°) en met instem-

ming van de Raad, besluiten tot het
instellen van beper-
kingen van de uitvoer naar derde lande’n),
geldende voor
alle deelnemende staten; bij gebrek aan een initiatief van

de Hoge Autoriteit kan de Raad, besluitende bij eenstem-
migheid, deze beperkipgen op voorstèl van een regering
instellen”‘

Waar de’,,Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal”
feitelijk slechts zes landen omvat en waar o.a. uit boven-

staânde bepalingen blijkt, dat deze gemeenschap in be-

lângrijke vraagstukken als de verdeling van brandstöf-
fen in tijden
van schaarste een eenheid vormt, ligt de ver-

ondestelling voor de hand, dat er nog een taak blijft

te vervullen met betrekking tot de coördinatie van ‘de zich
over een veel groter aantal landen uitstrekkende belangen-

gemeenschap, welke in de O.E.E.C. zijn belichaming vindt.

In dit licht kan men zich de toekomstige taak van het

Kolencomité van de O.E.E.C. op tweeërlei wijze voorstel-
len:

dat het comité alleen enige bemoeienis zou hebben
– met de verdeling van de
export hoeveelheden,
die be-
schikbaar gesteld worden door de organen van het

Schuman-plan voor’ de niet-Schuman-landen;

dat het comité een bepaalde taak krijgt in de verdeling
ijan alle beschikbare hoeveelheden,
hetgeen in zekere
zin een voortzetting van zijn huidige werkzaamheden-

zou tetekenen, met dien verstande, dat de zes Schuman-
landen daarbij als één economische eenheid moeten
worden gezien.
Hetgeen schrijvers dezes nu laten volgen moet niet wor-

den gezien als critiek op het plan-Schuman, döch als een
bijdrage om de samenwerking tussen alle Europese landen
– met inbeprip van de Schuman-partners – te bestendi-
gen en zo mogelijk te verinnigen.

Er zijn reeds van andere zijde bezwaren geuit in die
zin, dat gevreesd wordt, dat de Hoge Autoriteit bij de
yerdeling van de beschikbare hoeveelheden vaste brand-
stoffen zich alleen zal bedienen van de voorstellen en ad-
viezen van haar leden, zonder speciaal rekening te houden

met de belangen van de overige verbruikende landen. Wanneer het Kolencomité van de O.E.E.C. slechts de
bevoegdheid zal hebben zijn invloed aan te wenden bij
de verdeling van ide voor
export
buiten het Schuman-
gebied beschikkare hoeveelheden, wordt zijn werkzaam-

heid wel zeer beperkt. Hierbij komt, dat volgens artikel
86 van het Verdrag ,,de deelnemende Staten zich verplich-
ten alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen,
welke dienen tot het verzekeren van de nakoming der
verplichtingen, die voor hen uit de beschikkingen en aan-
bevelingen der instellingen van de Gemeenschap voôrt-‘
vloeien en om de Gemeenschap de vervulling van haar
taak te vergemakkelijken”.

‘) Di. de 6ijzondere Raad van Ministers.
‘) Bestaande uit producenten, werknemers, verbruikers en handelaren.
‘) Dus de niet-deelnemende landen.

18 Juli
1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

537

Het zou o.i. in het belang van de hierboven geschetste,

en gewenste samenwerking tussen de Europcse landen zijn,

indien een modus kon worden gevonden, waarbij aan het

Kolencomité van de O.E.E.C. een bepaalde taak zou wor-
den 9pgedragen bij de verdeling van
alle beschikbare hoe-

veelheden.
Dit behoeft geenszins te betekenen, dat het

Kolencomité op de stoel van de Hoge Autoriteit gaat

zitten of haar macht gaat aantasten, integendeel, de zeggen-

schap met betrekking tot de Schuman-landen blijft, zoals vastgelegd in het Verdrag, uiteindelijk bij de Hoge Auto-

riteit berusten, doch het ware niet ondienstig, indien het
Kolencomité een beschouwende en adviserende taak zou
worden opgedragen, wat betreft de voorziening van de

Schuman-landen met kolen uit die landen, met daarnaast een zeggenschap over de’ verdeling van de export buiten

het Schuman-gebied tussen de andere dan de Schuman-

landen en de voorziening van de Schuman-landen met

kolen van buiter het Schuman-gebied. Zulk een advies
zou in bepaalde omstandigheden correctief kunnen wer-
ken. Hoewel dus de Hoge Autoriteit ten allen tijde vrij is

de gegeven adviezen al dan niet op te volgen, lijkt het ons

een gezond systeem, dat alle bij de verdeling’ van brand-
stoffen betrokken landen hun stem en wensen kunnen laten
horen en men dan een collectief advies aan de Hoge Auto-
riteit zou aanbieden, die zo mogelijk – in het belang van de Europese samenwerking – aan haar organen opdraagt

hiermede rekening te houden. Dit zou ook in het belang

van Nederland
zijn,
aangezien Nederland aan het Verdrag

geen voldoende waarborg ten aanzien van zijn kolen-

voorziening kan ontlenen.

Als verder voordeel aan deze gang van zaken verbonden

zou nog kunnn worden gewezen op het feit, dat door dit
collectieve ad.’ies, dat dus in breed verband is opgesteld,

de kijk vati de Hoge Autoriteit op alle facetten van het

Europese kolenvraagstuk zal wordén uitgebreid.

Niet minder belangrijk is het voordeel, gelegen in het

feit, dat Engeland tot de deelnemende landen van de
O.E.E.C. behocirt en als zodanig ook’ zitting heeft in het
Kolencomité. Mogelijk kan een nauwe samenwerking
tussen .de organen van het Schuman-plan en het Kolen-

comité van de O.E.E.C. in de toekoti’ist aanleiding zijn

om Engeland – dat thans nog bezwaren heeft om mede

te werken aan het Schuman-plan – gunstiger te stemmen
en daar hoe langer hoe meer bij te betrekken.

Slechts een integratie van alle Europese landen zal een,
oplossing kunnen brengen voor de vele problemen en

moeilijkheden, waarvoor deze landen zich thans gesteld

zien.

Conclusie.

Dit of een dergelijk comité zou in het kader van de
Europese samenwerking o.i. zeer nuttige diensten kunnen

verrichten en daardoor veel kunnen bijdragen om de

economische ontwikkeling in de betrokken landen te
bevorderen.

Heerlen,

Dr Ir Ch. Th. GROOTHOFF.
J. A. BAKKER.

Europçse landbouwpolitiek

Het begrip landbouwpolitiek laat zich moeilijk bevredi-
gend omschrijven. Wat hieronder wordt verstaan hangt

vooral af van de
tijd,
waarin het begrip werd.gehanteerd
en van het land, waaraan zij in het bijzonder hebben
gedacht, die het begrip definieerderi. Wie zich er toe zet een artikel over Europese landbouwpolitiek te schrijven,
waaronder uiteraard iets anders wordt verstaan dan met

de wôorden landbouwpolitiek in Europa wordt bedoeld,
maar ten aanzien waarvan toch ook éen zekere vergelijking
niet kan vorden gemist, stuit evenwel niet alleen op de
omstandigheid, dat het begrip landbouwpolitiek geen vast-

staande ‘inhoud blijkt te hebben. Hij constateert tevens
een behoefte aan een publicatie, met behulp waarvan men
zich een redelijk bèeld er van zou kunnen vormen, welke
landbouwpolitiek momenteel in de Europese landen wordt

toegepast, welk doel daarbij wordt voôropgesteld, van welke
middelen daarbij gebruik wordt gemaakt en in hoeverre
het totale beeld, dat deze nationale stelsels van landbouw-
politieke maatregelen gezamenlijk vormen, blijkt af te
wijken van ‘het beeld, dat men zich voor ogen tracht te
stellen als men poogt aan het .begrip Europese landbouw-
politiek inhoud te geveti.

Meer om een uitgangspunt voor onze beschouwingen
te hebben dan om het aantal dfinities te vergroten, zouden

wij het begrip landbouwpolitiek willen aanduiden als een
samenstel van maatregelen, dat ten doel heeft de landbouw
en de belangen der landbouwende bevolking, zulks binnen
het kader van de algemene welvaartspolitiek, të bevorderen.
De momenteel in Europa toegepaste landbouwpolitieke
maatregelen vormen niet een rationeel geheel. Veeleer is
hier sprake van een aantal nationale complexen vai maat-
regelen, die meer op elkaar zullen moeten worden afge-
stemd en die samen een Europees stelsel zullen moeten
vormen.

‘Nu dient onderscheid te worden gemaakt tussen die
landbouwpolitieke maatregelei%, die een verhoging van de
opbrengsten, zowel in absolute als in relatieve zin, namelijk

per land, per hectare en per man, ten doel hebben en die,
welke genonien worden ter bescherming van agrarische

producenten tegen de nadelige gevolgen van een cohcur-rentie, waartegen deze niet zijn opgewassen.

Bepalen wij ‘eerst onze aandacht bij de eerste groep

maatregelen, in verband waarmee kan worden’ gedacht
aan het landbouworiderwijs, aan landbouwconsulenten,
aan instituten voor het toepassen van de landbouwweten-
schappen, aan het hoger landbouwonderwijs; aan een

stelselmatige verbetering van de cultuurtechnische toestand
der landbouwgronden door een betere regeling van de
grondwaterstand, aan het behoul- van de bodemvrucht-

baarheid, aan ontginningen en inpolderingen en vooral
ook aan de ruilverkaveling. Wanneer het gaat om een
krachtige bevordering van de landbouw, om het behartigen
van de duurzame belangen van de landbouwende bevol-king en om het bevorderen van een Europese landbouw

politiek, ma aan deze maatregelen zonder twijfel een
grotere betekenis worden toegekend dan aan de bescher-
mende maatregelen, waarop nog nader .wordt ingegaan.

De grote-betekenis van dit complex van landbouw-
politieke maatregelën houdt namelijk ten nauwste verband

met het sterk gedecentraliseerde karakter, dat •de land-
bouwproductie in het algemeen en die in Europa in het
bijzonder kenmerkt, hetgeen betekent, dat de bedrijfs-
grootte zodanig gering is dat van de mogelijkheden,
die de arbeidsverdeling biedt, in de landb9uwsector
veelal slechts een zeer beperkt gebruik kan worden
gemaakt, dat een aanpassing aan de zich voortdureiid
sterk wijzigende omstandigheden zich slechts lang-
zaam voltrekt en dat deze aanpassing door een
intensieve landbouwvoorlichting kan en moet worden be-

vorderd. Een intensieve en doeltreffende landbouwvoorlich-
ting gaat met een intensieve en rationele landbouwpro-
ductie gepaard, is daarvoor een absolute voorwaarde.
Dit geldt te sterker naarmate de bedrijfsgrootte ge-
ringer is.

538

.

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

18 Juli 1951

Belangrijker voor ons probleem is evenwel, dat de

verschillen in de intensiteit van de landbouwvoorlichting

sterk in de kostprijzen der landbouwproducten tot uiting
komen. Het verschijnsel doet zich namelijk voor, dat de

bestaande internationale kostprijsverschillen, die de mo-

gelijkheid van een Europese landbouwpolitiek ernstig

belemmeren en, misschien zelfs practisch uitsluiten, ten

dele, wellicht grotendeels, aan verschillen in landbouw-

politiek kunnen worden toegeschreven. Afgezien namelijk

van verschillën in algemeen lôon-, pacht- en prijspëil zijn

kostprijsverschillen in de landbouw vooral een gevolg van:

a. verschillen in de klimatologische, geophysische en geo-

graphisch-economische omstandigheden; b. verchillen

in de bedrijfsgrootte en c. verschillen in wat de ,vakbe-

kwaamheid zou kunnen worden genoemd. Van deze oor-
zaken
zijn
onzes inziensdie onder a niet de belangrijkste

en in ieder geval neemt de betekenis daarvan geleidelijlc

af. Maar juist ten aanzien van de sub c bedoelde,00rzaken,

die trouwens in sterke mate van de bedrijfsgrootte af-

hankelijk zijn, is de landbouwvoorlichting’van een bijkans
beslissende betekenis.

In vele landen laat de betekenis van de landbouw-

voorlichting veel te wensen over en in het algemeen zijn

dit – zulks volgt wel uit hetgeen zoëven is opgemerkt –
juist die landen, waar de betrokkenen daardoor ten zeerste

gebaat zouden zijn. Ten dele is dit verschijnsel een gevolg

van een onvoldoende algemene waardering van de land-

bouw door de bevolking, hetgeen in het bijzonder tot
uiting komt in de bedragen, die voor ditdoel beschikbaar
worden gesteld. Anderdeels evenwel hangt het nuttig
effect van de landbouwvoorlichting van een aantal factoren
af, die nog moeilijker beïnvloedbaar
blijken,
zoals de

geestesgesteldheid der betrokkenen, de invloed van het

algemeen vormend onderwijs, de waarde, die aan het lezen
van landbouwbladen wordt toegekend, de outillage van

de landbouworganisaties, diedeze periodieken uitgeven,

de betekenis van het landbouwcoöperatiewezen en andere.
Vaak is een vicieuze cirkel te constateren: de landbouw in

en land is niet lonend, het landbouworga’nisatie- en coöpe-

ratjewezen is îwak ontwikkeld, de landbouwbegroting is
onvoldoende, de voorlichting is ontoereikend, de land-
bouw blijft in technisch opzicht achterlijk en in politiek
opzicht zwak. Hoewel de landbouw in België ten opzichte

van die in andere landen een bevredigend beeld biedt, is
toch iets van deze vicieuze cirkel te bespeuren, als nièn de
moeilijkheden analyseert, die op agrarisch gebied moeten

worden overwonnen om tot een verwezenlijking van het
Benelux-ideaal te komen.

Intussen moet niet betrekking tot het begrip Europese
landbouwpolitiek véér alles worden gedacht aan het onder-

deel van de landbouwpolitiek, dat vaak in een meer doel-‘
bewuste dan systematische bescherming van .de landbouw
tot uiting komt. Voordat op de kern van dit vraagstuk wordt

ingegaan, kan worden gesteld, dat de meeste agrarische
producenten in Europa zich in het algemeen in een defen-
siev& positie bevinden. In beginsel zullen zij gesteund
moeten worden, wil voorkomen worden, dat zij in een

onhoudbare positie zouden geraken. In beginsel, hetgeen
wil zeggen: behoudens bijzondere omstandigheden, zoals
in tijden van oorlog en bij een abnormaal gunstig conjunc-
tuurverloop. Het zou ons te ver voeren dit uitgangspunt
nader toe te lichten en ook op de sociologische, sociale
en militaire argumenten, die ten gunste van een krachtige

bescherming van deze sub-marginale ondernemers worden
aangevoerd, gaan wij hier niet nader in. Wij volstaan met
de opmerking, dat de arbeidsproductiviteit, vooral ten
gevolge van de geringe bedrijfsgrootte, in het algemeen
relatief onvoldoende blijkt. Dit geldt zowel als men de
landbouw in Europa met die in andere delen van de wereld
vergelijkt als vooral ook in vergelijking tot de niet-agrari-
,sche bedrijfstakken. Deze geringe arbeidsproductiviteit

leidt uiteraard. tot relatief geringe ondernemersinkomens

en tot lage arbeidsionen, waardoor enerzijds, als gevolg

van de bevolkingsdruk, een verpaupering en anderzijds

een landvlucht en een onvoldoende ivoedselproductie
dreigt.

Dit betekent, dat een Europese landbouwpolitiek zich
in een bescherming van de4andbouw en van de landbouwen-

de bevolking in Eurpoa ‘zal moetën uiten. Een Europese

landbouwpolitiek zal een protectionistisch karakter moeten

hebben. Toepassing van het vrijhandelsbeginsel op een
mondiale schaal zou voor de Europese landbouw cata-

strophaal kunnen zijn. Merkwaardig is overigens, dat ook

de landbouw in de Verenigde Staten wordt beschermd.

Een wegvallen van deze bëscherming zou zich met name

in een verschuiving van de verhouding tussen de agrarische

en de niet-agrarische inkomens openbaren, welke ver-
schuiving een ongunstige invloed op de productie van

voedsel in de-.Verenigde Staten zou uitoefenen.

Intussen sblijkt de behoefte aan bescherming van de
land bouw

Europa lang niet overal dezelfde. Integendeel:

de internationale verschillen zijn ook in dit opzicht op-

vallend groöt en binnen de grenzen van elk land zijn

welliht nog grotere versçhillen t; signaleren. Het is dui-

delijk, dat deze verschillen in een behoefte aan bescherming

vôér alles afhankelijk zijn van het concurrerend vermogen
en dus van de kostprijzen.

Zoalsreeds opgemerkt lopen de kostprijzen der land-

bouwproducten in de verschillende delen van Europa
sterk uiteen en teven is reeds er op gewezen, dat met
behulp van een intensieve landbouwvoorlichtiig nog veel
zal kunnen worden bereikt waardoor de internatiönale
kostprijsverschillen geringer zouden kunnen worden. Een

zodanige nivellering, dat daardoor tot een herstel van het internationale handelsverkeer in Europa op agrarisch ge-

bied als het’ ware automatisch zou kunnen worden over-
gegaan, moet evenwel volkomen uitgesloten worden
geacht.

Van grote betekenis voor ons vraagstuk is nu, dat deze

bescherming in de meeste landen in de vorm van een
handelspolitiek protectionisnie wordt toegepast. Dit han-
delspolitiek protectionisme dateert vooral uit de jaren
zeventig, toen de prijsvorming van land bouwprod ucten in
Europa insterke mate de invloed van de lawine-achtige

aanvoeren uit overzeese gebieden ondervond. Het is bekend, –
dat enkele landen aan de verleid iffg om de invoerrechten

sterk t&verhogen weerstand hebben geboden, in verband
waarmee Groot-Brittannië kan worden genoemd, dat aan

een invoer van landbouwproducten uit vooral delen van
het British Empire boven eei bevordering van de inheemse
landbouw de voorkeur gaf, alsmede Denemarken en
Nederland, waar van de lage graanprjzen gebruik werd

gemaakt door daarop een veredelingsiandbouw te bouwen
die gekenmerkt wordt door een invoer van veevoeder en
een export van zuivelproducten, varkensvlees en eieren.
Een Europese land b ouwpolitiek is in feite evenwel slechts
denkbaar indien de handelspolitieke belemmeringen wor-
den opgeheven, die een liberalisatie van het internationale
handelsverkeer in Europa zozeer in de weg. staan. Maar

dan doet zich het probleem voor op welke wijze de in
wezen sub-marginale landbouwproducenten dan wel zou-
den moeten worden beschermd. Wie zou menen, dat een
opheffing van de handelspolitieke protectie niet tot een
..andere vorm van bescherming zou behoeven te leiden,
zou van een onjuiste, althafs geheel irreële opvatting
blijk geven. Niet alleen vanwege de politieke onuitvoer-

baarheid – het vraagstuk van de liberalisatie van het
handels- en betalingsverkeer en van de integratie in Europa
is een bij uitstek politiek probleem – maar ook omdat

zulk een liberalisme geheel’ in strijd met de opvattingen
zou blijken, die voor de inhoud van het begrip Europese
welvaartspolitiek bepalend zijn. Het uiteindelijk doel is

18 Juli 1951

ÉCONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

.539

niet van een uitsluitend economisch karakter; het begrip,

welvaart houdt tevens een aanzienlijk element van wel-

vaartspreiding en maatschappelijke zekerheid in. Hierbij

komt trouwens, dat een beperking van de oppervlakte
cultuurgrond in Europa tot grotere invoeren van voedsel

zou moeten leiden en de .exportsurplussen van de uit-

voerende landen hébben de neiging terug te lopen.

Het wil ons voorkomen, dat bij een opheffing van de

handelspolitieke protectie slechts van één middel tot be-
scherming van de landbouw gebruik zou kunnen iorden
gemaakt, namelijk van het middel der directe subsidiëring

en wel per hoeveelheid product. Zeker niet een directe

subsidiëring per hoofd van bevolking of per hectare. Af-

gezien namelijk van de sterke psychologische weerstand,
die zodanige voorstellen zouden ondervinden, kleeft aan

een subsidiëring per hoofd of per hectare het grote nadeel,

dat dit beschermingsmiddel eerdef tot een meer extensief
dan tot een meer intensief gebruik van de beschikbare

landbouwgronden zou blijken te leiden, waartegenover

kan wqrden gesteld, dat elke Europese landbouwpolitiek

nu eenmaal vôôr alles op een intensivering van de land-
bouwproductie gericht zal moeten zijn.
Zoals vanzelf spreekt zou ook teged een subsidiëring.
per hoeveelheid landbouwproduct een aantal ernstige be-

zwaren kunnen worden ingebracht, maar ten ‘aanzien
hiervan kan worden ppgernerkt, dat op ernstige kwalen nu
eenmaal krachtig moet worden gereageerd. Het grootste
bezwaar, dat in dit verband zou kunnen worden aan-

gevoerd, lijkt ons hierin te bestaan, dat elke regering ge-
neigd zal zijn bij het bepalen van de grootte van de sub-
sidies teveel rekening te 1ouden met verlangens, die moeilijk
met de eis van een redelijke aanpassing van het land-

bouwbedrijf aan de zich voortdurend sterk wijzigende
omstandigheden zijn te verenigen, maar dit nadeel is stellig
niet in mitidere mate inhaerent aan een handelspolitieke
protectie. Het nadeel van elke vornf van bescherming van ondernemingen, waarvan het concurrerend vermogen on-
voldoende is, is nu eenmaal dat de noodzakelijke aan-
passing wordt vertraagd. En in ieder geval heeft het stelsel
van de directe subsidiëring een groot v6ordeel boven dat
van de handelspolitieke bescherming: handelspolitieke
protectie immers leidt tot een kunstmatig- hoog. prijspeil,

waardoor het verbruik en dus de afzetmogelijkheden on-
gunstig worden beïnvloed.

• Intussen staat wel vast, dat van een Eüropese land-

bouwpolitiek in feite slechts sprake zal kunnen zijn voor
zover de nationale regeringen een niét onaanzienlijk deel
van hun autonomie prijsgeven en zekere bevoegdheden
aan een Europees orgaan overdragen. Het is evenzeer
duidelijk, dat de totstandkoming van zulk een orgaan
niet denkbaar is in geval het over zodanig grote bevoegd-

heden zou beschikken, dat het bestaan van nationale
groepen sub-marginale producenten in hoge mate twijfel-
achtig’zou kunnen worden en in elk geval zal aan de daar-
voor in aanmerking komende landen de bevoegdheid
moeten worden gelaten deze maatschappelijk zwakkeren
zodanig te beschermen – mits nt met behulp van handels-

politieke belemmeringen – als in deze landen wenselijk

wordt geacht.

Hier rijst de vraag, of niet tot vorming van een Europees

fonds zou moeten worden overgegaan, waaruit de sub-
sidies geheel of gedeeltelijk zouden kunnen worden geput.

Een Europees fonds, want ook de landbouwproducenten,

die in sterke mate van de exportmogelijkheden afhankelijk

zijn, hebben bij een liberalisatie van het internationaal

handelsverkeer in Europa het grootste belang. Een Euro-
pees landbouwegalisatiefonds dus?t Ten aanzien hiervan
kan worden opgemerkt, dat ht niet alleen landbouwers
zouden zijn, die door een opheffing van de handelspolitieke

protectie zouden worden gediend. De gehele bevolking

van Europa en zelfs Amerika heeft hierbij het grootste

belang.
Het behoeft nauwelijks met nadruk te worden opge-

merkt, dat een plotselinge verwezenlijking van het ideaal

van een Europese landbouwpolitiek iiitgesloten moet
worden geacht. Slechts zeer geleidelijk zal iets tot stand

kunnen komen, dat in dit verband van een wezenlijke
betekenis zal blijken. Een elementaire voorwaarde voor

een, zij het ook geleidelijke toepassing van een Europese
landböuwpolitiek is zonder twijfel vooral een algemeen

besef, dat de omstandigheden een zodanige politiek nood-
‘zakelijk maken. Maar meer nog is een vereiste, dat vol-

doende wordt ingezien, dat zich bij wijze van spreken
dagelijks wel een gelegenheid voordoet om een kleine stap
in de goede richting te zetten. De maatschappij immers
vertoont allerminst een statisch, maar wel een uitgesproken

dynamisch beeld en een landbouwpolitiek, die zich in feite
er toe bepaalt elke redelijke aanpassing aan de zich wijzi-

gende omstandigheden te belemmeren, zal niet alleen niet
tot een oplossing van het onderhavige vraagstuk blijken
bij te dragen, maar zal evenmin in het wezenlijke belang
van de landbouw en van de landbouwende bevolking
kunnen zijn. Teveel nog wordt in Europa incidenteel tegen

dreigende gevaren stelling genomen en te weinig is nog
van een doelbewuste en systematisch toegepaste landbouw-
politiek sprake. Gelukkig heeft Europa ons, land in dit
opzicht niet vel te verwijten.
Tenslotte nog een opnerking van meer algemene aard.

Wie zich een Europese landbouwpolitiek voor ogen tracht
te stellen, dient daarbij yéôr alles aan een liberalisatie van
het internationaal handels- en betalingsverkeer in ons
wereiddeel te denken. Deze liberalisatie, ook wanneer
men deze in gedachten tot de land- en tuinbouwproducten

beperkt, hangt evenwel niet uitsluitend en zelfs niet in
beslissende mate van de boeren en tuinders in Europa af.
Daartoe is namelijk vooral een evenwicht in de betalings-
balansen en een convertabiliteit van de ruilmiddelen der
betrokken landen een absolute voorwaarde. Een be-
schouwing over Europese landbouwpolitiek komt dan
ook op een belichting van bepaalde aspecten van een
buitengewoon gecompliceerd vraagstuk neer en kan nimmer

aanspraak op volledigheid maken. Maar ditzelfde geldt
voor het begrip landbouwpolitiek in ruimere zin, welk
begrip immers een onderdeel van de begrippen economische,
sociale en wëlvaartspolitiek uitmaakt.

Rotterdam.

Dr H. J. FRIETEMA.

Een Europees verkeersgezag?

Indien Europa de weg opgaat van. de teinpering ener
overspannen souvereiniteitsopvatting, en van de bevor-
dering van de’ Europees-collectieve behartiging van tot dusyer nationaal behartigde belangen, dan is daarmede
de oprichting van bovenstatelijke gezagsorganen ge-
indiceerd, en in het bijzonder een bovenstatelijk gezags-orgaan voor het verkeer. Men kan zich de integratie van
de verschillende bedrijfstakken: kolen en staal, landbouw-

producten, energie etc., niet goed denken zonder het
verkeer daarbij te betrekken. De geschiedenis van de
totstandkoming van de Europese Gemeenschap voor
Kolen en Staal heeft reeds geleerd, dat dit tot onvoorziene
gevolgen aanleiding kan geven. De centrale positie, die het
veivoer in het economisch proces inneemt en het daardoor
tot een basisindustrie stenipelt, wordt duidelijk wanneer
men zich realiseer t, dat vervoer (productie van vervoers

540

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

18 Juli 1951

• diensten) in feite niet anders is dan het slaan van bruggen
tussen industriële of agrarische. productiecentr onderling

en tussen die productiehuishoudingen enerzijds en con-

sumptiehuishoudingen anderzijds. Dit wijst op nauwe

verbinding met andere takken van voortbrenging. Er is een
grote mate van interdependentie: structuurwijzigingén in

productie en/of consumptie zullen repercusies meebrengen

voor het verkeer, maar omgekeerd zullen ook structuur-

veranderingen op verkeersgebied hun weerslag hebben op
productie en!of consumptie. Wanneer men wil vermijden,

dat in het kader van de economische integratie van Europa

maatregelen van internationale gezagsprganen een daarop

niet ingesteld of daartoe niet georganiseerd vervoerswezen

gaan beïnvloeden, of wel dat dit ongeorganiseerd zijn

remmend gaat werken op de tenuitvoerlegging van bepa-lingen op vervoersgebied, door die organen te geven, dan

volgt daaruit een prima facie aanduiding van de nood-

zakeljkheid tot bovenstatelijke Organisatie van het ver-
keerswezen over te gaan.

Wimnneer dan niettemin het vraagteken in de titel ge-
handhaafd blijft
1),
dan is dit omdat alles er van afhangt
hoe het gezagsorgaan er zal komen uit te zien; wat de
principes zijn volgens welke het zal optreden; wat zijn

arbeidsterrein zal wezen, zijn samenstelling, werkwijze, en
tempo.

De vraag is actueel. In de najaarszitting 1950 van de
Raadgevende Vergadering van de Raad van Europa bracht
de Fransman Bonnefous
2)
,een plan ter tafel voor de
oprichting van een Hoge Autoriteit voor het Verkeers-
wezen. Tijdens de voorjaarszitting van dit lichaam heeft

voorzitter Spaak dit plan verwezen naar de vaste commissie

voor economische zaken (subcommissie voor vervoers-
zaken). Het is te verwachten, dat de zaak in de najaars-

zitting van de Raad van dit jaar weder aan de orde zal

komen. Het is mogelijk, dat de Raadgevende Verga-
dering zich voor de instelling van een supra-nationaal

gezagsorgaan voor het verkeerswezen zal uitspreken en
dat deze uitspraak dan in de vorm van een aanbeveling

van de Raadgevende Vergadering aan de Raad van Mi-
nisters zal worden voorgelegd.

Het is dan te hopen, dat de Raadgevende Vergadering
zich zal bepalen tot een uitspraak omtrent liet principe;
dat er niet reeds een bepaald ,,plan” wordt aangenomen,
m.a.w.,’ dat het ,,hoe” geheel open blijft.
Want al is er dan ook alle aanleiding, op motieven, die
buiten de verkeerssector als zodanig aanwezig zijn, ernstig
over een Europees Verkeersgezag te denken; en al leent
de verkeerssector zich op het eerste gezicht ook bij uitstek

voor vèrgaande Euroese integratie, zo zal men er zich

toch voor moeten hoeden, door een politieke beslissing
het verkeerswezen in een dwangpositie te brengen. En dan zal er in de allereerste plaats overeenstemming

over moeten bestaan wat men met het Europees Verkeers-
gezag vâôr heeft. De grondgedachte zal toch wel moeten
zijn, dat er in het vervolg gesproken zal moeten kunnen
worden van een
Europees
vervoerspotentieel, dat ter be-
schikking staat voor de
Europese
behoefte. Wanneer. mén
constateert hoezeer deze gedachte indruist tegen de nog
veelal gehuldigde opvatting, dat elk land moet zorgen dat
het over een vervoerspotentieel beschikt, dat adequaat is
voor de eigen behoeften van zijn nijverheid, landbouw en
handel, dan ziet men, dat, wanneer twee hetzelfde zeggen,
zij daarom nog in het geheel niet hetzelfde behoeven te

bedoelen. Het is dunkt mij ketterj tegen het wezen van
Europese integratie, waarvan de schadelijke werking
bovendien nog, naar de aard van het verkeerswezen, cumu-

latief is. Immers, verkeer is op voorraadseconomie inge-
steld. Het potentieel moet in staat zijn de verkeerstoppen

1)
Zie: ,,Een Europees Gezagsorgaan voor het Verkeerswezen?”, in
,,E.-S.B.” van 15 November 1950.
) Het ja ni. een plan van de heer Bonnefous persoonhijk,,en schijnt niet
een officieel Frans plan te representeren.

op te vange

n, hetgeen inhoudt, dat er een marge aanwezig
is in slappe tijden. Deze karaktéristiek zelve van het vervoer

betekent een krachtig argument voor de Europese inte-

gratie, omdat de oneconomische factor van de reserve,

bij samengaan van de Europese landen, sterk verkleind
kan worden. En het zal toch wel niet meer aangetoond

behoeven te worden, dat de ontwikkeling van nijverheid
en landbouw de laagst mogelijke kostprijs per eenheid
,,vervoer.” vereist:

Ook overigens is de spraakverwarring oider de Europese

verkeersdeskundigen nôg groot. Er is geen twijfel aan, dat

zich onder de voorstanders van een Europees verkeersgezag

aanhangers bevinden van de opvatting, dat dit gezag

bedoeld is ter bescherming van de verkeersdragers, of, wat

nog bedenkelijker is, van een bepaalde tak van verkeer.
Wij zouden daartegenover willen stellen, dat een dreIjk

instituut weinig zin heeft wanneer het niet bedoeld is om

de.belangen van de verladers zo goed mogelijk te dienen:

te dienen door de laagst mogelijke kosten per eenheid
,,vervoer”, de beschikbaarheid over het geschikte transport-
middel ten allen
tijde
en de Vrije keuze van de verlader
wat betreft het transportmiddel en de transportweg. Hier
stellen wij het begrip van de vrijheid in gebondenheid

-. een gebondenheid, die binnen enge grenzen blijft
tegenover de ,,maszregelnde” beschermende opvattingen
van anderen.

Een
practische
moeilijkheid ?net betrekking tot de op-
richting van een Europees verkeersgezag is het verschil’in
stadium van georganiseerdheid van de onderscheidene

verkeerstakken. Kenden de Europese binnenvaart en het’

Europese wegverkeer een internationale Organisatie zoals

die, waarover de Europese spobrwegadministraties be-
schikken iii de -Internationale Spoorwegunie (U.I.C., naar

de Franse benaming), dan zouden er drie organisaties van
voorname verkeerstakken ianwezig zijn, die tezamen de

sterke pijlers zouden kunnen vormen van het te scheppen
•Europese verkeersgebouw. Ook de zeehavens met hun
verkeersinrichtingen
beschikken nog niet over een eigen
internationale organisatie. Bij al deze sectoren is alles nog

in beweging.’ De ‘Europse – binnenvaart is zoekende naar
vormen van samenverking; de Organisatie voor het inter-
nationale wegverkeer vraagt dringend om versterking.

Wat de zeehavens betreft, verkeert het internationaal
overleg (de ,,Hansa”-gedachte) nog in het eerste stadium.

Er is ook economisch een wezensverschil tussen het
spoorwegverkeer.. enerzijds en het verkeer’over de binnen:.

wateren en over de weg anderzijds. De intensieve samen-‘ werking tussen de spoorwegen, zoals die in de Internatio-
nale Spoorwegunie ‘voltrokken wordt, hangt samen met

het feit, dat internationale transporten door de’ nationale
spoorwegen, ieder op hun nationale traject, worden uit-
gevoerd. Dat dit een ingewikkelde onderlinge verrekening
tussen de administraties medebrengt, als uitvloeisel van
de Berner Conventie, daarvan bemerkt de verlader of cfe
ontvanger niets, maar dit systeem is principieel verschillend
van de gang van zaken in
bijvoorbeeld
het vervoer over
de Ëuropese binnenwateren, Waarbij het schip de goederen
?èlf ter destinatie brengt, ‘onverschillig waar die bestem-
ming is.

Wanneer men nu bovendien in aanmerking neemt, dat,
zoals wij het dl eens eerder hebben mogen uitdrukken,,
de nationale spoorwegadministraties de zorgen-, maar
daarorn ook juist de troetelkinderen van haar overheden
zijn, dan is de vrees begrijpelijk, die in de kringen van de
andere verkeerstakken gevoeld wordt, namelijk, dat een
Europees verkeersgezag gedomineerd zal worden door de
spoorwegen, en dat jnen in die andere takken van verkeer
dan nog even ver van huis is. Als wij menen te mogen
constateren, dat, wat ons eigen land aangaat, die’vrees
ongegrond is, dan,wi1 dat nog niet zeggen dat zij in de
opvattingen in andere landen geen grond zou vinden.

18 Juli 1951

ECONOMISCff-STTISTISCHE BERICHTEN

541

Overigens zal onze N.S. nauwgezet willen overwegen,

op welke wijze zij zelf zich gelukkig zou gevoelen in het

huis van de Europese verkeersintegratie. Datzelfde geldt

uiteraard ook voor de K.L.M., want wanneer bepaalde

plannen voor internationale samenwerking in het Europese
luchtruim voor verwezenlijking vatbaar zouden zijh, plan-

nen die er toe zouden leiden, dat de met grote kennis en

veel opoffering bereikte positie van bepaalde landen met

één slag teniet gedaan zou worden, dan is er o.i. voor ons

in dat huis geen plaats.

Moeten al deze bedenkingen en zorgen nu tot de con-
clusie leiden, dat de tijd voor, een Europese verkeersunie
niet rijp is? Ik geloof van niet. Wanneer deze kaleidoscoop

van inzichten niet bestond, dan was het vraagstuk van
een Europese verkeersunie niet aanwezig; dan zou dit als sluitstuk automatisch tot stand komen. Wanneer gewacht

moet worden tot een internationaal ‘volkomen gelijk gericht

vrkeersdenken is tot stand gekomen, dan komt de Hoge

Autoriteit er nimmer en mo’et men aan een vèrgaande
verkeersintegratie wanhopen.

Veeleer hebben .vij juist thans behoefte aan een nieuw
kristallisatiepunt voor ‘de ontwikkeling van een idee,’ die
zeker zal komen. Als die totstandkoming van een gezags-
orgaan het falen van de verkeersdeskundigen signaleert,
die niet hebben begrepen, dat het
in het verkeer
niet in de
eerste plaats
om het verkeer,
maar om het algemeen
economisch belang gaat, het zij zo. Als de overspannen
souvereiniteitsgedachte éôk in het verkeer een anachro-

nisme is geworden, dan moge dit door de oprichting van
een Europese verkeersunie tot uitdrukking komen.
Maar dan zij deze daad ook voornamelijk als zodanig
bedoeld. Dan kan er geen bezwaar zijn, dat uit hoofde
van een bepaalde Europese economische politiek, ten aan-
kien van de verkeerssector een bepaalde beslissing valt, ‘mits de uitwerking van die beslissing vooralsnog geheel
openblijft ter geleidelijke uitwerking in het milieu, dat
her best daarvoor geschikt is. –

Het ligt geheel in de lijn van de tot dusver gevolgde
Nederlandse verkeerspolitiek, aan plannen, die de integratie

van het, verkeer in Europa bevorderen, krachtig steun te
-verlenen. In de internationale verkeersorganen, waarin
Nederland zitting heeft, wordt geen gelegenheid onbenut
gelaten het probleem van deze kant aan de orde te stellen.

Het belang van Nederland bij een Europese markt, waar-
binnen concurrentie mogelijk moet zijn, is duidelijk wanneer

men het overschot aan vervoerscapaciteit in aanmerking
neemt, waarover ons land, met name in de binnenscheep-
vaart, beschikt, en wanneer men de bijzondere kwaliteitei
van ons volk als transporteur in het oôg houdt. Slechts

door een daad zal de bilaterale contingentenpolitiek, ge-
paard gaande met een enge reciprociteits-gedachte,-die tot de ,,fifty-fifty”-clausule leidt, doorbroken kunnen worden. Het algemeen-Europese belang bij verkeersintegratie (nog
-afgezien van de physieke, technische, integratie) ligt in de
vrije disponibiliteit over de potentie van dé één door de
overigen. De enge vervlechtingen van het verkeer met de
nationale economie zijn tot dusver een – ook ideo1ogisch
– hinderpaal gebleken; deze overweging zou bij de Euro-
pese integratie geen hinderpaal meer behoeven te zijn.
Wij zouden derhalve in een Europees gezagsorgaan voor
het verkeer vooralsnog voorâl een functionelè kern wïtle’n
zien, waaromheen geleidelijk en al naar gelang van be-
hoefte datgene groeit, waartoe de laiden in overeenstem-
nhing willen besluiten, zodat uiteindelijke unificatie een
kwestie van de toekomst is. Tot’slaafsè navolging van de
constructie van de Europese Gemeenschap voor Kolen
en Staal lijkt geen enkele aanleiding aanwezig. Ook zal
de kring van de in een verkeersunie samenwerkende landen
een andere kuriien zijn dan die van de Schuman-unie.
Het zou, wat dit betreft, aanbeveling verdienen de con

structie zodanig op te zetten, dat alle Europese landen

desverkiezend zoude’n kunnen toetreden en daarvoor dringt

zich dan de gedachte aan een zgn. ,,Regional Sjecialized
Agency” op. Deze organisatievorm sluit niet uit, dat een

beslising terzake in het kader van ,,Straatsburg” valt.
Integendeel, een dergelijke ,,politieke” beslissing lijkt

volstrekt onmisbâar. Omgekeerd valt niet in te zien dat
Straatsburg in de keuze van organisatievormen beperkt

zou zijn en niet voor èen Regional Specialized Agency zou
kunnen opteren. Uiteraard beschikt Straatsburg niet over

organen van deze of dergelijke aard. De Inland Transport-

commissie van de O.E.E.S. komt door haar oorspron-
kelijke doelstelling niet in aanmerking om als uitgangs-

punt voor een dergelijke o?ganisatie’ te dienen, hoewel zij

wellicht in bepaalde opzichten nuttige diensten kan ver-

lenen. De Inland Transportcommissie van de Economische

Commissie voor Europa daarentegen heeft bewezen tot
practisch werk in staat te zijn en beschikt over een voor-

treffelijk geoutilleerd en geleid transportsecretariaat. Het

statuut van de I.T.C. te Genève schrijft echter voor, dat

zij slechts ,,advisory and consultative” van aard kan zijn
en dus geen executieve bevoegdheden. kan hebben. Aan-

vaardt men het denkbeeld van een Regional Specialized

Agency, dan is deze beperking van ,,Genève” geen erhstig
bezwaar; immers het I.T.C.-Genève-secretariaat zou dan
kunnen worden gecombineerd met het secretariaat van de
Regional Specialized Agency, voor het Europese verkeers-
wezen.

Hier is reeds een precedent voor met betrekking tot
de F.A..O. De voordelen van een regionale gespecialiseerde

organisatie zijn: a. dat een gespecialiseerd secretariaat in
Genève aanwezig is; b. dat het lidmaatschap open is voor
elk land dat het statuut wil onderschrijven, zonder ge-
confronteerd te zijn met alles wat met Straatsburg en de

Westelijke samenwerking in verband staat, en c. dat zij
mindér moeilijkheden ten opzichte van Spanje en Zwit-
serland zal geven, landen die in de Europese transport-
organisatie niet gemist kunnen
1
worden. Of het wenselijk
dan wel noodzakelijk is, dat Engeland toetreedt, ‘zal nader
onder ogen moeten worden gezien.

Voorts zal het terrein, dat de Europese verkeersunje
bestrijkt, nader moeten worden bezien. flet plan-Bonne-
fous omvat rail, weg, binnenwateren, kustvaart, zeescheep-
vaart, en luchtvaart. Het lijkt wenselijk zich vooralsnog

bewust te distantiëren van alles wat niet uitsluitend ,,con-
tinentaal” verkeer is. De luchtvaart en de zeescheepvaart

erbij te betrekken, lijkt voorshands te ver gegrepen, temeer
waar daarvoor internationale organisaties van wereldwijd

karakter bestaan of in oprichting-zijn. Dat de kustvaart
er wèl toebehoort, gaat slechts in zoverre op als daarmede
zuiver-Europese kustvaart wordt bedoeld, niet de ,,kleine
handelsvaart” van Nederland, die oneigenlijk kustvaart
genoemd wordt, die verbindingen tussen Europa en de
buitenwereld onderhoudt. Daarentegen spreekt de samen-
werking het sterkst bij het grond-gebonden verkeer tussen
de landen, die onderling een geografisch geheel vormeh.
Dat weg, rail en binnenwateren het object der integratie-
plannen moeten zijn, zal wel niet bestreden wofden. D’e

havens vormen een afzonderlijk element; strikt genomen
zijn
zij
geen ‘vervoermiddel in de gewone betekenis van
het Svoord.

Wij koriien hier op een andere wenselijkheid en wel ten aanzien van de werkwijze van het te sçheppen orgaan, ni., dat de Autoriteit niet zelf doet wat door andere, bestaande

contacten tot stand moet worden gebracht. De Inter

nationale Spoorwegunie zal ook onder nieuwe omstandig-
heden voor haar taak berekend blijken te zijn; in de andere
verkeerstakken is overleg gaande en groeiende, dat eerst in die milieux zal behoren te rijpen.

‘De conclusie, die uit het vorenstaande getrokken kan
worden, en die uiteraard niet meer dan een voorlopige
kan zijn, is als volgt samen te vatten:

1

542

ECONOMISCH-STATISTiSCHE BERICHTEN

18 Juli 1951
wat het species van de organisatie
betreft: een Regional
Specialized Agency;
wat de werkingssfeer
betreft: aanvankelijk rail, weg en
binnenwateren;

wat de werkwjjze
betreft: a. optreden langs lijnen van

geleidelijkheid; b. zich baseren op alles wat organisatorisch
leeft en groeit, derhalve veeleer een coördinerende en

stimulerende taak voor het orgaan dan een decreterende,

en c. een gebalanceerde belangenbehartiging tussen de verkeersdragers onderling -en tussen het verkeer en de
gebruikers;

wat de voorbereiding
betreft: een uitnodiging aan de

I.T.C. te Genève een plan op vorenbédoelde basis uit
te werken.

Plannen als: een Intérnationaal Gerechtshof voor Rijn-

vaartzaken; de Europese kanalenplannen. (bevaarbaar-
making van de Rijn tot het Bodenmeer, de Rijn-Main-
Donau-verbinding en nog andere kanalenplannen); de

Rijn Development Corporation, zouden met vrucht door

dit hoogste Europese verkeersorgaan in studie kunnen

worden genomen, terwijl overwogen zal moeten worden
of de bureaux van bepaalde conventies (zoals Bern voor
de Spoorwegconventie) niet in het centrale punt moeten
worden ingebouwd.
‘s-Gravenhage.

J. J. OYEVAAR.

Engeland én de Europese integratie

De Britse houding tegenover een Europese federatie

begint zich steeds duidelijker af te tekenen. De Regering

van Westminster hecht er grote waarde aan, goede nabuur-

schappelijke betrekkingen met het vasteland te onder-houden. Ze is te dien einde een onderhhdelingspartner

van hoog gehalte, bereid haar beloften in te lossen en

verstandige overeenkomsten af te sluiten. Ze wil praten

over een militaire samenwerking, reeds nu. Ze is tot op
zekere hodgte voorstandster van wat in de Volkenbonds-

sfeer ,,econoniische ontwapening” werd genoemd. Ze heeft
een aantal culturele accoorden afgesloten met Europese
naties. Ze zou graag zien, dat de parlementaire democratie

ook aan de overzijde van Kanaal en Noordzee werd ge-

bruikt voor de triomf van eensocialistisch nationaal pro-
– gramma; immers, zij beschouwt dat als de beste afweer

tegen het commtinisme. Voor de landen waar iets dergelijks

wordt geprobeerd, heeft ze grote sympathie en zou ze

hulp over hebben.
Maar dat alles heeft niets te maken met integratie van

• Europa en nog minder met federatie. Immers, deze laatste
begrippen houden tweeërlei beginsel in, waartegen de

Engelsen niet de grootste duidelijkheid stelling nemen,

iimeljk: 1. de vorming van een
bljjvende
gemeenschap,
en 2. de vorming van een
gezag
hoger dan dat der afzon-derlijke staten. Jntegratie.en haar politieke bekroning, de

federatie, betekenen, dat niet slechts wordt ,,samen-
gewerkt”, maar dat een aantal landen definitief zijn hulp-

bronnen tezamen gaat exploiteren en dat deze landen
overgaan tot bovennationale staatsvorming. Dit is door

Groot-Brittannië – zowel door Regering als oppositie –
afgewezen. Men heeft er zelfs geen debat over gehouden.
Wie hier vôôr gesproken had, zou zich belachelijk hebben
gemaakt. De gemeenschappelijke grondslag van Engeland’s
Europese politiek is die van ,,intergouvernementele coöpe-

ratie” en de hele discussie (voor zover ze er is) loopt /
-slechts over de vraag, of het tegenwoordige kabinet in dit

opzicht royaal, vrièndschappelijk en vooruitstrevend ge-
noeg is geweest. Dat wil dus zeggen: binnen het door
practisch iedereen aanvaarde kader van de klassieke inter-
nationale, – diplomatieke methodes.

Wie dit eenmaal heeft erkend, kan zich voor veel illusies
en desillusies behoeden. Veel critiek, die op het vasteland
tegen de Britse politiek is geformuleerd, was totaal on-

billijk, omdat de critici van Londen iets .verwachtten wat
het principieel niet geven wilde. Veel verbiftering is ook
hier het gevolg van te hoog gespannen verwachtingen.

Men doet Engeland onrecht, mén bederft bij voorbaat

de verhouding,.wanneer men aanneemt, dat dit land bereid
zou zijn met ons te federeren. Immers, men zal dan voort-
durend worden teleurgesteld, en in een gevoel van machte-
loosheid vervallen, waaruit niets goeds voortkomt. De
enige reële basis voor onze .verhouding tot het Verenigd
Koninkrijk is momenteel: laten zien, dat het vasteland

tot herleving in staat is

zèlf met integratie en federatie
een aanvang nemen – en -telkens het bereikte resultaat

aan ‘Londen voorleggen, teneinde eed practische samen-
werking op allerlei gebied mogelijk te maken.

Wij zeggen, dat dit
momenteel
de beste oplossing is.
Uiteraard moet de mogelijkheid open blijven, dat in een

volgende periode nieuwe gezichtspunten optreden.

De
ontwikkeling van het Commonwealth is in dat opzicht

belangrijk, evenals die der Atlantische samenwerking.
Inderdaad: wij hebben,
tijdens
ons leven, het Britse
Empire zien uiteenvallen. Principieel en officieel heeft de
koloniale administratie thans als doel gekozen: zichzelf
overbodig maken. In sommige gevallen is ze verdreven,
lang voordat ze objectief al overbodig’ was, en heel veel
ellende is hiervan dikwijls het gevolg geweest. Maar hoe
dan ook: het rijk van Koningin Victoria, waarover Kipling

zo trots geschreven heeft, bestaat niet meer. Want niet

alleen in de vroegere koloniën zijn de middelpuntvlieddnde

krachten aan het werk geweest ook in de gebieden, die
door ras, taal en traditie (grotendeels oolc door godsdienst)
aan het moederland gebonden -waren, in de blanke Dom ï-

nions, is de behoefte aan zeifregering sterk geworden.
Bovendien zijn ze geïndustrialiseerd en dus van Engeland
economisch minder afhankelijk geworden. En tenslotte is

de opkomst van de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie

van die’aard geweest, dat de relatieve betekenis van de
Britse vloot slonk, en andere economische ,,ruimten”
ontstonden dan die, welke op wereidkaarten in de Engelse
lagere scholen zijn gekleurd. Australië heeft uit de
val van Singapore geleerd, dat het op Amerika minstens
evenzeer rekenen moet als op Engeland. De buitenlandse
handelsbeweging van Canada is aanzienlijk meer op het eigen continent gericht dan op het Verenigd Koninkrijk.
– Dat alles heeft – merkwaardig genoeg – wèl de. prac-
tische handelingen van Westminster sterk beïnvloed, maar,

de algemene concepties van politiek en economie nau-
welijks gewijzigd. Men tracht met deze nieuwe feiten
– hoe revolutionnair ook – wel rekening te houden in de

dagelijkse diplomatie, maar heeft ze niet verwerkt in een
veranderd wereidbeeld. Péguy heeft eens gezegd: ,,Wij
weten wel, dat we sterven moeten, maar we geloven het
niet”. Zo kan’ men ook zeggen: de Britten weten wel, dat
de negentiende eeuw – de Britse eeuw bij uitstek —’ten
einde is, maar ze geloven het niet. Wanneer een man als
R. W. G. Mackay een boek publiceert als ,,You can’t
put the Clock back”, dan tast niemand de daarin gegeven

cijfers aan, maar toch schokt het niemand in zijn illusies.
Wel echter kan het in de toekomst gebeuren, dat de ver-houdingen in devrije wereld zich wijzigen in die zin, dat

Canada zich steeds meer op de Verenigde-Staten oriënteert,
terwijl Groot-Brittannië steun zou vinden bij de Europese
federatie, aangenomen, dat deze inmiddels wordt gesticht.

18 Juli 1951

ECONOMiSCH-STATISTISCHE BERICHTEN

543

Een hergroepering van krachten kan tengevolge hebben,

dat Londen meer op Straatsburg moet gaan Spelen dan

op Ottawa of Canberra. Wij zeggen niet, dat zulk een

Situatie ontstaan zal, maar ze is denkbaar, op voorwaarde
echter, dat op het vasteland inderdaad ‘een kristailisatie-

punt tot stand komt, waarmee Engeland rekening houden

kan, positief of negatief.

De beste manier om de Britten meer Europees gezind te

maken schijnt ons dus: het continent te organiseren.

Of men dat het beste doen kan door een grondwet’ te

maken en de Verenigde Staten van Europa uit te roepen, dan wel door eerst functionneel te beginnen en sector na
sector te federeren, dat is een vraag die hier niet aan de

orde is. Hoofdzaak is echter, dat nien vorderingen maakt,

die ons in staat stellen ernstig genomen te worden door
een volk, dat niet voor overreding vatbaar is, maar alleen

voor confrontatie met harde feiten. Want dat laatste wordt

bewêzen door de geschiedenis, niet slechts die der laatste

jaren, maar van ruim anderhalve eeuw.

V66r ons ligt een’ uitnemend boekje, getiteld: ,,Britain

and Europe, Pitt to Churchill, 1793-1940″. Het is geen
analyse van de buitenlandse politiek van die jaren; het
is slechts een verzameling redevoeringen,
artiiçelen,
rap-
porten enz., door Britse staatslieden aan ons probleem

gewijd en door James’Joll van een inleiding en enkele
aantekeningen voorzien. Hier ziet men het grote
,,Leit-

niotiv”
als het ware in levenden lijve voor ons oprijzen.
Hier ziet men de constantes zichtbaar worden. Het is alsof
men het hele landschap in vogelvlucht overziet en plot-
seling de samenstelling van heuvel en dal, bos en veld
kan waarnemen, zonder dat men wordt gehinderd door
verschijnselen van kleinere aard, die onze blik verwarren

als men op de grond en midden ‘tussen dat alles staat. Welke ‘grote algemene tendenties doen zich dan voor?

Ten eerste:
de afwijzing van elke internationale verplich-
ting die later tot ernstige gevolge’n leiden zo’u. ,,No
entanglements!” – ,,No interverition!”. Geen ideologische
politiek! Zeker, de neiging is sterk om te geloven in ,,the rule of law” en een zeker internationaal parlementarisme
(vandaar de merkwaardigepopulariteit van de Volken bond in een land, dat voor nuchter doorgaat!), maar dit idealisme
strekt niet zéver, dat men een permanente gemeenschap,
zou aanvaarden. Het zou interessant zijn, te onderzoeken hoe de linkerzijde beurtelings pacifistisch is (wanneer de
oorlog tegen de Franse revolutie, gaat bijv.) en oorlogs-
bereid (bijv. in Gladstone’s wilde pro-Russische en anti-
Turkse drijven). Het zou eveneens niet zonder humor zijn,
na te gaan hoezeer idealisme en eigenbelang daarbij vaak

samenvallen, een mengsel, dat de idee van een ,,perfide
Albion” verklaarbaar maakte. Maar als de Heilige Alliântie
tot stand komt – op de basis van een overwinning op
Napoleon, waarbij Engeland de voornaamste bijdrage

geleverd had -, dan laat Westminster weten, dat het niet
meedoet: geen ideologische vrede!… Geen garanties!.
Geen blanco cheques!… Geen bindende verklaringen –
zelfs niet als men ze honoreren wil. Uit diezelfde gezindheid
zal Engeland het uitbreken van de eerste wereldoorlog
verhaasten, door te weigeren de neutraliteit van België
tijdig en uitdrukkelijk te waarborgen.

Ten ilveede:
de openlijke aanvaarding van het Britse

belang als toetssteen van de buitenlandse politiek. Men kan
zeggen, dat dit ,,right or wrong, my country” gemeengoed

is van âlle landen. Niet geheel! Groot-Brittannië is het
enige land, waar dit macchiavellistische adagium is gefor-
muleerd en openlijk uitgesproken, niet als een cynische
boutade, maar als een algemeen aanvaarde basis, als een
(misschien wat heel kras uitgedrukte, maar toch volmaakt
reële) communis opinio. Dezelfde idealistische Palmerston,
die met zoveel oprechte emphase verzekefde, dat ,,Sjr….
opinions are stronger than armies”
‘),
kan zich ook rustig

5)
Rede in het Lagerhuis, 21 Juli 1849.

aansluiten bij Canning, zeggende, dat ,,with every British

Minister the interests of England ought to be the shibboleth

of his policy”
2) 3).
Evenmin moeten wij verwonderd zijn,
wanneer een man van links, de liberaal, de doctrinaire vrij-
handelaar Richard Cobden, zijn beste welsprekendheid
levert in een lofprijzing van ,,the pugnacious, energetic,

self-sufficient, foreigner-despizing
and pitying character of

that noble. insular creature,
John Bull”
4) 5),
Ernest Bevin

dacht er• stellig niet anders over.

Ten derde:
het wantrouwen. tegen elk ,,stelsel” om de vrede te verzekeren, din de daaruit volgende wil, vooral
niet verder te gaan dan iets als een Volkenbond. Curieus

genoeg: men is bang voor vredesconstructies…..uit

pacifisme; men is principieel geneigd tot ééndagspolitiek
en ,,rnuddling through”. Maar tegelijkertijd (en dat wordt

door de Engelsen zelf meestal vergeten!) heeft men

lange tijd een goed werkend ,,stelsel” gehâd, namelijk:
de ,,balance of power”. Beide elementen worden geil-

lustreerd door een zin van Castelreagh: ,,We shali be

found in our place when actual danger menaces the

System of Europe, but this Country cannot, and will

not, act upon abstract and speculative Principles of
Precaution”
6).
Of, met de woorden van Canning:
,,the duty of Great Britain to protect what is termed

the balance of power, and to aid the weak against the
insults of the strong”
7
). Inderdaad is dat een uitstekend

onprincipieel.principe geweest. Maar ons valt op, hoe deze
anti-abstracte Britse staatslieden blijkbaar voortdurend
voorbijzien, dat deze hele politiek gebonden is aan zeer

concrete krachtsverhoudingen, die’ na de eerste wereld-
oorlog gingen verschuiven en na de tweede wereldoörlog
ophouden te bestaan. En het drama van de’ moderne
buitenlandse politiek van Londen is, dat er geen andere
doctrine gevonden werd, die in de plaats kan komen van
de ,,balance of power” – dat men geen weg weet in een
wereld, waar de weegschaal der krachten niet meer door
het Verenigd Koninkrijk in evenwicht gehouden wordt.
Zonder conceptie kan men geen consequent politiek

voeren. Die conceptie was er destijds. Ze is verloren gegaan
en niet vervangen;

Zo geeft eens te meer de historie een achtergrond voor de actuele politiek. Of men het betreurt of niet: Engeland

heeft geen Europese traditie in de zin als door ons wordt
verstaan. Het ziet traditioneel het vasteland als een groep
potentiële tegenstanders, die tegen elkaar in evenwicht
gehouden moeten worden.- Thans is zulk een politiek
zakelijk niet meer denkbaar, doch een totale omslag kan
moeilijk worden verwacht uit het ideale moment, of uit een
vèrziende genialiteit. De Britse buitenlandse politiek is nooit
geniaal geweest en ze is het vandaag minder dan ooit.
Ze is gericht op het ônmiddellijke. Alweer met een woord
van Palmérston: ,,But it is not usual for Englatid to enter. into engagements with reference to cases which have not

actually arisen, or whïch are not immediately in prospect”
8).

Daarbij is het gebleven, en de grote lracht van Engeland.
is juist, zich door een situatie heen te slaan, die het mis-
schien had kunnen voorzien en daardoor vermijden. Maar

het voorziet nooit en komt altijd te laat tot bewustzijn van de dingen die komen gaan. Het handelt steeds als
het reeds te laat is – maar dan ook met een energie,
waarvoor geen ander land de kracht zou opbrengen. Onze

diepe bewondering is daarmede verklaard. Maar’ ook onze

‘)
1 Maart 1848.

.

S

‘) Canning’s rede iie Plymouth, op 28 October 1823’
…..
but 1 am cohs-
pelled to confess, that in the conduct of political affairs, the grand object
of my contemplation is the interest of England”. En: ,,The single rule for the conduct of a British statesman is, atta9hment to the interests of Great
Britain”.
) Cursivering van ons.
‘) Brief aan’Bright, September 1947.
0)
State Paper: 5’Mei 1820.
7)
Rede in het Lagerhuis, 16 April 1823.
‘) Nota san de ambasssdeur in Rusland, 11 Januari 1841.

544

ECONOMISCH-STATISTISCHE ‘BERICHTEN

18 Juli 1951

aarzeling om te geloven, dat het ,,Foreign.Office” ooit door

overreding zou worden meegeslept in een Europees

Tederalisme, dat men eerst aan het werk moet zien om

er in te geloven. En zelfs’ dan zal het waarschijnlijk vragen

om een plaats al ,,buitenlid”. Niet directe, becijferbare
belangen zijn hier in het spel, en slechts ten dele de doc-

trinaire opvattingen van een Regering, die aan nationaal

socialisme gelooft. In het spel zijn vooral:
hun
,,wait and

see” en
onze
woordenrjke onmacht tot handelen.

Niet het eerste kunnen wij veranderen, maar wel het

tweede.

‘s.Gravenhage.

H. BRUGMANS.

GELD- EN KAPITAALMARKT

De geldmarkt.

De geldmarkt vertoonde tegen het einde van de ver-

slagweek een verkrapping, verband houdende met het na-

deren van de stortingsdatum der Philipsemissies. Weliswaar

bezitten de meeste banken momenteel een flink stoot-
kussen in de vorm van een relatief groot bedrag aan uit-

staand caligeld, maar hiertegenover staat, dat de hoeveel-
heid in Juli aflopend schatkistpapier verhoudingsgewijze

gering is (ca fl75 mln). Wanneer derhalve de onttrekkingen

bij een instelling eens. tegenlopen, kan de noodzaak ont-

staan, geld te maken d.m.v. verkoop van schatkistpapier.

Gedurende de laatste dagen van de afgelopen week was

er op de geidmarkt voor het eerst sinds lange tijd enig

aanbod’ te constateren. Speciaal betrof dit de korte ter-
mijnen, waarbij Augiistuspapier op l/ pCt en September/
%

OctoberpaPier voor l/ pCt
;
werd gelaten. November-

en Decemberpapier werden op
l/
1
6
pCt afgedaan, terwijl

Januari tot Junipapier 17/
16-1/2 pCt noteerde. De call-

geldnotering werd Zaterdag 14 Juli van
3/4
pCt tot 1 pCt

verhoogd.
Dat bij de herziening van de rentestaffel, welke de afge-

lopen week plaatsvond, het maximum rentepercentage

ad l/
8

pCt voor kasgeldleningen, korter dan één jaar

lopend, niet weM verhoogd, mag opmerkelijk worden
genoemd. De rentevoet voor het kortlopend overheids-
papier,’ zowel van de Staat als van de lagere publiekrech-
telijke lichamen, m.a.w. juist voor het geldmarktmateriaal,

blijft thans als laatste der Mohikanen op het oude peil
gefixeerd, nadat het laatste halfjaar alle andere korte en

lange rentevoeten in ons land omhoog gingen. Op deze

deelmarkt.is
de Overheid vrijwel monopolisten handhaaft
zij angstvallig het restant van de goedkoop-geidpolitiek.

De kapitaalmarkt.

Hoewel blijkens onderstaande indexcijfers het koers-
niveau vrijwel constant bleef, had de aandelenmarkt toch
gedurende de verslagweek een vrij bewogen verloop.
Allereerst waren aandelen Philips zeer vast. De toevoer
van nieuwe middelen aan de markt uit hoofde van de ,,ge-
dwongen besparingen”, welke deze emissie teweeg bracht
bij oude aandeelhouders i.v.m. de, door hen te lijden
verliezen bij verkoop der claims, waren waarschijnlijk

aanzienlijk.
Het gerucht, dat Unilever emissieplânnen zou hebben,

had Donderdag een grote koersdaling ten gevolge Toen vervolgens bleek, dat het hier een canard betrof, volgde op de laatste beursdag van de week een krachtig herstel. ‘

Nadat ca een maand geleden de levensverzekering-
maatschappijen besloten van Juni ’51-Mei ’53 f 250

mln ‘te lenen aan de gemeenten
â
4 pCt voor woningbouw-

doeleinden, verluidt thans, dat de pensioenfondsen f
50

mln op dezelfdq voorwaarden zullen verstrekken.
Gold dit percentage van 4 tot dusverre alleen in deze
beide . speciale gevallen, gedurende de verslagweek werd

het zgn. rentegamma, bevattend de maximijm-rentevoeten,
welke’ door’ lagere publiekrechte1ijle lichamen voor le-

ningen van verschillende looptijd mogen worden betaald,

herzien, zodat voortaan alle geldgevers een hogere rente

mogen conditionneren.

De oude resp. nieuwe maximum percentages bedragen

bij een gemiddelde looptijd tussen:

Oud
Niéuw

pCt pCt
1 en

2jaar

2
2
1
/8
2 en

3
21/4
2/8
3 en

4
2’/
4en

5

..

2
3
/
4

3

5en

6
3
31/
‘4
6en10
.

3
3’/

10,en 15
31/4 33/4


15
jaar en hoger
/

31/
/2
4

De Gemeente Haarlem maakte hiervan direct gebruik

door een 4 pCt vijfentwintigjarige annuïteitslening (ge-

middelde looptijd 15 jaar) aan te kondigen. Dat dit ge-
schiedt door aan het publiek een emissie aan te bieden,

mag wel worden beschouwd als een illustratie van het

feit, dat de institutiônele beleggers thans volbelegd zijn.

6
Juli

13 Juli

1951

.
1951

Aand. indexcijfers.

Algemeen ……… …………

145,5

145,8

Industrie

……… . ………

208,3

208,7

Scheepvaart ……
…………..161,7.

161,7

Banken ………………….119,0

ll,7

Indon. aandelen ………….49,0

49,6

Aandelen.

,

A.K.0…………………..
172
171

Philips

…………………..
152
167’/
3

Unilever

………………..
H.A.L
.

…………………..

2461/4

163’/
3


242
1
/

15

Amsterdam Rubber ………..
110
1161/
3

H.V.A.

………………….
1l5’/,
120

Kon.

Petroleum

………….
279
.. 278

Stiatsobligaties.
24 pCt N.W.S…………….
72
1
/4
72
1
/

3-34 pCt

1947

……………
88/8 88’/

3

pCt Invest.

certif.

……….
90/
16

89/
8

34

pCt

1951

……………..
95/16
95’/

3 pCt Dollarlëning

………..
98
981/4

J.C.B.

STI’ATISTIEKEN
DE NEDERLANDSCRE BMK.
(voornaamste posten in duizenden guldens).


. ,
45
E

u,
V
.
L..


o
to
,’

a
>iso.0
0

O.
>

4 Juni

’51
1.193.719
780.755
1.361
210.977
46
18 Juni

’51
1.193.661
738.680
2.215
215.888
171.355
25 Juni

’51
1.193.583
794.777
1.759 255.831
171.920
2 Juli

51
1.193.708
794.044
2.835
254.139
200.801
9

Juli

.
’51
1.193.824 776.861
2.935
264.671
197.270
16 Juli

’51
1.193.948
657.710
2.488 280.822
199.565

Saldi
in
CX
:::;a:t


.


n
8E

4 Juni’51

2.749.749 2.189.373

3.928 1.469.588 401.628

109.801
18 Juni’51

2.675.485 2.127.274

1.548.690 275.684

113.291
2 Juni’51

2.692.688 2.193.123

1.548.690 318.331

113.111
2 Juli’51

2.787.885 2.326.164

ll.548.6901 382.331

112.917
9 Juli …….12.741.804
1
2.247.559
2.749.326 2.350.639

1.450 1.547.690 425.291

111.231
1
6
Juli
…….

1.547.690 290.408

110.859

/
Icl

.

DIT IS NET ENBLEEM

van

Imperial

ChemicaI

Industries

Ltd.

1.

.
1.,

het wereld-omspannende Britsi chemische concern, ontstond

in 1926 uit de samenwerking van vier beroemde ondernemingen:

Bru’nner Mond
&
Co. Ltd., Nobel Industries Ltd., The United

Alkali Co. Ltd., en de British Dyestuffs Corporation Ltd.

1

t

.

I.C.I. is thans een naamloze vennooschap

met een

kapitaal

van

meer dan

800

millioen

gulden. Geen

enkele

andere chemische

industrie maakt zulk een verscheidenheid van producten..

Op het gebied van organische en zware chemicaliën, kleurstoffen

en non-ferrö metalen behoort I.C.I.

tot de grootste

prodncenten

ter wereld.

Het

intensieve’ onderzoeki’ngswerk heeft reeds tot vele ontdekkin-

gen geleid.

Bekwaam vakmanschap waarborgt de kwaliteit van alle producten.

Waar

U

het I.C.I.-embleem ziet, daar ontmoet U het beste, -dat

de chemische industrie kan vortbrengen.

IMPERIAL CHEMICAL INDUSTRIES (HOLLAND) His

ROTTERDAM

• •

t

545

DELFT

46

met papier geïsoleerde kabels

voor zwakstroom en sterkstroom

ko,erdraad en koperdraadkabel’

kabelgarnituren, vulmassa en olie

HE KABELFABRIEK

cD
vaeatures

BANMNSTELLLG
te Amsterdam zoekt voor
haar Studie-afdeling een
VROUWELIJKE KRACHT
met belangstelling voor balans-analyse.
Candidaatsexamen Economie strekt tot
aanbeveling..
Brieven onder No. VA 2124 aan .Adv. Bür. de
Bussy, Rokin 60, Amsterdam-C.

/
Abonneert U op

DE ECONOMIST

Maandblad onder redactie van Prof. P. Hen-

nipman, Prof. P; B. Kreukniet, Prof. H. W.

Lambers, Th. Ligthart, Prof; J. Tinbergen,

Prof. G. M. Verrijn Stuart, Prof. F. de Vries.
Prof. J. Zijlstra.

Abonnementsprijs
f
22.50; fr. p. post
1
23.60;

voor studenten
f
19.—; franco per post
f
20.10

Abonnementén worden aangenomen door de

boekhandel en door de uitgevers

DE E R V E N F.BOH’N TE HAARLEM

.1′

Ook voor Beschikbare Krachten Is een annonce In
,,EconomisCh-Statlstische Berichten” de aangewezen
weg. Annonces, waarvan de tekst ‘s Maandags in ons
bezit is, kunnen, plaatsruimte voorbehouden, In het
nummer van dezelfde week worden opgenomen.

Koninklijke

Nederlondsche

Boekdrukkerlj

II. A. M. ROelunts

Schiedom

..,,….,……….,,.9………,….,……..”……

.

.

•.

.

:

.

HANDEL-MAATSCHAPPIJ

,. Albert de Bary & Go.
N.V.

AMST’ERDAM-
C. • HEERENGRACHT 450

Alle Bankzaken

KAPITAAL EN RESERVES F. 25.000.000



.,

.

.

*

,Diverseii

‘*

Te koop
KAJSER
1950, 14.000 km

gelopen, z.g.a.n. J. Andriessen,

Art: Baarn, Tel. 3737.

REISGEZELSCHAP
-‘

!
Gelegenheid geboden aan 1
B. of
2′ economen of andere
inteil., niet ouder dan 30 jaar, om
met station-car vacantie door te
brengn. Br. No. 155-598, Bolrek,
Kon.pl. 1, Adam.

Opdrachten vooi? adver-

tenties
,.
inzenden aan

Advért.-adxnin. ,E.-S.B.”,

postbus 42

Schiedam

In dé Anglo-Egyptisché
/
Soedan, Abessinië, Uganda,

Kenya kolonie, Tanganjika

Terr., Sierra Leone, Liberia,

Goudkust, Rhodesia, Br.

Somaliland, en Niassa-

land .wordt het ,,Nether-

lands Trade Bulletin” van

11 Augustus op doeltref

fende wijze in persoonlijk
geadresseerde enveloppen

verspreid. Bovendien wordt

deze ‘uitgave toegezonden

aan de met zorg geselec-

teerde adressen over ‘de.ge-

hele wereld die. deze ex-

portuitgave wekelijks ont-

vangen.

Benut deze unieke kais en
zendt Uw opdracht voor 6

Augustus in aan:

,,Netherlands Trade Bulle-

tin”, Postbus 42 -Schiedam.

Vacatures

DE KONINKLIJKE MACHINEFABRIEK

GEBR. STORK & Co. N.V. te HENGELO (0.)

zoekt als naaste’ledewerkervan de Directie een

TkFFUNCTIONA•RiS,VOOR DE:

BEDRgJFSECONOMISCHE RICHTING

Naast grondige theoretische kennis is een uitgebreide

bedrijfseryaring vereist op het gebied van bedrijfs-

economie, boekhouding en accountancy bij voorkeur

in de
machine-indûstrie of
scheepsbouw.

Lêeftijd
,

niet beneden 40jaar.
.

,De functie isbedoe1d als levenspositie en biedt ruime

toekomstmogelijkheden. Volledige
discretie ..wordt

verzekerd.

•Uitvoerige sollicitatiebrieven in handschrift ..t& zenden ‘aan’. het

• secretariaat der Directie van de KON. MACHINEFABRIEK GEBR.
STORK & Co. N.V. te Hengelo-(0)

CII.

Daar ligt ‘een

TiTT
EXPORT MARIT’

voor
U
open!

De Curaçaosche.4] Ha 1-Maatschappij

sleutel tot het

Garaïbisèhe gebied

NOORD
AMERIKA’

..

-I

ZUID

Risico vrije export

AMERIKA

van Uw producten door
de 42 kantQren ‘en
a
gentsch
~
ppen van d

-,
Curaçaosche in het Caraïbische gebied: Curaça

Aruba

Trinidad-
Barbados

Dominic. Rep.

Haïti

Jamaica

Ctiba

Honduras

Guatemala

El Salvador

Costa Rica

Panama– Colombia
Venezuela

Suriname

Br. Guyana

Brazilië

Argentinië. Met de

Curaçaosche vindt U eèn rijke markt. Geen zorg voor vêrgunningen
en documenten. Betaling Amsterdam. Alle kantoten zullen gaarne
ook
rechtstreeks
voor
U
verkopeii. De Curaçaosche verkoopt alles:’

grondstoffen

halffabrikaten -eind producten

al, 60 jaar!

“Uw verzoek om ,inlichtingen wordt gaarne

ingewacht en onmiddeliijk behandeid door de

CURAÇAOSCHÉ, HANDEL-MAATSCHAPPIJ N.V.

Stadhouderskad’e 6.: AmsterdarrÇ-.W.’

Tel. 82111.

547

DE AMSTERDAMSCHE

GOEDEREN-BANK’N.V.

opent

ACCREDITIEVEN

ter financiering van de aankoop van

STAPELPRODUCTEN

en

GRONDSTOFFEN

ten behoeve van handel en industrie.

*

• Vlotté behandeling van
Uw
aanvragen.

• Deskundige voorlichting bij het in-

dienen der vereiste vergunningen.

• Waardevolle adviezen gedurende de

gehele loop der transactie.
• Over de gehele wereld corresponden-

ten met grote ervaring in de goederen-

handel.

• Speciale credietfaciliteiten voor de

financiering van die import-, transito en

driehoekszaken welke zich op korte

termijn afwikkelen.

*

Voor tijdelijk onbelegde gelden onzer

relaties vergoeden wij op korte termijn

bovendien een aantrekkelijke rente.

(ffij

AMSTERDAMSCHE

11

GOEDEREN-BANK
N.V.

Kapitaal en Reserves F. 8.600.000. —

AMSTERDAM

*

ROTTERDAM

Keizersgracht 203

Rode Zand 34

CC NSTRUCTIEWERKEIC

voor groote

en Heine

projecten

ECONOMISCH-

STATISTISCHE BERICHTEN

UIT(AVE VAN HET NEDERLAIWSCH ECONÔMISCH INSTITUUT

Adres voor Nederland: Pieter de Hoochstraat
s,
Rotterdam (W.)
Telefoon Redactie en Administratie
38040.
Giro
8408.

Bankiers: R. Mcce en Zoonen, Rotterdam
Redactie-adres voor België: Seminarie voor Gespeciatieeerde Ekonomie
‘4,
Universiteitstraat, Gent.

Abonnementen: Pieter de Hoochstraat
s,
Rotterdam (W.).
Bankter8: Banque de Commerce, Brussel.
Abonnements prijs, franco per post, voor Nederland f
26,—
per jaar,
voor België/Luxemburg f
28,—
per jaar, te voldoen door storting van
de tegenwaarde in Belgische francs bij de Banque de Commerce te
Brussel of op haar Belgische postgirorekening
fl0
26 0.34.

Uniegebieden enOverzeese Rijksdelen (per zeepost) fs
6,—,
overige
landen
!
28,—
per jaar.

Abonnementen kunnen ingaan met elk nummer en slechts worden
beëindigd per ultimo van het kalenderjaar.

Aangetehende stukken in Nederland aan het Bijkantoor Westzeedijk,
Rotterdam (W.).

ADVERTENTIES.
Alle correspondentie betreffende advertenties te richten aan de Firma
H. A M. Roelante, Lange Haven zz, Schiedam (Telefoon
69300,
toestel
6).
Advertentie-tarief f
0,43
per mm. Contract-tarieven op
aanvraag. Rubrieken ,,Vacatures” en ,,Beschikbare krachten” /
o,6o
per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt zich het recht
voor om advertenties zonder opgaaf van redenen te weigeren.

Voor alle,00k

zeer speciale

doeleinden

maken wij

POMPEN

-tr

– – –

Losse nummers
75
cents, resp. 10 B. francs.

Auteur