Ecanomisch
=
Stdtistis
che
,
I
B_
F
a
N
,
tionale middelen en bestedingen
*
Drs. W. le Mair
De landbouw in Benelux – nieuwe
perspectieven?
(II)
*
Theorie en praktijk van cle winstdeling
*
C. Vermey
De tankvrachtenmarkt
Dr. W.. C. Klein
De produktiviteit van de inheemse
arbeider in tropisch Afrika
/
• • UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ÉCONOMISCH INSTITUUT
41e JAARGANG
No. 2045
WOENSDAG 29 AUGUSTUS
1956
Spuistraat
KAS-ASSOCIATIE N.V.
Deposito en
Rekeni ngcou rant
Waardepapier’
EFFECTEN CHEQUES
*
BOEK., STAAL., STEEN EN OFFSETDrtUKKERIJ
C. Chevalier
Rotterdam, Piekstraat
24.
Tel .KISoo77700 ( 3 lijnen)
R. Mees&Zoonen
Bankïers
en,
Assurantie-makelaars
Rotterdam
Amsterdam. ‘s-Gravenhage
Delft- Schiedam- Vlaardingen
A
iblasserdam
Financiering van invoer,
uitvoer en transito
Alle assurantiën
Beleggingen en
vermogensbeheer
ARNUEMSOHE HYPOTHEEKBANK N.V.
AGENTSCHAP RO1TERDAM – Mr.J. R. PENTERMANN
2e Westewagenhof 1 (St. Laurenshuis)
Telefoon 29527
%OE(.
H
Wij belasten ons met het beworen enodminis-
H
H
treren von. Uw effectenbezit, in: welk geval
ij’
‘
o.a. zorgen
voor
het
knippen
en
verzilveren
N
van coupons en dividendbewijzen, het adviseren
N
H
bij emissies,
het nozien van
uitlotingen en
het
H
Pl
incasseren van oflosbore obligaties. Vraagt na-
Pl
–
dere inlichtingen aan de
Pl Pl
eder1alldscho
:
ilaildel-ilaatschappij,. N.Y.
H
:
H
Pl Pl
111111
111111
111111
111111
ECONOMISCH-
STATISTISCHE BERICHTEN
Uitgave van het Nederlandsch Economisch Instituut
Adres voor Nederland: Pieter de Hoochiveg 120, Rotterdam- W.
Telefoon redbctie: K 1800-52939. Administratie: K 1800-
38040. Giro 8408.
Bankiers:
R. Mees en Zoonen, Rotterdam. Banque de Corn-
merce, 6, Place Royale, Brusse4 postc/ieque-rekening 260.34.
‘Redactie-adres voor België:
Dr. J. Geluck, Zwjjnaardse Steen-
weg 357, Gent.
Abonnementen:
Pieter de Hoochweg 120,’ Rotterdam- W.
Abonnementsprijs:
franco per post, voor Nederland en de
Overzeese Rijksdelen (per zeepost)
f.
29,—, overige landen
f.
31,— per jaar. Abonnementen kunnen ingaan met elk
nummer en slechts worden beëindigd per ultimo van het
kalenderjaar.
Losse nummers
75 ct.
Speciak nummers f. 2.
Aangetekende stukken
in Nederland aan liet Bijkantoor
• Westzeedijk, Rotterdam- W.
Advertenties.
Alle correspondentie betreffende advertenties
te richten aan de Koninkljjke’Nederlandsche Boekdrukkerj
H.A.M. Roelants, Lange Haven 141, Schiedam (Telefoon
69300, toestel 1
of 3).
Advertentie-tarief
f.
0,30 per mm. C’ontraci.tarieven op aan-
vraag. Rubrieken ,, Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”
f.
0,60 per. mm (dubbele kolom). De administratie behoudt –
zich het recht voor om advertenties zonder opgaaf van
redenen te weigeren.
Nationale middelen en bestedingen in prijzen van 1949
(in mrd. guldens)
Omschrijving
1951
1952
1953
1954
1955
Toegevoegde waarde van be-
drijven (nctto;-marktprijzen)
15,35
15,80
17,25 18,15
19,60
Toegevoegde waarde van de
Overheid
…………….
1,30
1,35
1,45 1,55
1,60
Binnenlands
produkt
(netto;
marktprijzen)
0
+2)
……
16,65
17,15
18,70 19,70
21,20
Saldo ontvangen inkomens uit
0,25
0,30
0,30 0,30
Nationaal
produkt
(netto;
.
6,85
marktprijzen) (3 +4)
……
..
17,40 19,00
20,00 21,50
Invloed verandering in de ver-
..
het buitenland …………..0,20
houding in- en uitvoerprj-
-0,70
-0,65
-0,75 -0,50 -0,45
7.Nationaal
inkomen
(netto;
zen
…………………
marktprijzen) (5-6)
16,15 16,75
18,25 19,50
21,05
Saldo
goederenequivalenten
van
schenkingen,
leningen
enz. uit of aan het buiten-
..
land enz.
…………….
-1,45
-1,35
-0,25
-0,75
Nationale bestedingen (7+8)
.
6,20
15,30 16,90
19,25
20,30
waarvan aangewend voor:
Cons. door gezinshuishoudin-
.0,05
11,25
11,30
11,80 12,50
13,40
Ii. Overheidsbestedingen
……..
2,65
2,80
3,25 3,45
3,55
gen
…………………
Netto-investeringen
in
vaste
.
1,50 1,60
2,20 2,65
activa in bedrijven
………1,45
Voorraadvorming
………..
0,85
-0,30
0,25
1,10
0,70
en besparingen in werkelijke prijzen
(in mrd. guldens)
19,55
13,65
3,12 2,78 2,88
-0,10
29augustus 1956 .
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
763
Nationale middelen en bestedingen
Het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft in zijn
,,Maandschrift”van juli ji. voorlopige gegevens bekend
gemaakt over de nationale middelen en bestedingen in
1955
1).
Uit deze gegevens blijkt, dat het nationaal inkomen
tegen factorkosten van 1954 op
1955
is gestegen met
f. 2,42 mrd. tot f. 23,78 mrd. De waardetoeneming van het
nationaal inkomen tegen
marktprijzen, die rond 10
pCt. bedroeg, hield voor
2 pCt. verband met prijs-
stijgingen en voor 8 pCt.
met hoeveelheidsverande-
ring. Dit duidt erop, dat de
expansie van het econo-
misch proces zich heeft
voortgezet. Dit laatste blijkt
tevens uit de cijfers betref-
fende de nationale beste-
dingen, die, tezamen met
die der middelen, herleid
in prijzen van 1949, in het
bovenste deel van de tabel
zijn weergegeven.
De daarin gerepro-
duceerde cijfers doen zien,
dat de nationale beste-
dingen in constante prijzen
ruim f. 1 mrd. hoger waren
dan het jaar tevoren. De
toeneming was echter ge-
ringer dan die van 1953 op
1954. De constimptie door
gezinshuishoudingen gaf in
1955 een stijging te zien
met f. 0,9 mrd. of 7 pCt.,
tegen f. 0,7 mrd. of 6 pCt.
het jaar tevoren. Op iets
langere termijn, nl. over de
oeriode 1951-1955 en in
prijzen van 1951, bedroej –
de consumptietoeneming rond f. 2,65 mrd., waarvan ca.
f.
0,85 mrd.’betrekking had op voedingsmiddelen, f. 0,15
mrd. op genotmiddelen en resp. f. 1 mrd. en f. 0,65 mrd.
op duurzame consumptiegoederen en overige goederen en
diensten. De stijging der netto-investeringen in bedrijven
‘)In het inmiddels verschenen numme- van ,,Statistische en econometrische onder-
zoekingen”, 2de kwartaal 1956, treft men een uitvoerige toelichting op de cijfers en
de gebruikte definities en begrippen aan.
was in 1955 eveneens aanzienlijk: zij bedroeg f. 0,45 mrd.
of 20 pCt., tegen f. 0,6 mrd. of 37 pCt. in 1954. De over-
heidsbestedingen – consumptieve bestedingen èn in-
vesteringen – stegen zowel absoluut als relatief minder.
De nationale besparingen, die van 1951 tot 1954 jaar-
lijks met ongeveer f.
0,5
mrd. toenamen, stegen, zoals het
onderste deel van de tabel
doet zien, in 1955 met
f. 0,77 mrd. tot f.
5,06
mrd.
Niet minder dan 73 pCt.
van laatstgenoemd bedrag
werd gevormd in bedrijven
en gezinshuishoudingen, en
25 pCt. in de sector der
verzekeringsfondsen. De
besparingen der Overheid,
die in 1951 nog ongeveer
f. 1,27 mrd. of 46 pCt.
der totale besparingen be-
droegen, waren in
1955
tot f. 0,1 mrd. of 2 pCt.
teruggelopen, hetgeen is
toe te schrijven aan de
omstandigheid, dat tegen-
over een vrij sterke toe-
neming der overheidsuit-
gaven – zij waren in
1955 f. 2,04 mrd. hoger
dan in 1951 – een veel
geringere stijging der ont-
vangsten – nI. f. 0,87 mrd.
– stond. –
Het nationale bespa-
ringsoverschot – het ver-
schil tussen nationale be-
sparingen en de netto-in-
vesteringen – tensk)tte,
bedroeg f. 0,84 mrd. Het
n,trcrhn+
n
tin 1 nnn.-.Aa
J
V¼.kO111¼J1
i,_.
rekening der betalingsba-
lans – het verschil tussen nationaal inkomen ennatjonale
bestedingen – is hieraan gelijk. De stijging van dit over-
schot van f. 0,23 mrd. in 1954 tot f. 0,84 mrd. in het afgelo-
pen jaar is ten dele toe te schrijven aan het feit, dat de uit-
voer van goederen en diensten met f. 0,53 mrd. méér steeg
dan de invoer, ten dele aan een toeneming van het saldo
ontvangen inkomens -uit het buitenland met f. 0,03 mrd.
INHOUD
Blz.
Blz.
Nationale middelen en bestedingen
………..
763 De Nederland)e industrie in het tweede kwartaal
De landbouw in Benelux – nieuwe perspectie-
1956, door Drs. J. C. Bottema en Drs. A. G. ter
ven? (II), door Drs. W. le Mair
…………
765
Hennepe
…………………………..
775
Theorie en praktijk van de winstdeling,
door een
B o e k b e s p r e k i n g:
–
studiegroep van het Nederlands Instituut voor
Contributions è. l’étude de la Comptabiité-
Efficiency
…………………………..
768 –
De tankvrachtenmarkt,
door C. Vermey
…… …
770
– nationale de la Belgique,
bespr. door
De produktiviteit van de inheemse arbeider in
Drs. H. C. Bos
…………………….
777
tropisch Afrika, door Dr. W. C. Klein
……..
772 Geld- en kapitaalmarkt,
door Drs. J. C. Brezet
778
COMMISSIE VAN REDACTIE: C. van den Berg; Ch. Glasz; L. M. Koyck; H. W. Lambers; J. Tinbergen;
F. de Vries. Redacteur-Secretaris; A. de Wit. Adjunct Redacteur-Secretariij: J. H. Zoon.
COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIE: F. Collin; J. E. Mertens de Wilmars;
J.
van Tichelen; R. Vandeputte;
A. Vlerick.
A Ui1URSRECHT VOORBEHOUDEN
764
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
29 augustus 1956
DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK
Drs. W. LE MAIR, De landbouw in Benelux – nieuwe
perspectieven? (II).
In dit artikel wordt de vraag behandeld in hoeverre de
verschillen in de prijzen van enkele kostencomponenten
in de drie landen – welke in de B.L.E.U.geleid hebben
tot protectie ter handhaving van de agrarische inkomens –
door de onderlinge aanpassing van de landbouwpolitiek
verkleind of opgeheven kunnen worden. Om sociale en
politieke redenen heeft men de agrarische inkomens in de
B.LE.U. door protectie op een vrij hoog peil gehand-
haafd, dat echter geen weerspiegeling vormt van hogere
arbeidsproduktiviteit. Schr. verwacht de minste moeilijk-
heden bij de eliminering van prijsverschillen voor de
kostenfactoren van industriële oorsprong. Wat betreft
de pachten is men nog lang niet aan een gecoördineerd
beleid toe. Indien door eliminering van kostenverschillen
de concurrentiepositie in de drie Benelux-landen gelijk
getrokken zou zijn, dan zou een eventueel ,,surplus” aan
bescherming in één der landen ook weggenomen moeten
worden. T.a.v. de kleine bedrijven die vooral in Luxem-
burg voorkomen zou men een subsidieregeling kunnén
invoeren. Schr. ziet als bezwaar dat het landbouwoverlçg
in Benelux-verband zuiver intergouvernementeel overleg
is en niet is toevertrouwd aan gemeenschappelijke or-
ganen met een eigen verantwoordelijkheid voor de be-
langen van de Unie als zodanig.
Theorie en praktijk van de winstdeling.
• Dit artikel bevat een reactie van de Studiegroep ,,Winst-
deling en. verwante onderwerpen” van het Nederlands
Instituut voor Efficiency op de door Dr. P. Rijkens op de
Landdag voor Economen in maart ji. gehouden rede over
dit onderwerp. De studiegroep geeft een van Dr. Rijkens
afwijkende interpretatie van het door de Commissie
Cobbenhagen gehanteerde winstbegrip. De studiegroep
deelt niet de visie van Dr. Rij kens, dat een streven valt
waar te nemen naar regularisatie zoal niet stabilisatie van
de dividenden en dat het wisselend inkomen van de ma-
nagers geleidelijk aan van minder betekenis zal worden.
Voorts levert de studiegroep kritiek op de mening van
Dr. Rijkens dat de arbeiders zich geen schommelingen in
het inkomen kunnen veroorloven. Ook de voorkeur van
Dr Rijkens voor middelen als aftrek van spaarbedragen
van het loon ed., deelt de studiegroep niet. Wat betreft
de kwestie gratificaties voor of winstdeling door het
personeel, geeft de studiegroep de voorkeur aan de laatste
mogelijkheid. Töt slot merkt de studiegroep op, dat naar
haar mening Dr. Rijkens in zijn betoog de situatie van
een concern en de praktische moeilijkheden aan invoering
van winstdeling verbonden, teveel als norm heeft gesteld
voor de beoordeling van winstdeling in het algemeen.
C. VERMEY, De tankvrachtenmarkt.
Gedurende het eerste halfjaar van
1956
waren de vrach-
ten op de tankvrachtenmarkt aanzienlijk lager dan in de
laatste maanden van
1955;
toch hadden de tankreders
geen klagen. Normaal geven de tankvrachten een daling
in het voorjaar te zien, doch in april ji. ontwikkelde zich
een grote bedrijvigheid. Wel daalde in juni de vraag
naar ruimte op reisbasis. Voor tonnage op timecharter-
basis bleef echter belangstelling bestaan. Door de Suez-
kanaal-kwestie is een prognose voor het verdere beloop
dit jaar uiterst moeilijk. Door de gestadige expansie in
de petroleumindustrie lijken de vooruitzichten voor dë
tankvaart op langere termijn niet ongunstig.
Dr. W. C. KLEIN, De produktiviteit van de inheemse
arbeider in tropisch Afrika. –
Schr. vermeldt dat o.a. het Gouvernement van Belgisch
Congo door vaststelling van redelijke minimumlonen en
uitbreiding van de wettelijke sociale voorzieningen –
welke voor rekening van de ondernemers komen –
deze laatsten indirect gedwongen heeft de produktiviteit
in studie te nemen. Naast de directe factoren (gezondheid,
voeding, Organisatie van het werk, e.d.), ziet schr. als
hoofdoorzaak van de geringe produktiviteit het amphi-
bisch bestaan van de arbeider, die afwisselend perioden
in de landbouw en in de industrie werkt. Schr. bespreekt
de gepubliceerde gegevens omtrent de produktiviteit van
de Afrikaanse arbeiders. De prestaties van de ongeschool-
de Afrikaanse arbeiders bedragen gemiddeld 30 pCt.
van die van de Europese arbeiders; voor geschoolde ar-
beiders bedraagt dit percentage ca. 70. Ook worden enige
gegevens omtrent de ontwikkeling van de produktiviteit
in de tijd behandeld. Vervolgens bespreekt schr. het ver-
band tussen toename van de produktiviteit en van het loon.
– SOMMAIRE –
Drs. W. LE MA IR, L’agriculture dans les pays Benelux –
nouvelles perspectives? (II).
Sont exposées dans cet article les différences dans les
composants des frais dans les trois pays Benelux, diffé-
rences qui empêchent jusqu’ici la réalisation d’un marché
commun. L’auteur indique de quelle façon on peut faire
concorder davantage les composants des frais dans les
trois pays.
Théorie et pratique de la répartition des bénéfices.
Cet article comporte le commentaire du groupe d’étude
,,Répartition des bénéfices et sujets analogues” du
,,Nederlands Instituut voor Efficiency” sur un discours
prononcé par Dr. Rij kens au sujet de la répartition des
bénéfices.
C. VERMEY, Le marché des frets pour les bateaux-
citernes.
Le niveau des frets était tel que les armateurs de bateaux-
citernes n’avaient pas lieu de se plaindre. Normalement
011
contate sur ce marché une baisse des frets au printemps,
mais cette fois-ci ii s’est développé une grande activité
en avril dernier.
Dr. W. C. KLEIN, La productivité de l’ouvrier indigène én
Afrique tropicale.
L’auteur traite de l’amélioration de la productivité et
des données publiées au sujet de la productivité de l’ou-
vrier africain. Ensuite l’auteur parle du développement
de la productivité dans la suite des temps et du rapport
entre productivité et salaire.
29augustus 1956
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
765
De landbouw in Benelux
nieuwe perspectieven?
(II)
In het eerste artikel
1)
werd een tweetal elementen
in het landbouwvraagstuk onderscheiden:
een belangrijke divergentie in het landbouw-
beleid tussen de drie landen;
een, ten gunste van Nederland, uiteenlopen van
de prijzen van enkele kostencomponenten.
Tevens werd in het vorige artikel een enkel woord
gezegd over het eerste van deze twee onderwerpen – de
divergentie in de landbouwpolitiek (ad 1). Naar aan-
leiding hiervan werden enkele algemene conclusies ge-
trokken omtrent de harmonisatie van een belangrijk
onderdeel van de landbouwpolitiek, nl. het markt- en
prijsbeleid. Het behoeft hier verder geen betoog, dat
met deze onderlinge aanpassin,g van de marktorganisatie
een belangrijk obstakel voor de gemeenschappelijke
landbouwmarkt weggenomen zou zijn.
Er doet zich echter nog een andere moeilijkheid voor.
Het totstandbrengen van een gemeenschappelijke markt
is – politiek en sociaal althans – moeilijk aanvaardbaar,
indien dit tot een aanmerkelijke daling in de agrarische
inkomens van een of enkele der partner-landen aanleiding
zou geven. En in feite zou onder de gegeven omstandig-
heden het instellen van een gemeenschappelijke land-
bouwmarkt in Benelux inderdaad tot een daling der
agrarische inkomens in België en Luxemburg leiden. De
agrarische prijzen liggen er immers, voor een aantal
produkten althans, hoger dan bij ons erf wel juist ten
gevolge van de additionele bescherming welke geboden
wordt door de bijzondere regelingen van het zgn. over-
gangsregime – de in het. vorige artikel vermelde land-
bouwprotocollen. Aangezien men de in de B.L.E.U.
bestaande behoefte aan hogere landbouwprijzen veelal
laat steunen op de sub 2 bedoelde verschillen, is de vraag
van belang in hoeverre het aanbeveling verdient deze
laatste door de onderlinge aanpassing van de landbouw-
politiek te verkleinen of op te heffen.
Ad
2. Het betreft hier uitgaven en kosten welke de
boer voor een goede bedrijfsvoering in rekening moet
brengen:
– de prijs voor de grond, de pacht;
– de prijzen die hij moet betalen resp. de afschrij-
vingskosten die hij moet calculeren voor zijn bedrijfsin-
ventaris, bijv. met betrekking tot de gebôuwen, de land-
bouwwerktuigen en de veestapel;
de prijzen voor grond- en hulpstoffen, bijv. vee-
voeder, zaaizaden, kunstmest en brandstoffen;
– de lonen (mcl. de sociale laslen), waaronder
verstaan moeten worden zowel de werkelijk betaalde
lonen aan landarbeiders (nog geen 10 pCt. van de arbeid
wordt in België en Luxemburg door betaalde arbeids-
krachten verricht!), alsmede het bij de prjsbepaling
,,ingecalculeerde” loon voor de arbeid van de boer zelf.
Waar het op aankomt is, dat de Belgisch/Luxemburgse
landbouw zijn bezwaren baseert op de overweging, dat
de t.a.v. sommige van deze elementen bestaande ver-
schillen, anders dan bijv. de tot dusverre behandelde
inzake de marktorganisatie (ad 1) ten dele voortspruiten
uit omstandigheden die buiten het terrein van de land-
bouw liggen. De onderhavige verschillen worden daarom
door onze partners als een onbillijkheid gevoeld. Een ge-
‘) Gepubliceerd in ,,E.-S.B.” van 8 Augustus 1956.
meenschappelijke prijsgarantie voor bijv. melk zou, zo
concluderen zij, in concreto voor de Belgische boer een
andere inhoud hebben dan voor zijn Nederlandse collega.
Zij achten dit niet aanvaardbaar.
Dat het hier bedoelde verschijnsel inderdaad, voor een
deel althans, zijn oorsprong buiten de landbouw heeft
kan niet worden bestreden. Zo spreekt het vanzelf, dat
hetgeen de Belgische en Luxemburgse boer méér moet
betalen voor sommige van zijn benodigdheden van in-
dustriële herkomst, voortspruit uit factoren die groten-
deels buiten de landbouw liggen. Wat de pacht betreft
staat het vast dat verschillen in pachtwetgeving tussen
de drie landen van grote invloed zijn. Daarenboven
mag het pachtbeleid niet geïsoleerd worden gezien van
de algemeen economische politiek en in het bijzonder
het niveau der grond- en pachtprjzen niet los van de
kosten (prijzen) die ten laste van de eigenaar komen –
kosten die weer grotendeels door prijzen en lonen buiten
de landbouw bepaald worden.
Geheel anders ligt o.i. evenwel de situatie ten aanzien
van de loonverschillen. Te menen dat men hier met een
zelfstandig motief voor prijsverschillen te maken heeft,
is onjuist. Aangezien er t.a.v. dit punt, met name in
Belgiche en Luxemburgse landbouwkringen, een hard-
nekkig misverstand bestaat, is het van betekenis hier
iets uitvoeriger op in te gaan.
Men hoort in genoemde kringen nogal eens de op-
vatting verkondigen, dat een algehele nivellering van
de lonen in de drie landen de juiste oplossing zou zijn.
Wie deze opvatting huldigen zoeken o.i. de problemen
waar zij niet liggen. Tegen een algemene harmonisatie
der lonen in de drie landen pleiten zowel praktische als
economische argumenten. De praktische argumenten
vloeien onmiddellijk voort uit het feit, dat elk der drie
Regeringen volledig verantwoordelijk blijft voor haar
(algemene) economische politiek, in het bijzonder ook
voor een evenwichtige ontwikkeling van haar betalings-
balans. De Regeringen kunnen zich daarom bezwaarlijk
binden aan rigide spelregels op grond waarvan zij bij
v6orbaat hun toekomstige loonpolitiek aan banden
zouden leggen. Dit zou pas mogelijk zijn bij een veel
verdergaande integratie dan thans voorzien wordt. Be-
langrijker nog lijken de economische argumenten die
hier tegen ,,harmonisatie” pleiten. Voor zover immers
de verschillen tussen de nationale loonniveaus een weer-
spiegeling vormen van verschillen in de arbeidsproduk-
tiviteit, vormen de loonverschillen uiteraard geen enkel
beletsel tegen een Vrij internationaal handelsverkeer. Zij
bergen alsdan m.a.w. geen enkel discriminerend element
in zich. Harmonisatie zou juist discriminatie in het leven
roepen waar zij aanvankelijk niet bestond!
2).
Zijn er dus, zo lang de economische voorwaarden
hiervoor niet vervuld zijn, ernstige bezwaren aan te
voeren tegen het Vestigen van een gelijk loonniveau in
Benelux, zulks sluit geenszins uit dat niet geleidelijk
aan deze voorwaarden min of meer automatisch tot
stand kunnen komen. Bij een langer functioneren van de
‘) Dat loonverschillen geen enkel beletsel behoeven te vormen, ja zelfs een
belangrijk argument bplevcren voor het tot stand brengen van een gemeenschappe-lijke markt wordt terecht ook met nadruk vastgesteld irs het onlangs gepubliceerde
rapport voor een gemeenschappelijke Europese markt, opgesteld door een Com-
missie van deskundigen onder leiding van Minister Spaak (Messina resolutie).
766
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
29augustus
1956
gemeenschappelijke markt zal immers – door de nivel-
lering der prijzen maar in het bijzonder ook ten gevolge
van een vrije vestiging van personen en bedrijven binnen
het Uniegebied – t.a.v. het algemene loonpeil een voort-
durende tendentie tot egalisatie werkzaam zijn.
Is hiermede nu tevens een antwoord gegeven op het
probleem der lonen in de
landbouw?
Dit zou zo zijn,
indien de loonverschillen in de landbouw – die dus vnl.
betrekking hebben op de in rekening gebrachte beloning
van de boer zelf – inderdaad naar hun aard identiek
waren aan de verschillen in de algemene loonniveaus-
tussen de drie landen. Dit is echter niet het geval. Het
is bekend, dat na de tweede wereldoorlog om redenën
welke hier verder buiten beschouwing kunnen blijven,
belangrijke sectoren van de Belgisch/Luxemburgse econo-
mie een loonpeil hebben kunnen velen dat ook reëel
niet onbelangrijk boven het Nederlandse heeft gelegen.
Dit heeft mede het loonpeil in andere, belangrijk minder
produktieve sectoren – waaronder de landbouw om-
hoog gedreven tot een niveau, dat al spoedig, zodra de
ergste schaarste achter de rug was, nog slechts kunst-
matig gehandhaafd kon worden. Zo bezien ligt de
origine
van dit vraagstuk inderdaad ten dele buiten de landbouw,
evenwel de
huidige oorzaak
evenzeer binnen de landbouw,
ni. bij het agrarische protectionisme. Men acht het, anders
gezegd, bij onze Benelux-partners om redenen van sociale
en politieke aard niet raadzaam, volledig de consequenties
te aanvaarden van het in de B.L.E.U. vermoedelijk
aanzienlijke verschil in arbeidsproduktiviteit tussen
enerzijds belangrijke sectoren in de industrie en anderzijds
de landbouw. Dat het agrarische loonpeil, en wel in het
bijzonder het gecalculeerde loonpeil van de boer, in
België en Luxemburg hoger is dan bij ons is dan ook niet
de weerspiegeling van eenhogere arbeidsproduktiviteit,
maar het gevolg van meerdere protectie gebaseerd op eén
ten opzichte van ons land hoger prijsniveau. En dit is o.i.
de ware reden waarom juist in de landbouw loonver-
schillen in Benelux als een ,,probleem” ervaren worden:
onze partners willen om verschillende redenen van deze
meerdere protectie nog geen afstand doen. Waar het
dus op aankomt is te trachten deze redenen voor een
verschillend agrarisch loon- en prijspeil tussen de drie
landen s’eg te nemen.
Bijzondere aandacht vragen dan die factoren,
welke hierboven, met uitzondering van de loonverschillen,.
reeds genoemd werden:
– de uiteenlopende pachten voor zover die het gevolg
zijn van verschillen in het pachtbelid;
de niet gemotiveerde verschillende kosten voor
grond- en huipstoffen, bedrjfsinventaris, e.d.
Door deze divergenties geleidelijk aan weg te nemen
komt tevens het daarop steunend argument voor een
hiermede corresponderende divergentie in het agrarisch
loon- en prijspeil tussen de drie landen te vervallen. Dit
is dus een belangrijk onderdeel van de ten doel gestelde
harmonisatie van de landbouwpolitiek. De vraag, in
hoeverre bij de zo juist vermelde kostendivergenties de
oorsprong ofwel bij de algemene economische politiek,
ofwel bij het landbouwbeleid zelve moet worden ge-
zocht kan daarbij verder buiten beschouwing blijven.
Wel staat bij voorbaat vast, dat de drie Regeringen hun
taak ten deze ruim zullen moeten interpreteren en in
sommige gevallen ook buiten het eigenlijke terrein van
de landbouwpolitiek tot regelingen moeten komen.
Slechts een enkel woord over de te elimineren kosten-
divergenties. De minste moeilijkheid leveren ongetwijfeld
de prijsverschillen die nog bij enkele produkten van in-
dustriële oorsprong voorkomen. Bij een langer func-
tioneren van de gemeenschappelijke markt voor de in-
dustriële sector zullen zij veelal vanzelf verdwijnen. Het
is niet in te zien waarora bij een vrij verkeer van bijv.
landbouwwerktuigen of kunstmest deze produkten in
België en Luxemburg permanent duurder zouden kunnen
blijven dan in ons land. Toch is het niet uitgesloten,
dat in bepaalde gevallen zekere kostenverschillen zich
wat langer zullen handhaven, bijv. bij produkten of
diensten waar enerzijds de bestaande loonverschillen
een grote plaats innemen, anderzijds de potentiële con-
currenten in elk der landen niet gemakkelijk op elkanders
terrein kunnen penetreren (bijv. bij bouw- en herstelwerk,
dat nog grotendeels in de ambachtelijke sfeer verricht
wordt). Blijkt echter, dat door vormen van
kartellisatie
bepaalde verschillen in prijzen en handeismarges een
hardnekkig karakter vertonen, dan zal men niet mogen
schromen in te grijpen.
Op het gebied van de pachten kan worden vastgesteld,
dat de verschillen tussen de landen in dè laatste jaren
weer wat verminderd zijn. Daarmee is men er echter nog
niet. Van een werkelijke coördinatie van het pachtbeleid
is namelijk geen sprake. Daarenboven vertoont de pacht-
wetgeving in Nederland en België verschillen die een
goede coördinatie van de politiek in de weg staan. Er
bestaat daarom geen enkele garantie, dat onder bepaalde
omstandigheden in een verder gelegen toekomst de
pachten niet opnieuw zouden divergeren, hetzij over
de gehele linie, hetzij in hef bijzonder voor bepaalde
gebieden en bedrjfstypen. Hier ligt dus eveneens een
belangrijk terrein waar in het kader van de voorgenomen
harmonisatie van het beleid onvermijdelijk de voor-
waarden voof een parallel beleid in de drie landen ge-
schapen zullen moeten worden.
Wanneer op deze wijze de concurrentiepositie van
de landbouw in de drie Benelux-landen gelijk getrokken
zou zijn
3)
en een dienovereenkomstige reductie van de
loon- en prjsverschillen tot stand gebracht, dan kan
blijken dat er nog een ,,netto”-verschil in de niveaus
van bescherming tussen de landen overschiet
4).
Het zou
met andere woorden kunnen blijken, dat er in één of
twee der landen, bijv. in België en/of Luxemburg, altijd
een
absoluut
surplus aan landbouwbescherming aanwezig
is geweest ten opzichte van het derde land – een surplus
dat na het gelijktrekken der concurrentievo9rwaarden
als een hinderlijke restpost aan de dag zou treden. Aan-
gezien ook dit verschil een beletsel zou vormen voor de
gemeenschappelijke markt, komt het gewenst voor dat
reeds gedurende de harmonisatieperiode ook deze plooi
•
wordt gladgestreken. Men zal derhalve gedurende die
periode tot overeenstemming moeten komen inzake
enkele absolute normen waarop het prijsbeleid moet
berusten.
Ernstige moeilijkheden behoeven zich daarbij o.i.
niet voor te doen. Het feit bijvoorbeeld, dat de landbouw
in Nederland een zekere voorsprong heeft op die in
België behoeft geen probleem op te leveren
5).
,,Produk-
) Slechts wat de werkelijk betaalde arbeidskrachten betreft kan dan nog enig
verschil tussen de lonen overblijven.
1)
De betekenis van deze factor is niet exact te bepalen zolang er in Benelux nog geen uniform stelsel voor kostprijs- of rentabiliteitsberekeningen bestaat.
Vast staat slechts, dat de mate waarin een aantal agrarische prijzen in België die
van Nederland overschrijdt, groter is dan op grond van de verschillen in een aantal
kostencomponenten verklaarbaar is.
) In dit verband is vooral van belang, dat de opbrengsten der gewassen in
Nederland gemiddeld wat hoger liggen en hetzelfde geldt voor de melkgift per koe
en de eierleg per kip, zonder dat deze voorsprong van Nederland met evenredig
hogere kosten gepaard gaat. Ook is de gemiddelde bedrijfsgrootte in België en
Luxemburg wat kleiner. Van de land- en tuinbouwbedrijven grotsr dan 1 ha hebben
in België en Nederland resp. 67 pCt. en 42 pCt. een omvang van 1-5 ha, resp.
(Vervolg noot op blz. 767).
29 augustus
1956
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
767
tiviteits”-verschillen in de landbouw tussen de drie landen
komen hierop neer, dat in het ene land – bijv. in België –
meer dan in het andere land – Nederland – bedrijven
voorkomen, dje ten gevolge van natuurlijké, bedrijfs-
technische of structurele oorzaken een relatieve achter-
stand vertonen, welke niet of waarvan de invloed niet
op korte termijn kan worden weggenomen. Principieel
is dit echter geen beletsel voor integratie. Hetzelfde ver-
schijnsel treft men aan bij vergelijking van de diverse
gebieden binnen elk der landen, zeg Friesland en Drente
of bijv. Henegouwen en West-Vlaanderen. Dit verhindert
geenszins, dat er in Nederland en in België één markt
voor landbouwprodukten bestaat. Dit verschijnsel is dus,
op zichzelf bezien, bepaald geen hinderpaal voor een
gemeenschappelijke Beneluxmarkt. Dit is ook de conclusie
welke de zgn. Speciale Beneluxcommissie getrokken
heeft en die men aantreft in een publikatie van de
S.-E.R.
6
).
Deze commissie, welke op paritaire basis is samengesteld
uit vertegenwoordigers van het agrarische bedrijfsleven
in België, Luxembur,g en Nederland, heeft zich in de loop
van 1954 beziggehouden met het probleem van de coör-
dinatie van de landbouwpolitiek en haar eerste conclusie
luidt als volgt: ,,De verschillen tussen België en Neder-
land inzake de vruchtbaarheid van de bodem en de
klimatologische omstandigheden en de eventuele ver-
schillen in technische uitrusting en beroepsbekwaamheid
der agrarische producenten zijn niet van
wezenlijke
aard en vormen dientengevolge geen belemmering voor
de instelling van een gemeenschappelijke markt tussen
beide landen”. Deze conclusie is uiteraard zeer verheu-
gend. Men mag er immers op vertrouwen, dat althans
de Regeringen van Nederland en België hier geen pro-
bleem zullen scheppen, waar het agrarische bedrijfsleven
kennelijk geen problemen ziet.
De reden, dat Luxemburg deze conclusie niet heeft
onderschreven, ligt voornamelijk hieraan, dat het aantal
bedrijven dat daar te lande onder ongunstige omstandig-
heden werkt relatief veel groter is dan in de beide andere
landen. Het verdient aanbeveling voor deze bijzondere
omstandigheid een bijzondere remedie toe te passen,
welke dan evenwel om discriminatie te voorkomen voor
het gehele Beneluxgebied zou moeten worden toegeast.
Gedacht wordt hier aan de mogelijkheid om aan de
boeren op de kleine bedrijven in enigerlei vorm subsidies
te verlenen. Men zou zich bij deze maatregel o.i. ook in
de minder door de natuur gezegende gebieden moeten
bepalen tot de kleine bedrijven, die overigens juist in
19 pCt. en 27 pCt. een omvang van
5-10
had en resp. 14 pCt. en 31 pCt. een omvang
groter dan 10 ha. Op deze basis ligt de gemiddelde bedrijfsgrootte iii België bij 6 ha
en in Nederland bij 9,5 ha. De praktijk heeft uitgewezen dat door verschillende
omstandigheden kleine bedrijven in het algemeen bescheidener resultaten opleveren.
Niet alleen verschaffen zij de boer een lager inkomen als rechtstreeks gevolg van
hun geringe omvang, doch ook de arbeidsproduktiviteit blijkt er veelal lager te zijn.
‘) Conclusies van de Speciale Beneluxcommissie met betrekking tot het probleem
der coördinatie van de landbouwpolitiek in het kader van Benelux, publikatie van de S-ER., 1955, no. 1.
deze gebieden veelal het talrijkst zijn. De te verlenen
steun zou zich dus voornamelijk moeten beperken tot
het opheffen van de gevolgen van structurele oorzaken
der lage inkomens. Deze maatregel zou er dus in de eerste
plaats toe kunnen leiden, dat de Luxemburgse bezwaren
tegen een gemeenschappelijke Beneluxmarkt voor de
landbouw komen te vervallen. Daarenboven zou deze
politiek voor de Benelux als geheel een prjsmatigend
effect kunnen hebben, hetgeen de exportpositie zou ver-
sterken. Men behoeft geen voorstander van subsidies
te zijn om hieraan de voorkeur te geven boven handhaving
van een voor de landbouw als geheel onnodig hoog en
– gezien de belangrijke agrarische exportpositie van
Benelux – moeilijk te verdedigen prijspeil.
Hierboven werd .geconstateerd, dat de kleine voor-
sprong welke de Nederlandse landbouw op de Belgische
landbouw bezit, geen problemen oplevert, in die zin, dat
dit verschijnsel een gemeenschappelijke markt geenszins
in de weg staat. Daarmede is niet gezegd, dat er ten
deze niets gedaan behoeft te worden. De achterstand
die er in België en ook in Luxemburg vanouds ten op-
zichte van ons land bestaat op het gebied van het land-
bouwonderwijs, landbouwkundig onderzoek, de voor
–
lichting aan de boeren, cultuurtechnische werken e.d.
is in de afgelopen elf jaar nog steeds aanzienlijk geble-
ven
7).
Zonder de conclusie te willen trelken, dat op
deze terreinen op den duur een gelijk beleid tot stand
gebracht moet wofden, lijkt het toch raadzaam, dat onze
zuiderburen in de komende jaren aan dit aspect wat
meer aandacht gaan besteden. Een aanmerkelijk uit-
eenlopen van de overheidspolitiek in onze landen op dit
gebied, houdt o.i. een niet gemotiveerde discriminatie
ten nadele van de Belgische en Luxemburgse boer in.
.11
In het eerste artikel werd opgemerkt, dat er twijfel
kan bestaan of men in Benelux wel inderdaad op de
juiste weg is voor het spoedig tot stand komen van de
Economische Unie. Gewezen werd op de onbevredigende
situatie voor de landbouw. Geconstateerd werd verder,
dat er onvoldoende garanties bestaan dat niet, in een
minder gunstige conjunctuur, opnieuw belangrijke res-
tricties wellicht ook buiten de landbouw in het onder-
linge verkeer moeten worden aanvaard. De conclusie
luidde, dat in Benelux de gemeenschappelijke markt,
ten dele althans, meer doelstelling dan realiteit is. Ver-
volgens werd, in verband met het op 3 mei 1955 door het
Benelux-Ministerscomité genomen besluit tot harmo-
nisatie van de landbouwpolitiek, gepoogd een indruk
te geven van, hoe althans in grote trekken, o.i. aan dit
besluit inhoud ware te geven. En op papier lijkt dit niçt
‘) Zo is bijv. in Nederland het aantal lagere landbouwscholen ca. zesmaal zo
groot als in België, terwijl het aantal landbouwconsulenten in ons land ongeveer
1 op de 1.900 en in België 1 op de 3.700 boeren bedraagt.
Met papier en met plastic geïsoleerde kabels voor hoogspanning,
laagspanning en telecoAmunicatie Kabelgarnituren,
koperdraad en koperdraadkabel. Staaidraad en staalband.
N.EDÉRLANDSCHE KABELFABRIEK DE
(Advertenttc)
768
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
29augustus 1956
zo moeilijk. Op papier ziet het er dus met een spoedig tot
stand komen van de Economische Unie, voor zover dit
van de landbouw afhankelijk is, weer wat rooskleuriger
uit.
De werkelijkheid geeft echter wat minder reden tot
optimisme. Men moet zich in de eerste plaats geen illusies
maken over de omvang van het werk, dat verricht moet
worden aleer de gemeenschappelijke marktorganisatie
tot stand is gebracht, de verstorende werking van afwij ken-
de concurrentievoorwaarden uit de weg is geruimd en
eventuele additionele voorzieningen getroffen zijn voor
bedrijven welke een bijzondere bescherming van node
hebben. Het is echter veel minder de omvang van de taak
zelf alswel de procedure die men in Benelüx moet volgen
om haar te volbrengen, die reden geeft tot pessimisme.
Deze procedure is nl. die van het zuiver intergouverne-
mentele overleg. Benelux kent wel gemeenschappelijke
taken en doelstellingen, doch geen gemeenschappelijke
organen met een eigen verantwoordelijkheid voor de be-
langen van de Unie als zodanig. Elk Benelux-overleg
vindt daarom plaats in organen, waarin nationale dele-
gaties tot Benelux-oplossingen moeten komen; organen
die hiervoor naar hun aard eigenlijk niet geschikt zijn.
Het belang van Benelux is immers anders en ook méér
dan de optelsom van de nationale belangen. Terecht heeft
de Belgische Ambassadeur in Nederland nog niet zo lang
geleden gezegd, dat diplomatieke successen in het kader
van Benelux niet passen. Zij denatureren Benelux tot
een bijzonder soort handelsverdrag. In de praktijk van
liet dagelijks overleg blijkt het evenwel niet eenvoudig
üok inderdaad overeenkomstig deze inzichten te hande-
len. Zo bezien mag de harmonisatie van een zo belangrijk,
ingewikkeld en tevens zo controversieel onderdeel van
de economische politiek der drie landen als het landbouw
–
beleid, als een zware opgave worden beschouwd. En ook
al zou men dit doel bereiken, dan zou de volstrekt on-
voldoende uitrusting van de Unie op institutioneel ter-
rein zich opnieuw wreken bij het alsdan te voeren
ge-
ineenschappelijke
landbouwbeleid.
Dit leidt ons tenslotte tot een conclusie van wij dere
strekking dan alleen de landbouw. Indien men de wielen
der drie economieën wat steviger in het Benelux-spoor
wil leiden en houden, zal men toch te eniger tijd tot het
aanbrengen van een gemeenschappelijke stuurinstallatie
moeten besluiten. In feite betekent lit, dat men o.i. ten
deze dezelfde beginselen moet aanvaarden, die de drie
landen in de besprekingen over de Europese economische
integratie reeds zolang met zoveel overtuiging belijden.
‘s-Gravenhage.
W. LE MAIR,
cc. drs.
,,Theorie en praktijk van de winstdeling”
Het bestuur van de Studiegioep ,,Winstdeling en ver-
dante onder weipen” van het Nederlands Instituut voor
Efficiency verzoekt ons publikatie van het navolgende.
Nu de rede van Dr. Rijkens
1),
gehouden op de Land-
dag voor Economen in maart
1956,
onlangs in druk is
verschenen, is daardoor de mogelijkheid geopend deze
rede nader te bestuderen. Gezien de aan deze rede ge-
wijde aandacht in de landelijke pers, acht de Studiegroep
,,Winstdeling en verwante onderwerpen” van het N.I.V.E.
het gewenst een bijdrage aan de discussie te leveren.
In het onderstaande zal, voor zoveel mogelijk de rede
van de heer Rijkens volgend, te dien einde een aantal
kanttekeningen worden gemaakt. Wij zouden dan in
de eerste plaats aandacht willen schenken aan de door
de Commissie Cobbenhagen opgestelde en door Dr.
Rijkens overgenomen definitie van ,,winst”. Hieronder
wordt verstaan: ,,Het netto overschot boven alle kosten
en inhoudingen, welke naar goed koopmansgebruik in
de onderneming moeten worden aangewend om het
productieapparaat in stand te houden c.q. uit te brei-
den”
2)
Naar de mening van Dr. Rijkens houdt deze
definitie in dat in het algemeen uitgaven voor uitbreiding
niet geschieden uit de overwinst. Dit betekent dat er van
overwinst in een onderneming geen sprake zou zijn wan-
neer niet tot uitkering doch tot uitbreiding wordt over-
gegaan.
Het komt ons voor dat de heer Rijkens het rapport
Cobbenhagen in deze aanzienlijk ruimer interpreteert
dan de bedoeling der Commissie is geweest. In het rap-
port wordt nl. uitdrukkelijk gesteld dat ,,onder de kosten
onder meer geacht worden te zijn begrepen. . . . afschrij-
ving en noodzakelijke reserveringen zowel voor vervan-
ging als
in bepaalde gevallen
ook voor expansie.. . .”
3).
‘)
Dr.
P. Rijkens, Theorie en praktijk van de winstdeling, Unielever Nv.,
Rotterdam. zie ook: visies op winstdeling” in ,,E.-S.B.” van 28 Maart 1956.
2)
,,Het vraagstuk der winstdeling”, Interim-rapport der Commissie Bezits-
spreiding, ‘s-Gravenhage 1952, blz. 17.
‘) O.c. blz. 17, cursivering van ons.
Ofschoon de Commissie geen verder commentaar op
deze restrictie geeft, lijkt het redelijk te veronderstellen
dat men hier gedacht heeft aan bepaalde gevallen, bijv.
diepte-investeringen, d.w.z. aan technische voorzieningen,
noodzakelijk om in het econômisch leven mee te kunnen.
Wanneer men echter iedere uitgave voor uitbreiding als
een kostenfactor beschouwt, welke dus niet uit de over-
winst dient te worden gefinancierd, dan zou dit beteke-
nen dat een onderneming welke kans ziet door interne
financiering in een bepaald aantal jaren haar produktie-
apparaat te verdubbelen, geen winst heeft gemaakt,
terwijl wanneer dezelfde onderneming dividend zou heb-
ben uitgekeerd en voor de uitbreiding kapitaal zou hebben
aangetrokken, wèl winst zou zijn gemaakt. Voor alle
duidelijkheid zij opgemerkt dat wijten volle het arbi-
traire karakter van wat ,,winst” is erkennen.
De heer Rij kens stelt dat het op het eerste gezicht lijkt
alsof er voor een stelsel van winstdeling veel te zeggen
is, omdat het een eind maakt aan een zekere ongelijkheid
van behandeling van produktiefactoren en in dit verband
stelt hij zich de vraag waarom alleen de arbeid genoegen
zou moeten nemen met uitsluitend een vaste basisbelo-
ning zonder aandeel in de overwinst (blz.
15).
Hij acht
echter geen termen voor winstdeling door werknemers
aanwezig omdat:
1) ook de aandeelhouder in de regel geen statutair
recht op winstuitkeringen heeft die in een vaste verhou-
ding tot de winst staan. ,,Voor statutair verplichte winst-
uitkering aan het personeel is dus aan de positie van de
aandeelhouders zeker geen argument te ontlenen”,
blz. 15. Wij menen dat dit argument geen steek houdt.
Het gaat immers niet om de vraâg, of er een
vaste
ver-
houding tussen winst en dividenduitkering bestaat, doch
om de vraag of, indien er overwinst is gemaakt, het billijk
is dat deze uitsluitend ten goede komt aan aandeelhou-
ders hetzij in de vorm van dividend, hetzij – bij inhou-
29augustus 1956
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
769
ding van de winst – in de vorm van waardevermeerde-
ring van hun bezit. Daarenboven hebben de werknemers
in tegenstelling tot d aandeelhouders geen enkele in-
vloed op de winstvaststelling;
er en streven valt waar te nemen naar regulari-
satie zoal niet stabilisatie van de dividenduitkeringen.
Wij vragen ons af, of dit regularisatiestreven t.a.v. het
winstdelingsvraagstuk ten principale relevant is en wij
menen deze vraag ontkennend te moeten beantwoorden.
Onder winst immers wordt verstaan de overwinst, dus nâ
aftrek van primair dividend. Blijkt de regularisatie plaats
te vinden op dit primaire dividend, dan is er geen ruimte
voor winstverdeling. Stabiliseert men de winstuitkering
op een hoger niveau, dan komt het vraagstuk van de ver-
deling van dit bedrag aan overwinst aan de orde. Wel
kan men stellen dat de
hoogte
van het te verdelen bedrag
aan overwinst als gevolg van het streven naar stabili-
satie geringer wordt. Dit is echter volkomen in over-
eenstemming met onze opvatting dat primair dividend
een kostenfactor vormt en dat van overwinst dus eigen-
lijk geen sprake kan zijn vooraleer over voorgaande jaren
het primaire dividend is uitgekeerd;
het wisselend inkomen van de managers naar de
overtuiging van Dr. Rijkens geleidelijk aan van minder
betekenis zal worden. Wanneer nu, zo luidt de slotcon-
clusie, zowel met betrekking tot het dividend als tot de
managerssalarissen zich een stabilisatietendentie voor
–
doet, ,,zou het tegen de ontwikkeling ingaan, wanneer
men in de beloning voor de arbeid van het overige per
–
soneel dit wisselende element ging versterken” (blz. 17).
Wij vragen ons af, of de toekomstvisie van Dr. Rij kens
t.a.v. het wisselend inkomen van de managers juist zal
blijken te zijn. Afgezien daarvan menen wij dat zijn slot-
conclusie niet te verenigen valt met zijn betoog voor gra-
tificaties.
Een volgend bezwaar tegen winstdeling acht de heer
Rij kens gelegen in het feit, dat de arbeiders zich geen
schommelingen in het inkomen kunnen veroorloven,
omdat de meeste gezinnen min of meer tot de rand van
hun inkomen leven. ,,De vrije, spontane besparingen,
die opzij worden gelegd en waarover men naar believen
kan beschikken, verliezen voor de grote massa van arbei-
ders en kantoorbedienden steeds meer betekenis. Dat
houdt in dat deze grote massa zich ook minder schomme-
ling kan veroorloven, want men kan alleen iets wagen,
dat men desnoods ook zou kunnen missen”, blz. 18-19.
Wij zouden hiertegen willen opmerken dat de bespa-
ringen in de persoonlijke sfeer sinds de oorlog geen on-
gunstig beeld vertonen. Volgens de cijfers uit het jaarver-
slag van de Nederlandse Spaarbankbond 1955
4)
nam het
spaartegoed van 1950 tot ultimo 1955 toe met f. 1,07
mrd.
De heer Rijkens gaat in het bovenstaande van de ge-
dachte uit – een gedachte die wij onderschrijven – dat
indien men bij winstdeling de besteding vrij laat, deze
besteding consumptief zal plaatsvinden. Wat zijn echter
de mogelijke consequenties indien men op grond van
het bezwaar, dat de arbeiders hun uitgavenniveau op een
te hoog peil zullen stellen, de winstdeling afwijst? Deze
kunnen tweeledig zijn: ôf men geeft hen niets, èf men
geeft hen een loonsverhoging. Kiest men het eerste alter-
natief, dan houdt men de inkomsten van de arbeider
lager dan economisch – althans tijdelijk – mogelijk
zou zijn, hetgeen onder bepaalde omstandigheden wen-
selijk kan zijn, doch niet in het algemeen. Tegen een
loonsverhoging gelden de bezwaren, door de heer Rijkens
‘)
Jaarverslag Nederlandse Spaarbankbond 1955, blz. 25-26.
opgesomd tegen winstdeling, in versterkte mate. Dan
immers wordt het uitgavenbudget er volkomen op in-
gesteld, omdat
wekelijks
de inkomsten worden verhoogd.
Daarenboven is loonsverlaging uiterst moeilijk doorvoer-
baar. Het is dan ook uit het oogpunt van een variabel
inkomen, afhankelijk van de gang van zaken, dat wij
aan winstdeling boven loonsverhoging de voorkeur
geven, waarbij zij opgemerkt dat wijde mening van Dr.
Rijkens onderschrijven, wanneer hij stelt dat het vaste
gedeelte van het inkomen zo hoog mogelijk moet zijn.
Voor de bezitsvorming is winstdeling naar de mening
van de heer Rijkens geen geslaagd middel in verband
met het wisselvallige karakter van de overwinst. Hij
geeft aan andere middelen de voorkeur, bijv. door af-
trek van spaarbedragen van het loon, dQor toeslagen
op bespaarde bedragen, het treffen van gunstige voor-
waarden voor leningen, aflossing en rente. Zijn mening
samenvattend zegt hij: ,,Ik kom dus tot de conclusie,
dat men de bezitsvorming geen grote dienst bçwijst door
haar te koppelen aan incidentele en onzekere winsuit-
keringen. Veel beter is het, te bevorderen dat de werk-
nemers regelmatig, dus uit hun lopende inkomsten, een
bedrag opzij leggen, en dit als werkgever aantrekkelijk
te maken door een toeslag te leggenop bedragen, die op
deze wijze over een enigszins lange termijn blijken te
zijn bespaard, hetzij in contanten, hetzij in de vorm van
aantrekkelijke voorwaarden voor het verkrijgen van een
huis of aandelen in de eigen onderneming” (blz. 23 e.v.).
Wij delen. deze mening niet. Sparen, zowel bij onder-
nemingen als bij individuen is een functie inherent aan
voorspoed en dus wisselvallig. Al of niet sparen zowel
in de onderneming als bij het individu hangt af van de
mate van welvaart. Aan de uitgavenkant wordt de spaar-
mogelijkheid in de persoonlijke sfeer bepaald door
ziekte, toevallige mee- of tegenvallers, kortom al datgene
waardoor uiteindelijk de uitgaven fluctueren. De inkom-
sten zijn afhankelijk van de algemene welvaart resp.
de welvaart van de onderneming waarin men werkt.
Beide gegevens zijn per se variabel en wij achten het
redelijk dat dit in een wisselvallige spaarmogelijkheid
tot uitdrukking komt. Men kan deze spaarmogelijkheid
niet in het algemeen fixeren zonder het economisch en
maatschappelijk steeds variërend leven geweld aan te
doen.
Afgezien van dit principiële meningsverschil zijn wij
van oordeel dat besparing door arbeiders uit lopende
inkomsten in het kader van de redenering van Dr. Rij-
kens niet past. In het voQrgaande is immers uitdrukkelijk
als zijn mening tot uiting gekomen dat ten gèvolge van
allerlei factoren besparing uit het lopende inkomen
steeds minder voorkomt en de grote massa zich ook
minder schommeling lii inkomen- kan veroorloven,
,,want men kan alleen iets wagen dat men desnoods ook
zou kunnen missen” (blz. 19). Wij vragen ons af, of de-
zelfde werknemers, waarvan de heer Rijkens vreest dat
zij hun winstdeel reeds opgesoupeerd zullen hebben
vooraleer er van winstvaststelling, laat staan winstver-
deling, sprake is (blz. 30), wèl bereid gevonden zullen
worden wekelijks een bedrag op hun inkomen te be-
sparen. Voorts achten wij het een bezwaar om spaar-
bijdragen van de zijde van de onderneming te verstrekken
onafhankelijk van de winst welke wordt behaald. Hierbij
is aangenomen dat het gaat om belangrijke bedragen.
In een dergelijke veronderstelling is dit de onderneming
alleen mogelijk bij een goede gang van zaken.
Tenslotte nog een opmerking over gratificaties en winst-
deling en de opvatting dienaangaande van Dr. Rij kens.
770
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
29 augustus 1956
Het verschil ziet spreker tweeledig en wel enerzijds in de
vrijwilligheid van de gratificatie tegenover de gebonden-
heid en het automatisme bij statutaire winstdeling en
anderzijds in de mate waarin door de arbeiders op een
uitkering wordt gerekend. Hij acht deze verschillen der-
mate belangrijk dat hij in,het algemeen tegen winstdeling
is’doch v66r het verlenen van een gratificatie. Er bestaat
ongetwijfeld een belangrijk verschil in juridische ge-
bondenheid ten aanzien van het verstrekken van een
gratificatie of van het verlenen van een winstdeel. In
principe bestaat de mogelijkheid, zoals door Dr. Rijkens
wordCgesteld, om bij het verstrekken van de gratificatie
rekening te houden met allerlei factoren zoals liquidi-
teit, investeringsnoodzaak, marktvooruitzicht, concurren-
tiepositie e.d. Het kan zijn dat bij een winstdelingsrege-
ling deze mogelijkheid niet bestaat, doch dan is dit niet
zo zeer een gevolg van een înstdelingsregeling welke
dan ook, doch van een specifieke winstdelingsregeling,
en wel een zodanige waarvan de inhoud niet is afgestemd
op de behoefte van de onderneming. Zou men immers
bepalen dat het winstdeel afhankelijk is van het dividend,
dan kunnen alle hier naar voren gebrachte factoren
een rol spelen.
Of de werknemers sterker op een winstdeel zullen reke-
nen dan op een gratificatie, hangt er van af hoe het
systeem van winstdeling of van het verstrekken van grati-
ficaties door de leiding van de onderneming wordt ge-
hanteerd. In dit verband kan met instemming worden
gewezen op de beschouwingen welke de heer Rijkens
aan het onderwerp ,,vooruitstrevend ondernemings-
beleid” heeft gewijd. Daarbij wees spreker op de nood-
zaak van het doordringen van de werknemer van het
besef, dat respect voor het werk en de persoonlijkheid
van iedere werknemer de eerste voorwaarde is voor
goede bedrjfsverhoudingen, terwijl daarmede onver-
brekelijk verbonden is een tweede eis, nI. die van grote
openhartigheid en gemakkelijke benaderbaarheid, welke
zowel medewerkers en leiding, doch vooral de laatste,
moeten betreffen. Indien de ondernemingsleiding bij de
uitvoering van een winstdelingsregeling deze gedragslijn
tot de hare maakt, kan het gevaar van verstarring wor-
den voorkomen, ja zelfs in haar tegendeel verkeren.
Daarbij dient tevens te worden bedacht, dat door bij
het ontwerpen van een winstdelingsregeling daarmede
rekening te houden, aan de uitkeringen een vrijwel
zelfde karakter gegeven kan worden als in de gedachten-
gang van de spreker gratificaties zouden hebben, met
dien verstande uiteraard, dat aan een winstdelingsrege-
ling, is zij eenmaal ingevoerd, de werknemers een aan-
spraak kunnen ontlenen, hetgeen bij het ver,lenen van
gratificaties juridisch gesproken niet het geval is. Toch
zal in de praktijk het verschil zeer gering
blijken
te zijn.
Immers, indien de directie begint met in bijzonder goede
jaren ,,als uiting van erkentelijkheid voor de voorspoed
van de onderneming en voor de
wijze
waarop het perso-
neel van hoog tot laag zijn taak verricht” (blz. 34) gra-
tificaties te verstrekken en deze voorspoedigè periode
enige tijd aanhoudt, dan zal op een dergelijke uitkering
worden gerekend. Naar het ons wil voorkomen lijkt
winstdeling, uit het oogpunt van de rechtspositie van
het personeel, te verkiezen boven het systeem van het
verstrekken van
I
gratificaties, waarin toch eerder een
element van willekeur kan worden gevoeld.
Wij zijn hiermede aan het einde van onze kanttekenin-
gen gekomen, doch zouden nog een tweetal opmerkingen
willen maken. In de eerste plaats dat naar onze mening
Dr. Rijkens bij zijn betoog de situatie van een concern
en de praktische moeilijkheden aan invoering van winst-
deling verbonden te veel als norm heeft gesteld voor
beoordeling van winstdeling in het algemeen. Vervolgens
willen wij ter vermijding van misverstand opmerken, dat
ook naar onze mening winstdeling in bepaalde gevallen
minder op haar plaats kan zijn. Aangezien in de rede
van Dr. Rij kens echter de negatieve kant van de winst-
deling wel sterk belicht is en naar het ons wil voprkomen,
overbelicht, hebben wij van onze kant het nuttig geoor-
deeld een aantal bezwaren tegen de zienswijze van Dr.
Rijkens naar voren te brengen.
De tankvrachtenmarkt
OfschQon de’ vrachten, welke gedurende het eerste
halfjaar op de tankvrachtenmarkt betaald werden, aan-
zienlijk lager waren dan die, welke gedurende de kort-
stondige hausse in de maanden oktober/ eerste helft
december jl. golden, hadden tankreders nochtans geen
klagen. De eerste maanden toonde de markt over het
geheel een soortgelijk verloop als gedurende de tweede
helft van december’om in april echter scherp te stijgen.
Reeds eerder is erop gewezen dat het aantal tank-
schepen voor vrije bevrachting beschikbaar in verhouding
tot de omvang der vloot, welke de grote oliemaatschap-
pij en exploiteren en dië door veelvuldige bevrachtingen
voor achtereenvolgende reizen gedurende één of meer
jaren dan wel op timecharter voor een duur van vijf jaren
of langer in feite nog aanzienlijk groter is dan een simpele
opsomming der eigen schepen zou döen vermoeden,
betrekkelijk beperkt is. De vrachten, welke in de open
markt worden betaald, zijn aan scherpe fluctuaties on-
derhevig. Zij zijn dan ook voor een goed inzièht in de
gang van zaken en een zuiverder beoordeling der resul-
taten van het tankvaartbedrjf een ‘minder betrouwbare
maatstaf dan de zgn. ,,period market” – bevrachting
op basis van timecharter – biedt.
Op de ,,period market” nu was en is ook thans de
bedrijvigheid alleszins bevredigend. Werd in april
1955
voor een moderne tanker met spoedige aflevering, draag-
vermogen 19.000 ton, nog 20/6 per ton draagvermogen
per maand voor vijfjaren timecharter betaald, enkele
maanden later konden reders reeds
25/-
bedingen, ter-
wijl in april jI., dus twaalf maanden later, 27/9′
werd betaald. Sedertdien kwaien verschillende bevrach-
tingen voor een duur van vijf jaren op basis van 30/6 resp.
31/- tot stand, terwijl, naar verluidt, in een enkel geval.
zelfs 31/6 werd betaald. Deze vrachten gelden voor de
zgn. ,,general purpose tanker”, schepen met een draag-
vermogen van rond J8.000 ton waarbij voorkeur wordt
gegeven, een voorkeur die ook in de huur tot uitdrukking
komt, aan moderne, snelle turbine dan wel motortankers
voor zovër deze laatste zijn ingericht voor het stoken van,
zware olie.
Hoe snel de stemming op de open markt voor reis-
charters kan veranderen blijkt o.a. uit het verloop der
vrachten voor het vervoer van donkere olie van. de
Caraïbische Zeë naar U.S.N.H. (United States North of
Hatteras) waarvoor reders eind maart grif U.S.M.C.
minus 30 pCt. accepteerden, terwijl de vracht in april
29 augustus 1956
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
771
d.a.v. tot plus 7
4
pCt. steeg. Onvoldoend aanbod van
spoedig beschikbare ruimte noodzaakte de Engelse
grote maatschappijen in maart jl. de schaaivracht plus
20 pCt. te betalen, terwijl reders van een 24.000 ton tanker
met welks bevrachting tot het laatst was gewacht en die
9 maart laadklaar was, voor een lading van de Caraï
bische Zee naar het Verenigd Koninkrijk/Continent
plus 224 pCt. konden bedingen. Afgezien van de naar
verhouding hoge vracht, t.w. U.S.M.C: netto, die voor
een lading van de Perzische Golf naar Noord-Amerika
werd betaald, toonden de vrachten van de Perzische Golf
resp. Libanon naar het Verenigd Koninkrijk/Continent,
t.w. schaaivracht plus 3 5/40 pCt., in• maart weinig ver-
andering. Pogingen van Franse bevrachters om de vracht
tot U.S.M.C. minus 20 pCt. te drukken hadden geen
succes; zij moesten tenslotte met betaling van minus
10 pCt. tevreden zijn.
Tegen de verwachting in zorgde april weder voor een
dier verrassingen waarvan de tankvrachtenmarkt het
monopolie schijnt te hebben. Normaal is immers dat de
tankvrachten in het voorjaar, d.w.z. wanneer het winter-
seizoen met zijn groter behoeften voorbij is, een geleidelijk
dalende richting inslaan. Reders hadden zich dan ook
reeds verzoend met de gedachte dat met lager vrachten
voor mei en volgende maanden genoegen moest worden
genomen, toen zich in april een onverwacht grote be-
drijvigheid ontwikkelde. Gedurende de gehele maand
was er een levendige vraag naar ruimte zowel voor Engelse
als Amerikaanse rekening. De tijd van het jaar in aanmer-
king nemend bereikten de vrachten een niveau waarop
zij zich sedert 1952 niet meer hadden bewogen. Van de
Caraïbische. Zee naar Zuid-Amerika’s oostkust werd
U.S.M.C. plus 100 pCt. (gelijk aan schaalvracht plus
170 pCt.) betaald. Ook voor schone tonnage was yeel
vraag zodat per eind april nog slechts een beperkt aantal
onbevrachte mei-schepen beschikbaar was.
De hoogste, door Engelse bevrachters, betaalde vracht
van de Caraïbische Zee naar het Verenigd Koninkrijk!
Continent bedroeg plus 100 pCt. Van de Perzische Golf
naar de Middellandse Zee werd o.a. de schaalvracht plus
110 pCt. betaald. Opvallend was ook de voortdurende
vraag naar tonnage op timecharter-basis voor rekening
der grote Engelse maatschappijen. Voor oplevering
september/oktober 1957 werd 27/- betaald, spoedig ge-
volgd door de bevrachting van een 19.500 tonner, op-
levering
1958,
tegen 29/-, alles voor een duur van vijf jaren.
Amerikaanse bevrachters betaalden vrachten variërend
van $ 2,50 tot $ 4,12 naar gelang van grootte, snelheid
en duur. Eerstgenoemde vracht gold bijvoorbeeld voor
een periode van ruim zestien jaren. Voor achtereenvol-
gende reizen gedurende
6
/
12
maanden bevrachtten Engelse
maatschappijen tonnage op basis van de schaaivracht
plus 45 pCt. minimum/plus 110 pCt. maximum. In de
Amerikaanse sector liepen de vrachten van U.S.M.C.
plus 72 pCt. tot plus 100 pCt. op, terwijl eind mei de vracht
voor het vervoer van donkere olie van de Perzische Golf
naar het Verenigd Koninkrijk/Continent tot plus 115 pCt.
was gestegen!
In juni was de vraag naar ruimte op reisbasis aanzien-
lijk verminderd. De vracht op laatstgenoemd traject liep
dan ook geleidelijk terug tot plus 85 pCt., terwijl in de
Amerikaanse sector voor donkere olie van de Caraïbische
Zee naar U.S.N.H. met U.S.M.C. plus 35 pCt. genoegen
moest worden genomen. Een enkele transatlantische
bevrachting voor eind juli verscheping kwam voor Engelse
rekening tegen de schaaivracht plus 70 pCt. tot stand,
terwijl voor Amerikaanse rekening voor een supertanker
U S.M.C. plus 15 pCt. van de Perzische Golf naar U.
S.N.H.
en plus 74 pCt. voor een schip van handige grootte van
Sidon werd betaald.
Voor tonnage op timecharter-basis bestaat echter bij
voortduring belangstelling. Voor in aanbouw resp. be-
stelling zijnde tankers met een draagvermogen van rond
20.000 ton en in te richten voor het stoken van stookolie
met hoge viscositeit bedraagt de vracht thans, zoals reeds
vermeld, 30/- â 31/- per ton draagvermogen per maand.
In feite werd 30/9 voor oplevering 1960 betaald, ferwijl
recentelijk een 31.500 ton turbine tanker, oplevering eind
1957 voor vijf jaren tegen $ 4,20 werd bevracht. Voor
oplevering eind 1956 zou voor een tweede, soortgelijk,,
schip vermoedelijk $ 4,50 kunnen worden bedongen.
Een der Engelse grote maatschappijen bood kortgeleden
26/- per ton draagvermogen per maand op een in bestelling
zijnde tanker van 33.000 ton, oplevering medio 1961,
terwijl voor achtereenvolgende reizen gedurende twee
jaren de schaalvracht plus 100 pCt. werd betaald.
Het gewogen gemiddelde der tankvrachten, zoals dit
kwartaaisgewijze door de London Tanker Brokers’ Panel
wordt vastgesteld, bedroeg op 1 juli ji. Scale no. 2 plus
37,2 pCt. een stijging van 20,2 pCt. vergeleken met het
gemiddelde voor het eerste kwartaal of uitgedrukt in de
vracht voor het traject West-Indië—London, een stijging
van 6/6
3
/
4
per ton.
Bij het schrijven van dit overzicht is de situatie ten ge-
volge van de Suez-Kanaal-kwestie weinig overzichtelijk.
De bevrachtingen op reisbasis beperken zich tot ladingen
van het oostelijk bekken der Middellandse Zee naar het
Verenigd Koninkrijk/Continent waarvoor de schaaivracht
plus 974/100 pCt. en van de Caraïbische Zee naar dezelfde
bestemmingen waarvoor de schaalvracht plus 60 pCt.
wordt betaald. Van de Caraïbische Zee naar U.S.N.H. per
augustus bedraagt de vracht thans U.S.M.C. plus 324 pCt.
Een prognose ten aanzien van het verder beloop dit
jaar is, gezien de internationale politieke situatie, uiterst
moeilijk. V66r de Egyptische maatregel was het algemeen
gevoelen dat de tankvrachten in het najaar wederom zou-
den aantrekken. Reders toonden dan ook weinig geneigd-
heid spoedig beschikbare tonnage voor achtereenvolgende
reizen te bevrachten.
Ondanks de aanzienlijke uitbreidihg welke aan de
wereldtankvloot door omvangrijke bouwopdrachten
wordt gegeven – het totale draagyermogen der verleden
jaar bestelde tankschepen bedroeg negen miljoen ton,
waarbij ‘dan nog de sedertdien geplaatste bestellingen
komen – zijn devooruitzichten, onvoorziene omstandig-
heden voorbehouden, op langer termijn stellig niet on-
gunstig.
De gang van zaken in de tankvaart is uiteraard af-
hankelijk van het basisbedrjf, de petroleumindustrie.
Het dynamisch karakter dezer laatste, nog geaccentueerd
door toenemende energiebehoefte enerzijds en ontoerei-
kende Westeuropese kolenproduktie anderzijds, wettigt
ongetwijfeld vertrouwen in de toekomst der wereldtank-
vaart. In de kring der petroleummaatschappijen houdt
men rekening met een verdubbeling van het petroleum-
verbruik in de’ vrije landen – de Verenigde Staten niet
mede gerekend – gedurende de eerstvolgende tien jaren.
Geschat wordt dat het verbruik in 1960 reeds tot 12 mil-
joen barrels per dag zal zijn gestegen. In de Verenigde
Staten verwacht men een stijging van het verbruik van
ruim 50 pCt., waardoor dit in 1960 rond 12,8 miljoen
barrels per dag zal bedragén. De Amerikaanse prdduktie
van ruwe olie en brongas zal in 1965 naar schatting met
rond 33 pCt. tot 10 miljoen barrels per dag zijn toege-
772
ECbNOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
29 augustus 1956
nomen, terwijl de produktie in de overige vrije landen in
laatstgenoemd jaar praktisch zal zijn verdubbeld en tot
14,7 miljoen barrels per dag zal stijgen.
Intussen is de wereldproduktie van petroleum in de
eerste helft van dit jaar naar schatting wederom met
10 pCt., vergeleken met het eerste halfjaar
1955,
gestegen.
De grôte vraag, zowel in Amerika als in West-Europa,
toont echter evenmin tekenen van vermindering. Bedroeg
de stijging van het verbruik in West-Europa verleden jaar
16 pCt., vergeleken met 1954, dit jaar zal zij ongetwijfeld
nog groter zijn. Typerend is in dit verband dat het verbruik
in West-Duitsland dit jaar, naar verwacht wofdt, circa
26 pCt. groter zal zijn dan in 1955. In Engeland bedroeg
de stijging in het eerste kwartaal
1956
blijkens door het
Petroleum Information Bureau verstrekte gegevens bijna
12 pCt.
Uiteraard is het zeer wel mogelijk dat na beëindiging
van het huidig omvangrijk bouwprogramma af en toe een
tijdelijk surplus aan tonnage de vrachten zal drukken,
maar de vooruitzichten op langer termijn zijn, indien
zich geen onvoorziene omstandigheden voordoen, voor
de tankvaart zeker niet ongunstig.
Rotterdam.
C. VERMEY.
De produktiviteit van de inheemse arbeider in
tropisch Afrika
Wie in dit artikel gegevens verwacht, zoals men ze
omtrent Europese bedrijven bezit, zal teleurgesteld
worden. Rendementen in eefiheden van het geprodu-
ceerde artikel (bijv. aantal schoenen, bakstenen e.d.
per tij dseenheid) heeft men in de tropefi nog weinig
bepaald of althans bekend gemaakt. Allen, die zich in
Afrika met het vraagstuk bezighouden, beschouwen de
produktiviteit per arbeider per jaar slechts in
waarde
(zelden gewicht)
van het geproduceerde goed.
Bij de
produktiviteitsverbetering beschouwt men algemeen in
de eerste plaats de sociale, geestelijke en lichamelijke
factoren, die bij de arbeider een rol spelen. Mechani-
satie blijft hieronder praktisch onbesproken, evenzo vraag-
stukken inzake opbrengst per ha, kosten enz.
Produktiviteitsbe vordering.
Alvorens cijfermateriaal te geven, willen wij nog
enkele opmerkingen maken over de lonen, de rantsoenen
en de binding der arbeiders aan hun bedrijf. Het Gou-
vernement van Belgisch Congo en van de meeste andere
Afrikaanse tropengebieden wil de vergoeding voor de
verrichte arbeid, al speelt haar bedrag bij de zeer grote
groep der ongeschoolde plattelandsarbeiders, die zeer
weinig behoeften hebben, meestal nog geen belangrijke
rol ten goede beïnvloeden en zodoende de ondernemers
indirect dwingen, de produktiviteit in studie te nemen.
Het doet dit door de vaststelling van redelijke minimum-
lonen voor vrijgezellen, die iets boven de telkens opnieuw
streeksgewijze berekende minimum-kosten van levens-
onderhoud’ liggen, opdat iets gespaard kan worden
(5
pCt.) en de belasting kan worden betaald. Soms telt
men er nog de waarde van een fiets bij op of bewerkt op
andere wijze, dat de arbeider iets voor zijn dagelijkse
reis naar het bedrijf opzij kan leggen. Dezelfde streeks-
gewijze berekening geldt voor de.
van
overheidswege
aangegeven minimum-rantsoentypen, die 35.00 calo-
rieën vertegenwoordigen. Zowel minimum-lonen als
-rantsoenen worden door de ondernemer somtijds ver
–
hoogd om de produktiviteit van de individuele arbeider
te vergroten. Het grootste deel der patroons, vooral de
kleinere, betaalt echter allee.n het wettelijke minimum-
loon. De Overheid kan in bepaalde streken of voor meet
ontwikkelde arbeiders dit minimum steeds verhogen.
Het genoemde loon heeft een redelijke koopkracht,
die echter in vele gebieden niet te groot mag worden,
gezien de nog somtijds niet aanwezige behoeften.
Zoals bekend, verhuren de Afrikaanse arbeiders hun
diensten slechts voor een meestal niet erg lange tijd.
Contracten van langer dan drie jaren zijn nergens toege-
staan; eventueel door de arbeiders gewenste vrijwillige
verlengingen natuurlijk wel. Meestal keren zij, heel
dikwijls tijdelijk, telkens naar hun dorpen terug. Omdat
– en dit kan niet genoeg worden herhaald – het heen
en weer zwerven van de arbeiders tussen hun stamge-
bied en de Europese industriecentra of bestuurlijke
vestigingen met hun werkplaatsen tot gevolg heeft, dat de
Afrikanen nôch in de dorpslandbouw n?ch in de ambachts-
taken der centra goed onderlegd raken, d.w.z. veel pro-
duceren, willen enkele gouvernementen, als die van
Belgisch Congo en Frans Equatoriaal Afrika daad-
werkelijk ertoe meewerken deze migrerende mensen,
zij het ook tot nu toe alleen de bewoners der dorpen
op het platteland, te stabiliseren. Dit betekent, dat men
hen min, of meer permanent aan hun steeds agrarisch
dorpsbedrjf bindt, dat dan meer rationeel opgezet kan
worden en de naam ontvangt van ,,paysannat indigène”.
Het bleek al hier en daar, dat deze modernisatie hun lage
inkomen (soms slechts ca. 700 B.fr. per jaar) en dus hun
produktiviteit verdrie- of verviervoudigen kan.
Van eigenlijke daadwerkelijke medewerking aan de
tegenovergestelde poging der industriële werkgevers,
om hun arbeiders permanent aan de industriële helft
van hun huidige bestaan te binden en aldus ook produk-
tiever te maken, hebben de tropisch Afrikaanse gouver-
nementen tot nu toe afgezien. Men neemt een neutrale
houding in acht. Wel helpt de Overheid dikwijls met goede
huisvesting en sociale zorg voor deze ontwortelde men-
sen, met name als ‘zij bij verschillende kleinere onder-
nemers werken, die moeilijk een goed georganiseerd
eigen arbeidersdorp (,,camp”) kunnen stichten. Doch
hiertoe bepaalt zich dan ook in hoofdzaak de gouver-
nementele hulp. Toch heeft de laatste Internationale
Arbeidsconferentie te Genève, waar ook Afrikaanse
regeringsafgevaardigden aanwezig waren en meestem-
den, deze stabilisatie der werkers in industriecentra
sterk aanbevolen. Waar Prof. Doucy en P. Feldheim i)
de diepere oorzaak van de Ceringe produktiviteit van de
arbeiders meer zoeken in de (lirecte factoren (gezond-
heid, voeding, physische omgeving, kader en Organisatie
van het werk)
–
ben ik met de ,,Commission on African
1)
Doucy, Arihur:
,,Productivité du travail et politique sociale au Congo Beige”.
Institut Royal Colonial Beige, Bulletin d6s Séances,
XXv-1954-2, Brussel, blz.
776-798.
.Doucy, Arthur & Feidheirn, Pierre:
,,Problêmes du Travail et Politique Sociale
nu Çongo BeIge”. Editions @e In Librgirig Encyclopédique, Bruxelles, 1952, 156 blz.
29augustus 1956
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
773
Wages” in Kenya
2)
van oordeel, dat ‘het, ik
zou willen zeggen,
amphibisch
bestaan van de
arbeider
3)
de hoofdoorzaak is van het feit, dat
hij van zijn arbeidsbestaan te weinig maakt.
Dat het Gouvernement van Belgisch Congo de
arbeidsproduktiviteit, vooral in de inheemse
dorpsiandbouw, en dus tot nu toe ook de stabi-
lisatie alleen bij dèze werkzaamheden, waarvoor nog
een gering tekort aan arbeidskrachten bestaat, wil be-
vorderen, vindt zijn diepere grond in de begrijpelijke
wens, dat het verhoogde rendement der dorpsbedrij-
ven tot gevolg zal hebben, dat Belgisch Congo in
perioden van neergaande conjunctuur niet al te spoe-
dig voor de financiering van grote voedingstekorten
bij de buren of bij België moet aankloppen. De Con-
golandbouw kan thans nog bijna volledig in de behoef-
ten der inheemsen voorzien. Het land moet voorts zijn
dure sociale en medische diensten
(1/5
van de gehele be-
groting) ook in slechte tijden zelf kunnen betalen uit
zijn belastingen.
Wat de Europese ondernemingen betreft, is er in Bel-
gisch Congo, Kenya, Frans Equatoriaal Afrika, enz.
een groot gebrek aan arbeiders. Zo zou het geval zich
kunnen voordoen, dat nieuw opgerichte industrieën
alleen nog dân personeel vinden, als de bestaande niet
meer zoveel mensen nodig hebben. Dus is ook bij hen
stabilisatie en de daaruit volgende grotere scholing der
arbeiders en vermindering van hun aantal gebiedende
eis.
,,Last but not least” nemen bij de modernisering der
sociale wetten in afhankelijke gebieden (Frankrijk ging
hiermee het verst en België voert binnenkort een ouder-
domspensioen in) de bedrijfskosten voor de ondernemers
toe’ en kunnen zij deze het best dragen, als de produktivi-
teit deze toename kan volgen. Een grote landbouw-
maatschappij bijv. heeft daarom al enige jaren voor
dit doel een efficiency-ingenieur in dienst genomen. De
Union Minière du Haut Katanga (U.M.) .(koper) en
de mijnbouwmaatschappijen Forminière e.a. (diamant-
ontginning) hebben grote reorganisaties doorgevoerd
met toepassing van de systemen Bedaux of Gombert.
Ook Gouvernementen werken al in die richting, want
dat van Uganda voegde aan zijn arbeidsdepartement
een efficiency-officer toe.
Produktiviteit van de Afrikaanse arbeider.
Wij zullen nu enige gegevens mededelen omtrent de
produktiviteit van de Afrikaanse ‘arbeider. Deze worden,
wat de Overheid aangaat, alleen door de Belgische arbeids-
‘inspectie
4)
globaal in het oôg gehouden, doordat zij
inzake het rendement gecorrigeerde opgaven van de
ondernemers nôteert en in kleine kring publiceert. Men
volgt daarbij een indeling in uitmuntend, gemiddeld en
slecht rendement.
Zoals te verwachten was, telt het Katanga-mijngebied
de meeste ,,uitmuntende” arbeiders. Deze presteren
70 pCt. van hun Belgische collega’s en hun aantal be-
draagt
5
pCt. van het totaal der Katanga-arbeiders. In
dit cijfer zijn de inheemse werklieden begrepen, die de
vele mijnbouw-machines• en toestellen – daarbij be-
horen gereedschapsmachines, elektrische locomotieven
3)
,,Reporf
of
t/ze Commiuee on African Wages”,
Colony of Kenya, Govern.
ment Printer, Nairobi, 15 februari 1954,201 blz. zie ook: Norihcoii, C. H.:
,,A.fricars
Labour Efficiency Survey”. Colonial Office, Colonial Research Publications no. 3,
His Majesty’s Stationery Office, London, 1949.
‘) Klein, W. C.:
,,Bevolkingsrnigratie in Belgisch Congo en in Nederlands
Nieuw-Guinea en de discussies op de recente Internationale Afrikaanse Studie-
dagen te Gent”. Tijdschrift voOr Economische en Sociale Geografie, februari 1956,
blz. 37-48.
55
‘) blz.
,,Rapport annuel pour 1954 de l’Inspection du Travail”, Léopoldville,
1955,
(Advertentie)
en alle toestellen in de ijzergieterij – thans reeds voor
95 pCt. bedienen. De gunstige rendementstoestand in
de provincie Katanga is volgens de arbeidsinspectie het
gevolg van bekwaam kader, goede huizen, goed loon,
alsmede goede voeding. Goed kader, i.c. goede men-
selijke relaties, stelt deze inspectie primair als factor
bij de produktiviteit. Zij noemt twee sterk op elkaar
gelijkende ondernemingen, uiteraard niet met name,
waar het rendement der arbeiders toch heel sterk ver-
schilde vanwege het verschil in menselijk ondernemings-
klimaat.
De cijfers over de verhouding tussen de produktivi-
teit .van de Afrikaan en de Europeaan ontlopen elkaar
niet zo veel. In Belgisch Congo geeft de genoemde U.M.
de nauwkeurigste cijfers; daar hebben de ongeschoolde
Afrikaanse arbeiders gemiddeld 30 pCt. (25 â
35
pCt.)
en de geschoolde circa 70 pCt. (65 â
75 pCt.) van het
rendement van Belgische arbeiders bereikt. In een textiel-
fabriek kon 1 vrouw twee machines van een bepaalde
soort bedienen, tegen een vrouw in België vier. Het
grotere aantal maakte de Congolese vrouw in de war.
Ruwet
5)
geeft in 1953 voor inlandse arbeiders in Bel-
gisch Congo de volgende cijfers:
Soort van arbeid
Inlands rendement
Bij getouwen e.d. automatische machi-
ligt nabij het Europese (meestal is de
es ……………………….ervaring in Afrika ongunstiger).
Bij gereedschapsmachjnes. ………..
hoogstens 80 pCt. van het Europese.
Werkbanksrbeiders, als schrijnwerkers:
veel lager.
Arbeiders met mechanisch gereedschap
als bi, klinkers. ……………
hoogstens 70 pCt. van het Europese.
Metselaars. …………………..
een zeer kleine fractie van het Europese
rendement.
In een fabriek in Durban geeft men voor de onge-
schoolde Afrikaanse arbeider hetzelfde cijfer op als in
Katanga (30 pCt.). In Duala, in Frans Kameroen,
schommelen de opgaven tussen 33 en 12 pCt. en zijn dus
lager. De Bata schoenenfabriek in Kenya
6)
bereikte
voor de gemiddelde arbeider 50 pCt. en zij deelt mede,
dat enkele Afrikanen voor 100 pCt. gelijk zijn aan Euro-
peanen. De U.M., die zoveel voor haar arbeiders deed,
zegt dat van elke 2.000 van haar arbeiders er slechts één
volkomen met een Europeaan geljkstaat. In een siga-
rettenfabriek in Uganda deden 2 Europeanen hetzelfde
werk als 3 Afrikanen bij de vervaardiging, doch bij in-
pakken alléén was de verhouding als
5 : 6.
De Fransman Hauser
7)
deelt omtrent de stad. Dakar
in Frans West-Afrika mede, dat de arbeider in meer
gecompliceerde industrieën als die van textiel reeds ge-
middeld 50 pCt. van het Europese rendement heeft be-
reikt. Hier wordt het speciaal aan de factor van het
amphibisme, dus aan het heen en weer zwerven tussen
stad en land geweten, dat de te langzaam vooruitkomende
Afrikanen de Europese weefvaardigheid niet krijgen,
ofschoon zulks volgens Hauser kan. De hierboven ge-
dane medèdeling inzake Belgisch Congo schijnt dit te
‘) Congrès Colonial Nagional; juni 1952:
,,Problème de la Mais d’Oeuvre
Jndigène au Congo Beige”, Brussel, blz. 180.
‘)
East Africa Bata Shoe Co. Ltd., Limuru Kenya. Boekje met beschrijving van het werk dezer mij. en van het gemeenschapsleven van het personeel, uit.
1954, 24 blz.
‘) Hauser, .4.:
,,Queiques relations des travailleurs de l’industrie â leur travail
en Afrique Occidentale Françaiae”. Bulletin de l’tnstitut Français de l’Afrique
Noire, Tome XVII, serie B, no. 1 en 2, 1955, 12 bIg.
774
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
29augustus 1956
bevestigen
.8).
Voor de schoenenfabrieken in Frans
Afrika deelt Hauser mede, dat de lopende band zich be-
weegt met een snelheid van 60 pCt. van die in Frankrijk.
Eerst waren proeven genomen met wat groteré snelheid
9).
Ontwikkeling in de tjd.
Wij bezitten alleen voor één bedrjfsgroep in Belgisch
Congo, de Union Minière
10)
en een enkelvoudig bedrijf
in Kenya (Bata-Schoenmaatschappij) enkele, weinig
betrouwbare, cijfers omtrent de historische ontwikkeling
van de produktiviteit van de arbeider. Uit hun vele
statistieken laat zich met enige moeite de volgende tabel
samenstellen, die met indexcijfers de vooruitgang aan-
geeft op basis 1950 (U.M.) en 1948 (Bata) is 100.
Union Minilre, gesticht
1906
Batafabriek
Toename der on-
gesticht 1941
dernemings- (dus niet der
arbeiders-)produktie
te
Percentage
Jaar danken aan:
Afrikanen
Produkti-
onder
machine- individueel de gevolgen
tiviteit
rendement
der mecha-
personeel
per
arbeider
Afrikaan,
per
afgezien van
nisatie de gevolgen der mecha-
nisatie
1950 U.M., resp.
1948 100 100 100
95 pCt.
1955 U.M., resp. 1953
Bata
………………
200
115
212
95pCt.
Bata
………………
300
1960
Bata
……………
(taxatie)
In een vroegere periode, ni. 1920-1952, steeg bij de
U.M. de produktiviteit veel meer dan in 1950-1955.
In tonnen erts steeg zij in dat tijdvak, grotendeels door
mechanisatie, van 1 op 8. Het individueel rendement
van de arbeider, dus afgezien van de introductie van
nieuwe machines, gemeten in een of andere arbeidseen-
heid, steeg van 1920-1952 slechts van 1 op 2.
De Bata-schoenenfabriek in Kenya staat bekend om
de grote vakbekwaamheid, die zij aan haar ca. 500 uit-
sluitend Afrikaanse arbeiders heeft bijgebracht. Vijf
jaar geleden was hun rendement gemiddeld 25 pCt.
van dat der arbeiders op een Bata-fabriek in Engeland.
Toch werden in Afrika en in Engeland dezelfde machines
gebruikt. Verleden jaar was men, als gezegd, ongeveei
op 50 pCt. gekomen en de manager denkt in 1960
75
pCt. te bereiken. Daarna wordt geen vooruitgang meer
verwacht. Deze produktiviteitsverhoging van 25 – 50 pCt.
is niet te danken aan verbeterde machines, maar alleen
aan een driejarige cursus voor vakonderricht in de
fabriek en avondlessen, die niet utiitair zijn inge-
steld, ‘doch waarbij toch ook rekenen is opgeno-
men. De grootste factor bij de stijging der produktie
van de arbeider ligt echter in het aangename leven, dat
men hem bij deze modelfabriek heeft bezorgd door het
verschaffen van huizen met
5
â 6 m
2
vloeroppervlakte
per gezinslid, door het verlenen van jaarlijkse vakanties
van 2 weken met doorbetaling van het loon, door pre-
mies voor de hoeveelheid der produktie bij een hoog
minimum-loon, dat boven het wettelijke gelegèn is, en
tenslotte door goede verzorging in de vrije tijd, waarbij
zelfs aan een door de maatschappij aangestelde kapper
is gedacht en verder aan een bibliotheek. De ,,East
Africa Royal Commission”
11)
meent dat successen, als
5)
In Indonesië lag de prestatie ver onder het Europese rendement. Een arbeider
met te veel getouwen geraakte in de war (bingoeng).
‘)
Ook bij Philips radiofabrieken liep de band in Indonesië langzamer dan in
Nederland.
00)
Toussaint, E.:
,,Méthodea pour amëliorer le rendement” en Moyens
propres â accroitre Is productivité”. Bulletin trimestriel du C.E.P.S.L, mei 1953.
“) East
Africa
Royal Comnzission 1953-1955.
Report presented by Secretary
of State for the Colonlea to Parliament, June 1955, His Majeaty’s Stationery Office,
Cmd
9475,
London, 482 blz.
de Bata behaalde, voor vele andere ondernemingen
even goed bereikbaar zijn.
Verband tussen produktiviteit en loon.
Wanneer men het verband tussen produktiviteit en
k,on nagaat, hoopt men uiteraard te kunnen constateren,
dat beide tegelijkertijd stijgen of dalen. Dit nu is ook
inderdaad blijkens het rapport, dat w,ij te danken hebben
aan de ,,Banque Centrale du Congo Beige et du Ruanda-
Urundi’
2
) het geval. Hierin wordt het verloop van de
bruto-produktiviteit van de arbeider (direct- en indirect
produktieve werklieden tezamengenomen) en van zijn
loon vergelekën voor de période van medio 1950 tot
ultimo 1954. Op grond van zeer uitvoerige berekeningen,
die door de goede Congo-Statistieken werden mogelijk
gemaakt, komt de rapporteur tot de volgende tabel:
Wasrde van de bruto-produktie
(verkoopwaarde) per Afrikaanse
Bedrijfsgroep
arbeider in franken per jaar met i Toename in
in Belgisch Congo
omrekening der goederenprijzen
pCt. van 1950
van 1954 tot die van 1950
tot 1954
1950
1
1954
63.889 fr.
97.524 fr.
plus 52,6 pCt.
1.
Mijnbouw
………….
9.486
33,2
Landbouw
………..7.119
Industrie
…………
26.133
35.394
35,4
Transport
–
25,1
Groepen 1, 2, 3 tezamen..
25.674 fr.
1
34.542 fr.
plus 34,5 pCt.
excl. transport
Men ziet hieruit, dat in 4
f
jaar tijds de produktiviteit
– in de zin van verkoopwaarde van de brutoproduktie
per arbeider – het meest is gestegen bij de mijnbouw.
Beschouwt men alleen het onderdeel der
mijnexploitatie,
dan is de stijging van de produktiviteit per Afrikaanse
arbeider nog 6 pCt. hoger, ni. 58 pCt., ondanks de daling
van het aantal der arbeiders met 13 pCt. De produktivi-
teitsstijging is bij deze exploitatie, zoals reeds eerder is
vermeld, bereikt door meer investeringen en vergroting
van het aantal Europeanen, welke laatste gebruikt zijn
voor meer ,,planning”, meer contrôle en meer algemene
beheersstudies. De produktiviteitsstijging, die de tabel’
aangeeft bij de landbouw is het meest te danken aan
meer intensieve cultuur; het aantal arbeiders en het
aantal hectaren veranderden weinig.
De loonvariatie in de genoemde periode is slechts be-
kend voor die ondernemingen van allé vier tabeigroepen,
die meer dan 500 arbeiders in dienst hebben. Bij deze
categorie, die de hoofdmoot der bedrijven vormt, omdat
zij meer dan de. helft van alle Congolese loonarbeiders
werk verschaft, nam het reële loon van de Afrikaanse
werklieden in de periode 1954-1955 toe met 59 pCt.
Tegenover de loontoename van
59
pCt. mogen wij het
cijfer van 34 pCt. plaatsen, dat de toename van de pro-
duktiviteit der arbeiders aangeeft na berekening van de
waarde van hun produkt in 1954 tegerî prijzen van 1950.
Dit betekent,’ dat alles bijeengenomen de loontoename
sedert ‘1950 een volledige of althans zeer belangrijke
ondersteuning heeft gevonden van de zijde van de arbei-
ders in de toename van hun produktiviteit. Het is niet
uitgesloten, dat in sommige gevallen de hausse in de
lonen van de volkshuishouding geleid heeft tot deze
produktivitëitsprestatie. Essentieel is, dat door de onder-
nemers een voldoende parallellisme is gehandhaafd tussen
de produktiviteit der arbeiders en hun loon.
Slotopmerkingen.
De produktiviteitsstudie in tropische gebieden is bijna
overal eerst na de tweede oorlog goed begonnen en dus
“)
Banque Centrale di: Congo Beige et da Ruanda-Urundi,
Bulletin Mensuel,
4me année, Bruxelles, sept. en nov. 1955, 32 blz.
29augustus 1956
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
775
nog niet ver gevorderd. Bij betere statistieken over een
langere reeks van jaren zullen meer conclusies te trekken
zijn, hetzij per
bedrijf,
bedrjfsgroep of gebiedsdeel.
Intussen hebben allerlei sociale, bijv. op stabilisatie
gerichte, en vooral ook medische maatregelen van Afri-
kaanse gouvernementen en ondernemers de produktivi-
teit stellig al verhoogd in de afgelopen jaren en met name
in de periode
1950-1955,
toen de sociale diensten weer
goed op gang waren gekomen. Het is alleen de ,,Banque
du Congo Beige et du Ruanda-Urundi”, welke hiervoor
cijfers bracht, die enigszins als een bewijs mogen gelden
voor het feit ener algemene produktiviteitsverhoging,
in dit geval voor Belgisch Congo. Voor de afzonder-
ljke realisaties van enkele firma’s op produktiviteits-
gebied zijn voor Congo en Kenya slechts enkele cijfers
bekend gemaakt.
Door de thans toenemende studie der produktiviteit,
ook door de invloedrijke intergouvernementele ,,Com-
mission pour Coop&ation Technique en Afrique”,
zullen in de komende jaren de beschikbare gegevens
– de C.C.T.A. wil daarbij speciaal aandacht schenken
aan het absenteïsme – toenemen. Mede in het belang
van onze overzeese Rijksdelen lijkt het ons gewenst
de verdere ontwikkeling in dezen in Afrika te volgen.
‘s-Gravenhage.
Dr. W. C. KLEIN.
De Nederlandse industrie in het tweede kwartaal 1956
In het overzicht met betrekking tot de bedrijvigheid in
de industrie gedurende het eerste kwartaal van dit jaar,
wezen wij erop, dat het elke keer moeilijker wordt de
,,steeds gunstiger gang van zaken ten opzichte van het
voorafgaande kwartaal” met voldoende fijn genuanceerde
bewoordingen te schetsen
1).
Hoewel het uiteraard tot
tevredenheid stemt steeds in gunstige zin te kunnen rap-
porteren, dreigt het gevaar van een meerdere of mindere
mate van eentonigheid. Dit zal des te meer het geval zijn
indien zich gèen bijzondere feiten voordoen.
Ook van het tweede kwartaal van 1956 kan men zeggen,
dat de indüstriële bedrijvigheid onveranderd omhoog ge-
richt bleef
2);
de hieronder vermelde cijfers tonen dit
duidelijk aan:
Volume-indexcijfers van de produktie in de gehele nijverheid
exclusief de bouwnijverheid.
(1949 = 100)
1955
1956
maand-
kwartaal-
maand- kwartaal-
cijfers
cijfers cijfers
cijfers
136 149 132
141
142
151
156 163
februari
…………….
april
……………….
146 152
maart
……………..
146
151
163
161 161
167
Januari
…………….
148 148
.
151
mei
……………….
juni
………………..
157
juli
………………..
augustus
…………..
159
september
…………..
oktober
……………..
160
159
november
………….
december
……………
157
Wij zouden wat het inleidende gedeelte van dit overzicht
betreft, met de vermelding van bovenstaande cijfers kun-
nen volstaan, ware het niet,’ dat een tweetal factoren de
,,rust” in het economisch leven enigszins verstoorde. Ener-
zijds een factor, welke in vele bedrijfstakken de bedrijvig-
heid verder stimuleerde, anderzijds een maatregel welke
beoogt de activiteit enigszins af te remmen. Wij hebben
hier het oog op de ,,3 pCt. over
1955″
en de verhoging
van de lonen in een aantal bedrijfstakken, alsmede op de
maatregelen met betrekking tot de verkopen op afbe-
taling.
De invloed van de 3 pCt.-uitkering was vooral in de
maand mei merkbaar. Het hoeveelheidsindexcijfer van de
totale consumptie gaf in dit tijdvak een aanzienlijke stij-
ging te zien en overschreed zelfs het hoge peil van decem-
ber 1955. De toeneming was het grootst in de sector van
de duurzame gebruiksgoederen. Het hoev.eelheidsindex-
‘) ,,E.-S.13.” van 13 juni
1956.
‘) Alle in dit overzicht genoemde cijfers zijn ontleend aan of berekend met
behulp van publikaties van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
cijfer per hoofd der bevolking lag voor deze categorie
goederen niet minder dan 40 punten boven dat yan de
overeenkomstige maand van 1955. Ook de ‘oedings- èn
genotmiddelenindustrie profiteerde van deze welvaarts-
uitkering. De stijging was hier echter minder spectaculair,
hetgeen voor een belangrijk gedeelte verband houdt met
het feit, dat de inkomenselasticiteit bij deze goederen
relatief klein is. Wei viel enige verschuiving naar duurdere
artikelen waar te nemen. De vergroting van de koopkracht
richtte zich echter niet geheel op de binnenlandse industrie.
Ook de aankoop van geïmporteerde duurzame consump-
tiegoederen vertoonde een belangrijke toeneming. De
invoercijfers spreken in dit opzicht een duidelijke taal.
De loonsverhogingen in een aantal bedrijfstakken heb-
ben mede tot de vergroting van de binnenlndse con-
sumptie bijgedragen. De invloed hiervan was echter niet
zo groot als die, welke van de ,,3 pCt.” uitging. Immers,
gedurende de verslagperiode gingen nog lang, niet alle
bedrijfstakken
,
hiertoe over, terwijl in vele gevallen de
datum van ingang van de verhoging op een min of meer
laat tijdstip van de verslagperiode was gelegen. Voorts
heeft deze loonsverhoging betrekking op de week- of
maandlonen, terwijl de uitkering ineens over het loon of
salaris van een geheel jaar was berekend.
Hoewel de hier bedoelde loonsverhogingen in beginsel
niet algemeen zijn, is te verwachten, dat zij zich over
nagenoeg het gehele bedrijfsleven zullen uitstrekken. Dit
kan voor bedrjvén, die met een lage winstmarge werken
en die weinig of niet van de grotere koopkracht zullen
profiteren, een zware last betekenen en prijsverhoging
noodzakelijk maken.
De tweede factor, welke wij hierboven vermeidden, nl.
de regeling met betrekking tot de verkopen op afbetaling,
zette voor vele consumenten en fabrikanten een dbmper
op de vreugde, welke de yergroting van de koopkracht
had medegebracht. Deze regeling, welke. op 18 juni in
werking trad, behelst de vaststelling van de ,,aanbetaling”
van een aantal duurzame consumptiegoederen, alsmede van
de betalingstermijn. De percentages, welke voor de aan-
betaling werden vastgesteld, liggen aanzienlijk hoger dan
‘tot nog toe gebruikelij k was, terwijl de duur van de afbetaling
belangrijk zal worden verkort. Het doel van dezç regeling
is de huidige ‘hoogconjunctuur af te remmen. Wij achten
het hier niet de plaats om een oordeel uit te spreken over
de hantering van dit instrument van conjunctuurpolitiek.
Wij willen slechts volstaan met te vermelden, welke moge-
lijke gevolgen deze maatregelen zullen hebben voor het
bedrijfsleven. Het is waarschijnlijk, dat verschuivingen in
776
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
29augustus 1956
de consumptieve vraag zullen ontstaan. Men mag aan-
nemen, dat velen hun aankopen van duurzame consump-
tiegoederen uitstellen tot een tijdstip waarop men over
voldoende spaargelden beschikt om de voorgeschreven
aanbetaling te voldoen en in een kortere termijn dan voor-
heen de af betalingen te verrichten. Andere groepen daar-
entegen zullen de wil tot langer sparen niet kunnen op-
brengen en het geld dat anders voor een bepaalde af be-
talingstransactie wordt besteed, bestemmen voor de
aankoop van andere duurzame goederen, waar de af-
betalingseisen minder zwaar zijn, ofwel uitgeven aan
voedings- en genotmiddelen en/of amusement e.d. Bij de
bromfietsen zagen wij reeds in juni een sterke daling van
de afzet; sommige fabrieken waren zelfs genoodzaakt
personeel te ontslaan.
De produktie van de
metaalindustrie
is ten’opzichte
van hetzelfde kwartaal van
1955
in niet onbelangrijke
mate gestegen. Op basis 1949 = 100 bedroeg het gemid-
delde produktie-indexcijfer in laatstgenoemd tijdvak 191,
terwijl dit voor het twèede kwartaal van 1956 een peil
van 208 bereikte.
Zoals wij hierboven reeds vermeldden, ondervond in
het laatste gedeelte van juni de afzet van bromfietsen em-
stige stagnatie als gevolg van de maatregelen met betrek-
king tt de verkopen op afbetaling. De ongunstige weers-
omstandigheden en de invoering van een maximum-
snelheid voor deze vervoersmiddelen zoiden mede van
invloed zijn geweest. Of de maatregelen ten aanzien van
de afbetaling slechts tijdelijk de afzet zullen beïnvloeden,
valt niet met zekerheid te zeggen. De mogelijkheid be-
staat dat men de aankoop van bromfietsen uitstelt tot
men meer over voldoende middelen beschikt om de eerste
termijn te betalen. In dat geval is er alleen sprake van een
verschuiving van de vraag naar een later tijdstip. Hoewel
heit mogelijk is dat sommigen er thans van afzien een
dergelijk vervoermiddel te kopen en hun middelen, .welke
normaliter hiervoor bestemd waren, besteden voor andere
goederen of diensten, menen wij toch, dat de inzinking,
die de afzet te zien heeft gegeven, goeddeels van tijdelijke
aard zal zijn.
De uitbreidingswerkzaamheden bij de Hoogovens von-
den onverminderd voortgang. Bijzondere omstandig-
heden voorbehouden, zal de nieuwe Martin-staaloven
aan het einde van het jaar gereedkomen. Ook bij Breed-
band is men momenteel bezig met uitbreidingen. Deze
hebben betrekking op de blikfabricage, nl. de vervaar-
diging van zgn. elektrolytisch vertind blik.
Bijzonder groot was de bedrijvigheid in dei
scheeps-
bouwindustrie.
Volgens ,,Lloyd’s Register Shipbuilding
Returns” werd in het tweede kwartaal van 1956 begonnen
met de bouw van 7 stoomschepen en 48 motorschepen
met een gezamenlijke inhoud van 197.000 bruto ton
(vorig kwartaal 74.000 bruto ton). Te water werden ge-
laten 4 stoomschepen en 43 motorschepen, tezamen
134.000 bruto ton (vorig kwartaal 93.000 bruto ton) en
voltooid 92.000 bruto ton (vorig kwartaal 110.000 bruto
ton) verdeeld over 3 stoomschepen en 35 motorschepen.
Het onderhanden zijnde werk gaf een stijging te zien van
477.000 bruto ton op het einde van maart 1956 tot
584.000 bruto ton op 30 juni
1956.
De geleidelijke stijging van de bedrijvigheid in de
chemische industrie
– exclusief de aardoliebedrjven –
vond in de verslagperiode voortzetting. Op basis 1949 =
100 beliep het volume-indexcijfer van de produktie in
het tweede kwartaal van 1955 154 en in de tweede drie
maanden van dit jaar 161.
Ondanks de slechte weersomstandigheden in april en
de stakingen in enige grote steden, viel er in de
bouw-
nijverheid
een relatief grote bedrijvigheid waar te nemen.
Het aantal gereedgekomen woningen was niet alleen
groter dan in het voorafgaande kwartaal, doçh lag ook
boven het peil van het tweede kwartaal van
1955.
Geduren-
de deze laatste periode kwamen 14.859 woningen gereed,
in de eerste drie maanden van 1956 in totaal 11.422
woningen en in het tweede kwartaal van dit jaar 16.983
woningen. Begonnen werd met de bouw van 26.576
woningen, tegen 21.548 woningen in het overeenkomstige
kwartaal van 1955. Aan het einde van de maand juni
waren in 1955 en 1956 resp. 73.000 en 87.664 woningen
in uitvoering. De maand juni 1956 was voor de wo-
ningbouw in drie&lei opzicht een rekordmaand. Het
aantal in deze maand gereedgekomen woningen, als-
mmde het aantal waarmede werd begonnen en het
onderhanden werk waren in juni groter dan in welke
naoorlogse maand ook.
De produktie van de
baksteenindustrie
was niet on-
belangrijk groter dan in hetzelfde tijdvak van
1955.
D
vorming van rauwe bakstenën werd door de slechte
weersomstandigheden in ernstige mate belemmerd.
De
dakpannenindustrie
slaagde er eveneens in haar
produktie op te voeren. Dit was voor een belangrijk ge-
deelte te danken aan het feit, dat één van de grootste
fabrieken, welke in 1954 door brand werd verwoest, weer
op volle toeren draait.
De produktie van
kalkzandsteen
was in het tweede
kwartaal van dit jaar aanzienlijk groter dan in het tweede
kwartaal van
1955.
Hetzelfde was het geval bij de pro-
duktie van
cement.
Ook in de
cementwarenindustrie
was de bedrijvigheid
groter dan in het overeenkomstige kwartaal van
1955.
De produktiecapaciteit van betonklinkerkeien werd in
de verslagperiode uitgebreid. Een verdere vergroting in
de loop van het jaar is te verwachten door de vestiging
van nieuwe fabrieken.
Produktie-indexcijfers van de
textielindustrie
zijn alleen
bekend voor de inaanden april en mei. Deze zijn nagenoeg
gelijk aan de overeenkomstige maanden van
1955.
De
gegevens over de verschillende onderdelen van deze in-
dustrie zijn niet verder bekend dan tot en met april.
Hierdoor is het niet mogelijk de gang van zaken in de
diverse sectoren voor het gehele kwartaal te schetsen.
De
confectie-industrie
boekte wederom in het alge-
meen goede resultaten. Vooral de binnenlandse omzet
nam vrij sterk toe. Dit kân hoofdzakelijk worden toege-
schreven aan de welvaartsuitkering van 3 pCt. Er viel
enige verschuiving waar te nemen naar goederen in de
hogere prijsklassen.
De voedings- en genotmiddelenindustrie
profiteerde
eveneens van de ,,3 pCt.”. Ook hier manifesteerde de
vergroting van de koopkracht zich vooral in een verschui-
ving naar de consumptie van duurdere artikelen.De
gemiddelde produktie-index (1949 = 100) bedroeg 138
tegen 131 voor hetzelfde kwartaal van
1955.
De omzet van
meubelen
gaf in de verslagperiode even-
eens een sterke stijging te zien, zowel ten opzichte van de
eerste drie maanden van 1956 als van het tweede kwartaal
in
1955.
Ook aan deze omzetvermeerdering ligt voorna-
melij k de welvaartsuitkering ten grondslag.
Hoewel in juni de produktie van
papier
enige daling te
zien gaf, was de totale produktie in het tijdvak, dat wij
bespreken, enigszins groter dan in het overeenkomstige
kwartaal van
1955.
In mei werd door de bij het verkoop-
kantoor Groningen aangesloten fabrikanten van stro-
29augustus 1956
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
777
karton een produktiebeperking van 3 pCt. ingevoerd.
Waarschijnlijk zal deze in september weer tot het verleden
behoren, aangezien, als gevolg van de verlaging van de
invoerrechten per 1juli ji. door West-Duits1and een ver-
groting van de uitvoer naar dit land is te verwachten.
De bedrijvigheid in de verschillende onderdelen van de
lederindustrie
lag nagenoeg op het peil van het tweede
kwartaal van
1955.
De zoollederbedrijven vormden hierop
een uitzondering. In deze sector had een verdere terug-
gang van de produktie plaats. In het algemeen is de po-
sitie van de lederindustrie minder gunstig dan van vele
andere bedrijfstakken, welke volop van de bestaande
hoogconjuntuur profiteren. De oorzaak hiervan moet
vooral worden gezocht in de toenemende concurrentie
van vervangingsmaterialen. Op de binnenlandse markt
zijn weinig expansiemogelijkheden meer aanwezig. Daar-
om zal vooral gestreefd moeten worden naar een vergro-
ting van de export.
De produktie van de
schoenindustrie
lag op een iets
hoger niveau dan in het overeenkomstige tijdvak van 1955.
De buitenlandse concurrentie op de Nederlandse markt
hield onverminderd aan.
In de
rubberindustrie
bleven de resultaten bevredigend.
De produktie gaf enige verdere stijging te zien.
De gunstige ontwikkeling in de
grafische industrie
vond voortgang. De export h$ wederom voor een be-
langrijk gedeelte betrekking op drukwerk, waaraan hoge
eisen van vakbekwaamheid worden gesteld.
Wat de vooruitzichten voor het derde kwartaal betreft,
zijn wij van mening, dat de algemene tendentie omhoog
gericht zal blijven. Als gevolg van de maatregelen ten
aanzien van de afbetaling enerzijds en van de stijging van
het loonpeil anderzijds, is het waarschijnlijk, dat in som-
mige sectoren enige teruggang van de bedrijvigheid zal
plaatshebben en in andere bedrijfstakken de activiteit
in versterkte mate zal toenemen. Het is mogelijk, dat in
het laatste geval zich spanningen tussen vraag en aanbod
zullen voordoen, welke hier en daar in de vorm van prijs-
stijgingen tot uitdrukking kunnen komen.
‘s-Gravenhage.
Drs. T. C. BOTrEMA.
Drs. A. G. TER HENNEPE.
BOEKBESPREKING
Contributions â l’étude de la Comptabilité nationale de
la Belgique.
Groupe d’Etudes de la Comptabilité
Nationale. Les Editions de 1’Institut de Sociologie
Solvay.
Le Logement par E. Esch, E. S. Kirschen,
J. Poelmans;
La Balance des Paiements
1948-1953
par Maurice
Toussaint;
Les Revenus Mobiliers
1948-1953
par Jean Wael-
broeck;
Les Loyers par Jeannine Beckers et Colette
Duprez-Reichert;
Les Rémunérations des Salariés 1948:1953 par
Richard de Falleur.
Sedert 1951 houdt een werkgroep van deskundigen,
verbonden aan het ,,Institut de Sociologie Solvay” van de
Vrije Universiteit van Brussél, zich bezig met het opstellen
van een nationale boekhouding voor België. Deze werk-
groep, die onder leiding staat van Prof. E. S. Kirschen,
publiceerde in 1953 in een monografie getiteld ,,Premiers
Eléments d’une Comptabilité Nationale de la Belgique
1948-195 1″ de eerste resultaten van haar arbeid. Deze
publikatie bevat de eerste systematische, statistische
beschrijving van de Belgische volkshuishouding door
middel van een stelsel van nationale rekeningen
1).
Sinds het verschijnen van deze monografie heeft de
genoemde werkgroep nog een vijftal geschriften uitge-
geven, die elk speciale onderwerpen uit het nationale
rekeningenstelsel behandelen. Het doel van deze ge-
schriften is in de eerste plaats het geven van een weten-
schappelijke verantwoording van het in de ,,Premiers
Elëments” gebruikte cijfermateriaal en de gehanteerde
berekeningswijze. Daarnaast is het cijfermateriaal over
het betreffende onderwerp waar nodig herzien en uitge-
breid tot
1953.
Bovendien is enig, overigens bescheiden,
economisch commentaar aan de uitkomsten verbonden.
De opzet van de geschriften is zodanig, dat zij ziçh als
afgeronde statistische monografleën laten lezen.
We onderwerpen die zij behandelen lopen naar hun
aard en betekenis sterk uiteen. Twee deeltjes sluiten
echter nauw bij elkaar aan. ,,Le Logement” bespreekt hoe
door middel van een enquête de waarde van de door
particulieren genoten woningdiensten is bepaald, ,,Les
Loyers” bevat de berekening van de huurinkomens,
zowel bruto als netto, uit woningen en bedrijfspanden.
De huuruitgaven blijken 8 â 9 pCt. van het nationaal
inkomen te bedragen. Opvallend is het in vergelijking met
Nederland hoge percentage van de woningen dat bewoond
wordt door de eigenaar. Dit percentage bedroeg voor
België in 1947 39 en is sindsdien, mede onder invloed van
de woningpolitiek van de Overheid, nog gestegen tot
47,5 in 1953. Volgens de Woningtelling 1947 bedroeg dit
percentage in Nederland 29.
,,Les Revenus mobiliers” bespreekt de berekening van
de dividend- en rente-inkomens van particulieren, maar
vermeldt ook ander interessant cijfermateriaal, o.a. over
de financieringswijze van het Belgische bedrijfsleven. De
netto-dividendinkomens bedroegen in 1953 fr. 7,42 mrd.,
waarvan fr. 4,32 mrd. afkomstig uit België, fr. 1,43 mrd.
uit de Congo en fr. 1,67 mrd. uit het buitenland. Het
totale interestinkomen bedroeg in dit jaar fr. 11,23 mrd.
In de periode 1948-1952 werd 59 pCt. van de winsten van
N.V.’s als dividend uitgekeerd, tegenover 88 pCt. in de
jaren 1936-1938.
Belangrijk cijfermateriaal geeft ook het deeltje ,,Les
Rémunérations des Salariés”. Hierin wordt geschetst de
ontwikkeling van het totale arbeidsinkomen (gesplitst
volgens verschillende criteria) over de jaren 1948 t/m 1953.
Op globale wijze wordt ook de ontwikkeling van het
gemiddeld (nominaal en reëel) inkomen per werknemer
berekend. Het nominaal inkomen per arbeidsplaats
(,,emploi”) is van 1948 tot 1953 gestegen met 27 pOt. De
stijging is voor de arbeiders het geringst geweest, nl.
22 pCt.; voor de employés bedroeg zij
35,5
en voor de
ambtenaren 35 pCt. Bij de beoordeling van deze cijfers
dient rekening te worden gehouden met het feit, dat voor
de groep arbeiders reeds vôôr 1948 belangrijke loons-
verhogingen hebben plaats gevonden waarbij de inko-
mensstijging van de beide andere groepen werknemers
ten achter is gebleven. Voor de arbeiders is het gemiddeld
reëel inkomen per arbeider (mcl. werkloze arbeiders)
gedurende de genoemde periode gestegen met 14,3 pCt.
Het deeltje gewijd aan de betalingsbalans bepaalt
allereerst de betalingsbalans van de Belgisch-Luxemburgse
Economische Unie op zodanige wijze dat deze voldoet aan
de eisen van het gebruikte nationale rekeningenstelsel.
‘) Deze publikatie werd in ,,E.-S.B.” van 17 februari 1954 (blz. 136) besproken
door Dr. Ph. J. Idenburg.
-:– —‘–
.,-
–
•
-!r
.
,
–
-.,
–
.-
:
778
ECONOMISCH-STATISTISCHE
BERICHTEN
29 augustus 1956
Daartoe moest het bestaande cijfermateriaa1 worden kistpromessen gekocht (de ‘week tevoren f. 55 mln.).
gehergroepeerd en moesten aanvullende schattingen o.a.
Dank zij deze” plaatsingen klom het tegoed van het Rijk
over de inkomsten uit het toerisme worden gemaakt.
bij de Centrale Bank tot f. 183 mln, en verstomden de
Vervolgens wordt de betalingsbalans voor België af-
gesprekken over de lege Schatkist. Het loslaten van dè
zonderlijk bepaald door de geschatte buitenlandse trans- goedkoop-geldpolitiek op de geldmarkt heeft het Minis-
acties van Luxemburg te elimineren. Ten slotte wordt
terie van Financiën blijkbaar geen windeieren gelegd,
berekend de ontwikkeling van de betalingsbalans van de
in zoverre korte middelen, die anders in het buitenland
B.L.E.U. en van België uitgedrukt in constante prijzen
zouden zijn uitgezet, of daar waren gebleven, thans in
(van
1950).
Uit de resultaten’van deze laatste berekeningèn
‘s Rijks Kaszijn gevloeid; deze gang van zakenvoorkwam
blijkt.duidelijk welke invloed veranderingen in de ruilvoet
(overigens onjuiste) verwijten aan het Ministerie van
op het betalingsbalanssaldo hebben gehad..
roekeloze financieringspolitiek.
In het bovenstaande werd de inhoud van de verschillen-
Met ingang van
25
augustus verhoogde De Nederland-
de deeltjes in het kcrt weergegeven. De geschriften vormen
sche Bank haar tarieven over de gehele linie met
I
pCt.;
een originele en wetenschappelijk verantwoorde bijdrage
het wisseldisconto kwam hierdoor op 3
pCt., het pro-
tot de statistische ,,doorlichting” van de Belgische econo-
messendisconto evenals de rente voor voorschotten in
mie. De moeilijkheden, die men bij het berekenen van
rekening-courant (aan anderen dan particulieren) op
sommige economisché grootheden heeft ontmoet, zijn,
3
3
pCt.Ter motivering van deze stap wees de Bankleiding
door het ontbreken van
–
de noodzakelijke primaire
op de jongste discontoverhoging in New York en op het
statistieken, bijzonder groot geweest. Dit betekent dat
feit, dat het marktdisconto (= de afgifteprjs van de
soms niet anders dan ruwe schattingen konden worden
Agent) voor driemaands schatkistpapier reeds geruime
gemaakt. De werkgroep verbloemt dit feit allerminst en
tijd gelijk was aan het disconto van de Centrale Bank.
Wij st telkens in haar voorwoord op de onzekerheids-
Het merkwaardige van deze verhoging is haar geringe
–
marges die in het algemeen aan de cijfers kleven. Deze
omvang, nl.
I
pCt.; gewoonlijk geschieden veranderi.ngen
marges kunnen soms 10 â 20 pCt. belopen. Wellicht zou
van het officieel disconto met j- of.l pCt. (zo ook bij de
het nog mogelijk zijn deze waarschuwing nader te concre-
vorige discottoverhoging van 7 februari met
4′
pCt.
tiseren door voor de belangrijkste grootheden de specifieke
over de gehele linie). Het tweede der genoemde motieven
orde van grootte van de onzekerheidsmarge te vermelden, heeft daarom niet veel praktische betekenis. Voor banken-‘–
Vermindering van deze marges zal in het algemeen slechts
die teveel schatkistpapier kopen op 3 pCt. basis, is de
verkregen kunnen worden door uitbreiding van het pri-
nieuwe verliesmarge bij terugvallen op de Centrale Bank
maire cijfermateriaal. Daarnaast zal men soms verbetering
–
pCt. bij disconteren of
pCt. bij opnemen van
kunnen bereiken door te werken met de resultaten van
voorschot in rekening-courant
–
vermoedelijk evenmin
steekproeven (enquêtes e.d.). Van deze laatste methode
afschrikwekkend als de tot dusverre hiervoor geldende
werd in het deeltje over de huren reeds een elegant en
marges van 0 resp.
4-
pCt. Ook van het eerste der aange-
verantwoord gebruik gemaakt.
–
voerde motieven is het grote praktische belang moeilijk
De geschriften zijn niet, zoals de ,,Premier Eléments”,
in te zien; voor repatriëring’ uit resp. voorkoming van-
onder collectieve verantwoordelijkheid van de werkgroep,
belegging in het buitenland van korte middelen zijn ni.
maar onder die van de betrokken auteur(s) verschenen,
niet de Centrale Bankdisconto’s relevant, doch de ver-
Dit heeft er, gelukkig, niet toe geleid dat de publikaties
houding van de afgifteprjzen van nieuw schatkistpapier
een sterk persoonlijk stempel dragen: elk van de deeltjes
hier en elders.
volgt een systematiek die aangepast is aan het onderwerp; Wellicht heeft de Bank enerzijds een discontoverhoging
het economisch com’nentaar is beperkt gehouden. Wij
in verband met het ongunstiger worden van de handels-
–
vinden dit vooral daarom gelukkig, omdat, blijkens het balans en de constante daling van de devièzenvoorraad
.’,
voorwoord in de ,,Premiers Eléments”, in ‘België nog
wenselijk geacht, doch anderzijds toch niet te veel roet
veelal scepsis en misveistand heerst over de waarde van “-in het eten willen doen bij het consolideringsproces van
dit soort studies. Zou het persoonlijke en’interpreterende gemeen’télijke schulden, dat momenteel via de obligatie-
element overheersen dan zou daardoor nieuw misverstand
markt aan de gang is, een proces dat uit monetair oog-
•
kunnen ontstaan. De betekenis van deze publikaties is
punt zelfs zeer wenselijk is. Een forse discontoverhoging
in de eerste plaats gelegen in het beschikbaar komen van zou nl. de.,tendentie tot rentestijging op de kapitaalmarkt
betrouwbaar cijfermateriaal en de mogelijkheid die dit
wel eens zozeer hebben kunnen aanwakkeren, dat het
opent voor analyse. Wij hopen dat van deze mogelijkheid 41 pÇt. rentetype
–
het maximum dat het Ministerie van
gebruik zal worden gemaakt, zowel bij de bestudering van Financiën sinds 1952 toestaat
–
onhoudbaar zou worden.
de structuur van de Belgische economie, bij het nemenen
Zo gezien zouden door middel van het thans toegepaste
beoordelen van maatregelen van economische politiek als
kwart procentje discontoverhoging de kool van inflatie-
bij internationale studies. Bij, deze laatste denken wij
bestrijding en de geit van het rentegamma gespaard kun
vooral aan die over de Benelux. Niet in de laatste plaats
nen zijn.
hierom hopen wij dat de werkgroep van hel ,,Institut de
Sociologie
Solvay”
met
haar
belangrijke arbeid
zal
De kapitaalmarkt.
voortgaan.
Op
de aandelenmarkt vertoonde het koersniveau ge-
Schiedam.
H. C.
BOS.
-,
GELD- EN KAPITAALMARKT
De geldmarkt.
Aangelokt dbor het door de geldgevers bevredigend
geachte disconto van 3 pCt. p.j. werd er tussen 13 en 20
augustus bij de Agent van het Ministerie van Financiën
1
voor, niet minder dan f. 86 mln, aan driemaandsschat-
aurencie cie verslagweeK een iicnte ar DrOKKellng. uang-
maker waren hierbij wederom de internationale fondsen.
Aandelen Koninklijke waren in Wallstreet.weer enigszins
op retour, niet alleen door het onbevredigende einde van
de Suez-conferentie, doch ook onder invloed van de al-
gemene koersdruk die ontstond door de discontoverho-
ging, welke onder het motto van infiatiebestrijding in de
Verenigde Staten plaatsvond. De door Philips gepubliceer-
de cijfers over het tweede kwartaal 1956 (omzet + 17 pCt.,
29
I96
SCHTEB ER’I C’H
T
EN’
”
fl9
winst na belastingen
± 7
pCt., beide t.o.v. .het tweede
kwartaal
1955)
vormden geen’ aanleiding tot verdere
koerscorrectie bij dit fonds, dat de laatste vijf maanden
ca.
60
punten in koers daalde, waarbij pessimisten zelfs
reeds aan dividendverlaging hadden gedacht..
Öp de obligatiemarkt waren de koersdalingen de afge-
lopen week weer aan de orde van de dag. Voor een groot
deel betrof het hier een verdere aanpassing van het rende-
ment op bestaande obligaties aan dat van bij emissie aan-
geboden nieuwe obligaties; vooral van institutionele zijde
schijnen de laatste tijd nogal wat ruilingen, gepaard gaand
met verkoop van oude stukken, te hebben plaatsgevonden.
Alle tijdens de verslagweek openstaande inschrijvingen
op
4*
pCt. gemeente’ljke en provinciale leningen slaagden
met vlag en wimpel; de termen geringe toewijzing en zeer
aanzienlijke reductie wisselden elkaar af. In marktkringen
meent men, dat naast particulieren ook kleinere institutio-
nele beleggers (o.a pensioenfondsen en spaarbanken) bij
deze emissies grâantjes meepikten. Voor deze kleinere
beleggers is het een gelukje, dat de onderhandse markt
momenteel verzadigd is, zodat de kapitaaivragers (vnl. de
lagere Overheid) zich ten eindraad tot hen moeten rich-
ten. Vôôrkopen hebben bij genoemde verzadiging onge-
twijfeld een belangrijke rol gespeeld.
Zo
werd bekend, dat
Philips fot dusverre in
1956
voor ruim f.
160
mln. onder-
handse leningen afsloot, waarop in het eerste halfjaar
nog slechts
f. 60
mln, was gestort.
Weer nieuwe emissies van het thans gangbare
4
1
pCt.
type werden de afgelopen week ter markt gebracht door de
Bank voor.’Nederlandsche Gemeenten.(f.
10
mln.; tweede
lening), Leiden (f.
5
mln.; tweede lening), Delft ( f.
5
mln.)
en Zuid-Holland (f.
5
mln.), terwijl ‘s-Gravenhage voor-
nemens is ook met een dergelijke lening (f.
15
mln.) te
PROVINCIE ZUID-HOLLAND
Uitgifte van
f 5.000.000
9
–
4’74
O//
30-jarige obligatiën 1956
in stukken aan toonder van f 1.000,- nominaal.
De ondergetekenden berichten dat zij de
inschrijving
op
bovenvermelde obligatiën
openstellen bij hun kantoren te
AMSTERDAM,
ROTTERDAM,’s-G RAVEN HAG E
en
UTRECHT,
voor zoveraldatr ge.’estigd, alsmede te
Amsterdam bij de Heren Beels
&.
Co. – De
CIerçq
&
Boon Hartsinck
en te ‘s-Gravenhage
bij, de Heren
.Heldring
&
Pierson
op
MAANDAG,. 3 SEPTEMBER 1956
van d’es voormiddags
9
uur tot des namiddags
4 uur
j
TQT DE KÖERS VAN
1000/
• .
op de voorwaarden van het prospectus
,
•
.
‘d.d.
24 augustus
1956.
Prospectussen en inschrijvingsfornulierer zijn bij de kantoren van inschrijving verkrijgbaar.
R. MEES & ZOONEN. PIERSON & Co . yLAER & KOL
Rotterdam
.
.
.
Amsterdam
24
augustus
1956
Utrecht
komen. Dat de bankenconsortia, die deze leningen over-
nemen, er niet alte zeker van zijn, dat het hiermede succes-
sen zal blijven regenen, volgt uit het bericht, dat de Ge-
meente Amsterdam slechts f.
10
mln, in ,,gewone” obliga-
tievorm kon krijgen, weshalve zij nu met een premielening
groot f.
20
mln. ter markt komt. Een pikante bijzonderheid
bij deze
2
4
–
pCt. premielening (rendement mcl. prijzen
bijna
4, pCt.) is dat juist dit gemeentebestuur, dat geen.
gcoot vriend van ,,de kapitalisten” is, een aantal premies
van
f. 250.000
heeft ingelast, zij het dan dat in
40
jaar in
totaal slechts
5
gelukkigen (op de
200.000
stukken) op deze
wijze kapitalist zullen worden.
Een andere variatie op de emissiemarkt vormden
44
pCt. pandbrieven a pan, uitgegeven door een aantal
scheepshypotheekbanken en
4
1
pCt. kortlopende pand-
brieven
â 98f
pCt. aangeboden door de Eerste Neder-
landsche Scheepsverband Mij.
Mud.
indexèijfers
A.N.P.-C.B.S
10
aug.
17 aug
24 aug.
(1953
=
100)
1956
1956
1956
Algemeen
……………………. ……. ….
217,0
219,0
216,6
Internat.
concerns
…………………
291,5
295,0 291,8
Industrie
………………………………
167,1
168,0
167,4
Scheepvaart
………………………….
168,9
172,1 168,5
Banken
…………………………………..
144,1
143,3
142,3
Indon.
aand .
………………………….
114,3
114,2
110,6
Aandelen
Kon.
Petroleum
……………………
786
799V2
794
Unilever
………………………………
410
414½
407
1
4, ‘-
Philips
………………………………….
293%
295½
288½
A.K.0.
………………………………….
253%
255
255½
Kon,
N.
Hoogovens
………………
334
343
341
Van
Gelder
Zn.
……. . …………….
247
244½
245
H.A.L
.
…………………………………
197 ½
200’/2
194
Amsterd
Rubber
…………………
84½ 83½
80½
……………………….
H.V.A.
………….
105
110
105%
Staatsfondsen
2½
pCt.
.
N.W.S………
………………
69½
70½
71
3-3%
pCt.
1947
………………………
92V
2
91%
91
3%
pCt.
1955
1
………………………
90%
.
90 90
3-pCt.
Grootboek
1946
……………
SOli,
90%
90
3
pCt
Dollarlening
………………
93½
93J&
93%
Diverse
obligaties
3½ pCt.
Gem..
‘dam 1937
VI
…
93 93
1
k
91
3
1
/
1
pCt. Bk. v. Ned. Gem.1954
11/111
88
188
88
3½ pCt. Nederl. Spoorwegen’
95
95½
93
3½
pCt.
Philips
1948
……………
95
95
94%
34 pCt. Westl. Hyp. Bank
86%
87%
86
3
4
J.
C.
EREZET.
Voor een vacature in de
wetenschappelijke’
staf zoekt
het Burëau van de Nederlandse Huishoudraad te
‘s-Gravenhage,
EEN ECONOME OF ECOrOOM
Het werk is .gericht op de bestudering van
consumentenproblemen. Daarnaast wordt in-
zicht verlangd in de maatschappelijke en tech-
nisch-huishoudelijke vraagstukken, die verband
houden met de consumptie.
•.Voor iemand met brede belangstelling, een
kritische instelling en een gedegen werkrnetho-
de wordt aantrekkelijk en afwisselend werk
geboden.
Sôllicitaties met beknoptè ‘opgave
n pesofialia té
richten tot: Nederlandse Huishoudraad, Anna Pau-
lownaplein 7, ‘s-Gravenhage.
Bij het hoofdkantoor van een grote onderneming bestaan momenteel interes-
sante’ plaatsingsmogelijkheden.
–
1. TEN’BEHOEVE VAN HET MARKTONDERZOEK:
enige economen en statistici met research-
ervaring1
Hun taak zal bestaan uit het opbouwen van het MARKTONDERZOEK voor
‘velerlei produkten, het ontwikkelen van nieuwe onderzoekingsmethoden en het
rijp maken van deze methoden voor praktische toepassing. De field research
vormt van deze taak geen onderdeel, wel de controle op de resultaten daarvan.
Reflectanten (leeftijd tot 35 jaar)’ moeten tenminste een middelbare opleiding
hebben; een verdere opleiding strekt tot aanbeveling.
Grote statistische kennis is onontbeerlijk evenals ruime ervaring in boven-
omschreven of daarmede verwant werk.
Een zekere mate van technisch inzicht, een brede algemene belangstelling
en een dosis gezonde fantasie kunnen in deze functie van groot nut zijn.
enige assistenten-marktanalisten.
Deze medewerkers (± 20-25 jaar) zullen na een opleiding van enige jaren
kunnen overgaan naar de categorie als bedoeld onder a.
De eisen hiervoor gesteld zijn min of meer van dezelfde aard, echter zonder
de vaktechnischë specialisatie en ervaring.
een functionaris die belast zal worden met
de opbouw van de field research voor
verschillende industriëlè produkten.
Het marktonderzoek moet plaats hebben in nauw contact met die industrieën,
die de betreffende produkten gebruiken en zal een beperkte technische kennis
vereisen.
Reflectanten moeten een middelbare opleiding hebben, statistisch inzicht be-
zitten, zich vlot weten te bewegen en gemakkelijk ,contacten’ kunnen leggen.
Deze zeer zelfstandige taak vraagt een grote mate van verantwoordelijkheids-
gevoel. Leeftijd tot
35
jaar.
II, – TEN BEHÖÈVE
I
VAN DE COMMERCIËLE
PLANNING:
enige vøorraadinspecteurs.
De werkzaamheden bestaan uit het invoeren, in Nederland en in het buitenland,
van een geheel nieuw ontwikkeld order- en bestelsysteem.
Gegadigden, die vaak lange tijd buitenlands zullen verblijven, moeten de
moderne talen beheersen, een brede ervaring hebben op planning-gebied, een
gezonde overtuigingskracht bezitten en zich aangetrokken voelen tot het
verrichten van pioniersarbeid. Leeftijd 30-40 jaar.
Reflectanten dienen in hun v 011 e d ig sollicitatieschrjven duidelijk aan te geven voor
welke der bovenomschreven functie zij belangstelling hebben. De brieven worden, ver-
gezeld van recente foto.’ ingewacht onder rr. E.S.B. 56238 bij het bureau van dit blad.