Ga direct naar de content

Werkgevers positief over modernisering universitair economie­onderwijs

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: december 3 2025

Het universitaire economieonderwijs in Nederland staat volop ter discussie. Opvallend genoeg blijven de verwachtingen en eisen van werkgevers daarbij onderbelicht, terwijl arbeidsmarktvoorbereiding een belangrijk onderdeel is van de vorming van studenten. In hoeverre bereiden economieopleidingen studenten voldoende voor op de arbeidsmarkt?

In het kort

  • Werkgevers waarderen unaniem de kwantitatieve ­vaardigheden van economen.
  • Werkgevers vragen ook multidisciplinariteit en kennis van instituties en beleid.
  • Werkgevers zijn verdeeld over de voertaal in het academisch onderwijs.

In het afgelopen decennium is er uitvoerig gedebatteerd over het universitaire (algemene) economieonderwijs. Voorbeelden hiervan zijn de KVS Preadviezen van 2016, het themanummer van TPEdigitaal over het academisch economieonderwijs na de crisis, en uitgebreide rapporten over de curricula van de Nederlandse economieopleidingen (De Muijnck en Tieleman, 2024). Wat gaat er goed en waar is er ruimte voor verbetering? Sluit het economieonderwijs voldoende aan bij de ontwikkelingen van de 21e eeuw? En, wat zijn de kernmerken van een goede econoom (Hollanders en Onderstal, 2016; De Muijnck en Tieleman, 2021; Van Sinderen, 2021)? In diverse rapporten worden deze vragen vanuit verschillende dimensies beantwoord. Zo vragen Tieleman et al. (2016) bijvoorbeeld meer aandacht voor kwalitatieve onderzoeksmethoden en stellen ze dat economieopleidingen een onevenredige nadruk leggen op kwantitatieve benaderingen. Onderstal (2016) bespreekt diverse argumenten voor en tegen de sterke focus op wiskunde binnen het economieonderwijs.

Ook de beperkte multidisciplinariteit komt regelmatig aan bod. Studenten zouden beter voorbereid moeten worden op het herkennen van zowel de kracht als de beperkingen van hun eigen vakgebied in relatie tot andere wetenschappelijke disciplines (Postma, 1998; ­Tieleman et al., 2016; Veldhuis, 2016). In dit verband beargumenteert Van Damme (2016) dat een goed begrip van de economie ook inzicht in andere vakgebieden vereist. De economie is nu eenmaal nauw verweven met andere dimensies van de samenleving. Ook Hollanders en Onderstal (2016) en Bovenberg en Canoy (2016) concluderen dat andere vakgebieden nog onvoldoende geïntegreerd zijn in het curriculum van economieopleidingen. Tegelijkertijd waarschuwt Gautier (2016) voor het risico dat een overdaad aan perspectieven kan leiden tot verlies aan helderheid en overzichtelijkheid. In plaats van zo veel mogelijk onderzoeksdomeinen te omarmen, benadrukt Gautier dat de kracht van de economie juist ligt in haar methodologie: het modelmatig abstraheren van de werkelijkheid en het empirisch toetsen van de implicaties van eenvoudige veronderstellingen.

Daarnaast worden ook het gebrek aan aandacht voor instituties en de beperkte kennis van ‘de echte economie’ vaak als knelpunten genoemd. Met ‘de echte economie’ doelen wij op de economie buiten de modellen, waarin er aandacht is voor de complexiteit van de werkelijkheid, en waar de economie niet los gezien kan worden van de sociale, politieke en juridische context waarin ze opereert. Van Sinderen (2021) stelt dat het voor een beleidseconoom van essentieel belang is om goede contacten met andere organisaties te onderhouden, zoals planbureaus, het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en universiteiten. Dit impliceert dat kennis van de institutionele context (zoals in organisaties) niet mag ontbreken in de opleiding van economen – een punt waarvoor ook Tieleman en De Muijnck (2023) pleiten. Van Damme (2016) hanteert een meer klassieke definitie van instituties als ‘de regels van het spel’, zoals wetten en sociale normen, en benadrukt het belang ervan voor de economische analyse. Hij stelt dat economen instituties expliciet moeten meenemen in hun aannames, ook wanneer deze instituties afkomstig zijn uit andere wetenschappelijke disciplines. Niet voor niets werd de Nobelprijs voor de Economie in 2024 toegekend aan Acemoglu, Johnson en Robinson, die hebben aangetoond hoe juridische en politieke instituties de welvaart van landen beïnvloeden.

Eén aspect dat in de discussie over vernieuwingen in het economieonderwijs tot voor kort minder aan bod kwam, is de voertaal van de economieopleidingen, die veelal Engels is. Sinds enkele jaren staat de taal waarin academisch onderwijs wordt aangeboden echter hoog op de politieke agenda. Zo stond in het regeerprogramma van het kabinet-Schoof dat de ‘verengelsing’ moet worden teruggedrongen (Rijksoverheid, 2024).

Een eerste argument voor Nederlandstalig onderwijs is dat het de taalbeheersing bevordert – een vaardigheid die van belang is op de Nederlandse arbeidsmarkt. Een reden die geldt voor economieonderwijs, maar ook voor andere vakgebieden, is dat in het Nederlands meer aandacht kan worden gegeven aan de Nederlandse economie. Het is ook goed mogelijk om in het Engels te doceren over de Nederlandse institutionele context (Tielemans en De Muijnck, 2023), maar het Nederlands zal op dit punt toch meer mogelijkheden bieden. Specifieke regelgeving en vaktermen, zoals bijvoorbeeld ‘doorsneesystematiek’ uit het Nederlandse pensioenstelsel, laten zich immers moeilijk vertalen. Daarnaast is het Nederlands de voertaal van vrijwel alle beleidsstukken. Aan de andere kant is de Nederlandse institutionele context niet voor alle economieopleidingen even relevant. Ook liggen er verschillende andere zorgen aan dit politieke debat ten grondslag, die te maken hebben met bijvoorbeeld het aantal studiemigranten, de toegankelijkheid van het onderwijs, de druk op de woningmarkt, budgettaire effecten, arbeidsmarkteffecten en de internationale positie van de Nederlandse wetenschap (Koopmans et al., 2024; Van Vliet, 2024; Roesch et al., 2025, in dit dossier).

De discussies suggereren dat er in het moderne economieonderwijs meer plaats zou moeten zijn voor een multidisciplinaire benadering, met aandacht voor de institutionele context en waarin er ruimte is om goede schriftelijke en mondelinge Nederlandse taalvaardigheden te ontwikkelen. De vraag die rest is een empirische, namelijk: in welke mate sluit een dergelijk modern curriculum (beter) aan bij de wensen van potentiële werkgevers?

De baankansen van een econoom

Uit verschillende prognoses blijkt dat de arbeidsmarktkansen voor economen gunstig zijn, vooral in de publieke sector. Volgens arbeidsmarktprognoses van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (Bakens et al., 2023) is de vraag naar economen stabiel tot licht stijgend. Een deel van deze stijging komt door een vraag naar economen vanuit de overheid (UWV, 2020). UWV (2021) kenmerkt ‘beleidsmedewerkers bestuurlijk-juridisch, economie’ zelfs als een kansrijk beroep. Cijfermateriaal van Bussink en Bisschop (2022) laat zien dat ook in meer algemene zin de arbeidsmarktperspectieven voor algemeen economen gunstig zijn. Zo is de gemiddelde duur om als econoom een baan te vinden 3,5 maanden na afstuderen aan het wo. Dat is 12,5 procent korter dan die van de gemiddelde afstudeerder. Na 15 maanden (10 jaar) na afstuderen heeft zo’n 40 procent (80 procent) van de algemeen economen een vast dienstverband.

Tegen de achtergrond van het debat over vernieuwingen in economieopleidingen waren wij in het bijzonder benieuwd naar de behoefte aan algemeen economen die naast de kwantitatieve analytische vaardigheden ook beschikken over kennis van andere disciplines en van instituties. In wat volgt – en in lijn met Van Damme (2016) – verwijzen wij hiernaar met de term moderne economen. Aanleiding hiervoor was de ontwikkeling van twee nieuwe Nederlandstalige studies economie aan de Universiteit Leiden: de bachelor Economie en Samenleving en de master Economie van de Publieke Sector. Beide opleidingen zijn in september 2025 van start gegaan.

Om inzicht te krijgen in de behoefte aan deze moderne economen heeft onderzoeksbureau NIDAP een vacature-analyse uitgevoerd. Deze analyse is uitgevoerd door middel van het zoeken naar kernwoorden, zoals econ* en finan*, bij vacatures voor hbo+ in vacaturebank van Jobfeed over een duur van vijf jaar, waarbij de analyse per academisch jaar is gedaan (van 18 augustus tot 18 augustus). Daarmee zijn er meer dan 10 miljoen vacatures de revue gepasseerd. Uit deze vacatureanalyse blijkt dat er in de periode 2019–2022 in totaal 2.327 vacatures (exclusief dubbeltellingen) zijn uitgezet voor economen of financieel geschoolde professionals binnen de (semi-)publieke sector op hbo+-niveau (figuur 1). Een verdere analyse van volledige vacatureteksten laat zien dat er in diezelfde jaren 1.468 unieke relevante vacatures voor afgestudeerde moderne economen zijn uitgezet. Deze selectie is gebaseerd op relevante organisaties, specifieke beroepen en een steekproefsgewijze controle van de volledige vacaturetekst op relevantie. Opvallend in de vacatureanalyse is tevens dat het aantal financieel-economische vacatures binnen gemeenten en overheidsinstanties voor vrijwel elk functietype gegroeid is in de periode 2019–2022.

Werkgeversenquête

Hetzelfde onderzoeksbureau heeft een grootschalige werkgeversenquête afgenomen bij een selecte steekproef van 343 respondenten (veelal HR-managers, economen en (afdelings)directeuren), bij 202 verschillende werkgevers die mogelijkerwijs interesse hebben in wo-­geschoolde economen. De benaderde werkgevers zijn (semi-)publieke instellingen, consultancybureaus en banken.

In de rapportage zijn alleen de antwoorden meegenomen van de respondenten die de online vragenlijst volledig hebben ingevuld. Dat betreft 56 respondenten (responspercentage van 16,3 procent). Van tien respondenten zijn de antwoorden buiten beschouwing gelaten om dubbele vertegenwoordiging van organisaties te voorkomen, waardoor de analyse is gebaseerd op 46 unieke werkgevers. De helft van de respondenten werkt bij een semipublieke organisatie. Een kwart is afkomstig van consultancybureaus of commerciële bedrijven, en 12,5 procent van organisaties in de financiële sector. De overige zeven organisaties zijn actief in het onderwijs, de woningbouw, het onderzoek en bij vakbonden en denktanks.

Ruim 90 procent van de werkgevers geeft aan dat er in hun organisatie op de middellange (2027–2032) en lange termijn behoefte (2032–2037) is aan de zogenoemde moderne economen. Tegelijkertijd is bij de werkgevers uitgevraagd hoeveel fte’s zij naar schatting op de korte en lange termijn aan moderne economen in zouden willen zetten in hun organisatie. Tezamen geven de relevante organisaties aan dat dit zou gaan om respectievelijk ruim 600 en ruim 700 fte. Vooral publieke organisaties en zbo’s geven aan veel fte’s aan deze moderne economen in de toekomst nodig te hebben.

Kwantitatieve benadering

Uit de werkgeversenquête blijkt dat vrijwel alle werkgevers grote waarde hechten aan de kwantitatieve vaardigheden van de econoom, waaronder ook datavaardigheden (figuur 2). Geen enkele werkgever acht deze vaardigheden onbelangrijk, terwijl 87 procent ze zelfs als belangrijk of zeer belangrijk beoordeelt. Statistiek en econometrie worden dan ook als essentieel beschouwd. Hoewel er in het publieke debat dus soms stemmen opgaan die pleiten voor minder nadruk op deze kwantitatieve vaardigheden, worden ze door werkgevers unaniem gewaardeerd.

De werkgeversenquête is daarnaast aangevuld met diepte-interviews bij specifieke organisaties, variërend van centrale en decentrale overheden tot een bank en consultancybureau. Ook in de diepte-interviews werden de kwantitatieve vaardigheden van economen unaniem geprezen. Werkgevers benadrukten met name hun analytische vaardigheden, zoals het vermogen om problemen modelmatig te analyseren. Deze bevindingen sluiten aan bij de visie van Gautier (2016) en Van ­Damme (2016), die stellen dat de economische wetenschap wordt gekenmerkt door haar methodologische benadering. Juist deze methodologische scherpte onderscheidt de economieopleidingen van andere opleidingen binnen de sociale wetenschappen (Fourcade et al., 2015).

Multidisciplinariteit

In eerdere discussies werd herhaaldelijk benadrukt dat economen inzichten uit andere wetenschappelijke disciplines moeten benutten (Bovenberg en Canoy, 2016). Het merendeel van de respondenten onderstreept het belang van een multidisciplinaire benadering binnen economische bacheloropleidingen: 91 procent beoordeelt dit als belangrijk of zeer belangrijk, terwijl slechts 2 procent het als onbelangrijk beschouwt. Naast vakgebieden als politicologie, bestuurskunde en rechtsgeleerdheid beschouwen respondenten ook psychologie als relevante discipline. Dit wordt in veel curricula reeds (deels) weerspiegeld door de opname van gedragseconomie als standaardonderdeel.

Hoewel multidisciplinariteit breed wordt gewaardeerd, benadrukken werkgevers ook het belang van specialisatie; zo geven ze de voorkeur aan specialisten boven generalisten. Met andere woorden, een economie­opleiding moet afgestudeerden afleveren die beschikken over zowel een brede blik als voldoende diepgang in hun vakgebied. Multidisciplinariteit is wenselijk, maar het mag niet ten koste gaan van specialisatie. Zoals één respondent opmerkte: “Het gevaar is dat studenten, door het combineren van disciplines, te veel aan de oppervlakte blijven en van alles iets weten, maar niets echt doorgronden.” Deze zorg sluit aan bij de opmerking van Gautier (2016).

Ook in de diepte-interviews onderschreven alle geïnterviewden het belang van een brede economie­opleiding. Een ‘brede blik’ werd als essentieel beschouwd, om uiteenlopende redenen. Zo zijn breed georiënteerde economen beter in staat te communiceren met professionals uit andere disciplines waarmee zij samenwerken. Daarnaast stelt een multidisciplinaire benadering economen in staat om de uitkomsten van hun eigen economische onderzoek beter te interpreteren, mede omdat zij deze kunnen plaatsen in een bredere maatschappelijke context.

Kennis van instituties

Kennis van beleid en instituties wordt door vrijwel alle respondenten als belangrijk of zeer belangrijk beschouwd. Instituties hebben een effect op de economische realiteit en de beleidskeuzes die worden gemaakt, en dat kan belangrijk zijn om de context te begrijpen. Tegelijkertijd geven enkele werkgevers aan dat institutionele kennis, hoewel belangrijk, ook in de praktijk aangeleerd kan worden. Met andere woorden, hoewel academische aandacht voor instituties wenselijk is, hoeft deze niet uitsluitend in de opleiding te worden verankerd om effectief bij te dragen aan de professionele inzetbaarheid van afgestudeerde economen.

Taal

Een discussiepunt dat in het debat over het economieonderwijs relatief onderbelicht bleef, maar in de politieke arena des te nadrukkelijker aanwezig is, betreft de onderwijstaal. Werkgevers zijn hierover verdeeld. Grofweg een derde van de respondenten is indifferent ten aanzien van de voertaal, een derde acht het belangrijk dat de opleiding in het Engels wordt aangeboden, terwijl een derde de voorkeur geeft aan Nederlandstalig onderwijs. Uit de diepte-interviews blijkt vervolgens dat vooral (semi-)publieke organisaties, vooral ministeries en gemeenten, een voorkeur hebben voor onderwijs in het Nederlands. Dit is mede ingegeven door de vele communicatie, zowel schriftelijk als mondeling, die in de Nederlandse taal binnen deze organisaties plaatsvindt. Zij geven aan dat taalvaardigheid van afgestudeerde economen vaak voor verbetering vatbaar is.

Moderne econoom moeilijk te vinden

Ondanks dat werkgevers aangeven dat zij multidisciplinariteit en kennis van de Nederlandse instituties belangrijk vinden, geven zij ook aan moeite te hebben met het vinden van geschikt personeel op deze terreinen. 62 procent van de respondenten heeft ‘moeite’ of ‘veel moeite’ met het vinden van werknemers met kennis en expertise van instituties. Daarnaast geven de werkgevers in de steekproef aan dat zij moeite of veel moeite hebben met het vinden van economen met kennis en expertise in openbaar bestuur (44 procent), politiek (80 procent) en recht (60 procent).

Conclusie

De positie van economen op de Nederlandse arbeidsmarkt is sterk. Tegelijkertijd is er de laatste jaren veel discussie over het economieonderwijs aan Nederlandse universiteiten. Uit een uitgebreide enquête onder 46 werkgevers en aanvullende diepte-interviews blijkt dat werkgevers behoefte hebben aan economen met sterke kwantitatieve vaardigheden, inzicht in de relatie tussen de economie en andere disciplines, en kennis van beleid, instituties en ‘de echte economie’. Ten aanzien van de voertaal blijken de behoeften van werkgevers uiteen te lopen.

Bij elkaar genomen laten de resultaten zien dat veel recente ideeën over de vernieuwing van het economie­onderwijs goed aansluiten bij de behoeften van werkgevers. Uit de antwoorden van werkgevers blijkt echter geen aanleiding om kwantitatief onderwijs te vervangen door meer kwalitatieve benaderingen. De behoeften van werkgevers bieden aanleiding voor verdere vernieuwing en differentiatie in het aanbod van economieopleidingen.

Getty Images

Literatuur

Bakens, J., L. Cobben, H. Abbink et al. (2023) De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2028. ROA Rapport, 003.

Bovenberg, L. en M. Canoy (2016) Relaties en economie. ESB, 101(4742S), 68–71.

Bussink, H. en P. Bisschop (2022) Studie en werk 2022: De arbeidspositie van hbo- en wo-alumni. SEO Rapport, 2022-88.

Damme, E. van (2016) Waarom doceren wij ouderwetse economie? In: L. Bovenberg en F. Haan (red.), Economieonderwijs: Preadviezen 2016. Amsterdam: Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde, p. 161–172.

Fourcade, M., E. Ollion en Y. Algan (2015) The superiority of economists. Journal of Economic Perspectives, 29(1), 89–114.

Gautier, P. (2016) Reactie op: de maatschappelijke econoom. In: L. Bovenberg en F. Haan (red.), Economieonderwijs: Preadviezen 2016. Amsterdam: Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde, p. 141–148.

Hollanders, D. en S. Onderstal (2016) Inleiding: Academisch economieonderwijs na de crisis. TPEdigitaal, 10(4), 1–4.

Muijnck, S. de, en J. Tieleman (2021) Economy studies: A guide to rethinking economics education. Londen: Routledge.

Muijnck, S. de, en J. Tieleman (2024) Rapport Dutch Economics Education Review 2024. Te vinden op ourneweconomy.nl.

Koopmans, C., S. Pel, H. Prins en T. Vervliet (2024) Minder internationale studenten economie en bedrijfskunde: Effecten, kosten en baten. SEO Rapport, 2024-31.

Onderstal, S. (2016) Vijf argumenten voor veel wiskunde in het academische economieonderwijs (en vijf mogelijke tegenwerpingen). TPEdigitaal, 10(4), 67–75.

Postma, J. (1998) Economen en de beleidspraktijk bij de rijksdienst. Bijdrage aan Liber Amicorum voor D.J. Wolfson. Te vinden op independent.academia.edu/JanPostma.

Rijksoverheid (2024) Regeerprogramma: Uitwerking van het hoofdlijnenakkoord door het kabinet. Rijksoverheid, 13 september.

Roesch, M., B. Karreman en B. Loog (2025) Wet internationalisering in balans beperkt aanbod van economen in Randstad. ESB, 110(4852S), 43–37.

Sinderen, J. van (2021) Kenmerken van een goede beleidseconoom. ESB, 106(4795S), 8–9.

Tieleman, J. en S. de Muijnck (2023) Economieopleidingen mogen best wat Nederlandser georiënteerd zijn. Artikel op www.mejudice.nl, 22 juni.

Tieleman, J., S. de Muijnck, M. Kavelaars en L. Fränkel (2016) De maatschappelijke econoom. In: L. Bovenberg en F. Haan (red.), Economieonderwijs: Preadviezen 2016. Amsterdam: Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde, p. 127–139.

UWV (2020) Overheid – Factsheet arbeidsmarkt – Werkgelegenheid: van krimp- naar groeisector. UWV, mei.

UWV (2021) Factsheet kansrijke beroepen – Goed om vooraf te weten. UWV Afdeling Arbeidsmarktinformatie en -advies, december.

Velthuis, O. (2016) De buitenwacht: De maatschappelijke inbedding van de markt. Artikel op www.mejudice.nl, 11 oktober.

Vliet, O. van (2024) Position paper wetsvoorstel Wet Internationalisering in balans: Rondetafelgesprek Tweede Kamer, 13 juni. Te vinden op www.tweedekamer.nl.

Auteurs

Plaats een reactie