Vaak wordt gesteld dat Nederland in de jaren dertig grote bankproblemen bespaard bleven. Toch was er sprake van een massale verschuiving van particuliere spaartegoeden van commerciële banken naar een publieke bank: de door de overheid gesteunde Rijkspostspaarbank. Welke gevolgen had dit, en wat leert het ons voor moderne monetaire vraagstukken?
In het kort
- In de jaren dertig stapten veel spaarders over naar de Rijkspostspaarbank vanwege de hogere rente en staatsgarantie.
- Door deze verplaatsing kromp de kredietverlening aan vooral kleine bedrijven, terwijl de overheid goedkoop leende.
In de economische geschiedschrijving wordt Nederland in de jaren dertig vaak als een uitzondering gepresenteerd. Terwijl Duitsland en de Verenigde Staten werden geconfronteerd met bankruns en faillissementen, bleef het in Nederland ogenschijnlijk rustig (Grossman, 1994; Jonker en Van Zanden, 1995). De economie kreeg weliswaar zware klappen te verduren (Fliers en Colvin, 2022), maar er was geen sprake van massale bankinstortingen of paniekerige spaarders bij de bankloketten.
Toch voltrok zich een stille verschuiving. In dit artikel zetten we uiteen hoe spaarders zich op grote schaal terugtrokken uit de commerciële banken en hun geld bij de Rijkspostspaarbank (RPSB) plaatsten, en wat we daarvan kunnen leren voor hedendaagse monetaire kwesties.
Verschuiving van het spaargeld
Na het faillissement van de Oostenrijkse Creditanstalt in mei 1931 verlaagde De Nederlandsche Bank de beleidsrente om te voorkomen dat te veel buitenlands kapitaal naar Nederland stroomde. Door de lagere rente werd ons land minder aantrekkelijk voor buitenlandse beleggers. Dat was belangrijk, want in de onzekere jaren dertig kon een te grote kapitaalinstroom de gulden onder druk zetten en de kwetsbare financiële positie van Nederland verder verzwakken (Peeters en de Vicq de Cumptich, 2025).
De commerciële banken reageerden op de verlaging van de beleidsrente met een scherpe verlaging van hun depositorentes (Peeters en de Vicq de Cumptich, 2025). De door de staat gecontroleerde RPSB, die oorspronkelijk in 1881 was opgericht om sparen onder brede lagen van de bevolking te stimuleren, handhaafde ondanks enige discussie binnen de overheid het statutair vastgelegde tarief van 2,64 procent. Daarmee bood ze spaarders niet alleen de zekerheid van een impliciete staatsgarantie, maar ook een aantrekkelijker rendement, en trad daardoor in directe concurrentie met de commerciële banken.
Dit renteverschil lijkt tussen 1930 en 1933 te hebben geresulteerd in het fors krimpen van de deposito’s bij commerciële banken (figuur 1). Tegelijkertijd verdubbelden de tegoeden bij de RPSB. Eerder onderzoek hiervoor wees op een puur psychologisch proces (Degorce en Monnet, 2024). Door het faillissement van de Creditanstalt en de daaropvolgende internationale financiële crisis verloren veel spaarders hun vertrouwen in private banken en kozen ze voor de veilige haven van een staatsinstelling.
Toch lijkt de logica van de spaarder eenvoudiger. Wie meer rente kon krijgen tegen minder risico, maakte de overstap. Het resultaat was een massale verschuiving van deposito’s. Voor commerciële banken betekende dit een forse aderlating. Zij zagen hun balansen krimpen.

Reactie van de commerciële banken
Opmerkelijk genoeg betekende de uitstroom van deposito’s niet dat banken massaal failliet gingen. In tegenstelling tot de jaren twintig, toen verschillende Nederlandse banken in de problemen kwamen, wisten de instellingen in de jaren dertig de klap op te vangen (Colvin et al., 2015).
Dat banken overeind bleven, kwam doordat ze hun balansen relatief snel aan konden passen door hun risicoprofielen bij te stellen en daarmee hun kredietverlening inperkten (Peeters en de Vicq de Cumptich, 2025). Zij concentreerden zich op grotere leningen aan gevestigde namen en lieten kleinere en nieuwe cliënten vallen. Grote en meer vertrouwde bedrijven boden meer zekerheden, waardoor het risico voor banken beheersbaar bleef. Hierdoor konden ze nog altijd terecht bij de banken, zij het tegen strengere voorwaarden. Bij kleine kredieten wogen de administratiekosten zwaarder en ontbrak vaak voldoende onderpand. Kleinere bedrijven en zelfstandigen werden daardoor hard getroffen; voor hen droogde de kredietstroom grotendeels op.
Daarmee bleef de winstgevendheid op het resterende krediet hoog genoeg om de crisis vrijwel ongehavend te doorstaan. Terwijl in andere landen het hele systeem op instorten stond, paste Nederland zich schoksgewijs aan.
Voor de samenleving was dit echter een pyrrusoverwinning. Door de nieuwe risicoprofielen van banken verloren vooral kleine en nieuwe bedrijven hun toegang tot krediet. De stabiliteit van banken ging daarmee ten koste van ondernemers en werknemers die geconfronteerd werden met minder investeringen en banen, waardoor de reële economie uiteindelijk flink te lijden had. De crisis zat in Nederland niet in bankfaillissementen, maar in de sluipende verstikking van kredietstromen.
Financiële repressie
De verschuiving van spaargeld had ook een duidelijke macro-economische dimensie. De RPSB belegde het merendeel van de nieuwe instroom niet in de private sector, maar in staatsobligaties (figuur 2). Zo financierde zij rechtstreeks de oplopende tekorten van de overheid: haar staatsobligatiebezit verdubbelde van circa 170 miljoen gulden eind jaren twintig naar bijna 300 miljoen in 1932, en rond 1933 had de instelling al zo’n twaalf procent van de totale staatsschuld in handen. De overheid hield de rente op spaargeld bij de RPSB bewust hoog, terwijl ze wist dat dit spaarders weglokte bij commerciële banken en het verdienmodel van de RPSB zelf onder druk zette (Peeters en de Vicq de Cumptich, 2025). De overheid profiteerde hierdoor van lage financieringskosten, terwijl bedrijven juist werden geconfronteerd met kredietschaarste.

Dit mechanisme vertoont alle kenmerken van wat latere economen financiële repressie zijn gaan noemen: het inzetten van het financiële stelsel om de overheid goedkoop te financieren (McKinnon, 1973; Becker en Ivashina, 2018). In dit geval trok de Nederlandse staat, zonder kapitaalcontroles of dwingende maatregelen, via renteverschillen en institutionele prikkels een groot deel van het spaargeld naar de eigen schuld.
Lessen uit de geschiedenis
De lessen uit het verleden zijn ook nu relevant. De onafhankelijkheid van centrale banken staat in verschillende landen onder druk. Politieke beïnvloeding van rentebeleid kan ertoe leiden dat spaargeld en kredietstromen in dienst komen van politieke kortetermijndoelen, zoals goedkope staatsfinanciering. Ook voor het huidige debat over de digitale euro is dit een belangrijk aandachtspunt. Een publieke, veilige bewaarplaats voor tegoeden kan de stabiliteit vergroten, maar roept tegelijk het risico op dat commerciële banken hun kredietverlening moeten inkrimpen. Om dat te voorkomen, zijn er bij de digitale euro bewust beperkingen ingebouwd, zoals het ontbreken van rente en een maximum per digitale eurorekening (DNB, 2025). De Nederlandse ervaring laat zien dat zulke waarborgen wenselijk zijn: stabiliteit kan op korte termijn worden bereikt, maar zonder beperkingen wordt de prijs al snel betaald door ondernemerschap en werkgelegenheid.

Literatuur
Becker, B. en V. Ivashina (2018) Financial repression in the European sovereign debt crisis. Review of Finance, 22(1), 83–115.
Colvin, C.L., A. de Jong en P.T. Fliers (2015) Predicting the past: Understanding the causes of bank distress in the Netherlands in the 1920s. Explorations in Economic History, 55 (januari), 97–121.
Degorce, V. en E. Monnet (2024) The Great Depression as a savings glut. The Journal of Economic History, 84(3), 874–916.
DNB (2025) The digital euro for you. DNB Informatie.
Fliers, P.T. en C.L. Colvin (2022) Going Dutch: monetary policy in the Netherlands during the interwar gold standard, 1925–1936. Financial History Review, 29(2), 121–151.
Grossman, R.S. (1994) The shoe that didn’t drop: Explaining banking stability during the Great Depression. The Journal of Economic History, 54(3), 654–682.
Jonker, J. en J.L. van Zanden (1995) Method in the madness? Banking crises between the wars, an international comparison. In: C.H. Feinstein (red.), Banking, currency, and finance in Europe between the wars. Oxford: Oxford University Press, p. 77–93.
McKinnon, R.I. (1973) Money and capital in economic development. Washington, DC: Brookings Institution.
Peeters, R. en A. de Vicq de Cumptich (2025) A series of (un)fortunate events: Commercial bank interest rates and deposit reallocation during the Great Depression in the Netherlands. Economic History Review, te verschijnen.
Auteurs
Categorieën
1 reactie
Geachte auteurs,
U hebt belangrijke literatuur over de RPS over het hoofd gezien, nl. Jaap Barendregt en Rogier Overman, 2020, Ondernemend in financieel nut. Sparen en betalen bij de Rijkspostspaarbank, de Postcheque- en Girodienst en de Postbank, 1881-1989. Op pp. 80-84 staan de ontwikkelingen in het (spaar)bankwezen in de periode 1900-1940 (ISBN 9789024409099) en op p. 84 staat specifiek uw conclusie, met een tabel op p. 81. Ik heb van uw artikel in ESB genoten maar vind wel dat uw wetenschappelijke literatuuronderzoek grondiger had gekund. Vriendelijke groet, Jaap Barendregt