Ga direct naar de content

Waarom defensie-investeringen meer kunnen zijn dan een kostenpost

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: november 26 2025

Het Centraal Planbureau (CPB) publiceerde op 19 november een literatuurstudie over de macro-economische effecten van hogere defensie-uitgaven (Van der Wal, et al., 2025). De kernboodschap: elke extra euro aan defensie levert Nederland macro-economisch nauwelijks iets op, en de effecten kunnen zelfs negatief uitpakken. Die conclusie negeert dat de economische impact ook hoger kan uitvallen, afhankelijk van de uitvoering (Erken et al., 2025a).

Multipliers staan niet vast

Het CPB acht hoge multipliers op voorhand onwaarschijnlijk vanwege onze krappe arbeidsmarkt, beperkte industriële capaciteit en een groot invoerlek. Dat zijn reële beperkingen, maar het planbureau presenteert ze alsof ze op dit moment onvermijdelijk zijn én gaat in zijn conclusie voorbij aan het feit dat de multiplier hoger kan uitpakken wanneer andere landen hun defensie-uitgaven eveneens verhogen. De impuls vindt echter plaats op Europees (NAVO-)niveau en in onze scenariostudie (Erken et al., 2025a) laten we zien dat uitvoeringskeuzes juist grote invloed hebben op het economisch rendement van een bestedingsimpuls in defensie. Wanneer cruciale randvoorwaarden ontbreken, blijven de effecten inderdaad beperkt of kunnen ze zelfs negatief uitvallen, zoals het CPB inschat.

Een aanpak die inzet op Europese samenwerking, leverings- en productieafspraken, strategische inkoop binnen Europese landsgrenzen, een verstandige financieringsstrategie en gerichte investeringen in kennisontwikkeling kan daarentegen op langere termijn wel degelijk een economische groeibijdrage opleveren, tot 1,5 procent voor Europa en Nederland. Immers, de industriële structuur is niet in steen gebeiteld, maar onder meer afhankelijk van strategisch inkoopbeleid door de overheid (Uyarra et al., 2020) of publiek-private samenwerking. Ook kan Nederland hogere defensie-uitgaven richten op kapitaalintensieve segmenten, zoals R&D, hightechproductie of dual-use technologie, in plaats van vooral arbeidsintensieve activiteiten. Daarnaast is het mogelijk om voorwaarden te stellen aan de uitgaven waardoor een groter deel van de productie binnen Europa plaatsvindt en het invoerlek beperkt blijft.

Bovendien profiteren Nederlandse bedrijven indirect van internationale defensie-investeringen, omdat grote buitenlandse producenten voor onderdelen en gespecialiseerde technologie vaak terugvallen op Nederlandse toeleveranciers (PWC, 2025). Dit zien we nu al terug in de toeleveringsketen voor maritieme aandrijftechniek en fijnmechanische componenten, waar bedrijven extra opdrachten ontvangen door de wereldwijde opschaling van defensiebudgetten. Deze dynamiek verkleint het invoerlek en vergroot de economische impact van hogere defensie-uitgaven voor Nederland.

Het CPB erkent enkele van de potentiële opwaartse effecten, maar schuift deze terzijde met het argument van onzekerheid. Die onzekerheid werkt echter twee kanten op. Want wat als Nederland dankzij deze impuls een voortrekkersrol krijgt in dronetechnologie, quantum computing of AI-chips en daarmee een positie verovert vergelijkbaar met ASML? Dan zijn zelfs onze meest optimistische inschattingen nog aan de voorzichtige kant.

Defensie-R&D wel degelijk productiviteitsverhogend

Verder is het CPB overdreven kritisch op de economische impact van defensie-R&D, waar wij de grootste relatieve effecten verwachten. Het planbureau bekritiseert hierbij de gekozen methodiek in onze studie (Erken et al., 2025b), die we overigens – in tegenstelling tot wat het CPB beweert – niet in onze latere scenariostudie gebruiken. Het CPB stelt dat panelregressies ongeschikt zouden zijn om een causaal verband te identificeren en gevoelig zijn voor omitted variable bias. We gebruiken echter dynamic OLS (DOLS)- en fully-modified OLS (FMOLS)-methodes. Deze zijn state-of-the-art in de literatuur en juist ontwikkeld om problemen op gebied van endogeniteit en omitted variable bias te ondervangen (Pedroni, 2001). Zo voegt DOLS leads en lags van regressors toe om niet-geobserveerde heterogeniteit te ondervangen, FMOLS doet dit door een semi-parametrische aanpassing van de OLS-schatting met langetermijncovariantiecorrecties. Toegegeven, ze lossen het causaliteitsprobleem niet volledig op, maar dat doet geen enkele methode.

Daarbij kiest het CPB ervoor om vooral relatief conservatieve schattingen te gebruiken uit de theoretische en empirische literatuur over de economische impact van R&D-investeringen in den brede en specifiek die in defensie. Recentere studies laten juist grotere effecten zien (Moretti et al., 2025). Onze schattingen in de scenariostudie wijzen wel degelijk op een robuuste en significante langetermijnrelatie. En vanuit de economische theorie is het aannemelijk dat defensie-R&D productiviteit stimuleert via technologische spillovers, kennisaccumulatie en innovaties die ook civiele sectoren versterken. Omgekeerde causaliteit is veel minder plausibel, omdat defensie-uitgaven primair afhangen van geopolitieke overwegingen, niet van marginale productiviteitswinsten. Dit sluit aan bij literatuur die het causale pad van R&D naar productiviteit bevestigt (Lucking et al., 2019; Rouvinen, 2002).

Ook voor absorptiecapaciteit van belang

Het CPB stelt dat Nederland te klein is om baanbrekende defensietechnologie te ontwikkelen. Het trekt daaruit echter onterecht de conclusie dat hogere defensie-R&D-uitgaven weinig voor onze productiviteit kunnen betekenen. Dat negeert de realiteit waarin (Europese) NAVO-bondgenoten hun R&D fors opschalen. Deze gezamenlijke inspanning kan onderzoeks- en innovatiecapaciteit van wereldformaat creëren, met aanzienlijke schaalvoordelen en een breed netwerk van kennisinstellingen en bedrijven. Juist daarom hebben wij internationale kennisspillovers expliciet gemodelleerd: de elasticiteit van de internationale R&D-voorraad is in onze panelcointegratieschattingen significant groter dan die van de binnenlandse (Erken et al., 2025b). Technologische vooruitgang blijft niet beperkt tot het land van oorsprong, maar verspreidt zich via kennisoverdracht, samenwerking en handel binnen het bondgenootschap. Nederland heeft dus helemaal geen eigen DARPA nodig om mee te profiteren, maar wél voldoende eigen absorptiecapaciteit door in eigen R&D te investeren (Cohen en Levinthal, 1989; Griffith et al., 2004).

Defensie-R&D draait om meer dan specifieke toepassingen

Ook het beeld dat defensie-R&D vooral om specifieke toepassingen draait, klopt niet. Het door het CPB aangehaalde voorbeeld van ‘quads op diesel’ schetst een karikatuur die de inspanningen miskent van wetenschappers bij bedrijven en kennisinstellingen om doorbraaktechnologieën te ontwikkelen. Juist als je veel met bedrijven en kennisinstellingen in gesprek gaat, is onze ervaring, zie je wat er werkelijk speelt. Zo investeert Defensie actief in innovatie via MINDbases, die samenwerking tussen bedrijven, start-ups en kennisinstellingen versnellen. Daarnaast lopen internationale programma’s (gefinancierd door onder andere DARPA en het European Defence Fund) voor quantum sensing, Edge AI, hypersonische systemen, energieopslag, nanomaterialen, neurotechnologie, allemaal technologieën met brede civiele spillovers.

De resultaten van al die inspanningen zien we in de praktijk ook al terug. Diverse Nederlandse bedrijven zijn momenteel succesvol vanwege de ontwikkeling en toepassing van dual use-innovaties, zoals energiebeheer voor satellieten, dronedetectiesystemen, nieuwe snellere en goedkopere medicijnontwikkeling, veilige data- en communicatie-uitwisseling, of autonome onderwaterrobots. Allemaal voorbeelden van innovaties die straks niet alleen onze digitale infrastructuur, mobiliteit, energievoorziening en veiligheid bepalen, maar waar Nederland óók nog een goede boterham mee kan verdienen.

Reactie CPB

Defensie-R&D kan zeker positieve economische effecten hebben. Dat schrijft het CPB ook in zijn publicatie van 19 november. Het is echter lastig om het precieze effect op tfp-groei te bepalen. Dat komt doordat tfp door veel factoren wordt beïnvloed, die je niet allemaal kunt meenemen in de analyse, onder andere vanwege endogeniteitsproblemen.

De multiplier van 8 uit Erken et al. (2025) lijkt ongeloofwaardig. Deze uitkomst ontstaat mogelijk vooral doordat de VS in de steekproef over een lange periode zit. In de VS heeft defensie-R&D vanwege de grotere schaal waarschijnlijk grotere effecten dan in Nederland. Ook de lange tijdsperiode van de steekproef overschat de multiplier mogelijk. Er zijn immers aanwijzingen dat de effecten een aantal decennia geleden groter waren dan nu (Boysen-Hogrefe, 2025). Daardoor zijn de resultaten niet goed toepasbaar op Nederland nu.

Uit de in de CPB-publicatie aangehaalde R&D-literatuur zijn wel bruikbare lessen te trekken. Publieke investeringen leveren de meeste spillovers op wanneer projecten niet te nauw gedefinieerd worden, zoals bij fundamenteel onderzoek. Als specifiekere opdrachten nodig zijn, kan ‘dual use’ helpen om de spillovers te vergroten, zoals het ministerie van Defensie al doet. En samenwerking op Europees niveau kan zorgen voor schaalvergroting.

 

Literatuur

Boysen-Hogrefe, J. (2025) Is the supermultiplier currently nil? A replication study of Deleidi and Mazzucato (2021) Research Policy, 54(3), 105176.

Auteurs

Categorieën

Plaats een reactie