Het aantal mannelijke ondernemers is aanzienlijk groter dan het aantal vrouwelijke ondernemers, maar het verschil neemt de laatste jaren af. Wel blijven er systematische verschillen bestaan in de opvattingen over ondernemerschap.
In het kort
- Vrouwen zijn ruim ondervertegenwoordigd in het Nederlandse ondernemerschap.
- De groei van het vrouwelijk ondernemerschap hangt sterk samen met de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen.
- Er blijven verschillen bestaan tussen mannen en vrouwen in opvattingen over ondernemerschap en in financieringskansen.
Vrouwen maken iets meer dan de helft van de Nederlandse bevolking uit, maar zijn een minderheid onder ondernemers (figuur 1). Dit is problematisch omdat het wijst op een suboptimale allocatie van talent en menselijk kapitaal, en suggereert dat economische kansen mogelijk niet evenredig over mannen en vrouwen verdeeld zijn.

Een laag aandeel vrouwelijke ondernemers kan zichzelf deels in stand houden. Rolmodellen en mentoren blijken van belang bij de keuze om een bedrijf te starten, waarbij het effect vaak sterker is binnen dezelfde gendergroep (Bosma et al., 2012; Abbasianchavari en Moritz, 2021; Germann et al., 2023). Een beperkte zichtbaarheid van vrouwelijke ondernemers kan zo bijdragen aan het lagere aandeel vrouwen in het ondernemerschap.
Een gelijkere gendermix in het ondernemerschap kan productiviteitsvoordelen met zich meebrengen (Morazzoni en Sy, 2022; Bento, 2025), en vormt mogelijk een belangrijke sleutel in innovatie en maatschappelijke vooruitgang (Brush et al., 2019; Bullough et al., 2022). Het verkleinen van de genderkloof krijgt ook daarom veel aandacht van beleidsmakers en onderzoekers. Ook het huidige kabinet zet in op het versterken van vrouwelijk ondernemerschap (Jetten et al., 2026).
In dit artikel analyseren we hoe het vrouwelijke ondernemerschap zich in de loop der tijd ontwikkelt.
Meer vrouwelijke ondernemers
Er is een geleidelijke toename van het aandeel vrouwelijke ondernemers (figuur 1a). In 2010 was 32 procent van de ondernemers vrouw; in 2024 is dat 36 procent. Deze ontwikkeling sluit aan bij mondiale trends (Global Entrepreneurship Monitor, 2025), waarbij Nederland iets boven het gemiddelde presteert (kader 1).
Kader 1 : In Nederland ondernemen vrouwen relatief vaker ten opzichte van mannen dan in andere landen
Nederland heeft vergeleken met andere landen in Europa en Noord-Amerika een relatief hoog aandeel vrouwen dat bezig is met het opstarten van een bedrijf (figuur 2). De verhouding tussen vrouwelijk en mannelijk ondernemerschap is voor Nederland iets hoger dan het gemiddelde (0,71 tegenover 0,69), wat betekent dat vrouwen vergeleken bij mannen relatief vaker ondernemen in Nederland dan in de andere landen.
Tegelijkertijd is er sprake van een hoge correlatie (0,95) tussen vrouwelijk en mannelijk ondernemerschap. De ondernemerschapsniveaus van mannen en vrouwen bewegen dus grotendeels in dezelfde richting. Dit wijst erop dat land-specifieke factoren beide geslachten in vergelijkbare richting beïnvloeden (bijvoorbeeld cultuur, beleid, ondernemerschapsklimaat). Dit komt ook naar voren uit de wetenschappelijke literatuur: hoewel vrouwelijke en mannelijke ondernemers qua karakteristieken wel verschillen, bijvoorbeeld in leeftijd en opleidingsniveau (Llussa, 2010), en in bedrijfsuitkomsten, zoals toegang tot krediet (Morazzoni en Sy, 2022), lijkt de omvang van de twee groepen ondernemers door dezelfde factoren bepaald te worden (Verheul et al., 2006).

Achter dit totaalbeeld gaat echter heterogeniteit schuil. Naarmate bedrijven groter zijn, neemt de genderkloof toe. Van de ondernemers met een bedrijf met 250 of meer werkzame personen is slechts 23 procent vrouw.
Het aandeel mannen en vrouwen dat bezig is met het opstarten van een bedrijf, is de laatste jaren toegenomen (figuur 1b). Dit betreft personen die concrete stappen zetten om binnen afzienbare tijd een onderneming te starten of dat recent (minder dan 42 maanden geleden) hebben gedaan. In tegenstelling tot registratiedata omvat deze maat ook informele en voorbereidende activiteiten en geeft ze dus een breder beeld van ondernemerschapsdynamiek (Reynolds et al., 2005).
Het aandeel mannen en vrouwen in deze opstartfase is voor beide groepen toegenomen. Het absolute verschil bleef ongeveer gelijk, maar relatief nam het af. In 2010 lag het aandeel mannen dat bezig was met opstarten bijna 2,5 keer zo hoog als dat van vrouwen; in 2025 is dit minder dan anderhalf keer zo hoog.
Stoppende ondernemers
Het afnemende verschil tussen mannen en vrouwen zou kunnen liggen aan een verandering in het percentages stoppers (Kiefer et al., 2022). Hier vinden we echter geen weinig aanwijzingen voor (figuur 3). Het aandeel stoppende ondernemers ligt voor mannen en vrouwen dicht bij elkaar. Het percentage vrouwelijke ondernemers is dusdanig kleiner dan dat van mannen dat de kleine convergentie in het stoppercentage tussen de twee groepen het verschil niet verklaart.

Opvattingen over ondernemerschap
Voor de aanhoudende genderkloof in het ondernemerschap wordt in de literatuur vaak een verklaring gezocht in de verschillende opvattingen over ondernemerschap. Zo vinden Noguera et al. (2013) dat vrouwelijke ondernemers hun vaardigheden lager inschatten en vaker bang zijn om te falen. Dit vinden we ook terug in de data voor Nederland. Vrouwen blijken over het algemeen vaker bang om te falen met een nieuw bedrijf (figuur 4a). Mannen menen iets vaker dat er goede kansen zijn om een bedrijf te beginnen (figuur 4b), en dat ze genoeg kennis en vaardigheden hebben om een bedrijf te beginnen (figuur 4c). Dit verschil in opvattingen komt ook naar voren in de groeiverwachtingen van opstartende ondernemers. Mannen verwachten vaker dan vrouwen dat hun onderneming in de komende vijf jaar zal uitgroeien tot een bedrijf met vijf of meer werknemers (figuur 4d). Dit kan bijdragen aan het verschil in bedrijfsomvang tussen mannelijke en vrouwelijke ondernemers.Het verschil in opvattingen tussen mannen en vrouwen zou kunnen verklaren waarom mannen vaker een bedrijf beginnen dan vrouwen. Het is bijvoorbeeld plausibel dat de hogere inschatting van de eigen vaardigheden maakt dat mannen eerder een bedrijf beginnen dan vrouwen.

Om de stijging van vrouwelijk ondernemerschap te verklaren zou er een trend zichtbaar moeten zijn waarbij de opvattingen over kansen of de houding ten opzichte van ondernemerschap onder vrouwen positiever worden – een trend die we niet waarnemen.
Arbeidsparticipatie
De toename van vrouwelijk ondernemerschap lijkt vooral een weerspiegeling te zijn van een hogere arbeidsparticipatie. De netto-arbeidsparticipatie van vrouwen is sinds 2010 met ongeveer elf procent gestegen, terwijl dit voor mannen maar zo’n vijf procent is (CBS, 2026). De correlatie tussen vrouwelijke arbeidsparticipatie en vrouwelijk ondernemerschap is hoog (0,85).
De stijging van het aantal vrouwelijke ondernemers kan mogelijk worden verklaard door twee parallelle trends: enerzijds de toegenomen flexibilisering van de arbeidsmarkt, waarbij meer en meer mensen als zelfstandige op de arbeidsmarkt opereren, die heeft gezorgd voor een enorme stijging van het aantal bedrijven met één werkzame persoon (figuur 5), en anderzijds de relatieve stijging van de vrouwelijke arbeidsparticipatie ten opzichte van mannen, waardoor het relatieve aandeel vrouwelijke ondernemers hoger is komen te liggen.

Onze analyse suggereert dat veranderingen in arbeidsparticipatie ongeveer 71 procent van de variatie in vrouwelijk ondernemerschap verklaren. Als die relatie standhoudt, zou het vrouwelijk ondernemerschap zonder veranderingen in de arbeidsparticipatie in 2024 geen 36,1, maar circa 33,6 procent zijn geweest.
Toch blijven de ondernemerschapspercentages, wanneer er gecontroleerd zou worden voor de arbeidsparticipatie, uit elkaar liggen. Wanneer we de arbeidsparticipatie van vrouwen verhogen naar die van mannen (acht procentpunt) en het vrouwelijk ondernemerschap in gelijke tred mee zou gaan, zou het vrouwelijk ondernemerschapspercentage stijgen naar 40,1 procent – substantieel minder dan 50.
Conclusie
De substantiële genderkloof in ondernemerschap is de laatste jaren iets kleiner geworden. Deze ontwikkeling wordt niet verklaard door verschillen in uitstroom: vrouwen stoppen niet minder vaak dan mannen, en veranderingen in stoppercentages dragen dus nauwelijks bij aan de afnemende kloof. Ook veranderende houdingen ten aanzien van ondernemerschap bieden geen verklaring. Wel vinden we dat de relatief grotere stijging van de arbeidsparticipatie van vrouwen nauw samenhangt met de toename van vrouwelijke ondernemerschap.
Er blijven systematische verschillen tussen mannen en vrouwen in hun houding ten aanzien van ondernemerschap. En er lijken ook obstakels te bestaan in de markt voor financiering. Zo heeft het CBS (2025) recent laten zien dat vrouwelijke ondernemers in het mkb iets minder vaak een financieringsbehoefte hebben en – hoewel ze zich net zo vaak oriënteren als mannen – ze minder vaak een aanvraag doen voor externe financiering, die ze ook iets minder vaak krijgen toegewezen.
Tot slot moet gezegd worden dat deze analyse een beperkte is, we hebben hier vooral gekeken naar ondernemerschap als binaire variabele: of mensen een bedrijf hebben of niet. In de discussie rond ondernemerschap is van belang wat een bedrijf toevoegt aan de samenleving. Estrin et al. (2016) laten bijvoorbeeld zien dat vrouwelijke ondernemers vaker dan mannen prioriteit geven aan sociale doelstellingen. Ook is gender meer dan een binaire indeling; door deze benadering blijft de diversiteit aan genderidentiteiten in deze analyse buiten beschouwing.

Literatuur
Abbasianchavari, A. en A. Moritz (2021) The impact of role models on entrepreneurial intentions and behavior: A review of the literature. Management Review Quarterly, 71(1), 1–40.
Bento, P. (2025) Female entrepreneurship in the U.S. 1982–2012: Implications for welfare and aggregate output. Journal of Monetary Economics, 149, 103676.
Bosma, N., J. Hessels, V. Schutjens et al. (2012) Entrepreneurship and role models. Journal of Economic Psychology, 33(2), 410–424.
Brush, C., L.F. Edelman, T. Manolova en F. Welter (2019) A gendered look at entrepreneurship ecosystems. Small Business Economics, 53(2), 393–408.
Bullough, A., U. Guelich, T.S. Manolova, en L. Schjoedt (2022) Women’s entrepreneurship and culture: Gender role expectations and identities, societal culture, and the entrepreneurial environment. Small Business Economics, 58(2), 985–996.
CBS (2025) Vrouwelijke ondernemers en hun zoektocht naar financiering 2022–2024. CBS Publicatie, 29 september.
CBS (2026) Arbeidsdeelname en werkloosheid per maand. CBS StatLine, 16 februari.
Estrin, S., T. Mickiewicz en U. Stephan (2016) Human capital in social and commercial entrepreneurship. Journal of Business Venturing,31(4), 449–467.
Germann, F., S.J. Anderson, P.K. Chintagunta en N. Vilcassim (2023) Breaking the glass ceiling: Empowering female entrepreneurs through female mentors. University of Chicago, Becker Friedman Institute for Economics Working Paper, 2023-42. Te vinden op papers.ssrn.com.
Global Entrepreneurship Monitor (2025) GEM 2024/2025 Women’s Entrepreneurship Report: Navigating challenges, driving change. Global Entrepreneurship Monitor, 19 november.
Jetten, R.A.A., D. Yeşilgöz-Zegerius en H. Bontenbal (2026) Aan de slag: Bouwen aan een beter Nederland. Coalitieakkoord 2026–2030, D66, VVD en CDA, 30 januari. Te vinden op www.kabinetsformatie2025.nl.
Kiefer, K., M. Heileman, T.L. Pett (2022) Does gender still matter? An examination of small business performance. Small Business Economics, 58(1), 141–167.
Llussa, F. (2010) Determinants of entrepreneurship: Are women different? FEUNL Working Paper, 555. Te vinden op papers.ssrn.com.
Morazzoni, M. en A. Sy (2022) Female entrepreneurship, financial frictions and capital misallocation in the US. Journal of Monetary Economics, 129, 93–118.
Noguera, M., C. Alvarez en D. Urbano (2013) Socio-cultural factors and female entrepreneurship. International Entrepreneurship and Management Journal, 9(2), 183–197.
Reynolds, P., N. Bosma, E. Autio et al. (2005) Global Entrepreneurship Monitor: Data collection design and implementation 1998-2003. Small Business Economics, 24(3), 205–231.
Verheul, I., A. van Stel en R. Thurik (2006) Explaining female and male entrepreneurship at the country level. Entrepreneurship & Regional Development, 18(2), 151–183.
Auteurs
Categorieën