Op deze blog is gereageerd door Pieter Boot en René Kleijn et al.
Aan:
De minister van Klimaat en Groene Groei
De leden van de commissie Klimaat en Groene Groei van de Tweede Kamer
Betreft: Economische beoordeling maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland
Geachte minister en leden van de Tweede Kamer,
Op 29 september 2025 sloot de minister van Klimaat en Groene Groei een intentieverklaring (JLOI) met Tata Steel Nederland (TSN) over de verduurzaming van Tata Steel IJmuiden. Daarbij werd toegezegd dat de overheid hieraan twee miljard euro zou kunnen bijdragen.
Wij wenden ons tot u met het verzoek om publiek beleid te toetsen op economische doelmatigheid en effectiviteit vanuit een breed welvaartsperspectief. Vanuit dit perspectief kunnen wij niet anders dan u ontraden deze twee miljard euro aan publieke middelen als onderdeel van maatwerkafspraken aan TSN beschikbaar te stellen.
Nederland kan en moet beschikbare middelen effectiever inzetten. Dit betreft zowel de in de overeenkomst genoemde twee miljard euro, als de arbeidscapaciteit, fysieke ruimte, milieuruimte (waaronder stikstof), en de schaarse duurzame energie en netcapaciteit. Op dit alles legt Tata Steel IJmuiden een aanzienlijk beslag. Daarmee wordt de ruimte voor verduurzaming en groei van andere economische activiteiten beperkt. Strategische autonomie, het streven naar een Europese staalindustrie die ingericht is op de lange termijn, kan een legitiem argument zijn. Dit vereist echter Europese coördinatie (bijvoorbeeld via Europese aanbestedingen) op basis van comparatief voordeel, en rechtvaardigt niet dat Nederland met schaarse capaciteit een ongelimiteerde verplichting aangaat. We lichten hier graag onze belangrijkste overwegingen toe.
De businesscase voor staalproductie in Nederland ontbreekt. Zonder structurele winstgevendheid dreigt Tata Steel bij iedere tegenvaller terug te komen voor aanvullende publieke steun. De prijs van wind- en zonne-elektriciteit (opwek en netwerk) ligt hier structureel hoger dan in andere delen van Europa. Dit is geen tijdelijk markt- of overheidsfalen, maar een structureel geografisch en fysiek gegeven. Analyses laten zien dat, zelfs bij verregaande elektrificatie of inzet van waterstof, staalproductie in Nederland substantieel duurder blijft dan in landen als Spanje, Zweden of buiten Europa (Schellekens en Fernandez; 2024, Stegra; z.d., Rabelo Caiafa Pereira; 2026). Blom en Wijers (2024) gaven in hun rapport al aan dat met behulp van waterstof geproduceerd staal (‘waterstofstaal’) in West-Europa vijftien tot twintig procent duurder zou zijn dan productie elders in Europa. Bovendien zijn de kosten van offshore wind tussen 2020 en 2024 met veertig procent gestegen (AFRY, 2024). Tata’s CFO, Chatterjee (2025), noemt daarnaast ‘voorwaarden’ die ze stellen aan de maatwerkafspraken, waaronder dat ze geen extra kosten mogen hebben voor de verwerking van staalslakken, stijgende nettarieven of een stop op kolen. De kosten om aan deze voorwaarden te voldoen komen neer op jaarlijks honderden miljoenen euro’s extra, bovenop de eenmalige subsidie van twee miljard euro, om staalproductie in Nederland concurrerend te maken met andere Europese landen (Schellekens en Wilde-Ramsing, 2025).
Reëel risico dat publieke middelen verloren gaan. TSN heeft een structureel zwakke financiële positie, beperkte eigen investeringsruimte (Vink, 2025) en een hoge blootstelling aan markt- en CO₂-prijsrisico’s. Over de periode 2023–2025 was het operationeel resultaat volgens de jaarrekening gemiddeld circa 157 miljoen euro negatief per jaar, wat wijst op structureel onvoldoende operationele winstgevendheid. Daar komt bij dat in de voorlopige afspraken een harde, afdwingbare garantie van Tata Steel India ontbreekt om verliezen in IJmuiden op te vangen of aanvullende investeringen te financieren. In het geval van verdere verliezen, herstructurering of faillissement zijn publieke middelen onvoldoende beschermd.
Subsidie aan TSN verdringt investeringen in industrieën met hogere maatschappelijke opbrengsten in een economie met schaarse arbeid, energie en ruimte. De Nederlandse economie kent schaarste op meerdere terreinen: technisch geschoolde arbeid, netcapaciteit, duurzame energie, stikstofruimte en fysieke ruimte. De Wetenschappelijke Klimaatraad (2026) bevestigt dat Nederland niet alles in de lucht kan houden: scherpe keuzes zijn nodig omdat er onvoldoende ruimte is voor het in stand houden van de huidige omvang van de energie-intensieve industrie. Steun aan structureel niet-concurrerende staalproductie bindt schaarse middelen bij een bedrijf met onduidelijk toekomstperspectief, waardoor bedrijven met groeipotentieel en verduurzamingsplannen in de praktijk worden afgeremd. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2023) waarschuwt dat subsidies bestaande bedrijven langdurig uit de wind houden, waardoor vernieuwing en toetreding van nieuwe bedrijvigheid worden bemoeilijkt. De schaarse middelen die nu voor TSN worden voorgesteld, kunnen doelmatiger worden ingezet voor innovatieve maakindustrie, netverzwaring en circulaire ketens. Vanuit een breed welvaartsperspectief is dat een effectievere aanwending van publieke middelen.
De maatwerkafspraken verstoren de markt en zijn staatssteunrechtelijk kwetsbaar. Staatssteun is in beginsel enkel verdedigbaar als het desbetreffende bedrijf door subsidie meer doet dan waar het volgens de geldende regelgeving al toe verplicht is. Het EU ETS-systeem is, in combinatie met CBAM, erop ingericht om de industrie via prijsprikkels en grenscorrecties voor 2040 CO2-neutraal te laten opereren. De voorgestelde maatwerkafspraken met TSN sturen op volledige CO₂-neutraliteit in 2045 (Tweede Kamer, 2025). Daarmee ontstaat het risico dat publieke middelen worden ingezet om een transitie te ondersteunen die niet aantoonbaar sneller is of verder gaat dan het al bestaande Europese beleid. Dit ondergraaft de staatssteunrechtelijke verdedigbaarheid.
Werknemers verdienen een duurzaam toekomstperspectief, niet afhankelijk van één structureel verliesgevend bedrijf. De werknemers van TSN beschikken over waardevolle technische ervaring die direct relevant is voor de energietransitie. Met gerichte omscholing zijn zij inzetbaar voor de installatie van warmtepompen, de bouw van windparken en netverzwaring. Deze sectoren kampen met een acuut tekort aan technisch geschoold personeel en bieden structureel groeiperspectief. Een transitiefonds dat deze omscholing mogelijk maakt, kost een fractie van de voorgestelde Tata-subsidie. De voorgestelde subsidie van twee miljard euro komt immers neer op ruim 250.000 euro per werknemer. Ter illustratie: ‘Melkertbanen’ kostten circa 38.000 euro per plaatsingstraject (IBO, 2001; kosten geïndexeerd naar 2025), een factor acht lager dan het Tata-voorstel. Dit toont dat investeringen in omscholing significant goedkoper zijn dan het overeind houden van een structureel verliesgevend bedrijf, en dat de vrijkomende publieke middelen veel effectiever kunnen worden ingezet in sectoren waar zij een veelvoud aan duurzame werkgelegenheid kunnen creëren.
Het voorgestelde steunpakket borgt de gezondheid van omwonenden onvoldoende, waardoor staatssteun economisch onverdedigbaar en juridisch kwetsbaar wordt. Tata Steel veroorzaakt aanzienlijke gezondheidsschade bij omwonenden, recent door Natuur & Milieu (2025) becijferd op 1,1 miljard euro per jaar. Deze kosten worden niet door het bedrijf gedragen maar maatschappelijk afgewenteld. De schade heeft geleid tot meerdere juridische procedures tegen Tata Steel, waaronder twee strafzaken, een massaclaim van omwonenden, een aanzeggingsprocedure en tientallen procedures over overschrijdingen van vergunningen. Zolang de voorgestelde plannen de cokesfabrieken in bedrijf laten, worden publieke middelen ingezet zonder het onderliggende probleem op te lossen, wat de Staat zowel economisch als juridisch kwetsbaar maakt.
TSN is geen cruciale schakel in een innovatief ecosysteem. Terwijl overheidsinvesteringen in bijvoorbeeld de halfgeleiderindustrie (Operatie Beethoven) een breed netwerk van R&D-samenwerking, toeleveranciers en kennisintensieve spin-offs stimuleren, blijft TSN een geïsoleerde commodity-producent zonder kruisbestuiving naar gerelateerde bedrijven of vergelijkbare positieve effecten op innovatie en hoogwaardige werkgelegenheid. Het rapport Wennink (2025) stelt dat de energie-intensieve basisindustrie aan de basis staat van ketens van hoogwaardige industrie in Nederland. Voor de staalindustrie gaat dit niet op: TSN exporteert negentig procent van zijn staalproductie (Tweede Kamer; 2024). De aanwezigheid van TSN maakt daarmee geen wezenlijk verschil voor de Nederlandse hoogwaardige maakindustrie.
Strategische autonomie vereist behoud van staalproductie in Europa, niet specifiek in Nederland. Nederland beschikt niet over ijzererts en importeert reeds alle grondstoffen voor staalproductie, van ijzererts en kolen tot, in de toekomstige situatie, Amerikaans gas voor waterstofproductie. Vanuit het oogpunt van strategische autonomie maakt het voor Nederland weinig verschil of grondstoffen, dan wel staal worden geïmporteerd. Europese coördinatie op basis van comparatief voordeel is daarom economisch rationeel; nationale steunoperaties kunnen dit doorkruisen en tot ondoelmatig beleid leiden. Afwezigheid van coördinatie versterkt de inefficiënte subsidierace die al gaande is (Beetsma en Romagnoli, 2025). Duitsland stelt vanaf 2026 een prijsplafond in van vijftig euro per megawattuur (het laagst toegestane EU-niveau; Montel News, 2025) wat een kostbare wedloop met publieke middelen illustreert.
Een Europese aanbesteding voor waterstofstaal is daarom veel efficiënter. Bij een Europese aanbesteding kunnen bedrijven inschrijven vanuit alle Europese landen; subsidie wordt toegekend aan het bedrijf dat, bij gestelde randvoorwaarden, tegen zo laag mogelijke kosten kan produceren. Dit levert niet alleen goedkoper staal op, maar versterkt ook de concurrentiepositie van staal-intensieve Europese maakindustrie – van auto-industrie tot machinebouw – zowel binnen als buiten Europa die afhankelijk is van de prijs van staal. Dergelijke aanbestedingen zijn al gedaan rond waterstof (met de EU Hydrogen Bank; European Commission, 2026) en industriële warmte in het kader van het EU Innovation Fund. Een nationale Nederlandse steunoperatie past niet in deze efficiënte Europese aanpak en is ook budgettair risicovol. Nederland kan beter inzetten op Europese aanbestedingen voor waterstofstaal.
Al met al is het voorgestelde steunpakket voor TSN economisch inefficiënt en risicovol. Vanuit een welvaartsperspectief blijft de maatschappelijke kosten-batenbalans negatief: de negatieve externe effecten (1,1 miljard euro jaarlijkse gezondheidsschade), de opportunity costs van schaarse middelen, en de afwezigheid van innovatieve ecosysteem-effecten wegen zwaarder dan mogelijke voordelen van werkgelegenheid en strategische waarde. De overeenkomst dreigt bovendien niet bij een eenmalige bijdrage te blijven maar een open-einde-verplichting te worden: zolang een substantiële onrendabele top resteert en ook fase 2 (volledige CO₂-neutraliteit) niet contractueel geborgd is, ontstaat bij tegenvallers de druk om telkens aanvullende publieke middelen beschikbaar te stellen.
Steun voor de Nederlandse maakindustrie is essentieel. De Nederlandse overheid kan de economie sterker maken door af te zien van steun aan Tata Steel Nederland en de beschikbare middelen doelmatiger aan te wenden voor investeringen in publieke randvoorwaarden die ons concurrentievermogen ondersteunen. In een economie met schaarse ruimte, arbeid en energie is dit geen politieke voorkeur, maar een economische noodzaak.
Hoogachtend,
Auteurs
Literatuur
AFRY (2024) Offshore wind energy market study: Implications for tenders IJmuiden Ver Gamma and Nederwiek I. AFRY Rapport, april. Te vinden op english.rvo.nl.
Beetsma, R. en G. Romagnoli (2025) De businesscase voor een vergroening van Tata Steel Nederland is zwak. ESB, 110(4847), 318–321.
Blom, F. en H. Wijers (2024) Hoe Tata Steel Nederland te verduurzamen? Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, Rapport.
Chatterjee, K. (2025) 2QFY26 Earnings Call transcript. Tata Steel Limited. Video te vinden op www.youtube.com. (vanaf minuut 47).
Europese Commissie (2026) European Hydrogen Bank. EC Informatie. Te vinden op energy.ec.europa.eu.
IBO (2001) Aan de slag. Werkgroep Toekomst van het arbeidsmarktbeleid, Eindrapport. Te vinden op evaluaties.rijksfinancien.nl.
Montel News (2025) Germany confirms EUR 50/MWh power price cap for industry. Montel Nieuwsbericht, 19 november.
Natuur & Milieu (2025) Schade aan de leefomgeving door de Nederlandse industrie. Natuur & Milieu Rapport, april.
Rabelo Caiafa Pereira, C. (2026) Structural change in a green hydrogen economy: Socioeconomic and climate change implications. Proefschrift, Technische Universiteit Eindhoven, 6 februari. Te vinden op research.tue.nl.
Schellekens, B. en R. Fernandez (2024) Energie wordt in Nederland te duur voor staalproductie. ESB, 110(4847), 314–317.
Schellekens, B. en J. Wilde-Ramsing (2025) Tata-deal trekt overheid in subsidiefuik van honderden miljoenen per jaar. ESB, 111(4853), 30–33.
Stegra (2026) Decarbonizing at scale. Stegra Informatie.
Tweede Kamer (2024) Beantwoording feitelijke vragen Tata Steel Nederland. Kamervragen, DGBI DSE / 58790286. Te vinden op www.rijksoverheid.nl.
Tweede Kamer (2025) Joint Letter of Intent Tata Steel Nederland. Kamerstuk, 29826-266.
Vink, D. (2025) Position paper D. Vink t.b.v. rondetafelgesprek Tweede Kamer Maatwerkafspraken met Tata Steel, 30 januari.
Wennink, P. (2025) De route naar toekomstige welvaart: Een sterk Nederland in een relevant Europa. Rapport Wennink, december.
Wetenschappelijke Klimaatraad (2026) Kiezen of verliezen: Naar een industrie die past in een toekomstbestendig Nederland. Wetenschappelijke Klimaatraad, Adviesrapport, 006.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2023) Goede zaken: Naar een grotere maatschappelijke bijdrage van ondernemingen. WRR Rapport, 107.
Categorieën
4 reacties
Dank Boris Schellekens. Interessant om meer van de achterliggende gedachten mee te krijgen. Hebben jullie een verdiepend rapport dat gedeeld kan worden? Ik neem contact op via LinkedIn. Hier vast enkele vragen en opmerkingen:
Gezondheidsschade: Als de helft van de kolen wordt gebruikt, wordt de klimaat- en gezondheidsschade waarschijnlijk ook gehalveerd. In de maatschappelijke kosten-baten afweging van de subsidie kan de genoemde €1,1 miljard dan toch niet volledig gebruikt worden? Bovendien krijgt TSN de subsidie niet als ze toch volledig met steenkool blijven werken.
Baancreatie: De directe vergelijking met Melkertbanen gaat dus niet op. Kan er geen vergelijking op basis van de doelen gemaakt worden? Bijvoorbeeld de vergelijking met de kosten per vermeden ton CO2 uitstoot als gevolg van de subsidie.
Grondstoffen vs staal: Wanneer verwacht u dat de geschetste toekomstige markt van halffabricaten volwassen zal zijn? Aangezien maar een deel van gas (of later groene waterstof) gebruikt zal worden voor staalproductie, blijft gas toch altijd een veel diepere markt dan die van halffabricaten? Dat geldt toch ook voor ertsen?
Amerikaanse industrie: Mijn argument was dat het staal van TSN niet afgedaan kan worden als eenvoudige commodity. U gebruikt het om de business case voor export naar de VS te ridiculiseren. De vraag is toch of het staal van TSN gezien kan worden als een 'standaard' product, of dat het een premium product is met toekomstkansen?
Export: Ik snap het argument ‘waar je afnemers zelf producenten worden’ niet. De afnemers zijn bedrijven zoals autobouwers en voedselproducenten. Die gaan toch geen staal produceren?
Clustereffecten: Werkt het clustereffect dan alleen maar aan de afnamekant? Export na toevoegen van waarde in Nederland lijkt me prima voor onze economie. Is er ook geen clustereffect aan de productiekant, bijvoorbeeld van leveranciers van technologie?
Europese aanbesteding: Is dat echt toepasbaar op Europees niveau als je naast CO2-reductie ook lokale gezondheids- en milieueffecten wil contracteren? Je contracteert met de subsidie niet enkel het product groen staal.
Kortom, deze reactie roept bij mij nog meer vragen op. Het is tijd voor een solide MKBA van de voorgenomen subsidie ten opzichte van een duidelijk beschreven alternatief .
Dank voor de inhoudelijke reactie. Als mede-initiatiefnemer spreek ik uiteraard alleen voor mezelf, niet voor alle ondertekenaars.
Gezondheidsschade. Uw eigen berekening illustreert juist het punt. U concludeert dat het merendeel van de schade voortkomt uit het gebruik van steenkool. Maar in de huidige afspraken wordt slechts de helft van de productie omgezet van kolen naar (fossiel) gas. De andere helft blijft voorlopig op kolen draaien. Bovendien is het tijdpad voor volledige afbouw van kolen zo vastgelegd dat dit besluit niet zonder instemming van Tata genomen kan worden. De overheid zit daarmee vast. Je kunt daarnaast gezondheidswinst pas als baat boeken als die daadwerkelijk en afdwingbaar geleverd wordt. Dat is nu niet het geval.
Melkertbanen. Die vergelijking is illustratief, niet één-op-één. Het gaat om de orde van grootte: €250.000 per werknemer is buitengewoon hoog. De vraag is dan welke aanvullende doelen dat bedrag rechtvaardigen, en of je die doelen niet aanzienlijk goedkoper had kunnen bereiken.
Grondstoffen vs. staal. De grondstoffenmarkt is in beweging. Grote ertsproducenten in Brazilië en Australië zetten in op ijzerreductie dichter bij de bron (zie Pereira, 2026). Als die markt voor direct reduced iron zich ontwikkelt (en alles wijst daarop) wordt ook dat een commodity met diepe markten. Het strategische-autonomie-argument leunt op de huidige marktsituatie, niet op de toekomstige.
Amerikaanse industrie. Laten we die afhankelijkheid eens doordenken. De voorgestelde route is: vloeibaar fossiel gas importeren uit de VS, staal produceren in IJmuiden, en dat vervolgens weer exporteren - deels naar diezelfde VS. Is dat werkelijk een duurzaam concurrentievoordeel? En willen we miljarden aan publieke middelen investeren op basis van een businesscase die mede afhankelijk is van een regime dat handeltarieven aankondigt via Twitter?
90% export en clustereffect. Het klopt dat een groot deel van de afzet naar Duitsland gaat. Maar dat maakt het argument niet sterker, eerder zwakker. Er is nu al een Europees capaciteitsoverschot. Daar komt bij dat de Europese vraag naar primair staal structureel daalt: OECD-analyses wijzen op 20-40% krimp door de Europese inzet op een circulaire economie. In een circulaire economie verschuift productie naar de schrootroute via electric arc furnaces, die goedkoper en energie-efficiënter is. Dan rijst de vraag: is het logisch om miljarden te investeren in het 1-op-1 omzetten van dezelfde productiecapaciteit naar waterstofstaal, voor een markt die krimpt en waar je afnemers zelf producenten worden? Daarbij komt kijken dat Duitsland zelf enorm investeert in groene staalproductie. De huidige Duitse staalproductie is 8x groter dan in Nederland (volgens Eurofer). De politieke en economische belangen om daar de staalproductie te behouden zijn daar dus vele malen groter. De belangrijkste afzetmarkt wordt dus tegelijk je concurrent.
Het argument in de brief gaat bovendien over clustereffecten voor de Nederlandse industrie. Bij 90% afzet buiten Nederland is dat effect beperkt, ongeacht of de afnemer in Duitsland of de VS zit.
Europese aanbesteding. Hier worden twee dingen door elkaar gehaald. De kritiek van Rekenkamers gaat over de businesscase van waterstof — die inderdaad onzeker is (zie bijv. het recente FD-stuk hierover van 4 maart jongstleden). Maar het mechanisme van Europese aanbesteding functioneerde: subsidie komt terecht waar productie het goedkoopst is. Dat mechanisme is toepasbaar ongeacht het product.
Tot slot: Ik ben het eens dat op verschillende punten diepere analyses nodig zijn. Ik zou u graag willen helpen met deze analyses. De redactie van ESB heeft m'n contactgegevens, maar je kan me ook via LinkedIn bereiken.
Ik ben ook nog niet overtuigd of subsidiëren echt nuttig is, maar diepere, neutrale analyse is echt nodig. Nogmaals lezen levert nog meer vragen:
De 1,1 miljard Euro gezondheidsschade wordt geboekt als kosten, maar het zijn juist grotendeels baten (immers, voorkomen negatieve externe effecten) van de subsidie als daardoor minder CO2, SO2, NOx en fijnstof wordt uitgestoten (zie eerdere uitgebreidere reactie hierover).
De vergelijking met Melkertbanen gaat niet op. Je kunt niet alle subsidiekosten toerekenen aan de gecreëerde banen, er worden ook andere doelen mee bereikt. Bij Melkertbanen was baancreatie het doel.
Het maakt nogal verschil of je grondstoffen of staal importeert. Grondstoffen kennen een veel diepere markt dan halffabricaten van specifieke kwaliteit, met impact op strategische autonomie.
De auteurs doen het staal van TSN af als commodity, maar als ik het goed begrijp kan de Amerikaanse industrie niet zonder.
De 90% export van TSN is grotendeels binnen de EU, dus als we een Europees perspectief kiezen, is dat geen export.
Men noemt Europese aanbestedingen van H2 als succesvol voorbeeld. Terwijl Rekenkamers (EU, Duitsland, Frankrijk, Nederland) juist waarschuwen voor verspilling van subsidies aan H2.
Ik vraag me eerlijk gezegd af of alle ondertekenaars hun 'eigen' blog wel gelezen hebben.
Meer dan honderd economen ondertekenden de blog waarin zij stellen dat het steunpakket voor Tata Steel inefficiënt en risicovol is. Wellicht hebben ze gelijk, maar ik kan de daadwerkelijke kosten baten afweging niet vinden.
Serieus onderzoek is nodig, bijvoorbeeld naar de mate waarin en het tempo waarmee Tata Steel daadwerkelijk groen staal gaat produceren, de betaalbaarheid van waterstofproductie of -import, of de toegevoegde waarde ook grotendeels met import van halffabricaten te leveren is, wat de risico’s zijn van importeren van halffabricaten in plaats van grondstoffen (met een veel ‘diepere’ markt), wat eventuele kosten zijn van sanering van het terrein voor woningbouw, et cetera. De blog kan denk ik niet worden gezien als ‘economische beoordeling maatwerkafspraken van Tata Steel Nederland’ zoals geclaimd. Zowel voor- als tegenstanders van staalproductie in Nederland zijn gebaat bij serieuze, neutrale analyse.
Een voorbeeld waar verdieping in ieder geval nodig is: Er wordt tweemaal verwezen naar de jaarlijkse gezondheidsschade van €1,1 miljard volgens onderzoek van Natuur en Milieu (NM). Die €1,1 miljard wordt als kosten opgevoerd, maar het zijn toch juist grotendeels de baten (negatieve externe effecten die voorkomen worden) van de subsidie?
Zelf even naslaan van het geciteerde onderzoek leert het volgende: De totale schade door CO2 uitstoot van Nederlandse industrie is volgens MN €4,92 miljard (indrukwekkende precisie uit tabel 1). Tata Steel produceert ongeveer 8% van de Nederlandse CO2 uitstoot (volgens factsheet van urgenda uit 2023). Productie met waterstof uit duurzame elektriciteit of met CO2 afvang verlaagt de schade dus met €0,39 miljard.
Tabel 2 gaat in op de andere negatieve externe effecten, wederom met indrukwekkende precisie door NM geschat. Na CO2 komt de grootste schade (€172 miljoen) door zwaveloxiden. Dat komt doordat de steenkool voor de hoogovens zwavel bevat. Maar gebruik daarvan wordt juist afgebouwd. Dit geldt ook voor stikstofoxiden (€148 miljoen). Zonder stikstofhoudende kolen en bij lagere procestemperaturen worden die stoffen veel minder uitgestoten. Ook fijnstof (€34 miljoen) zal veel minder voorkomen bij reductie van ijzererts met waterstof in plaats van cokes.
Uit deze nogal ruwe berekeningen, volgt dat groen staal de vermeende schade van €1,1 miljard met €0,7 miljard verlaagt. Daarbij moet gezegd worden dat dit slechts een zeer ruwe berekening is. De resterende gezondheidsschade is dan €0,4 miljard, waarvan een deel mogelijk ook wegvalt.
Zo zijn er meerdere argumenten in deze blog die verdieping behoeven. Nederland is gebaat bij een neutrale analyse van dergelijke subsidies.