De hoge muren van importheffingen die het afgelopen halfjaar door de Verenigde Staten zijn geïntroduceerd, hebben negatieve consequenties voor de economische activiteit. Voor welke Europese en Nederlandse regio’s zijn de risico’s het grootst?
In het kort
- Regio’s waarin de maakindustrie sterk is vertegenwoordigd, zijn het kwetsbaarst voor Amerikaanse importheffingen.
- Limburg en Zeeland zijn de Nederlandse regio’s die het meest aan de heffingen zijn blootgesteld.
- De sterkere blootstelling van industrie-intensieve perifere regio’s kan de regionale ongelijkheden vergroten.
Het vaak onnavolgbare heffingenbeleid van de Amerikaanse president Trump heeft de wereldhandel flink geraakt. Dit geldt zeker ook voor handel waarin de Europese Unie een rol speelt. Statistische instituten rapporteren over grote zorgen in het bedrijfsleven (CBS, 2025) en wetenschappers buitelen over elkaar heen met studies naar de verwachte consequenties van verschillende beleidsreacties door getroffen landen (Rotunno en Ruta, 2025).
De mate waarin binnen de individuele landen de effecten van de handelsoorlog tussen regio’s van elkaar verschillen is een aspect dat minder aandacht heeft gekregen. Regionale economische ongelijkheid is echter een thema dat de afgelopen jaren aan belang heeft gewonnen. Meer en meer studies laten zien dat populistische partijen bovengemiddeld populair zijn in achterblijvende, vaak perifere regio’s, als uiting van het gevoel dat “men er daar niet toe doet” (Rodriguez-Pose, 2018; Iammarino et al., 2019). Het is daarom interessant te bestuderen welke regio’s binnen Nederland en de rest van de Europese Unie de grootste economische risico’s lopen als gevolg van de handelsbarrières die Trump opwerpt (of dreigt op te werpen). In dit artikel meten we deze risico’s in termen van het arbeidsinkomen van regio’s.
Modelleren van blootstelling aan de VS
Om de blootstelling van economische activiteit aan importheffingen van de VS te modelleren, moeten we er rekening mee houden dat activiteiten in hedendaagse waardeketens steeds vaker plaats vinden in meerdere landen en zelfs continenten. Voor veel eindproducten omvatten waardeketens zo veel grensoverschrijdende transacties dat ze met recht als mondiale waardeketens (global value chains) betiteld mogen worden (Timmer et al., 2021). Wanneer een eindproduct of halffabricaat door een sector in een EU-regio aan klanten in de VS wordt verkocht, werd door de hele waardeketen heen dus ook in andere sectoren en regio’s economische activiteit gegenereerd. Sommige regio’s die nauwelijks bedrijven huisvesten die naar de VS exporteren, zijn daarom toch blootgesteld aan beperkende maatregelen van de VS ten aanzien van importen uit de EU. Lokale bedrijven leveren immers vaak wel aan bedrijven in andere regio’s die wel veel naar de VS exporteren.
We volgen Konietzny et al. (2025; in dit nummer) in hun gebruik van de methode die door Los et al. (2016) werd geïntroduceerd om voor elke regio het arbeidsinkomen dat blootgesteld is aan de Amerikaanse importbeperkingen te berekenen (zie Los en Timmer (2023) voor een uitgebreidere uiteenzetting, in dit artikel gebruiken we hun VAX-D-concept). In de methode worden twee situaties met elkaar vergeleken. De eerste is de werkelijke situatie, zoals kwantitatief beschreven in een mondiale input-outputtabel. De tweede situatie is een hypothetische, waarin EU-landen geen goederen meer naar de VS exporteren, maar de rest van de mondiale productiestructuur en de vraag naar eindproducten ongewijzigd blijven. Het verschil in het arbeidsinkomen van een regio tussen de werkelijke situatie en de hypothetische toont welk deel van het arbeidsinkomen zijn oorsprong kent in naar de VS geëxporteerde goederen. Hoe groter het deel, des te groter het regionale economische risico, veroorzaakt door de Amerikaanse handelsbeperkingen. We drukken risico’s uit in termen van regionaal arbeidsinkomen, omdat andere delen van toegevoegde waarde (zoals inkomen uit kapitaal) vaak veel minder in de regio zelf neerslaan en daardoor minder goed meetbare gevolgen voor regionale ongelijkheid hebben.
Het is belangrijk om op te merken dat deze hypothetische situatie niet de uitkomst is van een model dat voorspelt hoe de wereld eruit zou zien als de EU daadwerkelijk niet meer naar de VS zouden kunnen exporteren. In zo’n model zouden onder andere prijs- en hoeveelheidsveranderingen en verlegging van handel naar andere bestemmingen een rol moeten spelen.
Data
We gebruiken een mondiale multiregionale input-outputtabel waarin handelsstromen binnen EU-landen en tussen EU-landen uitgesplitst zijn naar regio, op NUTS 2-niveau. De tabel onderscheidt 55 sectoren, voor 240 regio’s in de EU en 18 in (in economisch opzicht) grote landen, zoals de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en China. De tabel is consistent met de input-outputtabel FIGARO van Eurostat, die geen regionaal detail bevat. Dat regionale detail is toegevoegd met behulp van regionale rekeningen van Eurostat, structurele bedrijfsstatistieken en data met betrekking tot het vervoer van goederen en personen. De data uit deze bronnen zijn vaak niet consistent met elkaar, waardoor het noodzakelijk is aan de ene bron van data een groter belang te hechten dan aan de ander. Meetfouten zijn dus onontkoombaar en het is belangrijk de hieronder gerapporteerde cijfers met betrekking tot regionale risico’s als indicaties te zien (zie Thissen et al. (2018; 2025) voor uitgebreidere beschrijvingen).
Een nadeel is dat de recentste data die nodig zijn voor onze berekeningen uit 2017 stammen. Gelukkig is het belang van de VS als exportbestemming van Nederland en zijn belangrijke handelspartners binnen Europa sindsdien weinig veranderd. Volgens data van de Wereldbank ging in 2017 3,6 procent van de Nederlandse goederenexporten naar de VS, en was dat in 2023 4,3 procent. Voor Duitsland ging het Amerikaanse exportaandeel in die periode van 8,6 naar 10,2 procent. De stijging voor België was ongeveer even groot, terwijl voor Frankrijk de VS als exportbestemming vrijwel even belangrijk bleef. Waarschijnlijk zijn de gerapporteerde risico’s dus eerder kleine onderschattingen dan overschattingen.
Risico’s in Europa
Figuur 1 geeft weer welk percentage van het regionaal arbeidsinkomen blootgesteld is aan importheffingen van de VS, aangenomen dat deze alleen op invoer vanuit EU-landen worden opgelegd. Dit aandeel is het hoogste voor de regio Zuid-Ierland, met 6,7 procent. In z’n algemeenheid zien we echter dat met name regio’s waarin de auto-industrie sterk is vertegenwoordigd in grote mate zijn blootgesteld aan de Amerikaanse importbeperkingen. Prominente voorbeelden zijn de regio Stuttgart, een aantal regio’s in het Duitse Beieren en de West-Hongaarse regio Nyugat-Dunántúl (oftewel Westelijk Transdanubië). Ook regio’s met veel andere maakindustrie (zoals de regio’s in Noord-Italië) lopen een meer dan gemiddeld risico.

Aan de andere kant van het spectrum vinden we regio’s die zich wat hun eigen arbeidsinkomen betreft nauwelijks zorgen hoeven te maken om het grillige invoerheffingenbeleid van de regering-Trump. Er is bijvoorbeeld geen enkele regio in Griekenland met een risico groter dan 0,8 procent van het arbeidsinkomen. Ook in Roemenië en in grote delen van Spanje is dit het geval.
Risico’s voor Nederlandse provincies
Nederlandse provincies bevinden zich in de middenmoot. Limburg en Zeeland zijn het meest blootgesteld aan risico’s, met 1,6 procent. Noord-Holland, Gelderland en Utrecht zijn relatief ‘veilig’. In deze provincies ligt het percentage van het regionaal arbeidsinkomen dat gevaar loopt rond de 1,0 procent.
Ook hier zien we dat met name de industriële sector flink geraakt zou kunnen worden (tabel 1), met risicopercentages tussen ruim 7 (Flevoland) en 3 (Gelderland). Voor de primaire sector (landbouw en mijnbouw) is het hoge risico dat we vinden voor Noord-Holland opvallend. Met ruim acht procent van het arbeidsinkomen in deze sector is de provincie overduidelijk koploper. Naar alle waarschijnlijkheid is dit met name het gevolg van de grote afzetmarkt die de VS vormt voor bloemen en bloembollen uit deze regio. Als we in het achterhoofd houden dat de tabel de situatie in 2017 weergeeft, is het risico voor de provincie Groningen wellicht wat kleiner dan berekend, omdat de gaswinning (die onder ‘Primair’ valt, een sector met ook in Groningen een hoog risico) sindsdien drastisch is afgebouwd.

De resultaten voor de Nutsbedrijven laten zien dat er ook substantiële indirecte effecten verwacht mogen worden. De productie van geëxporteerde goederen heeft energie, gebouwen en zakelijke diensten nodig en dat zorgt ervoor dat een tot twee procent van het regionale arbeidsinkomen in de nutsbedrijven afhankelijk is van EU-goederenexporten naar de VS. Voor de bouw en de dienstverlening liggen deze percentages lager.
Als we op productniveau kijken naar het effect van de EU-wijde exportbeperkingen op het arbeidsinkomen in de Nederlandse provincies, zien we dat voor bijna alle provincies de exporten van machines het belangrijkst zijn. Ongeveer 0,2 procent van het regionale arbeidsinkomen is blootgesteld aan handelsbarrières met betrekking tot deze producten. Voor Zeeland en Flevoland ligt dit percentage nog wat hoger, rond de 0,5 procent. De uitzondering is Zuid-Holland, waarvoor EU-exporten van chemische producten en voedingsmiddelen beide belangrijker zijn dan die van machines. Chemie-exporten zijn ook relatief belangrijk voor Zeeland, terwijl voor Limburg het belang van exporten van motorvoertuigen eruit springt.
Effecten via derde landen
Tot nu zijn we uitgegaan van een situatie waarin de VS alleen hoge tarieven op importen uit EU-landen heft. Het ‘schoolbord’ met tarieven dat Donald Trump begin april liet zien, maakt echter duidelijk dat veel meer landen te maken hebben met zijn hekel aan handelstekorten. Niet alleen aan landen als China en Japan werden hoge heffingen in het vooruitzicht gesteld, ook de voor EU-landen belangrijke handelspartner Zwitserland nam een prominente plaats op Trumps lijst in. De indirecte effecten waaraan Konietzny et al. (2025; in dit nummer) refereren om te laten zien dat Nederlandse exporten naar andere EU-landen ook gevaar lopen, zijn dus ook in dit geval relevant: bedrijven in EU-regio’s leveren producten die door bedrijven in bijvoorbeeld China worden gebruikt om goederen voor export naar de VS te produceren. Als de Amerikaanse vraag naar deze goederen afneemt, heeft dit in principe ook negatieve consequenties voor de Chinese vraag naar de producten uit de EU.
Om uit te zoeken hoe groot de risico’s zijn van importheffingen op derde landen, hebben we ook een hypothetische situatie bekeken waarin de goederenexporten vanuit de hele wereld naar de Verenigde Staten naar nul gaan. Vooral regio’s waarin de auto-industrie sterk vertegenwoordigd is, zien dat hun risico in dit scenario groter wordt. Dat geldt met name in de regio Stuttgart, maar ook in Oberbayern en Braunschweig in Duitsland, Oberösterreich in Oostenrijk en de Hongaarse regio Nyugat-Dunántúl. Timmer et al. (2021) lieten al zien dat de mondiale waardeketens van de auto-industrie tot de meest internationaal gefragmenteerde behoren. Het is dan ook geen toeval dat regio’s die het meeste zouden kunnen lijden onder exportbeperkingen voor niet-EU-landen, een relatief grote motorvoertuigenindustrie hebben.
In Nederland zien we dat Limburg de grootste stijging in het risico vertoont als we ook exportbeperkingen voor niet-EU-landen beschouwen. Het deel van het regionale arbeidsinkomen dat gevaar loopt, stijgt van de eerder gerapporteerde 1,6 procent (tabel 1) naar 2,0 procent. Ook voor Noord-Brabant zien we een stijging van 0,4 procentpunt, van 1,2 naar 1,6 procent. Voor het overgrote deel van de Nederlandse provincies bedraagt het extra risico 0,3 procent van het regionale arbeidsinkomen. De verschillen tussen provincies zijn in dit opzicht zeer beperkt.
Conclusies
De mate waarin regio’s in EU-landen (waaronder Nederland) economische risico’s lopen als gevolg van Amerikaanse importheffingen verschilt sterk, ook binnen landen. Deze verschillen worden voornamelijk veroorzaakt door verschillen in regionale sectorstructuren. Met name regio’s waarin de maakindustrie sterk vertegenwoordigd is, zijn kwetsbaar voor Amerikaanse importheffingen. Maar ook de indirecte effecten zijn substantieel, niet alleen de maakindustrie en de land- en mijnbouw worden getroffen, maar ook nutsbedrijven en dienstensectoren zijn blootgesteld aan het handelsbeleid van de regering-Trump. Ook de indirecte effecten op EU-regio’s van importheffingen die de VS oplegt aan ‘derde landen’ zoals China en Zwitserland zijn aanzienlijk, maar ze zijn voor Nederland vrij gelijkmatig over de provincies verdeeld.
Alles tezamen nemend zijn Limburg en Zeeland de Nederlandse provincies die de grootste risico’s lopen. De maakindustrie is sterker vertegenwoordigd in de Limburgse en Zeeuwse economie dan elders in Nederland. Dit zijn tevens perifere regio’s waarin het bruto binnenlands product per inwoner duidelijk lager ligt dan het gemiddelde voor ons land. De ‘rijkste’ provincies (Noord-Holland en Utrecht) hebben met hun grote dienstensector juist minder te vrezen. De regionale ongelijkheid in Nederland zal dus eerder groter dan kleiner worden als de VS het eerder dit jaar ingezette heffingenbeleid zal handhaven of zelfs versterken. De regionale risicoverschillen zijn wel kleiner dan in veel andere Europese landen.
De belangen van de Nederlandse regio’s wijken deels af van die van de EU als geheel. De EU heeft vooral veel last van de importheffingen voor exporten uit de auto-industrie, waardoor het internationale handelsbeleid van de EU zich waarschijnlijk met name hierop zal richten. In de Nederlandse context zou Limburg hier baat bij hebben, maar voor onder andere Zeeland zou het beter zijn als er prioriteit zou worden gegeven aan uitzonderingen voor exporten van de machine-industrie en de chemische sector. Indien hoge tarieven voor zulke producten langdurig van aard blijken, zou de Nederlandse overheid over ondersteunend beleid na kunnen denken. Expliciete subsidies gaan in veel gevallen tegen internationale handelsregels in, maar de overheid zou bijvoorbeeld een faciliterende rol kunnen spelen in het ontwikkelen van nieuwe afzetmarkten in een snel veranderende wereld.

Literatuur
CBS (2025) Exporterende industrie heeft zorgen over internationaal handelsbeleid. CBS Statistiek, 10 juli.
Iammarino, S., A. Rodriguez-Pose en M. Storper (2019) Regional inequality in Europe: evidence, theory and policy implications. Journal of Economic Geography, 19(2), 273–298.
Konietzny, R., T. Notten, L. Prenen en K.F. Wong (2025) Nederland is via derde landen sterk blootgesteld aan handelsbeleid VS. ESB, 110(4852), 550–552.
Los, B. en M.P. Timmer (2023) Measuring bilateral exports of value added:
A unified framework. In: N. Ahmad, B. Moulton, J.D. Richardson en P. van de Ven (red.), Challenges of globalization in the measurement of national accounts. Chicago: University of Chicago Press, p. 389–421.
Los, B., M.P. Timmer en G.J. Vries (2016) Tracing value-added and double counting in gross exports: Comment. The American Economic Review, 106(7), 1958–1966.
Rodriguez-Pose, A. (2018) The revenge of the places that don’t matter (and what to do about it). Cambridge Journal of Regions, Economy and Society, 11, 189–209.
Rotunno, L. en M. Ruta (2025) Trade partners’ responses to US tariffs. IMF Working Paper, WP/25/147.
Thissen, M., E. Kalvelagen en O. Ivanova (2025) A new method to reconcile inconsistent data; With an application to 2017 Regional EU NUTS2 Trade-Linked World Input-Output Tables.Economic Systems Research. Te verschijnen.
Thissen, M., M. Lankhuizen, B. Los et al. (2018) EUREGIO: The Construction of a global IO database with regional detail for Europe for 2000–2010. Tinbergen Institute Discussion Paper, 2018–084/VI.
Timmer, M.P., B. Los, R. Stehrer en G. de Vries (2021) Supply chain fragmentation and the global trade elasticity. IMF Economic Review, 69(4), 656–680.
Auteurs
Categorieën