In de wereldorde is een herstructurering gaande waarin kennisuitwisseling en handelsstromen steeds vaker worden beperkt voor geostrategische doeleinden. Voor de Europese Unie, een internationale handelspartner van veel landen, is deze ontwikkeling zorgwekkend. Zij moet echter niet inzetten op meer autonomie, maar juist op een bredere internationale verwevenheid.
In het kort
- De Europese Unie moet handel, energie en investeringen actiever inzetten als instrumenten van geopolitieke strategie.
- Nieuwe partnerschappen met landen in het Mondiale Zuiden bieden wederzijds strategisch voordeel.
- Een samenhangende geo-economische agenda vereist dat lidstaten meer bevoegdheden zullen moeten delen.
De wereldorde ondergaat een fundamentele herstructurering, waarin economische afhankelijkheden steeds vaker doelbewust worden ingezet als geopolitiek drukmiddel. Zo gebruiken de Verenigde Staten onder het tweede presidentschap van Donald Trump steeds vaker handelstarieven, sancties en extraterritoriale regelgeving om beleidsdoelen af te dwingen – ook wel aangeduid als weaponized interdependence (Farrell en Newman, 2023). En China maakt gebruik van wat Cha (2023) omschrijft als predatory liberalism: het benutten van mondiale markten en hun dominantie in productieketens om economische afhankelijkheden doelgericht te versterken, en deze vervolgens in te zetten voor geopolitieke doeleinden.
De reflex in Europese landen op toenemende geopolitieke risico’s is het streven naar strategische autonomie, door minder afhankelijk te worden in sectoren als energie, chips, defensie of digitale infrastructuur.
Volledige of strategische autonomie is echter noch haalbaar, noch wenselijk, omdat Europese landen voor veel essentiële grondstoffen en componenten structureel afhankelijk zijn van andere regio’s (Europese Commissie, 2025b). En op het gebied van energie zijn alternatieven als waterstof of kernenergie niet op schaal beschikbaar (Europese Commissie, 2025d; World Nuclear Association 2025). Bovendien leunt veel digitale infrastructuur – zoals de halfgeleiderproductie – op mondiale waardeketens die niet zomaar te vervangen zijn (Haramboure et al., 2023).
Het afbreken of fors inperken van internationale waardeketens zou bovendien de economische groei en welvaart binnen de EU onder druk zetten. Met de sterke handelskracht profiteert de EU van internationale specialisatie: volgens het Heckscher-Ohlin-model worden economieën sterker door zich te richten op productie waarin zij een comparatief voordeel hebben. Een te ver doorgevoerde autonomie leidt tot inefficiëntie, hogere prijzen voor consumenten en bedrijven, en verlies van concurrentiekracht in mondiale markten.
In plaats van te streven naar strategische autonomie moet de EU haar internationale verwevenheid – via handelsrelaties, institutionele stabiliteit en technologische samenwerking – verder uitbouwen tot bron van kracht. De EU is highly open to trade (Gopinath, 2023). In 2023 bedroeg de totale internationale handel – de som van export en import van goederen en diensten – 22,4 procent van het bruto binnenlands product. Ter vergelijking: in datzelfde jaar lag dit aandeel op 18,6 procent in China en 12,7 procent in de Verenigde Staten (Europese Commissie, 2025c).
De EU beschikt over krachtige instrumenten: een interne markt van meer dan 440 miljoen consumenten, een unie van verankerde rechtsstaten en een omvangrijke kapitaalbasis. Dankzij de omvang van de interne markt en decennialange onderhandelingskracht fungeert de EU als een van de meest invloedrijke handelsblokken ter wereld en kan ze via ‘power through trade’ normen en bestuur bevorderen bij externe partners (Meunier en Nicolaïdis, 2006). Door middel van ‘economic statecraft’ oefent de EU steeds vaker geopolitieke invloed uit in een gefragmenteerde wereldorde (Meunier en Nicolaïdis, 2019; Balfour et al., 2024).
Met haar grote interne markt, sterke instituties en technologische basis kan de EU partnerschappen benutten en verdiepen op domeinen waar samenwerking wederzijds versterkend werkt – bijvoorbeeld bij kritieke grondstoffen, duurzame energie en industriële verwerking.
Met name in het Mondiale Zuiden liggen er kansen voor duurzame, strategische samenwerking, waar strategische grondstoffen, opkomende markten en energiepotentieel samenkomen (kader 1). Om die kansen te benutten moet geo-economie – het strategisch inzetten van economische instrumenten om nationale belangen te bevorderen en geopolitieke doelen te realiseren (Blackwill en Harris, 2016) – een structureel onderdeel worden van het Europese externe beleid. Recentelijk zijn met de introductie van het RESourceEU-pakket (Europese Commissie, 2025a) stappen gezet in de richting van een meer gecoördineerde geo-economische aanpak vanuit de Europese Unie. RESourceEU bevat maatregelen voor gezamenlijke verwerving van kritieke grondstoffen, publiek-private investeringsinstrumenten, gestroomlijnde vergunningverlening en een sterker extern partnerschapskader.
Kader 1: Vergeet het Mondiale Zuiden niet
Juist in de relatie met landen in het Mondiale Zuiden liggen er kansen voor versterkte strategische verwevenheid en efficiëntievoordeel. Veel van deze landen zijn in grote mate afhankelijk geworden van China – als afzetmarkt, investeerder of verwerker van hun grondstoffen. Deze afhankelijkheid remt hun industriële productie en vergroot hun kwetsbaarheid voor externe druk (Sachdeva en Xiong, 2025). Daarom groeit bij deze landen de behoefte aan diversificatie van handelspartners. Samenwerkingsverbanden zoals ASEAN en Mercosur zoeken actiever aansluiting bij Europa om hun waardeketens beter te spreiden (Gong, 2024).
Voor de EU biedt dit een geopolitiek venster van wederzijds belang: strategische partnerschappen gebaseerd op vertrouwen, gelijkwaardigheid en gedeelde economische belangen. Zo liggen er kansen in landen als Chili, Indonesië en Zuid-Afrika. China is de dominante afnemer van hun grondstoffen en investeert grootschalig in infrastructuur – van energiecentrales tot mijnbouw. Deze landen beschikken over cruciale grondstoffen en opkomende industrieën, maar willen hun export diversifiëren en zoeken daarbij actief naar nieuwe partners om minder afhankelijk van China te worden (Gong, 2024). Dit vraagt dat de EU, net als China, bereid is te investeren in lokale verwerking, industriële capaciteit en markttoegang (Carry, 2025). Door deze vraag serieus te nemen en structurele samenwerking aan te bieden, kan de EU allianties smeden die niet alleen geopolitiek waardevol zijn, maar ook bijdragen aan duurzame economische ontwikkeling in partnerlanden.
Mits strategisch afgestemd, kunnen de beleidsdomeinen van handel, energie- en grondstoffenbeleid en ontwikkelingsfinanciering de kern vormen van een Europese geo-economische strategie, betoog ik in dit artikel. Dat vergt nog vijf belangrijke stappen.
Breng strategische handelsdoelen in kaart
Het externe handelsbeleid van de EU is lange tijd technocratisch en gefragmenteerd gebleven (Schaus, 2025). Handelsovereenkomsten zijn gericht op markttoegang, standaardisering en duurzaamheid, maar missen strategische afstemming met bredere geopolitieke doelstellingen. De EU zou een duidelijk plan moeten opstellen waarin overwogen wordt welke grondstoffen en andere inputs noodzakelijk zijn voor deze geopolitieke doelstellingen.
Het handelsakkoord van de EU met Mercosur illustreert hoe geopolitieke kansen onbenut blijven. Ondanks de strategische relevantie van de Mercosurlanden voor de Europese groene en digitale transitie, zijn kritieke grondstoffen in de overeenkomst te onderbelicht gebleven. Dit hangt onder meer samen met zorgen over de ecologische en sociale impact van mijnbouw.
Omdat er een sterke wisselwerking tussen OESO-standaarden en bestaande EU-wetgeving is, bieden trajecten richting OESO-toetreding, zoals die van de grondstoffenrijke landen Argentinië, Indonesië en Peru, aanknopingspunten. Zij kunnen niet alleen leiden tot diepere economische integratie, maar ook tot beleidsmatige convergentie op het gebied van duurzaamheid, transparantie en institutionele versterking – thema’s die aansluiten op de strategische belangen van de EU.
Energie en kritische grondstoffen cruciaal
De energie- en grondstoffensectoren bieden het meeste potentieel om de geopolitieke positie van de EU te versterken. Een structurele zwakte van de Europese economie is de relatief hoge energieprijs. Zoals ook centraal gesteld door Draghi (2024), betaalt de EU structureel twee tot drie keer zo veel voor energie als de Verenigde Staten of China. Sinds het uitbreken van de oorlog in Oekraïne is de EU bovendien in toenemende mate afhankelijk geworden van de Verenigde Staten en andere partners voor de import van duur, vloeibaar aardgas. Dit ondermijnt niet alleen de concurrentiekracht van de Europese industrie, maar ook de geopolitieke weerbaarheid van de Unie.
Denktank Bruegel wijst op het belang van nauwere samenwerking met het Mondiale Zuiden op energiegebied, met name voor de industriële sector (McWilliams et al., 2025). Omdat de opwekking van schone energie binnen de EU steeds meer op fysieke en ruimtelijke beperkingen stuit, en de import van schone energie, in de vorm van elektriciteit of waterstof, hogere transportkosten kent, is een alternatief om energie-intensieve primaire producten te importeren. Het gaat daarbij om basisgrondstoffen zoals ammoniak, methanol en gereduceerd ijzer, waarvan de productie zeer veel (schone) energie vereist. Bruegel schat dat deze vermeden binnenlandse productie overeenkomt met meer dan tien procent van de toekomstige Europese vraag naar schone energie.
De EU zou dit soort tussenproducten mee moeten nemen in de lijst van strategische handelsgoederen. Zij zijn vaak goedkoper te verhandelen dan energie zelf en kunnen de concurrentiepositie van energie-intensieve waardeketens – zoals de staalindustrie – versterken. Bovendien zou de totale energievraag binnen Europa afnemen, wat op termijn zou bijdragen aan lagere elektriciteitsprijzen en bredere concurrentiekracht.
In veel gevallen zou de import van energie-intensieve primaire producten de import van relatief laag-bewerkte grondstoffen vervangen. Daarmee verschuiven energie-intensieve verwerkingsstappen – zoals de reductie van ijzererts tot ijzer – van Europa naar landen met ruimere en goedkopere toegang tot schone energie. De afhankelijkheid van buitenlandse inputs verandert hierdoor van samenstelling, maar neemt per saldo niet noodzakelijk toe.
Een voordeel is dat de kosten van hernieuwbare energie in veel landen van het Mondiale Zuiden significant lager zijn en verder zullen dalen in vergelijking met Europa en Noord-Amerika, dankzij schaalvoordelen en gunstige natuurlijke omstandigheden (IRENA, 2024). In bestaande handelsovereenkomsten en bij het sluiten van nieuwe partnerschappen zou de handel in energie-intensieve, duurzame producten dan ook een prominentere rol moeten krijgen.
De directe economische impact van het verschuiven van energie-intensieve productie blijft bovendien beperkt, omdat het gaat om productieprocessen in vroege stadia van waardeketens, met relatief lage lonen en een beperkte toegevoegde waarde – in Duitsland bijvoorbeeld zijn dergelijke processen goed voor slechts vijf procent van de lonen, zes procent van de toegevoegde waarde en zeven procent van de export (McWilliams et al., 2025).
Behandel handelspartner als gelijkwaardige
Om als handelspartner aantrekkelijk te zijn, zal er in de EU wel een mentaliteitsverandering noodzakelijk zijn. Landen in het Mondiale Zuiden moeten als gelijkwaardige partners worden behandeld. Momenteel bestaat er frustratie in veel van deze landen over wat wordt ervaren als een normatieve en soms paternalistische Europese benadering (Grabbe en Moffat, 2024). Er is een beeld ontstaan dat de EU regels oplegt zonder oog voor de ontwikkelingscontext of transitiecapaciteit van getroffen landen.
Handelsbelemmerende wetgeving zoals de Europese ontbossingsverordening of de gedelegeerde handeling over palmolie is inhoudelijk te rechtvaardigen, maar is vaak opgesteld zonder voorafgaande consultatie met de landen die hierdoor het hardst worden geraakt, zoals Brazilië, de Democratische Republiek Congo, Indonesië en Maleisië. Dit voedt geopolitieke vervreemding, juist in regio’s waar de economische en politieke concurrentie om invloed – tussen de EU, China, de VS en andere spelers – snel toeneemt. Dit betekent niet dat Europese waarden moeten worden losgelaten, maar dat zij tot stand moeten komen door samen te werken op basis van gedeelde strategische belangen en wederzijds voordeel.
Met het RESourceEU-plan erkent de Commissie expliciet de noodzaak van strategische partnerschappen met het Mondiale Zuiden, maar de focus ligt vooral op grondstofzekerheid. Om een voorspelbare geopolitieke handelspartner te worden, moet de EU het externe handelsbeleid koppelen aan gerichte investeringen. Bovendien zal zij een consistent beleid moeten hanteren en bereid zijn om op de lange termijn betrokken te blijven om kapitaal en kennis in te zetten voor waardeketenontwikkeling, technische assistentie en institutionele versterking. Op internationaal niveau zou zo’n strategie ontwikkelingslanden en opkomende economieën beter kunnen integreren in nieuwe, schone industriële waardeketens. Cruciaal is daarbij de samenwerking en kennisoverdracht gericht op verduurzaming van productie.
Door de combinatie van Europese technologische expertise en investeringen enerzijds, en lage energieprijzen anderzijds ontstaat een krachtige dynamiek voor het uitrollen van energie-intensieve productie met een groene footprint. Zo kan stabiele Europese vraag bijdragen aan exportgerichte, duurzame industrieën en tegelijkertijd de afhankelijkheid van China helpen verminderen.
Coördinerend EU-gezantschap nodig
Nederland geldt vaak als voorbeeld hoe ontwikkelingssamenwerking, economische diplomatie en handelsbelangen kunnen worden gecombineerd. Op EU-niveau vormt de Global Gateway (een strategie om de economische en ontwikkelingsbanden met een groot aantal landen aan te halen) een institutionele basis voor een vergelijkbare benadering, maar het programma kent beperkingen. De schaal is vooralsnog beperkt, veel middelen zijn geoormerkt waardoor alle flexibiliteit uit het systeem is weggehaald, en de uitvoeringscapaciteit schiet tekort bij het realiseren van strategische projecten in complexe contexten (Schulze, 2024). Daar komt bij dat de EU en haar lidstaten versnipperd en weinig gecoördineerd ontwikkelingssamenwerking aan derde landen verlenen. Verschillende diensten en lidstaten opereren langs elkaar heen, met afzonderlijke financieringsinstrumenten en uiteenlopende procedures.
De fragmentatie in het ontwikkelingsbeleid maakt de EU minder aantrekkelijk voor partnerlanden die snelle besluitvorming en gebundelde financiering verlangen. China biedt dat wel, en domineert daardoor momenteel de raffinage van strategische grondstoffen zoals lithium, kobalt en zeldzame aardmetalen. De Chinezen bieden mijnbouw, infrastructuur, energievoorziening, leningen en afnamezekerheid in één geïntegreerd pakket aan (Karaki en Karkare, 2025).
De introductie van RESourceEU vormt een belangrijke stap richting meer samenhang. Het pakket bevat voor het eerst institutionele elementen zoals een Chief Resource Officer, een Raw Materials Board en een gezamenlijke projectpijplijn.
Toch blijft de externe dimensie onvoldoende geïntegreerd: in de praktijk blijven instrumenten en prioriteiten versnipperd. De oprichting van een EU-gezantschap voor Energie en Grondstoffen, of een aparte Commissieportefeuille met coördinerend mandaat, kan dat verbeteren. Alleen zo’n structuur kan zorgen voor samenhang tussen handelsbeleid, ontwikkelingssamenwerking, industriepolitiek en externe investeringsinstrumenten, en kan dienen als centraal aanspreekpunt voor partnerlanden en bedrijven. Ook kan zij de coördinatie van langjarige leveringscontracten, risicogaranties en technische bijstand op zich nemen.
Of er een dergelijke effectieve structuur komt, hangt uiteindelijk af van de politieke bereidheid van lidstaten om bevoegdheden te delen, aangezien lidstaten op terreinen als industriebeleid, exportcontroles en ontwikkelingssamenwerking nog steeds voor een belangrijk deel nationaal bevoegd zijn.
Zorg dat kapitaal wordt gemobiliseerd
Tot slot zal de EU als investeerder moeten leren denken en handelen. Cruciaal in dit verband is het mobiliseren van het grote Europese institutionele kapitaal. Europese pensioenfondsen, verzekeraars en vermogensbeheerders beheren gezamenlijk duizenden miljarden euro’s, maar beleggen dit overwegend in liquide activa zoals Amerikaanse staatsobligaties of beursgenoteerde ondernemingen. Slechts een klein deel vindt zijn weg naar strategische projecten binnen of buiten Europa. Europese ontwikkelingsbanken, zoals de EIB, en nationale instellingen, zoals FMO of Bpifrance, hebben vaak beperkt mandaat qua risicoprofiel en politieke snelheid. Het ontbreekt hun aan schaalbare projectvoorbereidingsfinanciering (Findeisen en Wernert, 2023). Mogelijk kan door ‘blended finance’ met publieke middelen – in de vorm van garanties, leningen of first-loss-capital – meer privaat vermogen aangetrokken worden.
Tevens zal de risicoperceptie van investeerders moeten veranderen. Europese marktpartijen vermijden investeringen in de grondstoffensector van ontwikkelingslanden vanwege vermeende instabiliteit, terwijl ze vaak wel bereid zijn om onder vergelijkbare omstandigheden te investeren in olie- en gasprojecten (Karaki en Karkare, 2025). Dit duidt op een discrepantie tussen waargenomen en feitelijke risico’s, en daarmee op de noodzaak van publieke risicodeling.
Duitsland, Frankrijk en Italië hebben inmiddels nationale fondsen opgezet om hun toegang tot strategische materialen veilig te stellen (Schulze, 2024). Maar een betere stap, ondanks de relatief beperkte schaal, is de recente introductie van een algeheel EU-grondstoffenfonds via RESourceEU. Een opgeschaalde structuur zal noodzakelijk zijn om coördinatie en schaalvoordelen te realiseren.
Tot besluit
De EU bevindt zich in een mondiale context waarin economische afhankelijkheden doelbewust worden ingezet als instrument van geopolitieke macht. In deze realiteit is het niet langer voldoende om te vertrouwen op juridische normen, multilaterale afspraken of marktlogica alleen. De EU beschikt over een krachtige economische basis – een grote interne markt, regelgevende invloed en institutionele stabiliteit – maar benut deze nog onvoldoende strategisch.
Het is tijd voor een geloofwaardige geo-economische strategie waarin de EU haar instrumentarium op het gebied van handel, energie, grondstoffen, ontwikkelingsfinanciering en kapitaal integraal gecoördineerd inzet. De EU moet niet streven naar (strategische) autonomie, maar bewust wederzijdse economische verwevenheid opbouwen met strategische partners in het Mondiale Zuiden. Juist daar liggen kansen voor partnerschappen die niet alleen bijdragen aan Europese weerbaarheid, maar ook aan duurzame ontwikkeling ter plekke.

Literatuur
Balfour, R., E. Baroncelli, L. Bomassi et al. (2024) Geopolitics and economic statecraft in the European Union. Carnegie Europe. Te vinden op carnegieendowment.org.
Blackwill, R.D. en J.M. Harris (2016) War by other means: Geoeconomics and statecraft. Cambridge, MA: Harvard University Press.
Carry, I. (2025) Raw materials partner Chile: more than just a supplier. Stiftung Wissenschaft und Politik, Comment, 26. Te vinden op swp-berlin.org.
Cha, V.D. (2023) Collective resilience: deterring China’s weaponization of economic interdependence. International Security, 48(1), 91–124.
Draghi, M. (2024) The future of European competitiveness. A competitiveness strategy for Europe. Europese Commissie Rapport, september. Te vinden op commission.europa.eu.
Europese Commissie (2025a) Commissie keurt RESourceEU goed om de voorziening van grondstoffen veilig te stellen, afhankelijkheden te verminderen en het concurrentievermogen te stimuleren. Europese Commissie, Persbericht, 3 december. Te vinden op eunewsletter.eu.
Europese Commissie (2025b) Critical raw materials. Te vinden op
single-market-economy.ec.europa.eu.
Europese Commissie (2025c) Eurostat Statistics Explained. Category: International trade. Te vinden op ec.europa.eu.
Europese Commissie (2025d) Hydrogen. Te vinden op
energy.ec.europa.eu.
Farrel, H. en A. Newman (2023) Underground empire: How America weaponized the world economy. Londen: Allen Lane.
Findeisen, F. en Y. Wernert (2023) Meeting the costs of resilience: The EU’s Critical Raw Materials Strategy must go the extra kilometer. Jacques Delors Centre, Policy Brief. Te vinden op delorscentre.eu.
Gong, X. (2024) The challenges behind China’s Global South policies. Carnegie Endowment, 11 december. Te vinden op carnegieendowment.org.
Gopinath, G. (2023) Europe in a fragmented world. First Deputy Managing Director Remarks for the Bernhard Harms Prize. 30 november, Berlijn. Te vinden op imf.org.
Grabbe, H. en L.L. Moffat (2024) Extra time for deforestation: lessons for future EU environmental legislation. Bruegel Policy Brief, 28/2024.
Haramboure, A., G. Lalanne, C. Schwellnus, en J. Guilhoto (2023) Vulnerabilities in the semiconductor supply chain. OECD Science, Technology and Industry Working Paper, 2023/05.
IRENA (2025) Renewable power generation costs in 2024. International Renewable Energy Agency, juli.
Karaki, K. en P. Karkare (2025) Lessons for Europe from China’s critical minerals strategy in Africa. The China in Africa podcast, 3 juli. Te vinden op chinaglobalsouth.com.
McWilliams, B., S. Tagliapietra en J. Zettelmeyer (2025) Reconciling the European Union’s clean industrialisation goals with those of the Global South. Bruegel Policy Brief, 18/2025.
Meunier, S. en K. Nicolaïdis (2006) The European Union as a conflicted trade power. Journal of European Public Policy, 13(6), 906–925.
Meunier, S. en K. Nicolaïdis (2019) The geopoliticization of European trade and investment policy. Journal of Common Market Studies, 57(S1), 103–113.
Sachdeva, M. en Y. Xiong (2025) China’s huge trade surplus – where next? Deutsche Bank Flow, 26 maart. Te vinden op flow.db.com.
Schaus, M. (2025) The EU trade and investment policy: Navigating challenges and seizing opportunities. Intereconomics, 60(1), 46–48.
Schulze, M. (2024) Security of Supply in Times of Geo-economic Fragmentation: Enhancing the External Dimension of the EU’s Raw Materials Policy. Stiftung Wissenschaft und Politik , Commentaar, April.
World Nuclear Association (2025) Nuclear power in the European Union. World Nuclear Association, 9 december. Te vinden op world-nuclear.org.
Auteur
Categorieën