Ga direct naar de content

Vermogensbezit zal steeds meer bepaald worden door erfenis

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: juni 25 2026

De huidige generatie 75-plussers beschikt over veel meer vermogen dan eerdere generaties, met name als gevolg van de sterke toename van de huizenprijzen. De komende decennia zal dat zorgen voor een ongekende golf aan erfenissen. Dat zal huishoudens zonder vermogende ouders verder op achterstand zetten.

In het kort

  • Het nettovermogen van het gemiddelde Nederlandse huishouden is sinds 2011 verdubbeld in nominale termen.
  • Nederland kent 1,34 miljoen 75-plus-huishoudens met een ­collectief nettovermogen van 491 miljard euro.
  • Erfgenamen van huurders ontvangen slechts een fractie van wat de erfgenamen van woningbezitters aan erfenis ontvangen.

Tot voor kort speelden erfenissen in het leven van de meeste Nederlanders een bescheiden rol. In 1985 liet het hoofd van een Nederlands huishouden die op 73-jarige leeftijd stierf, gemiddeld 9.500 euro per ontvanger na. Geld dat na de uitvaart eenvoudig werd verdeeld onder de nabestaanden en ruimschoots onder de fiscale vrijstelling voor de erfbelasting bleef. Dergelijke bedragen hadden maar weinig invloed op de familieverhoudingen en noopten niet direct tot het bijstellen van de eigen financiële planning of het voeren van lange gesprekken aan de familietafel.

Maar de bedragen en belangen zijn rap veranderd. De microdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) laten zien dat de vermogens van Nederlandse huishoudens enorm zijn gegroeid. Zo bedroeg het nettovermogen – vermogen na aftrek van schulden – van het gemiddelde Nederlandse huishouden in 2023 maar liefst 327.000 euro – een verdubbeling sinds 2011 in nominale termen. Dat vermogen verschilt wel sterk per huishouden en loopt op met de leeftijd. Zo zien wij dat het netto-huishoudensvermogen voor de oudste generatie – de 75-plussers – aanzienlijk hoger is met zo’n 375.000 euro (figuur 1, linker as). Ook blijkt het enorme 75-plus-vermogen scheef verdeeld. De mediaan van het vermogen van 75-plus-huishoudens ligt met 205.000 euro bijna twee ton lager. Nog steeds een aanzienlijk bedrag, maar ook een duidelijke indicatie dat niet iedereen straks kan rekenen op eenzelfde erfenis.

De 75-plus-generatie is bovendien sterk in omvang gegroeid: sinds 2023 is het aantal 75-plus-huishoudens opgelopen tot 1,34 miljoen (figuur 1, rechter as), en daarmee collectief goed voor een nettovermogen van 491 miljard euro. Een recordbedrag dat de komende jaren binnen onze samenleving zal worden doorgegeven in de vorm van erfenissen. Deze 491 miljard vormt het Nederlandse equivalent van de Amerikaanse ‘Great Wealth Transfer’ en gaat ook invloed hebben op onze samenleving. Dit artikel beschrijft de bron van de vermogensgroei en de wijze waarop deze de toekomstige ongelijkheid kan beïnvloeden.

Eigenwoningbezit als bron van vermogen

Wesselius (2025) laat zien hoe de eigen woning de boventoon is gaan voeren in het huishoudensvermogen. Nederlandse huizenprijzen zijn in de afgelopen dertig jaar vervijfvoudigd, dus iedereen die in de afgelopen dertig jaar kon beschikken over een koopwoning heeft zo goed als automatisch een aanzienlijke overwaarde opgebouwd, ook zonder af te lossen op de hypotheek.

De toegenomen rol van eigenwoningbezit in het huishoudensvermogen blijkt ook uit figuur 2, die de samenstelling van het netto-huishoudensvermogen toont van 75-plus-huishoudens mét en zonder koopwoning toont voor de jaren 2011, 2017 en 2023. Terwijl het nettovermogen van 75-plus-huishoudens met een huurwoning sinds 2011 is gegroeid van 37.000 naar 50.000 euro in 2023, zijn deze bedragen voor woningeigenaren niet alleen hoger, ze zijn ook een stuk sneller gestegen – van 472.000 euro in 2011 tot maar liefst 690.000 euro in 2023. De overwaarde van de eigen woning is ook het deel dat het snelst steeg.

Het eigenwoningbezit onder 75-plussers stijgt bovendien gestaag. Terwijl in 2011 slechts 48 procent van het 75-plus-cohort eigenwoningbezitter was ligt dat aandeel twaalf jaar later boven de zestig procent (figuur 3).

Het eigen huis als Piketty-katalysator

In Kapitaal in de 21ste eeuw liet Thomas Piketty (2014) zien dat vermogensongelijkheid versneld optreedt wanneer het rendement op kapitaal hoger ligt dan de economische groei. In die omstandigheden kunnen rijke huishoudens met een relatief groot vermogen profiteren van het hogere rendement op kapitaal, waardoor hun hoge vermogen in de toekomst harder zal groeien. Huishoudens met een laag vermogen hebben beperkter toegang tot dit hoge rendement en zullen hun vermogen vooral moeten laten aangroeien door hun loon, dat enkel toeneemt met de relatief lage economische groei. Dit leidt tot grotere vermogensongelijkheid.

In de CBS-cijfers zien wij nu een additioneel onderscheid in dit rendement op kapitaal van Piketty. Het rendement op de eigen woning, gemeten door de groei in overwaarde, was in de afgelopen vijftien jaar bijzonder sterk. Mede dankzij de snel stijgende koopprijzen, die grotendeels gefinancierd werden door middel van hypotheken met een (fiscale aftrekbare) lage rente. Dit hefboomeffect hielp de rugwind van huizenprijsstijgingen sinds 2011 om te zetten in een gemiddeld rendement op de eigen woning van veertien procent, terwijl huishoudens met een huurwoning hun geld gedurende dezelfde periode konden sparen tegen een gemiddelde spaarrente van 1,3 procent. Dit verklaart dan ook deels het groeiende verschil in figuur 2.

Maar anders dan in het werk van Thomas Piketty, die zijn pijlen richtte op de rijkste één procent van de samenleving, zien we hier vermogensrendement dat niet enkel werkt voor een kleine groep rijken. Het eigenwoningbezit in Nederland bedraagt volgens het CBS momenteel ruim 57 procent. Het woningrendement blijft dus niet beperkt tot de elite, maar wordt genoten door ruim de helft van de Nederlandse huishoudens. Hiermee is de eigen woning een katalysator voor een alsmaar bredere vermogenskloof tussen de 57 procent Nederlanders die een eigen woning bezitten versus de 43 procent die huurt. Een vermogenskloof die bij de 75-plussers heeft bijgedragen aan het geconstateerde verschil van 690.000 versus 50.000 euro aan nettovermogen. Een verschil dat bovendien in de komende jaren zal worden uitgekeerd in de vorm van ­erfenissen.

Erfenis hangt af van woonsituatie

In het gros van de gevallen zal de erfenis uiteindelijk eindigen in handen van de kinderen. Het aantal kinderen per huishouden dat straks de erfenis zal verdelen, daalt bovendien gestaag. Zo blijkt uit de CBS-huishoudensstatistieken dat de gemiddelde erfenis in 2011 nog werd verdeeld onder 3,2 erfgenamen; in 2023 zijn dat er gemiddeld nog slechts 2,3. De erfenis per erfgenaam neemt dus nog harder toe dan het totale te erven vermogen.

De gemiddelde geraamde toekomstige erfenis per ontvanger verschilt echter sterk op basis van de woningmarktpositie, zowel onder erflaters als onder erfgenamen. Tabel 1 verdeelt de nettovermogens van 75-plussers over hun kinderen. De tabel toont dat hurende kinderen van 75-plus-ouders straks gemiddeld 18.000 euro erven indien hun ouders in een huurwoning wonen; als hun ouders in een koopwoning wonen, erven zij maar liefst twintig keer meer (368.000 euro). Opvallend is dat kinderen met een koopwoning zelfs nog iets meer ontvangen: 463.000 euro. Dat kinderen met een koopwoning gemiddeld een hogere erfenis ontvangen komt onder andere doordat deze groep voor een deel bestaat uit rijkere ouders, die hun kinderen eerder al financieel hebben ondersteund.

Dit pad-afhankelijke verschil in ­woningmarktpositie onder ervende kinderen heeft in de afgelopen jaren al gezorgd voor een verschil in vermogens. Zo beschikken hurende kinderen van 75-plussers zelf op dit moment over 25.000 euro aan netto-huishoudensvermogen, terwijl kinderen met een eigen koopwoning al beschikken over gemiddeld 450.000 euro aan vermogen. Indien een kind met koopwoning dus straks erft van een 75-plus-ouder met koopwoning, dan wordt dat nettovermogen gemiddeld 913.000 euro (450.000 plus 463.000). Een hurend kind van een 75-plusser zal van een hurende ouder gemiddeld 18.000 euro erven en komt daarmee op een netto-huishoudens­vermogen van 43.000 euro (25.000 plus 18.000).

De erfenissen kunnen zo zorgen voor een scherpe tweedeling in de maatschappij: ongeveer een derde van de erfgenamen heeft ouders zonder koophuis en kan dus een beperkte erfenis tegemoet zien, terwijl ruim twee derde van de erfgenamen een veel groter bedrag kan verwachten.

Conclusie en implicaties

De aanstaande verervingen gaan de vermogensongelijkheid in onze maatschappij dus verder vergroten. Erfgenamen van huishoudens zonder koopwoning zullen op een extra achterstand worden gezet. Een hogere erfbelasting zou die ongelijkheid kunnen beperken, maar kan politiek lastig liggen. Om de groei van de ongelijkheid te beperken kan eventueel ook gedacht worden aan een hogere vrijstelling voor het nalaten aan niet-woningbezitters, inclusief kleinkinderen. Verder is het verstandig om als samenleving na te denken over hoe we omgaan met de erfenisgolf. Zo valt er wat voor te zeggen om huishoudens met vermogen te stimuleren om grotere delen daarvan eerder in het leven in te zetten, bijvoorbeeld middels een ruimere fiscale vrijstelling voor studie, de aflossing van een studieschuld, of het aflossen van de hypotheek op het eigen huis. Met de grote financiële transitie die op komst is, kan het tot slot geen kwaad om grootschaligere en moderne financiële planning op huishoudniveau stimuleren. Regeren is vooruitzien en de erfenisgolf is duidelijk in zicht: het wordt tijd dat we onze beleidskoers bepalen.

Een statig landhuis met een symmetrische gevel staat achter een open smeedijzeren poort met twee hoge bakstenen pilaren en een keurig onderhouden tuin met gesnoeide struiken en bomen.

Beschrijving gegenereerd door AI
Getty Images

Literatuur

Piketty, T. (2014) Kapitaal in de 21ste eeuw. Amsterdam: De Bezige Bij.

Wesselius, N. (2025) Nagelaten vermogen tussen 2007 en 2022 ruim verdubbeld. Statistiek op esb.nu, 1 oktober

Auteurs

  • Dirk Brounen

    Hoogleraar aan Tilburg University en aan de Universiteit ­Maastricht

  • Nils Kok

    Hoogleraar aan de Universiteit Maastricht

  • Jonas Wogh

    Onderzoeker aan de Universiteit Maastricht

Plaats een reactie