De hervorming van box 3 dreigt te verzanden in kritiek op de vermogensaanwasbelasting. Het kabinet wil uiteindelijk een integrale vermogenswinstbelasting invoeren. Dat zou onverstandig zijn.
In het kort
- Een vermogenswinstbelasting geeft grotere welvaartsverliezen dan een vermogensaanwasbelasting.
- Een vermogenswinstbelasting belast kleinere vermogens zwaarder dan een vermogensaanwasbelasting dat doet.
- Het wetsvoorstel voor box 3 kan worden verbeterd met achterwaartse verliesverrekening en flankerende maatregelen.
Een storm van kritiek barstte los nadat een ruime meerderheid van de Tweede Kamer in februari instemde met de Wet werkelijk rendement box 3 (Tweede Kamer, 2025). In de nieuwe box 3 wordt het rendement op vermogen in de hoofdregel belast met een vermogensaanwasbelasting (vab). Dit betekent dat waardestijgingen worden belast in het jaar waarop ze aangroeien. Vastgoed en aandelen in start-ups zijn hiervan uitgezonderd en worden belast met een vermogenswinstbelasting (vwb), waarbij waardestijgingen pas worden belast in het jaar waarop zij worden gerealiseerd.
Nadat het wetsvoorstel bij de Eerste Kamer werd ingediend, gaf het kabinet aan nog bepaalde aanpassingen te willen doorvoeren, bijvoorbeeld bij de verliesverrekening en de definitie van start-ups. Bovendien heeft het kabinet in het regeerakkoord aangegeven de nieuwe wet te beschouwen als een opstap naar invoering van een integrale vwb (Coalitieakkoord, 2026).
Een toekomstige invoering van een integrale vwb zou echter uitermate onverstandig zijn. In dit artikel betogen we dat een vab als hoofdregel de beste basis vormt voor de herziening van box 3. Daarnaast weerleggen we allerlei bezwaren en misverstanden in het box 3-debat en doen we voorstellen ter verbetering van het wetsvoorstel.
Vermogensaanwasbelasting doelmatiger
Een vab en een vwb verkleinen allebei de prikkel om vermogen op te bouwen, aangezien de overheid rendementen op dat vermogen belast. Maar omdat een vwb daarnaast ongewenste gedragseffecten in portefeuillekeuzes geeft, is een vab doelmatiger.
Bij een vwb kunnen beleggers zelf bepalen wanneer ze hun winsten realiseren, wat leidt tot uitstel- of blokkeringseffecten (Auerbach, 1991; Auerbach en Bradford, 2004). Door verkoop van aandelen uit te stellen kan een belegger rendement behalen over het stuk vermogensaanwas dat zonder uitstel zou zijn wegbelast. Uitstel van winstrealisatie levert de belegger daarmee altijd een belastingvoordeel op. Dit belastingvoordeel is aanzienlijk en uit zich in significant lagere effectieve belastingtarieven op vermogensbestanddelen met waardestijgingen. Het belastingvoordeel wordt groter naarmate winstneming langer wordt uitgesteld en koerswinst belangrijker wordt in het totale beleggingsrendement. Bij een statutair tarief van 36 procent, een gemiddeld rendement aan koerswinst van 9 procent, en een houdperiode van twintig jaar is het effectieve tarief meer dan gehalveerd tot 17,9 procent (Jacobs, 2026).
Beleggers worden met een vwb aangezet om meer in aandelen, onroerend goed of crypto te beleggen, want die beleggingen worden bij uitstel van winstneming lichter belast dan spaargeld of obligaties. Ook moet worden gevreesd voor de opkomst van beleggingsfondsen die geen dividend uitkeren en uitsluitend koerswinsten genereren, net zoals het geval was vóór de belastingherziening van 2001 (MinFin, 1999). Ten slotte zullen beleggers bij een vwb hun winstrealisatie strategisch timen in jaren waarop het belastingtarief toevallig lager ligt dan in andere jaren.
Bij een vab is er geen strategisch gedrag mogelijk, omdat de hoogte van de belasting niet afhangt van het realisatiemoment. Hierdoor zijn de effectieve tarieven op inkomen uit sparen, obligaties en aandelen gelijk en blijft de portefeuillesamenstelling van beleggers onverstoord. De welvaartsverliezen als gevolg van de gedragseffecten bij een vwb lopen vergeleken met een vab snel op tot zo’n 0,5 procent van de levensconsumptie van een belegger (Jacobs, 2026).
Vermogensaanwasbelasting rechtvaardiger
Een vwb werkt sterke rechtsongelijkheid tussen verschillende soorten beleggers in de hand en schendt daarmee rechtvaardigheids- en rechtsgelijkheidsprincipes.
Bij hetzelfde vermogen discrimineert een vwb de beleggers die relatief veel sparen, beleggen in obligaties, beleggen in aandelen die relatief veel dividend uitkeren, of hun aandelen relatief kort aanhouden ten opzichte van de gemiddelde aandelenbelegger. Het effectieve belastingtarief over de vermogensinkomsten van beleggers in deposito’s en obligaties is hoger dan dat van beleggers in aandelen, omdat bij aandelen een groot deel van het rendement bestaat uit ongerealiseerde waardestijgingen die pas (veel) later worden belast. Een vwb schendt daarmee principes van horizontale gelijkheid: het leidt tot ongelijke fiscale behandeling van beleggers die gelijk zijn in zowel vermogen als rendementen op verschillende vermogensbestanddelen, maar een andere voorkeur hebben over hoe die vermogens worden belegd.
Een vwb schendt ook principes van verticale gelijkheid, want ze discrimineert mensen met minder vermogen, omdat die relatief veel sparen, terwijl mensen met meer vermogen meer beleggen in aandelen en onroerend goed. Daardoor betalen mensen met een groter vermogen een lager effectief belastingtarief dan mensen met kleiner vermogen.
De vab waarborgt wel horizontale en verticale gelijkheid, omdat de effectieve tarieven voor spaarders, obligatiehouders en aandeelhouders gelijk zijn. Bovendien daalt de effectieve belastingdruk niet in het vermogen.
Eenvoudiger uit te voeren
Een vab is makkelijker uit te voeren dan een vwb. Nu al kunnen de ketenpartners – banken en andere financiële partijen – aan de Belastingdienst alle relevante informatie leveren die nodig is om een aanwasbelasting mogelijk te maken op portefeuillebeleggingen. Op het financiële jaaroverzicht van klanten staan namelijk al de dividenduitkeringen en waardeveranderingen van de beleggingen, net als stortingen en opnames van vermogen.
Bij een vwb moeten zowel financiële partijen als belastingbetalers de waarderingen van al hun aandelen administreren en bijhouden tot aan het moment van verkoop van die aandelen. Dit is aanzienlijk gecompliceerder en kan leiden tot uitvoeringsproblemen, fouten in aangiften, aanslagen op het doenvermogen van belastingplichtigen en geschillen tussen belastingbetalers en de Belastingdienst.
‘Rente-op-rente’-effect geen argument
Critici claimen dat beleggers met een vab minder geld overhouden om te herbeleggen. Dat zou via ‘rente-op-rente’-effecten leiden tot minder vermogensopbouw en daardoor uiteindelijk ook tot lagere belastingopbrengsten (zie bijvoorbeeld VNO-NCW, 2026). Deze claim is onjuist.
Het klopt dat een vwb op de korte termijn tot minder opbrengsten leidt dan een vab. Hierdoor kunnen beleggers meer rente op rente ontvangen. Wat de critici echter over het hoofd zien, is dat de belastingderving voor de overheid ook groeit via rente-op-rente-effecten. Hoewel de opbrengsten op de lange termijn gelijk zijn aan die van een vab met eenzelfde tarief, derft de staat zo’n 14 miljard euro aan opbrengsten in de aanloop naar de lange termijn ex ante, zonder gedragseffecten. Als houdtermijnen langer worden kan dit tot enkele tientallen miljarden oplopen (Jacobs, 2026). Het tarief van de vwb moet dus hoger zijn dan dat van de vab om te zorgen dat de opbrengst gelijk blijft. Als daarmee rekening wordt gehouden, dan blijkt dat de vermogensopbouw precies hetzelfde is voor zowel een vwb als een vab zolang beleggers hun gedrag niet aanpassen (Jacobs, 2026; Gerritsen, 2026b). En zelfs als wél rekening wordt gehouden met gedragseffecten, leiden beide vermogensbelastingen tot een nagenoeg gelijke vermogensopbouw (Jacobs, 2026).
Omgang met illiquide vermogen
Voor liquide vermogensbestanddelen met een duidelijke marktwaardering – obligaties, beursgenoteerde aandelen, ETF’s, crypto – kleven er geen noemenswaardige nadelen aan een vab. Dit vermogen kan immers gemakkelijk in geld worden omgezet, waarmee beleggers kunnen voldoen aan hun belastingplicht. Het belasten van (nog) niet gerealiseerde winst sluit voor liquide vermogen goed aan bij de draagkrachtontwikkeling van de belegger (Gerritsen, 2026a).
Een vab is lastiger uit te voeren als het vermogen vastzit in een bv of vastgoed, of als de waarde daarvan moeilijk objectief is vast te stellen. Belastingplichtigen kunnen dan in liquiditeitsproblemen komen om de belasting te betalen en er kunnen geschillen met de Belastingdienst ontstaan over de juiste waardering. Het is daarom te billijken dat het wetsvoorstel een uitzondering maakt voor vastgoed en aandelen in start-ups en deze met een vwb belast. Wel is het dan aan te raden flankerende maatregelen te nemen om het uitstelvoordeel zo veel mogelijk te neutraliseren.
Hoewel de uitzonderingsregel is te begrijpen, is het wel de vraag hoe ernstig de door critici voorgestelde liquiditeitsproblemen in werkelijkheid zijn. In box 3 wordt al belast ongeacht realisatie. Een (vastgoed)belegger betaalt nu 2,16 procent van zijn portefeuille aan belasting over ‘papieren’ rendementen, ongeacht of hij zijn bezit wel of niet verkoopt én ongeacht of zijn aandelen of onroerend goed op winst of verlies staan. Dit leidt zelden tot problemen en onderzoek van het Ministerie van Financiën suggereert dat dit ook zo blijft bij een vab (Tweede Kamer, 2025). Daarnaast kan het vermogen mogelijk als onderpand dienen voor een lening waarmee de belasting kan worden voldaan. De Belastingdienst kan altijd een betalingsregeling treffen, mochten belastingbetalers toch in liquiditeitsnood komen.
Een nadeel van de uitzondering voor start-ups is dat die ruimte biedt voor gelobby over de precieze start-updefinitie omdat de afbakening van een start-up – in tegenstelling tot bijvoorbeeld vastgoed – ingewikkeld is. Deze lobby’s zijn goed voor deelbelangen, maar schaden het algemeen belang. Bovendien kan de uitzondering ook belastingarbitrage uitlokken als bedrijven om fiscale redenen onder de start-updefinitie gaan vallen.
Juridisch haalbaar
Sommige critici zaaien onterecht twijfels of een vab juridisch wel houdbaar is. Sinds de uitspraak van de Hoge Raad (2021) – het ‘Kerstarrest’ – is het duidelijk dat box 3 in overeenstemming moet zijn met de bepalingen over het eigendomsrecht in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Tegelijkertijd is belastingheffing in beginsel een wettelijk gerechtvaardigde inbreuk op het eigendomsrecht, zolang deze in verhouding staat tot het beoogde doel en zolang discriminatie tussen belastingplichtigen wordt voorkomen (EHRM, 2008; Pauwels, 2009). Het inkomen waarover volgens de wet belasting wordt geheven, mag daarom niet hoger zijn dan het werkelijke inkomen (Hoge Raad, 2021).
De Hoge Raad heeft bepaald dat het werkelijk inkomen bestaat uit alle vermogensinkomsten en vermogenswinsten (of verliezen) op alle vermogensbestanddelen in box 3. Expliciet stelt de Hoge Raad dat de ongerealiseerde vermogensaanwas behoort tot het inkomen. Bovendien hoeft geen rekening te worden gehouden met verrekenbare verliezen uit andere jaren (Hoge Raad, 2024).
De Wet werkelijk rendement box 3 maakt verliesverrekening mogelijk en staat de aftrek van (werkelijke) kosten toe. Daarom voldoet het wetsvoorstel zeker óók aan de bepalingen over het eigendomsrecht in het EVRM. Een vab is dus niet strijdig met het EVRM of uitspraken van de Hoge Raad. Gezien de evidente rechtsongelijkheid die ontstaat onder een vwb rijst overigens de vraag waarom deze belasting wél als juridisch houdbaar wordt beschouwd.
Een vab zou volgens de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs kunnen leiden tot dubbele belastingheffing bij emigratie als buitenlandse overheden een vwb heffen over de verkoop van vermogensbestanddelen die in Nederland al eerder zijn belast met de vab (NOB, 2026). Maar er bestaat geen verband tussen internationale dubbele belastingheffing en de keuze voor een vab of een vwb. Zowel bij een vab als bij een vwb zou dubbele heffing kunnen optreden. Veelal geeft dit geen problemen, omdat de meeste bestemmingslanden een ‘step-up’ verlenen, waardoor eerder opgebouwde vermogenswinst op het moment van emigratie niet meer wordt belast (Albert, 2026). Als landen eerder opgebouwde winst wel zouden belasten, rijst de vraag of dit dan voor Nederland relevant is. Een dergelijk bestemmingsland wil dan inkomen belasten uit perioden waarin mensen helemaal niet in dat land belastingplichtig waren. Dit lijkt juridisch vooral een probleem voor het bestemmingsland en geen reden om geen vab in Nederland in te voeren.
Zolang een belastingplichtige voor de fiscus in Nederland woont, zorgen belastingverdragen ervoor dat Nederland de volledige heffingsbevoegdheid heeft over de vermogensaanwas. Alleen de vermogensaanwas op buitenlands vastgoed mag ook in het buitenland worden belast. Belastingverdragen regelen dan dat dubbele belastingheffing door de woonstaat moet worden voorkomen. De belasting in Nederland wordt in zo’n geval evenredig verlaagd met de belasting die in het buitenland is betaald. Als er geen belastingverdrag zou gelden, volgt een soortgelijke verplichting uit het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. Voor buitenlanders die vermogen hebben in Nederland geldt exact hetzelfde (Van den Dool, 2009). Mocht een ander land geen verrekening toestaan van in Nederland betaalde vab, dan is dat wederom toe te rekenen aan dat land, en geen reden om in Nederland geen vab in te voeren.
Aanpassingen en flankerend beleid
Hoewel de vab te verkiezen is boven een vwb, is een aantal flankerende maatregelen of aanpassingen mogelijk om het huidige stelsel te verbeteren.
Verliesverrekening
In ieder stelsel, of het nu om vab of om vwb gaat, speelt een discussie of verliezen verrekend moeten kunnen worden met winsten uit eerdere jaren (achterwaartse verliesverrekening) en/of latere jaren (voorwaartse verliesverrekening). De nieuwe wet maakt vooralsnog volledige voorwaartse verliesverrekening mogelijk, maar geen achterwaartse. Volledige verliesverrekening is echter essentieel. Onvolledige verliesverrekening verhoogt namelijk de effectieve belastingdruk op risicodragende vermogensbestanddelen en discrimineert daarmee tussen verschillende beleggers. Dit principe geldt overigens voor zowel een vwb als een vab. Het is daarom aan te bevelen dat in het aangepaste voorstel voor de Wet werkelijk rendement box 3 volledige verliesverrekening mogelijk wordt gemaakt: net als nu al het geval is in box 1, box 2 en in de vennootschapsbelasting, moet ook in box 3 achterwaartse verliesverrekening mogelijk worden gemaakt.
Inflatiecorrectie
Het Nederlandse belastingstelsel belast nominale kapitaalinkomens. In beginsel behoren reële kapitaalrendementen te worden belast. Dit geldt zowel voor een vwb als voor een vab. De overheid kan overwegen ieder jaar een inflatiecorrectie toe te passen. Daarbij geldt wel dat beleggers op de financiële markten waarschijnlijk al voor een groot deel – maar niet volledig – worden gecompenseerd voor hogere inflatie. In efficiënte financiële markten stijgen nominale rentes, beleggingsrendementen, huren en vastgoedprijzen namelijk een-op-een mee met de verwachte inflatie (het Fischer-effect; Feldstein, 1976). Een praktisch alternatief voor een inflatiecorrectie is een lager tarief op nominaal kapitaalinkomen vanwege allerlei complicaties die kunnen optreden bij het juist implementeren van inflatiecorrecties, in zowel de inkomstenbelasting als de vennootschapsbelasting (Beer et al., 2023).
Arbitragemogelijkheden met box 2 beperken
Verschillen in belastingheffing tussen boxen creëren arbitragemogelijkheden en zijn daarom onwenselijk. Omdat in box 2 een vwb wordt geheven op vermogensinkomsten en -winsten uit aanmerkelijk belang, zal een vab in box 3 het aantrekkelijker maken om vermogen te verplaatsen naar box 2 om zo tóch te profiteren van een uitstelvoordeel. Daarom bepleiten sommigen een vwb in box 3. Het is echter beter om een vab in box 3 in te voeren en tegelijkertijd uitstelvoordelen in box 2 te beperken, dan de uitstelproblemen van box 2 naar box 3 te kopiëren.
Flankerend beleid moet belastinguitstel in beide boxen zo veel mogelijk beperken. Hiervoor bestaan verschillende opties. Een mogelijkheid is de invoering van een ‘vermogenswinstvoorheffing’ in box 2, conform het voorstel van de Commissie inkomstenbelasting en toeslagen (2013) voor een vermogensbelasting in box 2. Daarbij wordt jaarlijks een beperkt percentage van het eigen vermogen belast (Cnossen en Jacobs, 2021; Saez et al., 2021). Die vooruitbetaalde belasting wordt later, bij verkoop van de aandelen, verrekend met de vwb. De angel wordt zo uit het blokkeringseffect getrokken, omdat aandeelhouders geen rente ontvangen op de voorgeheven belasting. Zo’n voorheffing zou alleen moeten gebeuren voor de meer winstgevende ondernemingen, zodat al te grote administratieve rompslomp en liquiditeitsproblemen bij mkb-ondernemingen vermeden kunnen worden.
Een minder vergaande variant is om de voorheffing te berekenen over het beleggingsvermogen in box 2. Dan wordt de prikkel weggenomen om beleggingen in box 3 over te brengen naar een beleggings-bv in box 2.
Retrospectieve vermogenswinstbelasting op vastgoed
Om welvaartsverliezen van de vwb op vastgoed te beperken zou een retrospectieve vwb moeten worden ingevoerd (Auerbach, 1991). Achteraf wordt het belastingtarief dan gecorrigeerd voor de houdperiode, het gemiddelde vermogensrendement en de waardestijging zodat exact het fiscale voordeel van winstuitstel wordt geneutraliseerd (Jacobs, 2026). Het is ook mogelijk om gerealiseerde winsten op basis van historische WOZ-waarden toe te bedelen aan de verschillende jaren in de houdperiode en vervolgens rente in rekening te brengen over uitgestelde winsten (Gerritsen, 2026a).
Voer geen vermogensbelasting in
Sommigen bepleiten een terugkeer naar het oude box 3-stelsel onder een nieuwe naam: een (progressieve) vermogensbelasting (Meijer, 2025). Dat zou echter uitermate onverstandig zijn. Een vermogensbelasting is formidabel degressief; het effectieve belastingtarief op inkomen daalt (stijgt) naarmate mensen een hoger (lager) rendement behalen.
Daarnaast is een heffing op werkelijk rendement doelmatiger omdat deze ‘bovennormaal’ rendement – overwinsten, windfall profits en de beloning voor superieur beleggingsinstinct, monopolies en geluk – in tegenstelling tot een vermogensbelasting wél belast. Heffingen op bovennormaal rendement verstoren economisch gedrag minder of helemaal niet. Ook geeft een heffing op werkelijk rendement een verzekeringswinst voor huishoudens omdat belastingplichtigen minder blootstaan aan financieel risico. De overheid deelt namelijk mee in pech en geluk van beleggers. Tot slot stabiliseert een inkomstenbelasting de conjunctuur beter dan een vermogensbelasting, omdat automatisch minder belasting wordt geheven in slechte tijden en meer in goede tijden (Cnossen et al., 1999; Cnossen en Bovenberg, 2001; Jacobs, 2010; 2015; 2019; Gerritsen en Zoutman, 2019; Cnossen en Jacobs, 2021; Gerritsen, 2025).
Conclusies
Het is een zegen om het oude systeem vaarwel te zeggen.
Het kabinet moet daarom doorgaan op de nu ingeslagen weg met een vab – waar ook de Tweede Kamer al haar fiat aan gaf. Een vwb leidt tot ongewenste gedragseffecten, horizontale én verticale ongelijkheid, en grotere welvaartsverliezen. Een vab kent deze nadelen niet. Daarnaast is een vab juridisch wel degelijk houdbaar en leidt het niet tot minder vermogensopbouw.
Het wetsvoorstel kan op een aantal onderdelen worden verbeterd, bijvoorbeeld bij de verliesverrekening. Cruciaal is dat de verschillen tussen de belastingboxen worden beperkt door maatregelen die het blokkeringseffect verkleinen of elimineren, zoals een vermogenswinstvoorheffing in box 2 en een retrospectieve vwb op vastgoed in box 3.

Literatuur
Albert, P.H.G. (2026) VAB of VWB? Weekblad Fiscaal Recht, 128.
Auerbach, A.J. (1991) Retrospective capital gains taxation. American Economic Review, 81(1), 167–178.
Auerbach, A.J. en D.F. Bradford (2004) Generalized cash-flow taxation. Journal of Public Economics, 88(5), 957–980.
Beer, S., M. Griffiths en A. Klemm (2023) Tax distortions from inflation: What are they? How to deal with them? Public Sector Economics, 47(3), 353–386.
Cnossen, S. en A.L. Bovenberg (2001) Fundamental tax reform in the Netherlands. International Tax and Public Finance, 8, 471–84.
Cnossen, S. en B. Jacobs (2021) Belast alle werkelijke vermogensopbrengsten, net als andere landen. ESB, 107(4807), 134–137.
Cnossen, S., A.L. Bovenberg, A.C. Rijkers et al. (1999) Vermogensrendementsheffing: vondst of miskleun? OCfEB Paper, 9903. Te vinden op pure.eu.nl.
Coalitieakkoord (2026) Aan de slag: Bouwen aan een beter Nederland. Coalitieakkoord 2026–2030. Te vinden op www.kabinetsformatie2025.nl.
Commissie inkomstenbelasting en toeslagen (2013) Naar een activerender belastingstelsel. Ministerie van Financiën, Eindrapport, juni. Te vinden op www.tweedekamer.nl.
Dool, R.P. van den (2009) Belastingheffing over kapitaalinkomen bij natuurlijke personen. Proefschrift. Deventer: Kluwer.
EHRM (2008) ECLI:CE:ECHR:2008:0429JUD001337805.
Feldstein, M. (1976) Inflation, income taxes, and the rate of interest: A theoretical analysis. American Economic Review, 66(5), 809-820.
Gerritsen, A. (2025) Een economisch perspectief op box 3: Verleden en toekomst. Factsheet Parlement en Wetenschap. Te vinden op www.tweedekamer.nl.
Gerritsen, A. (2026a) De economische logica achter het wetsvoorstel Werkelijk rendement box 3. Weekblad Fiscaal Recht, 2026/59, 4–12.
Gerritsen, A. (2026b) De Eerste Kamer buigt zich deze dagen over de Wet werkelijk rendement #box3. Commentaar op LinkedIn.
Gerritsen, A. en F. Zoutman (2019) Naar een heffing op werkelijk rendement. In: S. Cnossen en B. Jacobs (red.), Ontwerp voor een beter belastingstelsel, ESB: Amsterdam, hst. 2, pp. 20–31.
Hoge Raad (2021) ECLI:NL:HR:2021:1963.
Hoge Raad (2024) ECLI:NL:HR:2024:704; ECLI:NL:HR:2024:705; ECLI:NL:HR:2024:756; ECLI:NL:HR:2024:813 en ECLI:NL:HR:2024:860.
Jacobs, B. (2010) Een economische analyse van een optimaal belastingstelsel voor Nederland. Essay Studiecommissie Belastingstelsel, Den Haag: Ministerie van Financiën.
Jacobs, B. (2015) De prijs van gelijkheid. Amsterdam: Bert Bakker-Prometheus.
Jacobs, B. (2019) Fundamentele hervorming van belastingen op kapitaalinkomen. In: S. Cnossen en B. Jacobs (red.), Ontwerp voor een beter belastingstelsel. Amsterdam: ESB, p. 60–75.
Jacobs, B. (2026) Een vermogenswinstbelasting kost miljarden en geeft onnodig welvaartsverlies. ESB, te verschijnen.
Meijer, H. (2025) Heffing van vermogensbelasting is een goed idee. Weekblad Fiscaal Recht, 197.
MinFin (1999) Miljoenennota 2000, paragraaf 2.4. Te vinden op www.rijksbegroting.nl.
NOB (2026) Nadere beschouwing bij wetsvoorstel werkelijk rendement box 3. Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, Nieuwsbericht, 11 maart.
Pauwels, M.R.T. (2009) Terugwerkende kracht van belastingwetgeving: gewikt en gewogen, Amersfoort: SDU, par. 11.2.2. ev.
Saez, E., D. Yagan en G. Zucman (2021) Capital gains withholding. University of California, Berkeley, januari.
Tweede Kamer (2025) Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om werkelijke inkomsten uit bezittingen en schulden in box 3 te belasten (Wet werkelijk rendement box 3). Kamerstuk, 36748, nr. 2.
VNO-NCW (2026) VNO-NCW wil vermogenswinstbelasting in box 3. VNO-NCW Nieuwsbericht, 22 januari. Te vinden op www.accountancyvanmorgen.nl.
Ziesemer, V. (2026) Met een betere afbakening van illiquide vermogen kan box 3 door. ESB, te verschijnen.
Zoutman, F.T. (2018) The elasticity of taxable wealth: Evidence from the Netherlands. Norwegian School of Economics.
Auteurs
Categorieën
1 reactie
VAB is ingewikkeld en leidt tot onterecht hoge belastingaanslagen
Sinds de uitspraak van de Hoge Raad in 2021 wordt er fors gerommeld aan de vermogensrendementsheffing. Het systeem - zoals door Vermeend c.s. in elkaar gezet - was daarentegen simpel en hoeft alleen maar wat aangepast te worden. Onder andere door niet meer te spreken over een vermogensrendementsheffing, maar over een vermogensheffing van - zeg - 1,2%. En als het rendement onder het belastingtarief van 1,2% duikt, hoeft uiteraard geen belasting te worden betaald. Je kunt het desgewenst nog wat ingewikkelder maken door de vermogensbelasting progressief te maken en/of door voor spaargeld een nóg lager tarief te hanteren.
Ik ben bang dat de discussies over de vermogensrendementsheffing er de eerstkomende jaren niet simpeler op worden en dat we uiteindelijk met een fors gedrocht te maken zullen hebben, waarmee elk jaar voor elke vermogenseigenaar een gigantische administratieve last gepaard gaat.
En met de discussie over vwb of vab wordt er op de vierkante centimeter gesteggeld over een beoogd systeem, waarvan men blijkbaar niet inziet dat dat met hele grote nadelen gepaard gaat. (En dan heb ik het gemakshalve maar niet over de nietszeggende en verwarrende naamgeving van vab en vwb.)
Een wellicht wat extreem voorbeeld. Stel iemand heeft uitsluitend goudcertificaten. De waarde ervan stijgt het eerste jaar met - stel - 20%. Het jaar daarop daalt de goudprijs weer tot het eerdere niveau. Stel dat dit proces zich gedurende acht jaar daarna herhaalt en de eigenaar geen certificaten hoeft te verkopen om belasting te kunnen betalen, maar de belasting kan betalen uit de lopende inkomsten (box 1). Dan wordt de eigenaar in het systeem van de vab aangeslagen voor een vermogensrendement van cumulatief 100%. Dit, terwijl het werkelijke rendement - waarvan ook de vwb uitgaat - nul procent is.
De onterechte aanslagen in de vab-regeling kunnen alleen gecorrigeerd worden door onbeperkte verliesverrekeningen. En daarmee beweegt het vab-systeem zich vanzelf naar een vwb-systeem.
Natuurlijk geldt het nadeel van de facto onterechte heffingen - vanwege het op en neer jojoën van de prijs van vermogensbestanddelen - ook in het systeem van Vermeend c.s. Maar dit is met een belastingtarief van slechts 1,2% van het vermogen te overkomen.
En om de inkomsten voor de overheid op peil te houden, kan een laag tarief gecombineerd worden met een hoog tarief in de erfbelasting (of de "emigratie"belasting), zo'n beetje de ultieme vwb zonder de daarbij horende administratieve lasten.
Peter Janssen
Leidschendam