Ga direct naar de content

Vermogens nemen toe, vermogensongelijkheid niet

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: maart 6 2026

Vermogens zijn tussen 2006 en 2020 vijftig procent harder ­gestegen dan het bruto binnenlands product per hoofd, maar de ongelijkheid binnen de top zestien-procent van de vermogens­verdeling is stabiel gebleven.

In het kort

  • Voor de top 0,1 procent van de verdeling bestaat het vermogen vooral uit aanmerkelijk belang.
  • Lager in de verdeling wordt het vermogen gedomineerd door het eigen huis.
  • De rol van aandelenvermogen is klein en bovendien sterk ­afgenomen.

Het bezit van vermogen is bepalend voor de maatschappelijke positie van individuen en huishoudens. Schenkingen en erfenissen vergroten bijvoorbeeld de ongelijkheid tussen jongeren in het onderwijs en op de woningmarkt (Schulenberg et al., 2024). Vermogensongelijkheid leidt ook tot grote verschillen in zorggebruik en levensverwachting (SER, 2023). Er leven politieke en morele bezwaren tegen de huidige vermogensongelijkheid (Benett et al., 2023; Robeyns, 2023; Piketty en Sandel, 2025).

Desalniettemin laat een recent ESB-artikel zien dat Nederlanders de inkomensongelijkheid weliswaar overschatten, maar vermogensongelijkheid juist onderschatten (Douenne et al., 2025). Dit spanningsveld tussen bevindingen en percepties vraagt om nader inzicht in wat er de afgelopen decennia aan de top van de vermogensverdeling is gebeurd.

In dit artikel analyseren we de vermogensontwikkeling van de top zestien-procent tussen 2006 en 2020 door cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) te combineren met de door Quote geschatte vermogens van de vijfhonderd rijkste Nederlanders (Quote 500). Beide datasets vullen elkaar aan, omdat ze betrekking hebben op niet overlappende delen van de vermogensverdeling.

Stabiele vermogensverdeling aan de top

De gecombineerde data laten zien dat het vermogen sinds 2006 gemiddeld jaarlijks met 2,8 procent is gestegen ten opzichte van het bruto binnenlands product per hoofd, ofwel 50 procent over de periode van 2006–2020. Dat is iets minder dan het langetermijngemiddelde van 3,7 procent dat Jakurti (2025) vindt voor de top één-procent in zeventien landen.

Figuur 1 toont de vermogensverdeling van de top zestien-procent in 2006, 2013 en 2020. Belastingplichtigen worden gerangschikt naar hun plaats in de vermogensverdeling, gerekend vanaf de rijkste belastingplichtigen. Er zijn ruwweg tien miljoen belastingplichtigen. De laatste persoon in het eerste percentiel heeft dus rangnummer 100.000 in de ranglijst van meest vermogenden. De laatste persoon die het schopt tot de Quote 500 is het 0,005e percentiel van de verdeling. De meest gedetailleerde data waarover het CBS rapporteert, betreffen het 0,025e percentiel, dat is dus de 2.500ste belastingplichtige gemeten naar vermogen. Om beide datasets goed te kunnen vergelijken, zijn Quote-rangen omgerekend naar huishoudens. Wij rapporteren in figuur 1 steeds datapunten die een factor twee verder in de verdeling zijn, dus voor de Quote 500-rangnummers 2, 4, 8, 16, 32, enz. tot 500 (volgens deze logica zou dat rangnummer 512 moeten zijn, maar Quote rapporteert slechts tot rang 500). Voor de CBS-data hanteren we een nagenoeg vergelijkbare aanpak. Wij rapporteren 0,025 procent, 0,05, 0,1, 0,25, enz. tot 16 procent.

Omdat de vermogensverdeling zo extreem ongelijk is, hanteren wij een dubbel logaritmische schaal, zodat de variatie in de extreme top goed zichtbaar is. De top van de vermogensverdeling lijkt empirisch redelijk op een Pareto-verdeling, waarbij de punten bij een dubbel logaritmische schaal op een rechte lijn liggen. Als de CBS- en Quote-data precies hetzelfde zouden meten, dan zouden ze dus op één en dezelfde rechte lijn moeten liggen.

De resultaten laten zien dat Quote structureel anderhalf keer hogere vermogens rapporteert dan het CBS. Dit kan een onderschatting van het CBS of een overschatting van Quote zijn, of een combinatie van beide (Van Bavel en ­Frankema, 2017; Toussaint et al., 2020): het CBS waardeert aanmerkelijk belang te laag omdat het een fiscale in plaats van een marktwaardering hanteert, terwijl Quote geen toegang heeft tot feitelijke data en het dus moet doen met noodzakelijkerwijs zeer ruwe schattingen (Toussaint, 2022).

Het combineren van beide databronnen geeft dus een beter beeld van de ontwikkeling in de top van de Nederlandse vermogensverdeling, in lijn met andere studies die een vergelijkbare combinatie van databronnen hanteerden (Vermeulen, 2018; Remington, 2023). Het verschil tussen de databronnen is bovendien constant over deze periode en beide lijnen hebben nagenoeg dezelfde hellingshoek, zodat het verschil tussen beide datasets onafhankelijk is van de omvang van het vermogen. Wel zien we bij de Quote-data een niet-lineair verband, in lijn met de eerdere bevindingen van Teulings en Toussaint (2023) dat de top van de vermogensverdeling niet door een Pareto- maar een Weibull-verdeling wordt beschreven.. In het verleden rekende het CBS in het buitenland aangehouden vermogens niet mee. Toen kwam het verschil tussen de databronnen veel hoger uit.

Het feit dat de helling van de lijn over deze periode stabiel is gebleven, impliceert dat de vermogensongelijkheid binnen de top zestien-procent van de verdeling tussen 2006 en 2020 niet veranderd is. Hoewel we wel een lichte trend zien, zijn de effecten klein en bewegen ze voor CBS en Quote in tegengestelde richting: voor de top 500 is de ongelijkheid iets afgenomen, daaronder is de ongelijkheid iets toegenomen.

Meer aanmerkelijk belang, minder aandelen     

Figuur 2 laat de samenstelling van het vermogen zien voor verschillende percentielen van de verdeling. Voor de ­Quote 500is de samenstelling geschat door de in de CBS-data geobserveerde vermogenssamenstelling te extrapoleren naar de bovenste percentielen. Voor de onderste 99 procent van de verdeling is het eigen huis veruit de belangrijkste component. Voor de top 0,1 procent ligt dat totaal anders: voor hen domineert het aanmerkelijk belang.

Een opvallende ontwikkeling is het afnemende gewicht van aandelen in vermogens. Tussen 2006 en 2020 is dit gewicht gehalveerd, ten gunste van het gewicht van het aanmerkelijk belang. Dat komt mogelijk door verschuivingen in eigendomsstructuren, zoals een toename van management buy outs, de toegenomen rol van private equity en de strategische reactie van beleggers op fiscale prikkels (MinFin, 2020).

De top van de verdeling wordt dus in toenemende mate bepaald door minder transparant ondernemingsvermogen. Door meer te investeren in illiquide ondernemingsvermogen en minder in op de publieke kapitaalmarkt gewaardeerde activa wordt het moeilijker om vermogens accuraat te meten en te belasten (Toussaint, 2022).

Topvermogens vaak self-made

Tabel 1 geeft voor de Quote 500 in 2017 weer of het vermogen van de opgenomen over individuen voornamelijk self-made is of dat het verkregen is via een erfenis. Deze classificaties zijn gemaakt op basis van openbare informatie. Wanneer er onvoldoende informatie beschikbaar was om een eenduidige classificatie te maken, is het individu ingedeeld onder ‘onduidelijk’. Binnen de Quote 500 was zestig procent van de vermogens grotendeels self-made. De eigen onderneming is dus de meest voorkomende route naar de top.

Twaalf procent heeft het vermogen in de IT-sector opgebouwd, blijkt uit onze inschatting van de herkomst van het vermogen van de Quote 500. Waarschijnlijk ligt dit aandeel in de latere jaren nog hoger, door de doorgroei van fintechbedrijven als Bunq, Adyen en Bitvavo en meer in het algemeen door het toegenomen belang van de IT-revolutie. Dit suggereert dat de IT-revolutie en de snelle groei van nieuwe ondernemingen in die sector een grote rol hebben gespeeld bij de groei van private vermogens ten opzichte van het bbp.

Conclusies en discussie

De combinatie van Quote– en CBS-data laat een redelijk consistent beeld zien van de Nederlandse vermogens­verdeling. Terwijl het CBS vroeger de vermogens structureel leek te onderschatten, lijken de officiële cijfers nu redelijk in overeenstemming met de meer informele ­beoordeling van Quote.

De vermogens zijn tussen 2006 en 2020 ruwweg vijftig procent sneller gegroeid dan het bruto binnenlands product per capita. Het belang van vermogen is daarmee toegenomen ten opzichte van dat van inkomen. Aangezien vermogen zeer scheef verdeeld is en vermogensbezit gecorreleerd is met inkomen (Toussaint, 2021), leidt een groter belang van vermogen tot een toename van de algehele ongelijkheid. Het grote aantal self-made vermogens in de Quote 500 laat zien dat ondernemerschap een belangrijke rol speelt in het ontstaan van topvermogens. De IT-­revolutie lijkt een belangrijke rol te hebben gespeeld bij de groei van topvermogens ten opzichte van het bruto binnenlands product per capita.

De samenstelling van het vermogen voor de 0,1 procent allerrijksten is totaal verschillend van de onderste 99 procent van de vermogensverdeling. Voor zover de ­onderste 99 procent überhaupt over vermogen beschikt (voor de onderste 30 procent is het vermogen negatief), bestaat dit meestal vrijwel volledig uit het eigen huis. Voor de 0,1 procent allerrijksten is het eigen huis daarentegen nagenoeg irrelevant. Hun vermogen wordt gedomineerd door het aanmerkelijk belang in hun eigen bedrijf. De vermogensongelijkheid is in deze periode dus stabiel gebleven omdat de huizenprijzen en de waarde van aanmerkelijk belang ongeveer even snel zijn gestegen.

Hoewel er in de publieke beeldvorming veel aandacht voor lijkt te zijn, is de rol van huizenbezit in de vermogensongelijkheid in werkelijkheid dus beperkt. Dat geldt niet alleen voor Nederland: wereldwijd heeft de extreme top zijn welvaart niet te danken aan geluk of pech op de huizenmarkt, maar aan het succes van hun onderneming (Waldenström, 2024). Deze observatie correspondeert met de conclusie van Douenne et al. (2025) dat de vermogensongelijkheid fors wordt onderschat: voor veel Nederlanders blijft de extreme ongelijkheid kennelijk buiten beeld, behalve in het zichtbare bezit zoals villa’s in Wassenaar en landgoederen in ’t Gooi.

De derde categorie, aandelenbezit, speelt zowel bij de extreme top als bij de welgestelde bovenklasse tussen het 90e en 99e percentiel een geringe en bovendien sterk afnemende rol. Tussen 2006 en 2020 is het gewicht van aandelen ruwweg gehalveerd. Dit is geen onverdeeld gunstige ontwikkeling. Een goed functionerende aandelenmarkt faciliteert risicospreiding, prijstransparantie en liquiditeit van vermogensbezit. Een verschuiving weg van aandelen vergroot de risicoconcentratie en maakt vermogen moeilijker meetbaar en belastbaar. Als deze trend zich voortzet, ligt een structurele heroverweging van beleid voor de hand. Het is daarom van belang om te onderzoeken in hoeverre deze ontwikkeling wordt gestuurd door overheidsbeleid, zoals via rapportageverplichtingen, corporate-governancewetgeving, de belasting van dividenden en verschillen tussen de fiscale behandeling in box 2 en 3.

Overigens blijkt uit de Forbes-lijst van miljardairs dat de topvermogens in verhouding tot het bruto binnenlands product per capita in Nederland internationaal gezien relatief laag is, ondanks de groei van de vermogens tussen 2006 en 2020. Weliswaar onderschat deze Forbes-lijst het aantal miljardairs in Nederland de laatste jaren aanzienlijk, maar zelfs wanneer in plaats van deze lijst voor Nederland de Quote 500wordt gehanteerd, blijven de allerrijksten in Nederland minder vermogend dan in de meeste andere ­rijke landen.

Getty Images

Literatuur

Bavel, B. van, en E. Frankema (2017) Wealth inequality in the Netherlands,
c. 1950–2015: The paradox of a northern European welfare state. Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis (TSEG), 14(2), 29–62.

Bennett, M., H. Brouwer en R. Claassen (red.) (2023) Wealth and power: Philosophical perspectives. Londen: Routledge.

Douenne, T., O. Sund en J. van der Weele (2025) Rechts schat ongelijkheid lager in dan links – maar vrijwel iedereen zit ernaast. ESB, 110(4852), 568–571.

Jakurti, E. (2025) A tale of two rates: Return on capital, economic growth, and wealth concentration in the long run. Review of Political Economy, 4 augustus.

MinFin (2020) Bouwstenen voor een beter belastingstelsel: Syntheserapport. ­Ministerie van Financiën, april.

Piketty, T. en M. Sandel (2025) Equality: What it means and why it matters. ­Cambridge, VK: Polity.

Remington, T.F. (2023) Top-end wealth accumulation: The Forbes lists and wealth inequality.Social Development Issues, 45(1), 3..

Robeyns, I. (2023) Limitarisme: Pleidooi tegen extreme rijkdom. Amsterdam: De Bezige Bij.

Schulenberg, R., C. van Essen, E. Hamelink en A. Lejour (2024) Een steuntje in de rug: vermogensmobiliteit van ouder op kind. Centraal Planbureau Publicatie, december.

SER (2023) Gezond opgroeien, wonen en werken: Naar een structurele gezondheidsaanpak en bestrijding van sociaal-economische gezondheidsverschillen. Sociaal-Economische Raad, Advies 23/07.

Teulings, C. en S. Toussaint (2023) Top wealth is distributed Weibull, not Pareto. CEPR Discussion Paper,  DP18364.

Toussaint, S. (2022) Technisch rapport vermogensverdeling. Achtergronddocument bij IBO Vermogensverdeling, 8 april. Te vinden op zoek.officielebekendmakingen.nl.

Toussaint, S., B. van Bavel, W. Salverda en C. Teulings (2020) Nederlandse vermogens schever verdeeld dan gedacht. ESB, 105(4789), 438–441.

Vermeulen, P. (2018) How fat is the top tail of the wealth distribution? The Review of Income and Wealth, 64(2), 357–387.

Waldenström, D. (2024) Richer and more equal: A new history of wealth in the West. Cambridge, VK: Polity.

Auteurs

Plaats een reactie