Na de gemeenteraadsverkiezingen op 18 maart beslissen coalitieonderhandelingen welke partijen het lokale bestuur vormen. Omdat de grootste partij het initiatiefrecht heeft om een coalitie samen te stellen, is er vaak veel aandacht voor wie de verkiezingen wint. Maar is de precieze rangorde wel relevant voor welke partijen in het college terechtkomen?
In het kort
- Het recht om als grootste partij de coalitieonderhandelingen te starten, vergroot de kans op coalitiedeelname niet.
- De tweede en de derde partij hebben bij een vergelijkbaar stemmenaandeel evenveel kans om aan de coalitie deel te nemen.
Na de gemeenteraadsverkiezingen van 18 maart beginnen in 342 gemeenten de onderhandelingen over de vorming van een college. Volgens Dahl (2008) zullen partijen vooral willen samenwerken met ideologisch verwante partijen, zodat de coalitie inhoudelijk aansluit bij de voorkeuren van hun kiezers.
Een eerste blik op de praktijk van Nederlandse gemeentelijke coalities laat echter zien dat ideologisch uiteenlopende partijen regelmatig samenwerken. Zo vormen in Rotterdam de VVD en DENK samen in het college, ondanks duidelijke ideologische verschillen.
Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat onderhandelingsmacht een rol speelt. In het Nederlandse kiessysteem heeft de grootste partij het recht om als eerste een coalitievoorstel te doen en zo de verdeling van macht te sturen in een door die partij gewenste richting.
Bestaand onderzoek naar de invloed van onderhandelingsmacht op coalitievorming richt zich vooral op welke soorten coalities het vaakst voorkomen (Mueller, 2003), maar het maakt onvoldoende duidelijk waarom deze coalities ontstaan. Aan de hand van frequenties is het namelijk lastig om een causaal verband aan te tonen.
In dit artikel onderzoeken we wat het causale effect was van onderhandelingsmacht, in de vorm van het initiatiefrecht om een coalitie samen te stellen, op de samenstelling van gemeentelijke colleges na de verkiezingen van 2022.
Onderhandelingsmacht
Om te onderzoeken of onderhandelingsmacht de coalitievorming bepaalt, testen we twee hypotheses die volgen uit het ‘verdeel de taart’-model van Baron en Ferejohn (1989). Dit model stelt dat bij coalitievorming de voornaamste drijfveer van partijen erin bestaat hun deel van de taart, oftewel hun coalitiemacht – zoals het aantal wethoudersposten en de invloed binnen het college – te maximeren. Niet ideologie, maar wel de onderhandelingsmacht is in dit model dus expliciet bepalend voor de uiteindelijke samenstelling van het college. Net zoals in het Nederlandse kiessysteem is het uitgangspunt van hun model dat de verkiezingsuitslag de volgorde bepaalt waarin partijen een voorstel voor een coalitie mogen doen. De grootste partij mag als eerste een voorstel doen. Het model stelt dat de grootste partij een voorstel doet waarbij iedere andere coalitiepartij net meer taart krijgt als ze voorstemt dan het verwachte stuk taart dat ze krijgt als ze tegenstemt. Deze strategie garandeert dat haar voorstel wordt aangenomen. Uit dit initiatiefrechtvoordeel voor de grootste partij volgt onze eerste hypothese: Door haar grotere onderhandelingsmacht, niet haar grootte, zit de grootste partij in de coalitie.
De tweede partij heeft een grotere prikkel om tegen te stemmen dan de derde partij. Wanneer het voorstel van de grootste partij wordt verworpen, dan mag de op een na grootste partij immers een voorstel doen. De tweede partij wil hierom, volgens het model, een groter deel van de taart voor haar steun. Om haar stuk van de taart te maximaliseren, zal de grootste partij daarom de derde partij maar niet de tweede partij vragen om deel te nemen aan de coalitie. Onze tweede hypothese is daarom: De derde partij heeft, door haar beperktere onderhandelingsmacht, een grotere kans om in de coalitie te zitten dan de tweede partij.
Methode
Om de invloed van de rangschikking en dus de onderhandelingsmacht van de partijen op de samenstelling van het college te schatten, maken we gebruik van een regressie-discontinuïteitsbenadering. We gebruiken data van de gemeenteraadsverkiezingen van 2022, afkomstig uit de officiële verkiezingsuitslagen, en gegevens over de gevormde coalities na de verkiezingen, afkomstig van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
We schatten de gemiddelde kans op coalitiedeelname afhankelijk van het stemmenverschil met de eerstvolgende partij, en kijken naar gemeenten waar het stemmenverschil tussen twee opeenvolgende partijen erg klein is. In die gevallen, wanneer partijen vrijwel evenveel stemmen behalen, is het toeval (of willekeurig) welke partij net groter is en daarmee eerder het initiatief tot de coalitievorming krijgt. Dat laat ons toe het causale effect van de rangschikking op coalitiedeelname te isoleren van de grootte van de partij.
Als onze eerste hypothese klopt dan zou de gemiddelde kans op coalitiedeelname significant hoger liggen wanneer een partij net de grootste is, dan wanneer een partij net de op een na grootste is – ondanks dat ze bijna evenveel stemmen haalden. Volgens onze tweede hypothese zou de gemiddelde kans op coalitiedeelname significant hoger liggen wanneer een partij net de op twee na grootste is, dan wanneer een partij net de op een na grootste is.
Resultaat
Figuur 1 toont dat de grootste partij een grotere kans heeft om in de coalitie te zitten dan de tweede partij: De curve rechts van de nullijn ligt boven de curve links ervan. Deze correlaties zijn in overeenstemming met de democratische gedachte dat de samenstelling van het college de ideologie van de bevolking representeert.

We zien daarentegen geen significant grotere kans op coalitiedeelname voor partijen die net de grootste zijn, in vergelijking met partijen die net de op een na grootste zijn. In dat geval zou op de nullijn in figuur 1 een zichtbare sprong omhoog optreden. Figuur 1 laat echter zien dat zo’n sprong ontbreekt: de curves raken elkaar. Dit wijst erop dat het hebben van het initiatief tot coalitievorming geen invloed heeft op de kans om in het college terecht te komen.
Figuur 2 toont dat de tweede partij een kleinere kans heeft op coalitiedeelname als ze veel groter is dan de derde partij en dat de derde partij een grotere kans heeft om in de coalitie te zitten als ze veel kleiner is dan de tweede partij. Deze correlaties lijken in overeenstemming met hypothese 2.

Maar om hypothese 2 te toetsen, moeten we kijken naar gemeenten rond de nullijn. Voor deze gemeenten geldt dat de tweede en derde partij niet wezenlijk verschillen in grootte, maar wel qua rangschikking. Figuur 2 laat zien dat de curves bij de nullijn elkaar bijna raken, en er dus geen significant grotere kans op coalitiedeelname bestaat voor partijen die net de op twee na grootste zijn. We kunnen dus de hypothese verwerpen dat het feit de derde partij te zijn (en niet de tweede) coalitiedeelname vergroot.
Conclusie
Onderhandelingsmacht in de vorm van het initiatiefrecht om een coalitie samen te stellen, heeft geen effect op de coalitiedeelname in Nederlandse gemeenten. Evenmin maakt het uit of een partij nipt tweede of derde geworden is. Dat de rangschikking van partijen op basis van de verkiezingsuitkomst geen invloed heeft op de samenstelling van colleges is vanuit een democratisch perspectief positief. Je verwacht immers dat de coalitie een ideologische afspiegeling is van het verkiezingsresultaat en is het moeilijk te verdedigen dat de partij die toevallig net de grootste is een beduidend grotere kans heeft op deelname aan de coalitie.

Literatuur
Baron, D.P. en J.A. Ferejohn (1989) Bargaining in legislatures. The American Political Science Review, 83(4), 1181–1206.
Dahl, R.A. (2008) Polyarchy: Participation and opposition. New Haven: Yale University Press.
Mueller, D.C. (2003) Public choice III. Cambridge, VK: Cambridge University Press.
Auteurs
Categorieën