Ga direct naar de content

Verduurzaming bedrijven vraagt om meer aandacht voor ketenemissies

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: mei 11 2026

Nederlands klimaatbeleid richt zich primair op de emissies van de bedrijven zelf, terwijl het grootste deel van de uitstoot plaatsvindt in hun productieketens. Er is een enorme potentiële duurzaamheidswinst te behalen in (internationale) ketens.

In het kort

  • Voor Nederlandse bedrijven zijn er op dit moment weinig prikkels om emissies en grondstoffengebruik in de keten te reduceren.
  • Huidig Europees beleid en beleidsvoornemens zijn ontoereikend om de reductie van ketenemissies te stimuleren.
  • Additioneel aan de Europese beleidsinzet is het nodig om het nationale beleid voor een circulaire economie te intensiveren.

Het grootste deel van de emissies die vrijkomen bij de productie van goederen door Nederlandse bedrijven ontstaat niet ‘aan de schoorsteen’: de emissies die vrijkomen bij de activiteiten van bedrijven binnen Nederland (scope 1-emissies) , maar in de geglobaliseerde waardeketen (PBL, 2022). Deze ketenemissies (of scope 3-emissies) zijn de broeikasgassen die zijn uitgestoten tijdens handelingen die zijn gelinkt aan activiteiten in de waardeketen van het bedrijf. Ketenemissies kunnen uitstoot naar water, lucht en bodem omvatten, maar doorgaans worden broeikasgasemissies bedoeld, zoals de broeikasgasemissies die vrijkomen bij de grondstofwinning van de producten die het bedrijf verkoopt, het transport en de productieprocessen van producten, het gebruik van vliegtuigen voor dienstreizen, de verwerking van afval of de uitstoot die vrijkomt bij gebruik van het product door een consument. Zo is een belangrijke component van de ketenemissies van Shell de uitstoot die vrijkomt wanneer de verkochte brandstof wordt verbrand in een auto van een consument. Daarnaast zijn er emissies die vrijkomen bij de productie van energie die bedrijven in Nederland aankopen voor bijvoorbeeld koeling of verwarming (scope 2-emissies).

Ketenemissies vormen voor bedrijven vaak een groot deel van de uitstoot. Zo zijn de ketenemissies van Shell zo’n 95 procent van de totale uitstoot (Shell, 2024), worden de ketenemissie van ING op zo’n 99 procent geschat (Milieudefensie, 2024) en raamt Hema (2023) haar scope 3-emissies op 94 procent. Meer dan de helft van de broeikasgasemissies die ontstaan in de productieketens van de producten die we in Nederland consumeren, vinden zo buiten Nederland plaats (PBL, 2022).

In een ideale wereld zouden alle bedrijven, organisaties en huishoudens ter wereld hun scope 1-emissies terugbrengen naar nul. In dat geval zouden er ook geen scope 2- en 3-emissies meer zijn. De scope 3 van bedrijf x is immers de scope 1 van bedrijf y (kader 1). Die ideale wereld is echter niet haalbaar. Ten eerste vallen lang niet alle bedrijven die zich in de keten van Nederlandse bedrijven bevinden, onder stringent klimaatbeleid. Europese bedrijven vallen onder het ETS, maar er zijn ook veel (productie)landen buiten Europa die minder streng klimaatbeleid voeren (zie climateactiontracker.org voor een real-time overzicht).

Kader 1: Scope 3 afhankelijk van perspectief en schaal

Het concept ‘scope 3’ leidt al snel tot verwarring, dubbeltellingen en miscommunicatie als niet expliciet wordt gemaakt welk perspectief wordt gehanteerd. Voor een meubelproducent zijn de emissies die vrijkomen bij het kappen van een boom en de eerste bewerking van het hout voorbeelden van scope 3-emissies. Maar voor de houtverwerker zijn dit juist scope 1-emissies: het zijn immers directe emissies van de eigen bronnen binnen de organisatie. Om dubbeltellingen te voorkomen zijn cijfers over scope 1, 2 of 3 op een bepaald schaalniveau altijd alleen geldig op dat bepaalde schaalniveau. Als bronnen over bedrijfsemissies worden samengevoegd om bijvoorbeeld uit te rekenen wat de scope 3-emissies zijn van alle Nederlandse bedrijven of bepaalde bedrijfstakken, verschuiven emissies van scope 2 en 3 naar scope 1 (RIVM, 2022). Immers, vanuit een sectoraal niveau bezien, vallen de emissies die binnen de sector zelf plaats vinden onder scope 1, ook al zijn deze afkomstig van verschillende bedrijven in een productieketen binnen de sector.

Ten tweede is er een beperkt handelingsperspectief voor het reduceren van scope 1-emissies. Een belangrijke vorm van scope 3-emissies is bijvoorbeeld de uitstoot die vrijkomt bij afvalverwerking. De mogelijkheden om deze te reduceren liggen maar in beperkte mate bij de afvalverwerker zelf (scope 1), bijvoorbeeld door te investeren in recycling. Een grotere emissiereductie kan echter plaatsvinden bij het bedrijf dat het product produceert dat uiteindelijk als afval eindigt. Dit bedrijf kan investeren in duurzaam ontwerp, hergebruik van verpakkingen of ander materiaalgebruik. Al deze vormen van emissie­reductie zetten meer zoden aan de dijk en vallen onder scope 3-maatregelen.

Er is dus potentieel enorme duurzaamheidswinst te boeken in (internationale) ketens door te investeren in scope 3-maatregelen. En hoewel de scope 3-emissies van een Nederlands bedrijf zich ook ten dele zullen voordoen bij consumenten en andere bedrijven in Nederland, zal doorgaans gelden dat de scope 3-effecten van een bedrijf zich elders, buiten Nederland, voordoen (figuur 1). Bijvoorbeeld bij de winning van primaire grondstoffen in andere landen. Of door de wereldwijde verkoop en verwerking van producten die afkomstig zijn uit de Nederlandse chemie.

Figuur 1: Bedrijfstakken met de meeste upstream ketenemissies
hughte1
Data: CBS | ESB

Nederlandse bedrijven zouden dus moeten bijdragen aan een gedeelde verantwoordelijkheid voor de emissies in buitenlandse productieketens, maar daarvoor ontbreekt het aan duidelijk sturend (inter)nationaal beleid gericht op scope 3-emissiereductie, zo laten we in dit artikel zien.

Nationale beleidsinzet beperkt

Op dit moment stuurt de overheid maar beperkt op vermindering van scope 3-emissies (SER, 2023; TNO, 2024). Er is nauwelijks stimulans voor bedrijven om in de productieketen tot minder primair grondstoffengebruik (via substitutie of reductie van grondstoffen) te komen, en daarmee tot minder uitstoot van broeikasgassen. Het leeuwendeel van het beleid focust namelijk op de klimaatdoelen uit de Klimaatwet, dat zich richt op vermindering van nationale scope 1-emissies. Het beleid voor de verduurzaming van de industrie bestaat bijvoorbeeld uit een mix van beprijzen van de uitstoot van CO2 via het EU ETS-handelssysteem, normen voor bijvoorbeeld energiebesparing en ondersteuning van bedrijven voor verduurzaming van hun productieprocessen met fiscale regels en subsidies (SER, 2024).

De focus op scope 1-emissies ontmoedigt maatregelen die de directe uitstoot van een bedrijf slechts beperkt doen afnemen of zelfs doen toenemen, maar de emissies over de hele productieketen fors kunnen verminderen. Dit speelt bijvoorbeeld in de chemie, waar ketenemissies gemiddeld meer dan zeventig procent van de totale uitstoot van chemiebedrijven behelzen. Het inzetten van alternatieve grondstoffen als vervanging voor de huidige fossiele grondstoffen in de chemie levert nauwelijks scope 1-reductie op; soms is er zelfs meer energie nodig voor de verwerking van alternatieve bronnen ter vervanging van koolstof in productieprocessen. Tegelijkertijd leveren deze maatregelen wel veel ketenemissiereductie op: zowel in de toelevering van alternatieve grondstoffen als in de verwerking van het product na het einde van de gebruiksduur. Per saldo leveren dergelijke maatregelen dus forse klimaatwinst op (VNCI, 2024).

Ook meer circulair gebruik van grondstoffen wordt geremd door de beperkte focus op ketenemissiereductie. Bedrijven worden immers nauwelijks gestimuleerd om aan het begin van de productieketen minder grondstoffen te gebruiken. Een voorbeeld is de bouw, waar strenge energieprestatienormen gelden, maar circulair gebruik van materialen achterblijft. Het nationale programma dat hierop toeziet, voorziet verkennende stappen maar is nog onvoldoende toereikend om zoden aan de dijk te zetten (SER, 2023). Ook werken bedrijven vooral aan circulaire oplossingen binnen het eigen productieproces, terwijl er in de productieketen een grotere potentie is voor innovatie en grondstoffenreductie.

Minder en efficiënter grondstoffengebruik heeft overigens naast emissiereductie nog veel meer voordelen: zo is het beter voor de biodiversiteit, de leefomgeving en leveringszekerheid. In het kader van de geopolitieke beleidscoherentie is het logisch om een beleidsinzet op scope 3 ook aan te laten sluiten bij de Nationale Grondstoffenstrategie (Rijksoverheid, 2022), waarin stappen worden gezet om de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen en materialen te verbeteren.

Ook Europees beleid nog niet afdoende

Op Europees niveau is naast de ETS recent ook diverse andere duurzaamheidswetgeving geïntroduceerd die in meer of mindere mate kan bijdragen aan ketenemissiereductie. Maar ook deze initiatieven zetten bedrijven niet structureel aan tot het reduceren van hun ketenemissies.

CSRD

Grote beursgenoteerde bedrijven in Europa moeten vanaf 2024 volgens de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) rapporteren welke impact hun activiteiten hebben op milieu, mens en governance (Europese Commissie, 2022). Belangrijk onderdeel hiervan is de berekening hoeveel uitstoot van broeikasgassen is toe te wijzen aan een bedrijf en zijn gehele keten (Europese Commissie, 2023a). Deze zichtbaarheid zorgt ervoor dat bedrijven hiermee sneller aan de slag gaan en dat het ook gemakkelijker wordt om de scope 3-emissies op nationaal of sectoraal niveau te meten. Tegelijkertijd behelst de CSRD nadrukkelijk een rapportageverplichting, maar die biedt dit dus geen normering of waardering voor bedrijven. Hoewel de CSRD de transparantie vergroot – wat bedrijven kan stimuleren om scope 3-emissies te verminderen – worden bedrijven via de CSRD dus niet voor scope 3-emissiereductie beloond.

CSDDD

De Corporate Sustainability Due Dilligence Directive (CSDDD), die in 2024 is aangenomen door het Europees Parlement, kan de CSRD aanvullen. Deze richtlijn verplicht grote bedrijven niet alleen om de komende jaren inzicht te krijgen in hun keten en om de risico’s in die keten in beeld te krijgen, maar ook om die risico’s te voorkomen, te beperken of te compenseren. Dit proces heet due diligence: gepaste zorgvuldigheid. Deze richtlijn voorziet dus ook in een verplichting om de negatieve effecten van ketenemissies te voorkomen, te beperken of te compenseren. De richtlijn geldt vanaf 2024 voor de allergrootste bedrijven.

In februari 2025 presenteerde de Europese Commissie echter meerdere omnibusvoorstellen om de CSDDD te versimpelen teneinde de lastendruk op bedrijven te verlichten. Onderdeel van deze versimpeling is een beperking van de reikwijdte van bedrijven die nog verplicht moeten rapporteren, uitstel voor rapporterende bedrijven en een beperking van het aantal zaken waarover gerapporteerd moet worden. De onderhandelingen hierover zijn nog volop in ontwikkeling, maar door deze beperkte reikwijdte is het sterk de vraag of deze richtlijn de ketenemissiereductie voldoende zal versnellen.

CBAM

Het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) kan een belangrijke bijdrage leveren aan het reduceren van ketenemissies. Het CBAM zorgt ervoor dat bedrijven die goederen importeren van buiten de EU certificaten (gebaseerd op de ETS-prijs) moeten kopen voor de verkoop van bepaalde goederen op de Europese markt. Dit geldt voor goederen die binnen het ETS-systeem zouden vallen als ze in de EU zouden zijn geproduceerd. Bedrijven moeten daardoor evenveel betalen voor de emissies van de producten die ze inkopen op de interne markt, onafhankelijk van waar ze worden geproduceerd. Omdat de kosten van emissies via het CBAM worden geïnternaliseerd, worden bedrijven aangemoedigd om hun waardeketen te evalueren en emissiereductiemaatregelen te implementeren.

Er zijn echter meerdere redenen waarom het CBAM op zichzelf niet voldoende is om ketenemissies te reduceren: ten eerste geldt het CBAM enkel voor de meest vervuilende sectoren die ook binnen het ETS-systeem vallen, zoals cement, staal, kunstmest en elektriciteit. De Europese Commissie schat dat wanneer het CBAM geheel geïmplementeerd is, meer dan de helft van de emissies in de ETS-sectoren onder het CBAM vallen (Europese Commissie, 2023b). En ten tweede richt het CBAM zich alleen op de directe emissies die vrijkomen bij de productie van deze goederen, dus bijvoorbeeld niet op emissies bij transport of op indirecte emissies die ontstaan bij de winning van grondstoffen.

Conclusie

Er zijn nog meer stappen nodig om scope 3-effecten op korte termijn meetbaar en waardeerbaar te maken, zodat de ketenschakels die reductie bewerkstelligen niet worden ontmoedigd maar daarvoor kunnen worden beloond. Daarvoor zijn additionele beleidsinstrumenten nodig, die goed aan moeten sluiten bij het huidige nationale en Europese beleid (SER, 2022).

In een ideale wereld zouden scope 1-emissies in elke schakel van de keten worden beprijsd, zodat er wereldwijd een gelijk speelveld ontstaat zonder negatieve externaliteiten. Maar gezien de urgentie van het duurzaamheidsvraagstuk en de maatschappelijke verantwoordelijkheid kunnen er ook in een second best-situatie al stappen worden gezet.

Een belangrijke stap zou kunnen worden genomen binnen de verduurzaming van de industrie, bijvoorbeeld als onderdeel van de maatwerkafspraken met de industrie. Een van de beoogde doelen van de maatwerkafspraken is het verduurzamen en continueren van industriële activiteiten in het perspectief van een klimaatneutraal Nederland in 2050, ook in het licht van de internationale context en het maximaal benutten van het potentieel van additionele broeikasgasreductie van de industrie. Hierbij ligt de primaire focus op scope 1, maar ook scope 2 en 3 zijn van belang (SER, 2024). Onderzocht zou kunnen worden hoe scope 3-emissiereductie binnen de maatwerkafspraken vorm zou kunnen krijgen. Hierbij is wederkerigheid het uitgangspunt. Bedrijven die een visie hebben op grootschalige reductie door toepassing van nieuwe, innovatieve, circulaire en schonere technologieën, en hun internationale scope 3-emissie kunnen verminderen, zouden hierover afspraken kunnen maken met de overheid.

Het EU-akkoord voor een nieuw klimaatdoel van negentig procent netto broeikasgasreductie in 2040 kan ook motivatie bieden voor Nederland om scope 3-beleid vorm te geven. Het akkoord biedt landen de mogelijkheid om tot vijf procent van het reductiedoel te realiseren middels het kopen van koolstofkredieten voor uitstoot die in andere landen is bespaard.

Tot slot zijn er stappen nodig binnen het beleid ter stimulering van de circulaire economie. Zoals de SER (2023; 2024) eerder vaststelde, schiet dat beleid tekort. Dat werkt ook emissiereductie in de productieketen tegen. De SER doet daarom meerdere aanbevelingen om de grondstoffentransitie naar een circulaire economie te versnellen en circulair gebruik van materialen in de maakindustrie te bevorderen. Wanneer het beleid ter stimulering van de circulaire economie zich niet te eenzijdig focust op scope 1-emissiereductie, biedt dat grote kansen om emissies wereldwijd terug te dringen (PBL, 2022).

Verduurzaming van bedrijven komt kortom internationaal pas echt van de grond wanneer ketenemissies een belangrijk onderdeel worden van de verduurzamings­strategie.

Getty Images

Literatuur

Europese Commissie (2022) Corporate Sustainability Reporting Directive,2022/2464. Te vinden op eur-lex.europa.eu.
Europese Commissie (2023a) European Sustainability Reporting Standards (ESRS). Bijlage 2023/5303. Te vinden op eur-lex.europa.eu.
Europese Commissie (2023b) Carbon Border Adjustment Mechanism, 2023/956. Te vinden op eur-lex.europa.eu.
Hema (2023) De klimaatvoetafdruk van Hema in 2019.
Milieudefensie (2024) Aansprakelijkstelling voor onrechtmatig klimaatbeleid. Milieudefensie, Brief aan ING, p. 21.
PBL (2022) Hoe kan circulaire-economiebeleid bijdragen aan de klimaatdoelstelling? PBL Rapport, 5 december.Rijksoverheid (2022) Grondstoffen voor de grote transities.Kamerstuk, 9 december. RIVM (2022) Minder uitstoot broeikasgassen in de hele keten: verkenning voor beleid.
SER (2022) Evenwichtig sturen op de grondstoffentransitie en de energietransitie voor brede welvaart. SER Verkenning, 22/06.
SER (2023) Meer vaart maken met de grondstoffentransitie. SER Advies, 23/04.SER (2024) Verduurzaming maakindustrie.SER Advies, 19 januari.Shell (2024) Annual report and accounts: For the year ended December 31, 2023, p. 104.
TNO (2024) Opties voor scope 3-beleid in Nederland. TNO Publiek, P10473.VNCI (2024) Ketenemissies (scope 3). VNCI. Te vinden op www.vnci.nl/dossiers/dossier?dossierid=7792001032&parent=7792001027&title=materialentransitie 

Auteurs

Categorieën

Plaats een reactie