De ontwikkeling van de Nederlandse economie kan begrepen worden aan de hand van de energiehuishouding. De moderne economische groei van de laatste tweehonderd jaar is deels gebaseerd op de vervanging van arbeid door goedkope energie, maar aan deze trend komt nu een eind.
In het kort
- Nederland industrialiseerde relatief laat, mede doordat het te lang turf als energiebron bleef gebruiken.
- De overheid stimuleerde vervolgens de overstap van steenkool naar aardgas, wat leidde tot een energie-intensieve economie.
- De ontstane afhankelijkheid van goedkope energie vertraagt nu de verduurzaming van de energiehuishouding.
Soms zegt een grafiek meer dan duizend woorden, bijvoorbeeld een die de CO2-emissies per capita in 1851–2023 voor Nederland, het VK en de VS weergeeft, als gevolg van het gebruik van In het kort fossiele brandstoffen (figuur 1).

In 1851 moet de Industriële Revolutie in Nederland nog goed op gang komen, terwijl het verbruik van fossiele brandstoffen – vooral steenkolen – in het Verenigd Koninkrijk, de pionier van de industrialisatie, op een niveau ligt dat vier tot vijf keer zo hoog is als bij ons. Rond die tijd ligt de uitstoot van de Verenigde Staten op Nederlands niveau, maar de Amerikaanse uitstoot komt door het gebruik van de stoommachine na 1850 in een stroomversnelling (die nog verder versnelt door de opkomst van de aardolie na 1860).
Nederland begint pas rond 1860 aan een sterke toename van het energieverbruik, maar de kloof met het VK blijft tot 1960 min of meer constant, en de VS halen we nooit in. De industrie in ons land krijgt niet de overheersende rol die het elders wel heeft, en moet steeds het bed delen met een sterke, exportgerichte landbouw en een omvangrijke dienstensector. En dus is de energie-intensiteit van de economie tot 1960 relatief laag, zeker in vergelijking met het wel relatief hoge bruto binnenlands product per hoofd. Tegelijkertijd bouwt de VS een zeer energie-intensieve economie op, die rond 1900 met gemak het VK voorbijstreeft en die rond 1970 nog een extra impuls lijkt te krijgen.
Een dramatische wending in de emissies per capita doet zich in Nederland na 1960 voor. De economie is niet langer meer energiezuinig, waardoor in iets meer dan tien jaar de CO2-emissies en het verbruik van fossiele brandstoffen zich verdubbelen; Nederland passeert het VK alsof dat land stilstaat, en piekt scherp rond 1980, waarna een sterke daling inzet.
De ontdekking, begin jaren zestig, van grote aardgasreserves in de provincie Groningen, bij Slochteren, speelt een sleutelrol in de piek in energie-intensiteit. Dit aardgas wordt de basis van de langetermijnplanning van de energiehuishouding die in deze jaren van de grond komt. Daarbij is de verwachting dat energie steeds goedkoper zal worden, mede door de opkomst van de kernenergie en de aanvoer van goedkope aardolie uit het Midden-Oosten.
In dit artikel schets ik welke gevolgen de veranderende energiehuishouding heeft voor het beleid en de economie en wat dit ons leert voor de problemen van nu.
Goedkope energie
Een van de conclusies die de staat halverwege de jaren zestig trekt uit de verwachte daling van de energieprijs, is dat de steenkolenmijnen van Limburg gesloten moeten worden, want steenkool is arbeidsintensief, en daardoor duur, en zal de concurrentie met aardgas en kernenergie niet kunnen volhouden (Ringelberg, 2021).
De tweede conclusie is dat er haast gemaakt moet worden met het winnen van het Groningse gas dat naar verwachting over enige tijd door de kernenergie ingehaald zal worden. Deze conclusie leidt tot een offensieve strategie om aardgas te exporteren naar omliggende Europese landen (waar het de plaats kan innemen van fabrieksgas) en het zoeken (en vinden) van nieuwe afzetmarkten in Nederland. Alle huizen moeten bijvoorbeeld aan het aardgas. In enkele jaren wordt een indrukwekkende nationale infrastructuur van gasleidingen en gasdistributiepunten aangelegd die grote delen van het land van goedkoop aardgas voorziet. Huishoudelijke apparaten moeten aangepast worden, de centrale verwarming op aardgas wordt gestimuleerd, terwijl de kolenkachel het onderspit delft.
Doorwerking in economie
De offensieve gasstrategie werkt door in de structuur van de economie. In de glastuinbouw wordt aardgas zwaar gesubsidieerd om de kassen te verwarmen. Die goedkope energie betekent een sterke stimulans voor uitbreiding van de sector.
Het staalbedrijf Hoogovens wordt vanwege goedkoop aardgas genudged om in de aluminiumproductie te gaan, waartoe de grote fabriek Aldel in Delfzijl wordt neergezet die voordelig elektriciteit kan betrekken, opgewekt met goedkoop aardgas. (Dankers en Verheul, 1993).
De chemische industrie in het Europoortgebied en kunstmestfabrieken elders in het land worden eveneens met goedkoop aardgas gestimuleerd om zich sterk uit te breiden, wat in de algemene hoogconjunctuur van de jaren voor 1973 de groei verder aanwakkert. Hoewel energieopwekking op basis van gas minder CO2 uitstoot dan opwekking op basis van kolen of olie, groeit de Nederlandse consumptie dusdanig dat per saldo de emissies per capita omhoog schieten.
Energie-intensieve bedrijfstakken lijken andere activiteiten zelfs te verdringen. Deze verdringing treedt op doordat hoge inkomsten uit de export van aardgas leiden tot een sterke instroom van buitenlandse valuta, waardoor de gulden in de jaren zeventig meebeweegt met de revaluatie van de D-Mark en structureel overgewaardeerd raakt. Als gevolg daarvan verslechtert de internationale concurrentiepositie van arbeidsintensieve sectoren. Arbeidsintensieve bedrijfstakken als textiel, lederwaren en scheepsbouw kunnen bij deze wisselkoers geen stand meer houden, en krimpen razendsnel. In de internationale literatuur wordt dit fenomeen, de overwaardering van de munt door omvangrijke inkomsten uit de export van aardgas en de daarmee samenhangende oplopende werkloosheid, bekend als de ‘Dutch disease’ (Corden en Neary, 1982). Deze ‘Dutch disease’ werd niet door de monetaire autoriteiten afgeremd, integendeel, De Nederlandsche Bank zag de groeiende overwaardering van de gulden als een effectief middel om de inflatie die in de jaren zeventig steeds verder leek te versnellen, onder controle te krijgen (Harmsma, 2018).
Dalende uitstoot
In Nederland, maar ook in het VK en de VS, zien we vanaf rond 1980 een aarzelende ontwikkeling tot ongeveer 2000, waarna vrij plotseling een forse daling van CO2-emissies inzet. De gegevens over uitstoot uit fossiele brandstoffen laten een vergelijkbare ombuiging zien, die voor het VK en Nederland leidt tot een halvering en voor de VS tot een daling met ongeveer een derde (figuur 1).
Hoge energieprijzen – een fenomeen dat al teruggaat tot de oliecrises van 1973 en 1979 – spelen zeker een rol bij de daling van de uitstoot. Het streven naar grotere duurzaamheid, de energietransitie, zorgt ook voor belangrijke impulsen, zeker als de politiek zich daar voor inzet (en dat is met golven wel en niet het geval).
De transitie naar een post-industriële economie door vooral de groei van de dienstensector is een ander deel van het verhaal.
Maar de ontwikkeling van levensstijl en consumptiegedrag werkt niet altijd in dezelfde richting. De toenemende populariteit van de SUV is daar het sterkste voorbeeld van. Hoewel motoren en aandrijftechnologie steeds efficiënter worden en per kilometer minder brandstof verbruiken, wordt deze efficiëntiewinst grotendeels tenietgedaan door de groei in omvang en gewicht van auto’s (Van Zanden, 2026).
Bovendien geven de statistieken niet het hele verhaal van de Nederlandse energiehuishouding. Steeds meer energie-intensieve productie wordt verplaatst naar het buitenland, waardoor die uitstoot niet meer meetelt in onze statistieken (Storm en Mir, 2015). Ook volgen de statistieken het Kyoto-protocol, waardoor bijvoorbeeld vliegen en varen niet meegenomen worden terwijl deze relatief sterk groeien (Van Zanden, 2026), en ervan wordt uitgegaan dat alle energie uit biomassa duurzaam is – maar als daar bossen voor gekapt worden, is dat duidelijk niet het geval.
De daling van de laatste jaren is dan ook deels gezichtsbedrog. In werkelijkheid neemt de vraag naar energie steeds meer toe, vooral vanwege de energievretende datacenters om het netwerk van de platformeconomie en van de steeds populairdere AI en cryptovaluta draaiende te houden (Van Zanden, 2026). Zelfs de recente ‘energiecrisis’ die volgde op de oorlog die Poetin in 2022 in Oekraïne begon, kan deze trend niet stoppen.
Conclusie
De afgelopen tachtig jaar laat afwisselend perioden van goedkope en dure energie zien, en elke keer dachten we dat deze situatie ‘permanent’ was, en werd er beleid ontwikkeld dat daarop anticipeerde.
Goedkope energie was een van de drijvende krachten achter het economisch wonder van de zeventiende eeuw. De economische overmacht van de Republiek in de zeventiende eeuw was mede gebaseerd op turf, dat goedkoop was en vrijwel overal beschikbaar. Windenergie, opgevangen door windmolens en zeilschepen, vormde de andere vorm van energie waar Nederland een relatief voordeel mee wist te behalen.
In de negentiende eeuw kwam de industrialisatie pas relatief laat (na 1860) op gang, mede doordat de staat turf bleef beschermen en bevoordelen, waardoor steenkolen relatief onaantrekkelijk waren. Dit defensieve beleid, gericht op het handhaven van de status quo, werd pas rond 1860 opgegeven, waarna we dan de stijging in uitstoot zien.
Het offensieve gasbeleid uit de jaren zestig was juist aangewakkerd door de verwachting van energie-overvloed. Het was een voorbeeld van beleid dat gebaseerd was op langetermijnverwachtingen en dat langetermijndoelen wilde realiseren. Dat is een beperkt succes geweest. Het afbouwen van de steenkolenwinning was zeker een goed idee, want deze energiebron was veel duurder dan de alternatieven aardgas en aardolie (en de prijs die voor het ongezonde werk in de mijnschachten werd betaald was hoog), maar het goedkoop uitdelen van het aardgas werd compleet achterhaald door de oliecrisis van 1973, die juist om zuinig beheer vroeg.
Het offensieve gasbeleid heeft ook geleid tot een sterke toename van de energie-intensiteit van de hele economie, waar we nu (opnieuw) mee zitten. Aldel is dan wel verdwenen uit Delfzijl, maar tal van andere activiteiten (de kunstmestfabriek Yara in Sluiskil bijvoorbeeld) zijn er nog, en maken moeilijke tijden door omdat energie in Nederland relatief duur geworden is.
De opgave van de energietransitie is enorm: 200 jaar lang hebben we gebouwd aan een economie die op goedkope energie draaide – met groot succes weliswaar, maar ook met enorme schaduwzijden. Het gebruik van goedkope energie zit als het ware in het DNA van de moderne economie. De vraag die daarbij opkomt is of de huidige organisatie van de energiesector, gedomineerd door grote, veelal buitenlandse bedrijven, de zo noodzakelijke transitie naar een duurzame economie in goede banen kan leiden. Om grote maatschappelijke uitdagingen zoals klimaatverandering het hoofd te bieden, is dan ook een radicale maatschappelijke draai nodig.

Literatuur
Corden, W.M. en J.P. Neary (1982) Booming sector and de-industrialisation in a small open economy. The Economic Journal, 92(368), 825–848.
Dankers, J.J. en J. Verheul (1993) Hoogovens 1945–1993: Van staalbedrijf tot twee-metalenconcern. Den Haag: Sdu Uitgevers.
Harmsma, J. (2018) Jelle zal wel zien: Een eigenzinnig leven tussen politiek en economie. Amsterdam: Prometheus.
Ringelberg, S. (2021) De Nederlandse aardgastransitie: Lessen voor de energietransitie van de 21ste eeuw. Utrecht: Eburon Uitgeverij.
Storm, S. en G. Mir (2015) De CO2 -uitstoot daalt niet met economische groei. ESB, 102(4754), 470-473.
Zanden, J.L. van (2026) Ons maatschappelijk kapitaal: Een nieuwe economische geschiedenis van Nederland 1980–2020. Amsterdam: Prometheus.
Auteur
Categorieën