Economisch beleid veronderstelt vaak impliciet dat mensen zich relatief gemakkelijk verplaatsen naar plekken waar onderwijs- en arbeidsmarktkansen zich voordoen. De mobiliteit van jongeren blijkt echter relatief laag en verschilt per regio en opleidingsniveau. Wat betekent dit voor regionaal beleid?
In het kort
- Gemiddeld woont meer dan de helft van de jongeren op hun 28e in dezelfde gemeente als waar ze op hun 16e woonden.
- Jongeren met een mbo-opleiding zijn relatief honkvast in vergelijking met jongeren met een hbo- of wo-opleiding.
- Het blijfpercentage neemt af in de loop der geboortejaren, zowel voor stedelijke als niet-stedelijke gebieden.
In de economische literatuur wordt ruimtelijke mobiliteit vaak gezien als een belangrijk aanpassingsmechanisme bij regionale economische verschillen (Moretti, 2010). Wanneer regio’s worden geconfronteerd met negatieve schokken of beperkte werkgelegenheid, wordt verondersteld dat mensen zich verplaatsen naar plekken waar betere onderwijs- en arbeidsmarktkansen beschikbaar zijn. Ook bij het stimuleren van regionale economische groei, bijvoorbeeld via het versterken van het Nederlandse onderzoeks- en innovatie-ecosysteem (MinEZ, 2024) of het stimuleren van regionale technologie- en innovatieclusters zoals Brainport Eindhoven en Wageningen Foodvalley (Wennink, 2025; Coalitieakkoord, 2026), wordt vaak impliciet verondersteld dat er werknemers aangetrokken zullen worden die de nieuw gecreëerde banen zullen vervullen.
Empirisch onderzoek laat echter zien dat de mobiliteitsrespons vaak beperkt is (Autor et al., 2025). Mensen passen hun woonlocatie slechts beperkt aan bij betere economische kansen en blijven vaak verbonden aan de regio waarin ze zijn opgegroeid (Ekamper en Bloothooft, 2013). Dat geldt vooral voor praktisch opgeleiden, voor wie sociale netwerken en lokale binding een centrale rol spelen (Reitsma et al., 2025).
Als praktisch opgeleiden niet of nauwelijks verhuizen naar regio’s met personeelstekorten, ontstaat een fundamenteel probleem: beleid dat uitgaat van mobiliteit kan de uitvoerbaarheid van ambities ondermijnen en regionale ongelijkheid juist vergroten in plaats van verkleinen (Muilwijk-Vriend et al., 2019). Regio’s die al kampen met personeelstekorten in de zorg, het onderwijs of de bouw kunnen deze problemen niet oplossen door simpelweg te rekenen op instroom van elders. Tegelijkertijd riskeren krimpregio’s een verder verlies aan menselijk kapitaal als de hoogopgeleiden ondertussen wel vertrekken.
Voor effectief beleid is het daarom essentieel om in kaart te brengen welke groepen wel of niet mobiel zijn, en waar regionale binding het sterkst is (Cnossen en Rouwendal, 2026). In dit artikel analyseren we de ruimtelijke mobiliteit van jongeren in Nederland aan de hand van het blijfpercentage. Dit is het aandeel jongeren dat op latere leeftijd nog woont in de gemeente waar ze zijn opgegroeid. Daarmee maken we zichtbaar voor welke groepen en regio’s ruimtelijke mobiliteit daadwerkelijk fungeert als aanpassingsmechanisme, en waar beleid rekening moet houden met beperkte verhuisbereidheid.
Data en methode
Voor de analyses maken we gebruik van gegevens uit de microdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Aan de hand van deze data is het mogelijk om te achterhalen waar iemand is opgegroeid en later is gaan wonen. De steekproef bestaat uit alle mensen die geboren zijn tussen 1980 en 1995. Deze steekproef hebben we gekoppeld aan woonplekken tot 2024, wanneer onze oudste cohorten 44 zijn, en de jongste 29. Per cohort kijken we specifiek naar jongeren.
We stellen de opgroeilocatie vast op zestienjarige leeftijd. Zestienjarigen zijn doorgaans nog sterk ingebed in lokale sociale netwerken en hun woonplaats valt in hoge mate samen met de gezinslocatie. Een nulmeetmoment op latere leeftijd zou minder geschikt zijn, omdat een deel van de jongeren, met name in het vmbo, rond hun zestiende al een vervolgopleiding start en daarvoor kan verhuizen, wat een vertekend beeld van de opgroeiregio zou geven. Een meetmoment op eerdere leeftijd zou ook een vertekend beeld kunnen geven, omdat jongeren die in de adolescentie met hun gezin verhuizen doorgaans hun sociale en ruimtelijke binding ontwikkelen in de regio waar zij hun latere tienerjaren doorbrengen, waardoor de woonplaats rond zestien jaar vaak het meest bepalend is voor binding met een plaats (Bailey et al., 2016; Riethmuller et al., 2021). Vervolgens kijken we naar de woonlocatie op latere leeftijd.
Mbo’ers meest gebonden aan gemeente
Figuur 1 laat het gemiddelde blijfpercentage zien voor de leeftijden van 16 tot 44, alsook het gemiddelde naar opleidingsachtergrond. Het blijfpercentage stabiliseert rond de leeftijd 28. De meeste mobiliteit vindt plaats tussen 18 en 22 jaar. De verschillen tussen mbo’ers, hbo’ers en wo’ers zijn groot: terwijl van de wo’ers gemiddeld slechts dertig procent op hun 28e in hun opgroeigemeente woont, doet meer dan zestig procent van de mbo’ers dat.
Figuur 1: Blijfpercentage naar opleidingsachtergrond

Regionale verschillen
Figuur 2a toont het percentage inwoners dat op 28-jarige leeftijd woont in dezelfde gemeente als op 16-jarige leeftijd. We gebruiken de leeftijd van 28 jaar als ijkpunt omdat dan de onderwijsloopbaan doorgaans is afgerond, veel mensen hun eerste stabiele positie op de arbeidsmarkt hebben bereikt en een groot deel van de verhuizingen die samenhangen met studie en vroege loopbaantransities heeft plaatsgevonden.Door te meten op 28-jarige leeftijd kan het voorkomen dat personen in de tussentijd zijn vertrokken, bijvoorbeeld voor studie of werk, en vóór hun 28e weer zijn teruggekeerd. Het blijfpercentage weerspiegelt daarmee niet alleen het aandeel dat continu in de opgroeiregio is blijven wonen, maar ook het aandeel dat tijdelijk is vertrokken en later is teruggekeerd – eerder onderzoek in rurale gemeenten laat zien dat dit het geval is voor ongeveer één op de tien jongeren (Reitsma et al., 2025).
Figuur 2: Percentage inwoners dat op 28-jarige leeftijd in dezelfde regio verblijft als op 16-jarige leeftijd

Sommige gemeenten hebben een hoger blijfpercentage dan andere (figuur 2a). Gemiddeld gezien woont 55 procent van de jongeren die op hun 16e in een bepaalde gemeente wonen, ook op hun 28e in die gemeente. In sommige gemeenten ligt dit aandeel echter een stuk hoger. Stedelijke gebieden hebben over het algemeen een hoger blijfpercentage (Amsterdam 74 procent, Rotterdam 71 procent, Utrecht 63 procent, Groningen en Maastricht 64 procent), maar de gemeente Urk weet met een blijfpercentage van 80 procent haar jongeren het beste te binden. Minder stedelijke gebieden in de Randstad en in het noorden van Nederland zien veel jongeren uit hun gemeente vertrekken. Bloemendaal heeft met 14 procent het laagste percentage blijvers.
Maar ook jongeren die hun gemeente wel hebben verlaten, verhuizen vaak niet over grote afstanden. Gemiddeld gezien woont tachtig procent van de jongeren die op hun zestiende in een bepaalde provincie wonen, ook op hun 28e in die provincie. De meeste vertrekkende jongeren blijven dus in de buurt. Vooral in Noord- en Zuid-Holland, delen van Noord-Brabant en Twente ligt het aandeel jongeren dat binnen de provincie blijft hoog (figuur 2b). Drenthe, Flevoland en Zeeland zien juist veel jongeren vertrekken (zie Cnossen (2023) voor migratiestromen van jongeren tussen specifieke gemeenten).
Hogeropgeleiden trekken naar de stad
Vooral hogeropgeleiden in niet-stedelijke gemeenten of stedelijke gemeenten zonder hbo of universiteit trekken vaker naar de grote steden (figuur 3). De concentratie van vraag naar arbeid voor hbo- en wo-opgeleiden in stedelijke gebieden is hiervoor een belangrijke achtergrond (Rouwendal en Rouwendal, 2025). Opvallend is dat er uit sommige regio’s, met name in Groningen en Zeeland, bovengemiddeld veel hbo’ers vertrekken.
Figuur 3: Blijfpercentage naar opleidingsachtergrond en gemeente

Het blijfpercentage neemt overal af
Het aandeel blijvers is lichtelijk gedaald over de tijd: mensen die in 2024 28 jaar werden, wonen vaker elders dan mensen die in 2008 28 werden (figuur 4). Terwijl het blijfpercentage voor eerdere geboortejaren gemiddeld hoger is dan 50 procent, is deze afgenomen tot onder de helft voor cohorten die geboren zijn na 1990. Ook in de meest stedelijke gemeenten, waar het aandeel blijvers jarenlang rond de 58 procent lag, is er een duidelijke daling opgetreden.
Figuur 4: Blijfpercentage op 28-jarige leeftijd over de tijd

De toegenomen mobiliteit kan verschillende oorzaken hebben. Zo zou de toegenomen krapte op de huizenmarkt een rol kunnen spelen, hoewel het effect daarvan niet eenduidig is. Enerzijds zou woningschaarste ertoe kunnen leiden dat jongeren langer bij hun ouders blijven wonen, wat het blijfpercentage juist zou verhogen. Anderzijds kan het zo zijn dat jongeren die geen woning in hun opgroeigemeente kunnen vinden, eerder elders op zoek gaan, wat het blijfpercentage zou verlagen. Daarnaast kunnen ook andere ontwikkelingen bijdragen aan de toegenomen mobiliteit, zoals veranderingen op de arbeidsmarkt, een hogere onderwijsparticipatie in universiteitssteden of culturele verschuivingen in woon- en werkvoorkeuren (Cournède en Plouin, 2022).
Conclusie en beleidsimplicaties
Ruim de helft van de jongeren woont op 28-jarige leeftijd nog in de gemeente waar zij opgroeiden, en het merendeel van degenen die verhuizen blijft binnen dezelfde provincie. Voor zover er mobiliteit plaatsvindt, betreft dat vooral hbo- en wo-opgeleiden die naar de grotere steden trekken.
De beperkte en eenzijdige mobiliteit zorgt voor regionale verschillen: stedelijke arbeidsmarkten kunnen in aanzienlijke mate terugvallen op lokaal opgeleid talent en op instroom uit omliggende gemeenten binnen dezelfde provincie. Dit biedt deze regio’s meer flexibiliteit bij het invullen van nieuwe banen en maakt ze minder kwetsbaar voor arbeidsmarktkrapte. Perifere regio’s daarentegen zijn sterker afhankelijk van het lokale onderwijs- en opleidingsaanbod en daarmee lokaal opgeleid menselijk kapitaal. Voor perifere regio’s dreigt bovendien een braindrain, oftewel het vertrek van talent (Venhorst et al., 2010; Batista et al., 2025).
De beperkte mobiliteit heeft directe consequenties voor de haalbaarheid van beleid. Regionale ambities zoals Brainport Eindhoven en Wageningen Foodvalley kunnen niet zonder meer rekenen op de instroom van elders om nieuwe banen te vervullen, vooral als het hier om bijvoorbeeld technisch mbo-personeel gaat. Hetzelfde geldt voor aan energietransitie gerelateerde projecten, waar uitvoering in sterke mate leunt op regionaal verankerd mbo-opgeleid personeel voor installatie, onderhoud en beheer (Weterings et al., 2023). Ook sectoren als de zorg en het onderwijs ondervinden steeds meer personeelstekorten (CBS, 2026).
Effectief regionaal beleid vereist een realistisch beeld van wie wel en wie niet mobiel is, en waar regionale binding het sterkst is. Gerichte investeringen in opleidingsmogelijkheden en werkgelegenheid in krimpregio’s kunnen een diverse lokale talentpoel bestendigen en arbeidsmarktkrapte tegengaan, en zijn daarmee net zo relevant als het stimuleren van economische kerngebieden. Beleid dat daarentegen primair inzet op het trekken van werknemers naar nieuwe regio’s gaat voorbij aan de sterke regionale binding die uit onze analyses naar voren komt, en aan de beperkte mentale kaart die werknemers van onbekende regio’s hebben (Meester en Pellenbarg, 2006; Koster en Weenink, 2025). Dit is overigens een les die Nederland al eerder leerde: het spreidingsbeleid uit de jaren zeventig stuitte op precies dezelfde weerstanden (Van Meeteren en Smit, 2025).

Literatuur
Autor, D., D. Dorn en G. Hanson (2025) Trading places: Mobility responses of native-and foreign-born adults to the China trade shock. ILR Review, 78(1), 10–36.
Bailey, E., P. Devine‐Wright en S. Batel (2016) Using a narrative approach to understand place attachments and responses to power line proposals: The importance of life‐place trajectories. Journal of Environmental Psychology, 48, 200–211.
Batista, C., D. Han, J. Haushofer et al. (2025) Brain drain or brain gain? Effects of high-skilled international emigration on origin countries. Science, 388(6749), adr8861.
CBS (2026) Minder vacatures, meer werklozen. CBS Statistiek, 31 januari.
Cnossen, F.D. (2023) Migratiestromen: migratiebewegingen van jongeren. Talent in de Regio. Te vinden op talentinderegio.com.
Cnossen F.D. en H.J. Rouwendal, (2026) Talentmonitor: Dynamiek op de Noord-Nederlandse arbeidsmarkt. Talent in de Regio. Te vinden op talentinderegio.com/talentmonitor.
Coalitieakkoord (2026) Aan de slag: Bouwen aan een beter Nederland. Coalitieakkoord 2026–2030. Te vinden op www.kabinetsformatie2025.nl.
Cournède, B. en M. Plouin (2022) No home for the young: Stylised facts and policy challenges. OECD Rapport, 22 juni.
Ekamper, P. en G. Bloothooft (2013) Weg van je wortels: de afstand tussen overgrootouders en achterkleinkinderen. Demos: bulletin over bevolking en samenleving, 29(2), 8.
Koster, S. en P. Weenink (2025) Entrepreneurial confidence and the regional economy. Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie, 116(5), 578–587.
Meester, W.J. en P.H. Pellenbarg (2006) The spatial preference map of Dutch entrepreneurs: Subjective rating of locations, 1983, 1993 and 2003. Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie, 97(4), 364–376.
Meeteren, M. van, en M. Smit (2025) Episodes in Dutch policy to develop ‘left behind places’ (1945–2025). Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie, 116(5), 544–560.
MinEZ (2024) Ruimtelijke Economische Verkenning 2024. Ministerie van Economische Zaken, september. Te vinden op www.rijksoverheid.nl.
Muilwijk-Vriend, S., D. Webbink en B. ter Weel (2019) Economische kansen hangen af van de regio waarin kinderen opgroeien. ESB, 104(4780), 564–567.
Moretti, E. (2010) Local labor markets. NBER Working Paper, 15947.
Reitsma, T., F.D. Cnossen, T. Haartsen en B.B. Bock (2025) Leaving for good or coming back? Identifying long‐term internal migration trajectories of rural young adults in the Netherlands. Population, Space and Place, 31(8), e70130.
Riethmuller, M.L., P.L. Dzidic en E.A. Newnham (2021) Going rural: Qualitative perspectives on the role of place attachment in young people’s intentions to return to the country. Journal of Environmental Psychology, 73, 101542.
Rouwendal, H.-J. en J. Rouwendal (2025) Are urban labour markets more dynamic? Vacancies and urban scaling. Urban studies, 62(7), 1293–1315.
Venhorst, V., J. van Dijk en L. van Wissen (2010) Do the best graduates leave the peripheral areas of the Netherlands? Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie, 101(5), 521–537.
Wennink (2025) De route naar toekomstige welvaart: Een sterk Nederland in een relevant Europa. Rapport Wennink, december.
Weterings, A., J. Bakens, M. Thissen et al. (2023) Tekort aan technici voor de energietransitie vergt prioritering in investeringen. ESB, 108(4821), 222–225.
Auteurs
Categorieën