
Het aandeel woningeigenaren dat zou verduurzamen neemt in gelijke mate toe onder hoge en lage inkomens als zij daarvoor gesubsidieerd worden. Dat blijkt uit een enquête afgenomen via Ipsos I&O onder woningeigenaren in januari 2025.
De geënquêteerden kregen een hypothetische situatie voorgelegd met een discreet keuze-experiment over het nemen van verduurzamingsmaatregelen. Dit betreft een vignettenanalyse met verklaarde voorkeuren (stated preferences), wat niet per se betekent dat woningeigenaren in de praktijk ook deze keuzes maken.
Door de stimulans van de subsidie stijgt bij lagere inkomens het aandeel dat kiest voor een zonneboiler, warmtepomp of woningisolatie van 34 naar 40 procent en bij hogere inkomens van 38 naar 44 procent (figuur). Dit komt neer op een relatieve toename van 20 respectievelijk 19 procent. De werking en doeltreffendheid van brede regelingen als de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) lijkt voor beide inkomensgroepen dus vergelijkbaar.
Uit de figuur blijkt dat onder hogere inkomens het aandeel huishoudens dat kiest voor verduurzaming wel hoger ligt. Mogelijk heeft deze groep meer financiële middelen om te investeren of een grotere intrinsieke voorkeur voor verduurzaming. Dit kan ertoe leiden dat welvaarts- en inkomensverschillen worden vergroot omdat aanvragers op langere termijn voordeel hebben van hun investering door een lagere energierekening, meer comfort en een hogere woningwaarde.
In de afgelopen jaren zijn aanpassingen in de ISDE doorgevoerd om de subsidie toegankelijker te maken voor lage-inkomensgroepen. Zo kunnen gemeenten collectief aanvragen doen voor inwoners. Ook kunnen gemeenten de financiering voorschieten en de ISDE-aanvraag combineren met lokale middelen uit het Nationaal Isolatieprogramma. Het is echter onduidelijk of deze maatregelen tot meer investeringen hebben geleid.
Auteurs
Categorieën