Ga direct naar de content

Sectorale prijsverschillen vertekenen Nederlandse productiviteitscijfers

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: juni 11 2026

De gangbare productiviteitsmaatstaf houdt geen rekening met sectorale prijsverschillen tussen landen. Dat vertekent productiviteitsvergelijkingen tussen Nederland enerzijds, en de VS en andere Europese landen, anderzijds.

In het kort

  • Na correctie voor internationale sectorale prijsverschillen blijkt Nederland minder productief in niet-verhandelbare sectoren.
  • De productiviteitsachterstand ten opzichte van de VS is breder dan de techsector: ook in andere sectoren lopen we achter.
  • De hogere productiviteit van de VS vertaalt zich slechts beperkt in een hogere consumptieve welvaart per gewerkt uur.

Veel aandacht gaat recent uit naar de vergelijking tussen de productiviteit in de VS en die in Europa of Nederland. Zo stelt Draghi (2024) dat het verschil in bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking, voor PPP gecorrigeerd, voor zeventig procent wordt verklaard door een lagere productiviteit in de EU. Ook Wennink (2025) heeft veelvuldig aandacht voor de lagere arbeidsproductiviteitsgroei van Nederland, en noemt verhoging hiervan als noodzakelijk voor toekomstige welvaart. De productiviteitsgroei in Nederland en de EU is de afgelopen twee decennia respectievelijk slechts 0,6 en 0,7 procent per jaar, terwijl de VS de afgelopen tien jaar 1,7 procent groei per jaar wist te realiseren.

De traditionele arbeidsproductiviteitsmaatstaf op basis van bruto toegevoegde waarde per gewerkt uur lijkt echter een forse vertekening weer te geven van de daadwerkelijke productiviteit in een sector. Deze rapporten vinden namelijk op basis van de bruto sectorale productiviteitscijfers ook productiviteitsverschillen in schijnbaar homogene productiewijzen, bijvoorbeeld in dienstensectoren (DNB, 2024). Maar waarom kunnen werknemers in sectoren onder min of meer homogene productiewijzen in het ene land een veelvoud van de toegevoegde waarde realiseren ten opzichte van andere landen? Rijdt een Belgische vrachtwagenchauffeur harder dan zijn Portugese collega? Of knipt een Luxemburgse kapper sneller dan zijn Duitse collega?

Om gericht productiviteitsbeleid te voeren, is een correcte schatting van onze relatieve arbeidsproductiviteit belangrijk. In dit artikel gaan we nader in op de vergelijkbaarheid van sectorale productiviteit tussen landen en geven we alternatieve methoden voor het schatten van de productiviteit van sectoren.

Het Balassa-Samuelson-effect

De productiviteitsberekening op basis van de bruto toegevoegde waarde per uur is vertekend omdat het geen rekening houdt met sectorale prijsverschillen tussen landen. Van belang is hierbij het Balassa-Samuelson-effect (BS-effect, hieronder) (Balassa, 1964; Samuelson, 1964), dat de interactie tussen de verhandelbare en niet-verhandelbare sectoren beschrijft. De kern van dit effect is dat prijzen van verhandelbare goederen en diensten internationaal convergeren, terwijl prijzen van niet-verhandelbare goederen en diensten lokaal worden bepaald. Wanneer de productiviteit in een internationaal verhandelbare sector (neem bijvoorbeeld de fabricage van chipmachines) stijgt, vertaalt zich dat daarom niet alleen in hogere lonen in verhandelbare sectoren, maar ook in hogere lonen in niet-verhandelbare lokale sectoren omdat werkgevers concurrentiële lonen moeten aanbieden om hun personeel te houden.

Voor niet-verhandelbare diensten (zoals een lokale kapper) heeft dit gevolgen. De kapper wordt geconfronteerd met hogere loonkosten, zonder dat daar een verbetering van de gebruikte technologie of een kortere kniptijd tegenover staat. Om deze hogere kosten te dekken, stijgt de prijs van een knipbeurt, maar een knipbeurt duurt nog steeds even lang, met dezelfde scharen en tondeuses en in dezelfde stoel. De nominale bruto toegevoegde waarde per gewerkt uur neemt dus toe, terwijl de daadwerkelijke productiviteit onveranderd blijft. Dit onderscheid tussen prijsgestuurde groei van de toegevoegde waarde en echte productiviteitsgroei is cruciaal: de gemeten productiviteit (in toegevoegde waarde per gewerkt uur in een sector) in niet-verhandelbare sectoren kan stijgen, zonder dat er sprake is van efficiënter produceren of grotere volumes.

Hoewel de onderliggende arbeidsmarktdynamiek van het Balassa-Samuelson-effect op microniveau niet altijd direct zichtbaar is – het ligt immers niet voor de hand dat een kapper overstapt naar een chipmachinefabrikant – manifesteert dit mechanisme zich wel op geaggregeerd niveau. Markten zijn in brede zin met elkaar verbonden, waardoor productiviteitsgroei in de verhandelbare sectoren ook de inputprijzen van de niet-verhandelbare sector verhoogt. Dit verklaart waarom landen met een hoge productiviteit in hun verhandelbare sectoren vaak ook een hogere nominale toegevoegde waarde kennen in niet-verhandelbare goederen en diensten. Cardi en Restout (2015) laten zien dat, ondanks imperfecte arbeidsmobiliteit, de lonen in de niet-verhandelbare sector grotendeels meestijgen met die in de verhandelbare.

Correctie voor sectorale prijsverschillen

De nominale methode op basis van toegevoegde waarde per uur is derhalve geen adequate indicator voor de daadwerkelijke efficiëntie van sectoren. Wij berekenen daarom een alternatieve productiviteitsmaatstaf die corrigeert voor het BS-effect en de resulterende sectorale prijsverschillen. Wij volgen daarvoor Inklaar et al. (2023), en corrigeren de toegevoegde waarde van sectoren met sectorale prijsdeflatoren voor internationale verschillen in prijsniveaus van sectorale intermediaire inputs en sectorale output. Deze sectorale prijsdeflatoren zijn geconstrueerd door internationale prijsgegevens op productniveau aan sectoren te koppelen en aparte prijsindices voor output en intermediaire inputs te maken. Concreet betekent dit bijvoorbeeld dat de toegevoegde waarde van een Duitse en een Poolse bouwvakker wordt gecorrigeerd voor verschillen in de prijzen van bouwmaterialen en de uiteindelijke bouwproductie. De gecorrigeerde maatstaf kan dus worden geïnterpreteerd als de volumematige productiviteit.

Lokale kwaliteitsverschillen, zeker in specifieke niet-verhandelbare sectoren, blijven echter moeilijk te meten. Een nadeel is dat productiviteitsverschillen die zich bijvoorbeeld uiten in kwalitatievere dienstverlening met deze methode ook worden gefilterd. Ook is de maatstaf enkel binnen sectoren internationaal vergelijkbaar. Vergelijkingen tussen sectoren zijn niet mogelijk, omdat elke sector een eigen prijsindex heeft (zie ook de bijlage bij de online versie van dit artikel).

Figuur 1 zet de alternatieve volumemaatstaf af tegen de bruto benadering voor zeven sectoren. Enerzijds blijft na deze correctie het beeld bestaan dat Nederland een hoogproductief land is: met name binnen de verhandelbare sectoren, zoals de industrie, behoort Nederland nog altijd tot de absolute top van de eurozone. Anderzijds verandert het beeld voor de minder verhandelbare sectoren: zo verliest Nederland zijn Europese koppositie in de logistiek, de handel & horeca, en de bouw. Dit zijn juist de sectoren waar prijzen veelal lokaal tot stand komen en dus gevoeliger zijn voor het eerder beschreven BS-effect. Door de beperktere prestaties in de niet-verhandelbare sectoren krimpt de afstand van de Nederlandse positie tot de Europese middenmoot voor de gehele economie: ten opzichte van de eurozone in de gehele economie zakt Nederland van de top 10 procent naar de top 25 procent.

Figuur 1: Productiviteit per bedrijfstak, 2023
olij1
Noot: De boxplots zijn alleen voor de eurozone (dus exclusief de VS), waarbij de middellijn de mediaan representeert, de binnenste boxen 25 tot 75 procent van de data en de lichtere boxen 10 tot 90 procent van de data. Voor de VS zijn de gegevens in werkelijke prijzen gecorrigeerd met de dollar-euro-wisselkoers.

Wat betreft de Nederlandse productiviteitsachterstand ten opzichte van de VS bevestigt onze volumematige productiviteitsmaatstaf in figuur 1 dat deze in belangrijke mate verbonden is aan de opkomst van de tech-industrie (grotendeels gevangen binnen de zakelijke dienstensector), zoals aangegeven door DNB (2024) en in de rapporten van Wennink (2025) en Draghi (2024). We zien echter na correctie dat ook binnen andere sectoren met een groot bbp-aandeel, met name de logistiek, Nederland op afstand zit ten opzichte van de VS. Tegelijkertijd zien we ook in de VS dat een aantal sectoren na de correctie een stuk minder productief zijn dan ze bruto doen lijken. De handel & horeca, de agrarische sector, en met name de Amerikaanse bouwsector, hebben (zeer) hoge intermediaire inputprijzen waardoor ze de EU niet meer voorbijstreven. Alles tezamen neemt dan ook het productiviteitsverschil tussen Nederland en de VS in de gehele economie af ten opzichte van het nominale beeld.

Productiviteit in koopkrachttermen

Tot slot kan de vraag worden gesteld in hoeverre internationale verschillen in toegevoegde waarde per gewerkt uur samenhangen met verschillen in nationale prijsniveaus en daarmee met verschillen in de koopkracht van de gegenereerde toegevoegde waarde. Zo is de toegevoegde waarde per gewerkt uur van een kapper in Bulgarije lager dan die van een Nederlandse kapper, maar liggen ook de prijzen van veel goederen en diensten in Bulgarije aanzienlijk lager. Een vergelijking in werkelijke prijzen zegt in dat geval weinig over wat een gewerkt uur in termen van consumptiemogelijkheden of welvaart vertegenwoordigt.

Om rekening te houden met dergelijke nationale prijsverschillen, corrigeren we in een derde boxplot de sectorale toegevoegde waarde per gewerkt uur met koopkrachtpariteiten gebaseerd op het perspectief van individuele consumptie, ongeacht of deze privaat of collectief wordt gefinancierd (bijvoorbeeld via zorg en onderwijs), ofwel de AIC-PPP. De uitkomst is een welvaartsmaatstaf van de toegevoegde waarde van een gewerkt uur. Aangezien het zogenoemde consumptiemandje identiek is ongeacht de sector, is de koopkrachtcorrectie binnen een land voor alle sectoren identiek; een gunstiger of ongunstiger effect voor een land in de ene sector werkt daarmee automatisch in gelijke mate door in alle andere sectoren.

Toegepast op de gehele economie laat een vergelijking van de twee maatstaven zien dat het verschil in consumptiemogelijkheden tussen Nederland en de Verenigde Staten aanzienlijk kleiner is dan het verschil in gemeten arbeidsproductiviteit doet suggereren. In werkelijke prijzen is de toegevoegde waarde per gewerkt uur in de VS bijna een half keer zo hoog als in Nederland. Na een AIC-PPP-correctie resteert echter een verschil van ongeveer vijftien procent. Dit betekent dat, ondanks dat de VS productiever is, men deze productiviteit niet volledig weet om te zetten naar welvaart, gegeven de hogere prijzen voor specifieke goederen en diensten (te denken valt aan zorg of onderwijs). Binnen de eurozone zien we bovendien dat de verdeling van productiviteit tussen landen licht comprimeert ten opzichte van de werkelijke prijzen: de afstand tussen eurolanden in termen van welvaart neemt af. Dit is intuïtief: één euro in Bulgarije biedt immers meer in koopkrachttermen ten opzichte van één euro in Nederland.

Ook sectoraal zien we dat het beeld tussen de twee maatstaven verschilt. In werkelijke prijzen en gecorrigeerd voor sectorale prijsverschillen is de arbeidsproductiviteit in de Amerikaanse industrie aanzienlijk hoger dan die in Nederland. Wanneer echter wordt gecorrigeerd met AIC-PPP’s blijkt dat een gewerkt uur in de Nederlandse industrie meer consumptie-equivalente toegevoegde waarde oplevert dan een gewerkt uur in de Amerikaanse industrie. Dit impliceert dat een werknemer in de Nederlandse industrie zich, mocht hem of haar een even groot aandeel van de toegevoegde waarde toekomen, zich met een gewerkt uur meer kan veroorloven dan een werknemer in de Amerikaanse industrie. Let wel: deze analyse gaat voorbij aan verschillen in het aantal gewerkte uren, die eveneens bepalend zijn voor de uiteindelijke consumptiemogelijkheden.

Conclusie

Nederland behoort binnen de verhandelbare sectoren tot de Europese top, ook na correctie voor relatieve sectorale prijsverschillen. Daartegenover staat dat de productiviteit in de niet-verhandelbare sectoren internationaal bezien achterblijft. Als Nederland in termen van daadwerkelijke output per gewerkt uur tot de Europese top wil blijven behoren, is het ook van belang om oog te houden voor de productiviteitsgroei in niet-verhandelbare sectoren, denk aan de bouw.

De Verenigde Staten blijven, ook na correctie voor relatieve sectorale prijsverschillen, aanzienlijk productiever dan Nederland, al is ten opzichte van het nominale beeld het verschil kleiner. Het productiviteitsverschil beperkt zich bovendien niet tot de technologiesector, maar is zichtbaar in een breed scala aan verhandelbare sectoren, wat wijst op een structureel productiviteitsgat en daarmee op ruimte voor verdere productiviteitsgroei in veel Nederlandse sectoren.

Tegelijkertijd vertalen deze hogere productiviteitsniveaus zich niet een-op-een in een hogere consumptieve welvaart per gewerkt uur. Gecorrigeerd voor koopkracht blijkt de toegevoegde waarde per gewerkt uur in Nederland veel beperkter achter te blijven bij die van de Verenigde Staten, waardoor de relatieve welvaart van de Nederlandse werknemers in internationale vergelijking minder nadelig uitvalt dan de productiviteitscijfers op het eerste gezicht doen vermoeden.

Getty Images

Literatuur

Balassa, B. (1964) The purchasing-power parity doctrine: A reappraisal. Journal of Political Economy, 72(6), 584–596.

Cardi, O. en R. Restout (2015) Imperfect mobility of labor across sectors: A reappraisal of the Balassa-Samuelson effect. Journal of International Economics, 97(2), 249–265.

CBS (2023) 4. Verschillende aiq-aggregaten. CBS Statistiek, 24 juni.

DNB (2024) Koploper of hekkensluiter? De Nederlandse arbeidsproductiviteitsgroei in internationaal en sectoraal perspectief. DNB Analyse, april.

Draghi, M. (2024) The future of European competitiveness: A competitiveness strategy for Europe. Europese Commissie Rapport, september. Te vinden op commission.europa.eu.

Inklaar, R., R. Marapin en K. Gräler (2023) Tradability and sectoral productivity differences across countries. STEG Working Paper, WP089.

Samuelson, P.A. (1964) Theoretical notes on trade problems. The Review of Economics and Statistics, 46(2), 145–154.

Wennink, P. (2025) De route naar toekomstige welvaart: Een sterk Nederland in een relevant Europa. Rapport Wennink, december.

Auteurs

  • Shaye Olij

    Beleidsmedewerker bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

  • Nick Adžić

    Beleidsmedewerker bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

  • Daan van der Linde

    Plaatsvervangend lid van het management team bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

Plaats een reactie