Nederland geeft de komende jaren fors meer uit aan defensie, met name aan materiaal. Dat leidt tot een toename aan vraag naar arbeid in de defensie-industrie. Maar is die arbeidsvraag in deze krappe arbeidsmarkt wel in te vullen?
In het kort
- Als de defensie-uitgaven stijgen naar 3,5 procent van het bbp in 2035 genereert dat ruim 15.000 extra voltijdsbanen.
- Op de hele arbeidsmarkt is de arbeidsvraag beperkt, maar de defensie-industrie groeit met ongeveer een derde.
- Arbeidsintensieve en minder importafhankelijke investeringen vergroten de vraag naar arbeid sterker.
De internationale veiligheidssituatie is de afgelopen jaren ingrijpend verslechterd. De Russische agressieoorlog tegen Oekraïne, toenemende hybride dreigingen en groeiende geopolitieke onvoorspelbaarheid nopen tot een fundamentele versterking van de Europese en Nederlandse defensie. Het coalitieakkoord (2026) van het kabinet-Jetten voorziet in een stijging van de defensie-uitgaven van 2,0 procent van het bruto binnenlands product (bbp) in 2026 naar 2,8 procent in 2030 en 3,5 procent in 2035, in lijn met de op de NAVO-top in Den Haag (2025) overeengekomen norm. De krijgsmacht wordt opgeschaald naar minimaal 122.000 mensen.
Een groot deel van de extra middelen is bestemd voor investeringen in defensiematerieel. Die investeringen vertalen zich in extra arbeidsvraag: oorlogsschepen, IT-systemen en vastgoed moeten worden ontworpen, gebouwd en onderhouden.
Deze uitbreiding vindt plaats in een context waarin de Nederlandse arbeidsmarkt langdurig krap is. In bijna elke bedrijfstak kan het arbeidsaanbod de arbeidsvraag niet bijbenen, en de verwachting is dat dit door de stagnatie van de beroepsbevolking en de verschillende maatschappelijke opgaven – zoals woningbouw, zorg en de energietransitie – ook in de toekomst zo zal blijven.
Het is dus onzeker of de nationale industrie over voldoende capaciteit beschikt om de extra vraag efficiënt op te vangen. Aanvullende arbeidsvraag vanuit de defensiesector gaat daarmee potentieel ten koste van andere economische activiteiten waarin Nederland een comparatief voordeel heeft (Adžić en Roozenbeek, 2026, in dit dossier; CPB, 2025; DNB, 2026).
De effectieve druk op de arbeidsmarkt hangt af van keuzes die nog gemaakt moeten worden: welk type materieel wordt aangeschaft, in hoeverre wordt binnenslands ingekocht, en hoeveel wordt geïnvesteerd in arbeidsintensieve categorieën zoals R&D, vastgoed en IT versus kapitaalintensief materieel?
Juist bij langdurige krapte is het van belang de potentiële arbeidsvraageffecten van nieuw beleid vooraf expliciet mee te wegen (Kremer et al., 2023). Dit artikel brengt daarom de potentiële arbeidsvraageffecten in beeld, met behulp van input-outputanalyse, waarmee zowel de directe als de indirecte arbeidsvraag in de toeleveringsketen kan worden geraamd (MinSZW, 2025). Enkele factoren blijven buiten beschouwing: de buitenlandse vraag naar de Nederlandse defensie-industrie is niet meegenomen, die wordt namelijk niet gestuurd door Nederlands beleid, maar neemt waarschijnlijk wel toe doordat ook andere Europese landen hun defensie-uitgaven verhogen. De wijze van bekostiging blijft eveneens buiten beschouwing. Dat is een beperking, want wanneer hogere defensie-uitgaven worden gefinancierd via bezuinigingen of belastingverhogingen, vermindert dat de arbeidsvraag in andere sectoren.
Grootte additionele defensie-investeringen
Hoe de defensie-uitgaven aan defensiematerieel zich vertalen naar de aanvullende arbeidsvraag hangt allereerst af van de grootte van de investeringen. Hoe meer vraag naar defensiematerieel, des te meer arbeid er nodig is om het materieel te produceren. De omvang van het Defensiematerieelbegrotingsfonds (DMF) – het begrotingsfonds waaruit alle investeringen in defensiematerieel, IT en vastgoed worden gefinancierd – is af te leiden van de budgettaire tabel van het coalitieakkoord. Volgens het coalitieakkoord stijgen de defensie-uitgaven naar 2,8 procent van het bbp in 2030 en 3,5 procent in 2035 (Coalitieakkoord, 2026). Dat komt neer op extra uitgaven van 9,5 miljard euro in 2030 en 19,3 miljard in 2035 (in prijzen van 2026). In 2026 bedraagt het DMF circa 13,4 miljard, ruim de helft (54 procent) van de totale defensiebegroting van 25 miljard (Rijksoverheid, 2025). Wij nemen aan dat de helft van de extra uitgaven naar het DMF gaat, wat neerkomt op 4,75 miljard euro in 2030 en 9,65 miljard in 2035.
Daarnaast zijn het importpercentage en de arbeidsintensiteit van het binnenlandse productieproces van belang. Vraag naar materieel dat in het buitenland wordt geproduceerd levert geen extra binnenlandse arbeidsvraag op, en bij gelijke besteding genereert een arbeidsintensieve categorie als IT-dienstverlening meer arbeidsvraag dan een kapitaalintensieve categorie als wapenproductie. Beide factoren hangen sterk af van de specifieke productgroep waarin wordt geïnvesteerd. Op basis van de recente edities van het Defensieprojectenoverzicht (hierna: DPO) schatten we de verdeling naar productgroep in voor de jaren 2024 en 2025 (MinDef, 2025). Deze verdeling wordt lineair naar de toekomst geëxtrapoleerd (tabel 1). Hoewel de samenstelling van uitgaven in de toekomst zal veranderen, bijvoorbeeld door veranderende technologie of eisen vanuit de NAVO, zijn dit de meest complete gegevens die tot onze beschikking staan.

Wij gebruiken een input-outputmodel (MinSZW, 2025) om de budgettaire impuls per productgroep te vertalen naar aanvullende arbeidsvraag (kader 1).
Niet elke bestedingscategorie correspondeert in het model met een afzonderlijke sector. In die gevallen worden de parameters van de overkoepelende sector toegepast. Extra vraag naar munitie wordt bijvoorbeeld gemodelleerd als extra vraag in de metaalproductenindustrie. De veronderstelling is dat arbeidsintensiteit en het intermediair verbruik van de wapenindustrie grotendeels aansluiten bij die van deze overkoepelende sector. Waar aanvullende informatie uit het DPO beschikbaar is, zijn de importaandelen aangepast, voor overige categorieën sluiten we aan bij de input-outputtabellen van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
Kader 1: Input-outputmodellen en aannames
Voor de vertaling van de budgettaire bedragen naar de aanvullende arbeidsvraag maken we gebruik van een input-outputmodel. Dit model is gemaakt op basis van de Input-Outputtabellen 2021–2023 (CBS, 2024). Input-outputmodellen houden rekening met het gebruik van intermediaire goederen en diensten in de productieketen. Bijvoorbeeld, een hogere vraag naar groot materieel zoals oorlogsschepen leidt ook tot meer vraag naar radarsystemen en metaal.
Het input-outputgedeelte van het model berekent op basis van de verandering in de vraag naar producten van specifieke industrieën het effect op (a) productie per sector in de toeleveringsketen. Op basis van de productie per sector wordt vervolgens het effect op (b) de toegevoegde waarde, (c) betalingen aan arbeid en tot slotte (d) de arbeidsvraag (fte) berekend.
Input-outputmodellen gaan gepaard met een aantal standaard aannames:
constante verhouding tussen intermediaire inputs bij constante prijzen;
lineair verband tussen productie en arbeid (constante verhouding arbeid/kapitaal);
oneindige aanbodselasticiteit (geen prijseffect van extra vraag, 100 procent doorberekening).
Deze aannames zijn op lange termijn niet plausibel. Onze analyse laat dan ook uitsluitend zien wat het verwachte arbeidsvraageffect is van de extra uitgaven in het defensiemateriaalfonds en niet of en hoe aan die arbeidsvraag wordt voldaan. De arbeidsvraag kan in theorie namelijk op verschillende manieren weer in balans komen met het aanbod, bijvoorbeeld via kapitaalverdieping (wat de verhouding arbeid/kapitaal wijzigt) maar ook via stijgende prijzen of groei van de arbeidsmigratie.
Resultaten
Uitgaande van de veronderstelde samenstelling van de defensie-inkopen, leidt 4,75 miljard euro aan aanvullende investeringen in defensiematerieel in 2030 tot circa 7.500 extra fte arbeidsvraag (tabel 2). Bij 9,65 miljard in 2035 loopt dit op tot circa 15.100 fte. De totale extra arbeidsvraag valt relatief gematigd uit omdat veertig procent van het defensiematerieel geïmporteerd wordt en dus geen effect heeft op de binnenlandse arbeidsvraag. Voor de defensie- en veiligheidsindustrie zelf, die volgens Berenschot (2024) circa 33.000 fte telt, betekent de geraamde extra arbeidsvraag (exclusief vastgoed circa 10.500 fte) een uitbreiding van ruwweg een derde.

Als we de extra arbeidsvraag per investeringscategorie bekijken, zien we dat in absolute zin de categorie materieel en munitie verreweg het grootst is (circa 8.800 fte in 2035), wat logisch is, gezien het budgettaire gewicht van 63 procent. De arbeidsvraagintensiteit, dat is de arbeidsvraag per miljoen euro investering, is in deze categorie echter het laagst (1,61 fte per miljoen) omdat gemiddeld 58 procent van het materieel wordt geïmporteerd: gevechtsvliegtuigen komen volledig uit het buitenland en ook bij munitie is het importaandeel hoog. Het binnenlandse arbeidsvraageffect blijft daardoor beperkt.
Bij vastgoed is het beeld omgekeerd. Het budgettaire aandeel is bescheiden (negen procent), maar de arbeidsvraagintensiteit is hoog (4,02 fte per miljoen) omdat kazernes, opslagfaciliteiten en oefenterreinen vrijwel volledig binnenslands worden gebouwd. Hetzelfde geldt voor R&D (4,88 fte per miljoen), waar het importaandeel eveneens laag is en de productieketen relatief arbeidsintensief. IT en communicatiemiddelen zitten daar tussenin, met een importaandeel van 39 procent.
Figuur 1 toont de impact van de toegenomen arbeidsvraag per sector. De extra arbeidsvraag concentreert zich in een beperkt aantal sectoren. De metaalproductenindustrie wordt het sterkst geraakt omdat de productie van oorlogsschepen, voertuigen en munitie om metaalproducten vraagt. De bouwsector profiteert van vastgoed- en infrastructuurinvesteringen, en de IT-dienstverlening groeit mee omdat communicatie- en commandosystemen een steeds groter aandeel van de defensie-investeringen vormen.
Figuur 1: Extra absolute arbeidsvraag

Uit figuur 2 blijkt dat de relatieve toename van de arbeidsvraag als percentage van de huidige werkgelegenheid per sector vrij beperkt is. Een opvallende uitschieter in relatieve zin is de grootmaterieel- en transportindustrie, waar de extra arbeidsvraag meer dan vier procent van de huidige sectorale werkgelegenheid bedraagt. Deze sector, die onder meer de scheepsbouw en productie van militaire voertuigen omvat, is relatief klein, waardoor zelfs een beperkte absolute toename een groot relatief effect heeft. Voor de meeste overige sectoren blijft het relatieve effect ruim onder de één procent, omdat de defensie-industrie slechts een klein deel van die sectoren uitmaakt.
Figuur 2: Extra relatieve arbeidsvraag

Beleidsimplicaties
De totale druk op de arbeidsmarkt van de defensie-investeringen lijkt dus gematigd. Dat komt met name doordat het gemiddelde importpercentage voor defensieproducten hoog is (veertig procent), waardoor een groot deel van de besteding niet in binnenlandse arbeidsvraag neerslaat. In de meeste geraakte sectoren blijft de extra arbeidsvraag beperkt tot ruim onder de één procent van de huidige werkgelegenheid, wat suggereert dat de bredere economie de extra vraag kan absorberen zonder grote verstoringen kan absorberen. Enige verdringing van andere activiteiten in bijvoorbeeld de bouw en IT-dienstverlening is echter waarschijnlijk, aangezien in deze sectoren de krapte al groot is. Al hoeft dat niet per definitie welvaartsverlagend te zijn: productieve defensiegerelateerde activiteiten kunnen immers minder productieve activiteiten verdringen (Erken et al., 2025).
Voor de defensie-industrie zelf is de benodigde opschaling evenwel aanzienlijk. Of die haalbaar is, hangt af van de mate waarin werknemers uit de bredere industrie kunnen en willen overstappen naar defensiegerelateerde activiteiten, en welke rol de overheid kan spelen om die beweging mogelijk te maken.
De samenstelling van de investeringen is een belangrijke bepalende factor. Minder uitgaven in arbeidsintensieve sectoren die weinig importafhankelijk zijn, kan de druk op de arbeidsmarkt verlichten. Dit vraagt om een expliciete afweging tussen arbeidsmarktkrapte en andere beleidsdoelen, zoals strategische autonomie en versterking van de nationale industriële basis.
De extra uitgaven aan defensie-investeringen staan bovendien niet op zichzelf. Wanneer ook andere EU-lidstaten hun defensie-uitgaven verhogen en meer binnen de EU aanbesteden, kan de vraag naar productiecapaciteit en arbeid in Nederland verder toenemen. Tegelijkertijd zal ook het reguliere defensiepersoneel uitbreiden naar 122.000 mensen. Het blijft daarom van belang dat bij de invulling van de defensie-ambities bewuste keuzes worden gemaakt met oog voor de gevolgen voor de arbeidsmarkt.
Literatuur
Adžić, N. en B. Roozenbeek (2026) Meer defensie leidt niet automatisch tot groei bruto binnenlands product. ESB, 111(4859S), 98–100.
Berenschot (2024) Nederlandse defensie- en veiligheid gerelateerde technologische industriële basis. Berenschot Rapport, april.
Coalitieakkoord (2026) Aan de slag: Bouwen aan een beter Nederland. Coalitieakkoord 2026–2030. Te vinden op www.kabinetsformatie2025.nl.
CBS (2024) Tabellensets Nationale rekeningen 2023. CBS Statistiek, 12 juli.
CPB (2025) Macro-economische effecten van hogere defensie-uitgaven. CPB Publicatie, 19 november.
DNB (2026) Zet extra defensiemiljarden gericht in voor grootste strategisch voordeel. DNB Nieuws, 6 februari.
Erken, H., F. van Es en E. de Groot (2025) Europe in the new NATO era. RaboResearch, 23 juni.
Kremer, J., G. Muskee, B. Kok en M. Imandt (2023) De oplossing voor langdurige krapte is minder arbeidsvraag. ESB, 108(4826), 484–486.
MinDef (2025) Defensie Projectenoverzicht 2025. Te vinden op www.defensie.nl.
MinSZW (2025) Verkenning werkgelegenheidseffecten van overheidsbeleid. Rapport. Te vinden op www.rijksoverheid.nl.
Rijksoverheid (2025) Miljoenennota 2026. Te vinden op www.rijksoverheid.nl.
Auteurs
Categorieën