Ga direct naar de content

Richt extra defensiemiddelen op waar Nederland in uitblinkt

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: februari 6 2026

Nederland gaat de komende jaren fors meer uitgeven aan ­defensie. Als dat geld in eigen land wordt uitgegeven, kan dat op termijn potentieel de groei stimuleren. De kans daarop is groter als de uitgaven aansluiten op domeinen waar Nederland nu al goed in is. Welke zijn dat?

In het kort

  • Patent- en handelsdata kunnen helpen om comparatieve voordelen op defensiegebied te identificeren.
  • Nederland staat zwak in militaire technologie, maar sterk in enkele complexe dual-use-toepassingen.
  • De Nederlandse sterktes zijn complementair aan die van de rest in Europa, wat pleit voor Europese samenwerking.

Door de Russische dreiging is het voornemen de Nederlandse defensie-uitgaven de komende jaren fors te verhogen: van grofweg 2 procent van het bruto binnenlands product nu naar 3,5 procent in 2035. In het coalitieakkoord is hiervoor dan ook structureel geld uitgetrokken. Deze
verhoging werkt door op de overheidsfinanciën, inflatie en de structuur van de economie (DNB, 2026).

Op korte termijn leveren extra defensie-uitgaven waarschijnlijk beperkt groei op (Van der Wal et al., 2025). Niet alleen koopt Nederland een groot deel van zijn defensiematerieel in het buitenland (CBS, 2025), ook zijn de inflatoire effecten van extra personeelsuitgaven op dit moment groter door de krappe arbeidsmarkt (DNB, 2025). De positieve economische effecten van extra uitgaven worden hierdoor geremd, en de mogelijkheden om hierop middels beleid te sturen zijn beperkt. Groei is ook niet het doel van de uitgaven: de strategische noden zijn te hoog om te wachten met het aantrekken van militairen totdat de arbeidsmarkt afkoelt, of met het aanschaffen van materieel totdat we hierin meer zelfvoorzienend zijn.

Op de middellange en lange termijn heeft de overheid meer ruimte om economische keuzes te maken. Op de middellange termijn kunnen militaire productiestructuren zich aanpassen: de Nederlandse productiecapaciteit kan worden opgeschaald, en er kan worden geïnvesteerd in kennis en nieuwe productiefaciliteiten.

Investeringen, vooral in R&D, hebben op termijn de grootste productiviteitseffecten van alle vormen van defensie-uitgaven. Dat geldt vooral wanneer deze worden ingezet in domeinen met zowel militaire als civiele toepassingen, zoals luchtvaart, communicatie en hightech (Erken et al., 2025a; 2025b; Moretti et al., 2025). Maar hoe efficiënt een investering in een bepaalde technologie is, hangt ook af van de technologische specialisaties van een land: als een land al ergens goed in is, is de opbouw van een nieuwe productiestructuur eenvoudiger. In dit artikel brengen we daarom de specialisaties van Nederland in kaart.

Weinig mogelijkheden militaire productie

Om tot een inschatting van de technologische specialisaties van een land te komen kijken we naar economische nabijheid. Dit is een maatstaf voor de mate waarin de huidige productiestructuur van een land aansluit bij de benodigdheden voor de productie. Deze maatstaf wordt gebaseerd op wereldwijde historische exportdata: goederen die vaker beide worden geëxporteerd door landen, lijken waarschijnlijk meer op elkaar qua productiebenodigdheden. Een ‘nabij product’ is waarschijnlijk tegen lagere kosten en op kortere termijn te produceren voor een land vergeleken met een minder nabij product. We gebruiken hiervoor gegevens uit de Harvard Atlas of Economic Complexity voor het jaar 2023, waarin de productnabijheden zijn vastgelegd en gemeten met exportdata van 128 landen.

Nederland scoort binnen de EU laag op economische nabijheid tot productie van militaire goederen (figuur 1). Dit betekent dat het waarschijnlijk relatief duur is en lang duurt om productie in deze categorieën op te schalen. Andere EU-­landen, voornamelijk Duitsland, Italië en Spanje, zijn beter gepositioneerd om deze goederen te produceren of de productie uit te breiden. Voor hen is opschaling minder kostbaar dankzij hun bestaande kennis en productiestructuur.

Slechte uitgangspositie om te innoveren

Nederland heeft dus geen goede uitgangspositie voor de productie van militaire goederen zonder civiele applicatie. En ook de technologische uitgangspositie op dit vlak is niet voordelig (figuur 2). Als maatstaf voor de technologische sterktes en zwaktes van een land kijken we naar de zogenaamde Revealed Technological Advantage (RTA). Deze indicator vergelijkt het aandeel patenten in een specifieke technologie binnen het totale aantal patenten van een land met het wereldwijde aandeel van die technologie. Als Nederlandse onderzoekers en bedrijven bijvoorbeeld relatief veel patenten aanvragen voor maritieme technologie ten opzichte van alle Nederlandse patenten, dan heeft het land voor maritieme technologie een hoge RTA. Het gaat om een relatieve maatstaf: ook als in de VS in absolute zin meer maritieme patenten worden aangevraagd, kan de Nederlandse RTA dus nog steeds hoger zijn, omdat in de VS in totaal veel meer patenten worden aangevraagd. Patentactiviteit is in de literatuur een veelgebruikte proxy voor innovatievermogen (DNB, 2026). Hoewel niet alle strategische technologie wordt gepatenteerd, zijn er geen aanwijzingen dat landen systematisch verschillen in hun patentpraktijken op een manier die de relatieve analyse verstoort. Bovendien is er een sterke en significante samenhang tussen historische defensie-R&D-uitgaven en aan defensie gerelateerde patenten, wat erop wijst dat patenten ook voor strategische technologie een informatieve proxy voor innovatievermogen zijn (DNB, 2026).

We gebruiken in figuur 2 patentdata van de OESO uit de periode 2016–2020. We kiezen voor vijf jaar aan data zodat jaarlijkse uitschieters weggemiddeld worden, en 2020 is het laatste jaar met volledige data. Zoals gebruikelijk in de literatuur focussen we daarbinnen op hoogwaardige patentfamilies, gedefinieerd als patenten die zijn ingediend bij Europese, Amerikaanse en Japanse octrooi­bureaus (Dernis en Khan, 2004). We sluiten landen met minder dan honderd hoogwaardige patentfamilies uit, omdat de aandelen van specifieke subcategorieën al snel heel groot worden en daarmee de resultaten vertekenen.

Nederland heeft in militaire goederen een relatief lage technologische specialisatie, afgezet tegen de EU en de VS. Een lagere technologische specialisatie betekent dat het kennisecosysteem ontbreekt om zelf snel hoogwaardige militaire producten te ­ontwikkelen.

De gecombineerde lage technologische en productiespecialisatie is waarschijnlijk een gevolg van het feit dat Nederland de afgelopen decennia minder heeft uitgegeven aan defensie dan de toen geldende NAVO-norm van twee procent, minder dan het EU-­gemiddelde en ruim minder dan het NAVO-gemiddelde. Binnen het Nederlandse defensiebudget vloeide bovendien maar zeer weinig geld naar onderzoek en ontwikkeling (DNB, 2026).

Wel hoogwaardige dual-use-goederen

Wel heeft Nederland een sterke technologische positie op het gebied van een aantal dual-use-technologieën. Dit geldt vooral voor maritieme en nucleaire technologieën, en voor specifieke hightechdomeinen zoals halfgeleiderlithografie, lasersystemen en beveiligde communicatie (figuur 2). Nederland kan deze sterke positie benutten bij het ontwikkelen of uitbreiden van bestaande en nieuwe dual-use-producten.

De specialisaties van andere Europese landen in dual-use-domeinen vullen die van Nederland goed aan. Terwijl Nederland veel minder gespecialiseerd is in sectoren als geavanceerde materialen, materiaalverwerking, avionica en lucht- en ruimtevaart, scoort de EU juist gemiddeld gezien sterk in veel van deze sectoren. Bovendien blijkt uit de achterliggende data dat in elk dual-use-domein ten minste één andere lidstaat is gespecialiseerd.

Vanuit het perspectief van strategische autonomie is de Europese complementariteit gunstig: dit laat een snelle en efficiënte vermindering van de afhankelijkheid van niet-Europese partijen toe. De VS is vooral gespecialiseerd in luchtvaart(elektronica) en nichetechnologieën zoals peptide-synthese in biotechnologie, maar scoort aanzienlijk lager dan Nederland en de EU op de specialisatie in bijvoorbeeld maritieme technologieën.

Kansen voor Nederland

Met name op dual-use-­gebieden liggen er op langere termijn kansen voor het Nederlandse verdien­vermogen, gegeven de kennis en productiefaciliteiten die er op dit moment in de economie aanwezig zijn. Die aanwezigheid van kennis en productiefaciliteiten maakt diversificatie richting gerelateerde nieuwe producten gemakkelijker.

Om een inschatting te maken van het verdienpotentieel van eventuele nieuwe productiemogelijkheden kijken we naar het diversificatiepotentieel. Dit potentieel (in de Harvard Atlas of Economic Complexity: opportunity outlook gain) kwantificeert de nabijheid van nieuwe producten aan de hand van de verbinding met de huidige productiecapaciteiten. En het kijkt daarnaast naar complexiteit van de producten waarheen gediversifieerd kan worden: hoe complexer een product is, hoe kleiner de kans wordt dat een ander land het kan produceren en hoe groter de potentiële economische waarde zal zijn.

We kijken hier alleen naar producten met een onder gemiddelde handelsspecialisatie. Producten waarin Nederland al een bovengemiddelde handelsspecialisatie heeft, beschouwen we als bestaande sterktes. Producten zonder zo’n specialisatie kunnen worden gezien als potentiële kansgebieden, omdat ze mogelijk hoge economische of technologische spillovers genereren, maar Nederland hier nog niet sterk in vertegenwoordigd is.

Nederland heeft vooral kansen in productgroepen die aansluiten bij maritieme en telecommunicatie­toepassingen, waar het diversificatiepotentieel het grootst is (figuur 3). Deze productgroepen combineren een hoge economische nabijheid met een sterke bijdrage aan de toekomstige complexiteit van de Nederlandse productiestructuur. Dit zijn producten die dicht bij de bestaande Nederlandse productiecapaciteit staan, waar Nederland nog relatief weinig in exporteert, maar die wel het potentieel hebben om toegang te bieden tot meer complexe producten in de toekomst.

Daarnaast komen ook productgroepen gerelateerd aan luchtvaart, geavanceerde materialen, navigatie, nucleaire technologie en elektronica naar voren, zij het met een minder uitgesproken profiel.

Conclusie

Nederland is op het gebied van militaire technologie en productie zonder civiele toepassingen ongunstig gepositioneerd. Tegelijkertijd is Nederland bovengemiddeld gespecialiseerd in een aantal dual-use-technologieën en complexe goederen, en bieden juist deze categorieën nieuwe economische kansen. Met andere woorden: het opbouwen van productiecapaciteit voor militaire goederen zonder civiel gebruik is in Nederland waarschijnlijk duur en tijdrovend, terwijl dat niet geldt voor specifieke dual-use-goederen, die dan ook meteen nieuwe economische kansen geven.

De Nederlandse sterktes zijn complementair aan die van de rest in Europa. Nederland heeft dus veel te winnen bij Europese afspraken en een gezamenlijk uitgavenplan voor de defensiemiddelen. Door gericht te investeren in een aantal specifieke technologieën kan Nederland onze Europese afhankelijkheden helpen afbouwen, en tegelijkertijd de economische groei versterken.

Voor een efficiënte opbouw van defensieproductie zijn wel twee voorwaarden van cruciaal belang, die beide ook al benadrukt worden in het Draghi-rapport (Draghi, 2024). Ten eerste impliceert het benutten van onze nationale sterktes een verdeling van taken tussen Europese partners. Deze verdeling komt ook zonder expliciete afspraken waarschijnlijk tot op zekere hoogte op gang: het is logisch dat landen hun middelen vaker zullen inzetten in domeinen waarin ze denken relatief snel concurrerend te kunnen zijn. Toch bieden expliciete afspraken zekerheid dat er bijvoorbeeld in voldoende mate munitie geproduceerd wordt. Ook zorgt het voor betere aansluiting tussen verschillende wapensystemen en binnen waardeketens.

Een tweede essentiële voorwaarde voor een doelmatige inzet van de defensiemiddelen is dat de overheid zich geloofwaardig committeert aan het creëren van vraag tot (ten minste) 2035. De uitbreiding van productiecapaciteit zal in belangrijke mate afhankelijk zijn van private investeringen. Door een duidelijk en geloofwaardig uitzicht op de vraag binnen specifieke domeinen komen deze investeringen eerder en doelmatiger op gang. De overheid zal dus de balans moeten vinden tussen flexibiliteit en zekerheid over welke producten ze in de komende jaren verwacht nodig te hebben.

Getty Images

Literatuur

Caviggioli, F., D. Scellato en A. Vivarelli (2018) Assessing the Innovation Capability of EU Companies in Developing Dual Use Technologies. JRC Technical Report. Te vinden op publications.jrc.ec.europa.eu.

CBS (2025) Verbijzondering defensie-uitgaven naar binnenland en buitenland, 2015–2024. CBS, 19 november.

Dernis, H. en M. Khan (2004) Triadic Patent Families Methodology. OECD Working Paper, 2004/02.

DNB (2025) The impact of government policies on inflation. DNB Background, 11 maart.

DNB (2026) The economic consequences of defense spending. DNB, 6 februari.

Draghi, M. (2024) The future of European competitiveness. Europese Commissie Rapport, september. Te vinden op commission.europa.eu.

Erken, H., F. van Es en E. de Groot (2025a) Europe in the new NATO era. Rabobank Economic Research, 23 juni.

Erken, H., M. Every, W. Remmen (2025b) The economic returns on defence R&D. Rabobank Economic Research, 15 januari.

Moretti, E., C. Steinwender en J. Van Reenen (2025) The intellectual spoils of war? Defense R&D, productivity, and international spillovers. The Review of Economics and Statistics, 107(1), 14–27.

Wal, E. van der, M. Katz en K. Kramer (2025) Macro-economische effecten van hogere defensie-uitgaven. CPB, november.

Auteurs

Plaats een reactie