PostNL stelt dat de brievenpost onrendabel is en eist subsidie. Niet verdere versterking van het private postmonopolie, maar herinrichting van de postmarkt is de juiste oplossingsrichting.
In het kort
- De brievenpostmarkt, waar PostNL een monopolie heeft, kan met een regionaal concessiemodel weer concurrerend worden.
- Openbare aanbesteding van de brievenpostinfrastructuur bevordert concurrentie, efficiëntie, en kwaliteit.
- PostNL’s brievenpostmonopolie staat ook de transitie naar een ‘brede bezorgmarkt’ in de weg.
De Nederlandse postmarkt krimpt al jaren (ACM, 2025). Zowel burgers als zakelijke verzenders en de overheid sturen steeds minder papieren brieven. Maar ondanks de toename in digitale berichten is post voorlopig toch onmisbaar. Het blijft leuk om van tijd tot tijd een persoonlijk kaartje of gedrukt tijdschrift te ontvangen en ook de overheid is nog afhankelijk van fysieke verzending, onder meer omdat de Belastingdienst, de Rijksdienst voor het Wegverkeer, en gemeenten wettelijk verplicht zijn om deels per brief te communiceren. Brievenpost kan bovendien gezien worden als een publiek goed of zelfs vitale infrastructuur, van belang voor veiligheid en continuïteit van de samenleving.
Intussen is die infrastructuur in handen van een beursgenoteerde monopolist: sinds de overname van Sandd in 2019 heeft alleen PostNL een landelijk dekkend postnetwerk. In de krimpende markt lijkt toetreding van een tweede landelijk brievenpostnetwerk uitgesloten (ACM, 2025). Regionale bezorgdiensten en pakketbezorgers bieden slechts beperkte concurrentie en blijven voor restpost afhankelijk van PostNL. Voor landelijke bezorging van brievenpost kunnen verzenders alleen nog terecht bij PostNL. Recent verslechtert de dienstverlening snel en stijgen de prijzen sterk, terwijl een wetsvoorstel in de Tweede Kamer de marktmacht van PostNL verder dreigt te versterken (Haan en Schinkel, 2026a; Tweede Kamer, 2020).
In dit artikel stellen wij een heel andere inrichting van de postmarkt voor, waarin verzenders weer keuze hebben tussen bezorgers.
Een vrijwel ongereguleerd privaat monopolie
PostNL is bij Postwet 2009 belast met de Universele Postdienst (UPD), die voor consumentenpost betrouwbare landelijke bezorging tegen een uniforme prijs voorschrijft. PostNL stelt echter niet meer aan die bezorgeisen te kunnen voldoen, claimt dat de UPD verlieslatend is, pleit voor versoepeling, eist compensatie of wil van de UPD-plicht af (PostNL, 2025a; 2025b). Wat de werkelijke kosten van de UPD zijn, is echter lastig te bepalen. PostNL bestaat naast de postdienst, waarin zakelijke post ruim negentig procent van het totale volume uitmaakt, uit een pakketdienst. Het heeft een prikkel om de kosten- en winstallocatie daartussen in zijn voordeel te presenteren (VEB, 2026).
Duidelijk is wel dat PostNL zijn marktmacht gebruikt. Recent zijn de tarieven voor zakelijke post, die ongereguleerd zijn, sterk gestegen; mogelijk met 150 tot 300 procent (KVGO, 2024). De prijzen waartegen de Belastingdienst de postdienstverlening kan aanbesteden zijn niet openbaar, maar afgelopen jaar mislukte de aanbesteding van het raamcontract voor ruim een miljard poststukken, mede doordat PostNL ongunstige voorwaarden bood (Belastingdienst, 2026). Uiteindelijk werken hogere verzendkosten door in hogere prijzen en in hogere belastingen.
Opmerkelijk genoeg heeft de overheid de marktpositie van PostNL actief versterkt. Toenmalig staatssecretaris Mona Keijzer stond, tegen het fusieverbod van de ACM in, de overname van Sandd toch toe, omdat die volgens haar noodzakelijk zou zijn voor de uitvoering van de UPD door PostNL (Schinkel et al., 2019, Van Damme, 2020). De ACM had echter al vastgesteld dat die noodzaak er niet was, en na bezwaar en beroep werd Keijzers besluit vernietigd (ACM, 2019; CBb, 2022). Ook PostNL’s beroep tegen het fusieverbod van de ACM faalde uiteindelijk eind vorig jaar (CBb, 2025). Hoewel de fusie dus nooit had mogen plaatsvinden, is die inmiddels een voldongen feit: PostNL integreerde Sandd meteen na de overname en ontmantelde het enige concurrerende landelijke brievenpostnetwerk. De ACM (2026) onderzoekt momenteel of, in welke vorm, en hoe ze concurrentie op de postmarkt wil herstellen.
De voorliggende Postwetswijziging zet de beleidslijn om PostNL meer marktmacht te geven voort. De UPD eisen worden versoepeld: bezorging hoeft per juli dit jaar pas binnen 48 uur plaats te vinden, en per juli 2027 binnen 72 uur, tegen een lagere betrouwbaarheid van respectievelijk 90 en 92 procent, terwijl nu nog 95 procent vereist is. Eind december vorig jaar is deze versoepeling al bij Algemene Maatregel van Bestuur geregeld (Rijksoverheid, 2025). De verminderde dienstverlening verlaagt de kosten van brievenpost en vergroot de synergie met pakketpost, zeker als PostNL ook de zakelijke post minder vaak gaat bezorgen. Het vervallen van de 24-uursbezorgplicht geeft PostNL ook de vrijheid om nu de volgende-dagbezorging als premiumservice aan te bieden voor een veel hogere prijs. Daarnaast wordt voorgesteld om de postzegelprijs vrij te geven, en in plaats van de prijsregulering een rendementsplafond bij het gehele postbedrijf op te leggen. Dat biedt PostNL de ruimte via prijsdifferentiatie zijn monopoliepositie verder te versterken en te exploiteren.
Verder is het wetsvoorstel om de toegang van regionale bezorgdiensten tot het PostNL-netwerk tegen gereguleerde afgiftetarieven af te schaffen (Tweede Kamer, 2025a; 2025b). Lokale postbedrijven bedienen regionale klanten, zoals gemeenten en ziekenhuizen, en bezorgen binnen de eigen regio. Voor hun restpost voor buiten de regio zijn ze aangewezen op het landelijke netwerk van PostNL, dat voor hen een gemonopoliseerde bottleneck facility vormt. Het is maatschappelijk optimaal dat de overheid gelijkwaardige toegang daartoe afdwingt tegen de incrementele kosten van de netwerkbeheerder (Laffont en Tirole, 1994; Bloch en Gautier, 2008). In lijn hiermee verplicht de huidige Postwet een netwerkbeheerder met aanmerkelijke markmacht om zulke post te accepteren “onder gelijke voorwaarden” tegen een “kostengeoriënteerd” tarief.
Handhaving van de toegangseisen was echter beperkt door een uitspraak van het CBb (2018) dat de relevante markt ook digitale post omvatte, en de ACM daarmee onvoldoende had aangetoond dat PostNL aanmerkelijke marktmacht had. In zijn recente uitspraak ziet CBb (2025) dat inmiddels anders. De ACM (2025) en de Tweede Kamer (2025c) willen dat de toegangsverplichting onvoorwaardelijk in de Postwet blijft. De nieuwe minister zegde pas toe hieraan gevolg te geven (Tweede Kamer, 2026a). Als het wetsvoorstel toch wordt gevolgd en PostNL de kwaliteit en tarieven van toegang ongereguleerd mag bepalen, kan het die zodanig verslechteren dat regionale postbezorgers niet langer rendabel kunnen concurreren. Daarmee zou ook de laatste concurrentiedruk op PostNL verdwijnen.
De gedachte achter de beleidslijn lijkt te zijn dat PostNL met meer marktmacht en lagere kosten de resterende UPD zonder subsidies zou kunnen blijven uitvoeren (Tweede Kamer, 2025b; 2026b). De reactie van PostNL om van de UPD af te willen, heeft inmiddels duidelijk gemaakt dat die aanname onjuist is (PostNL, 2025b). Het kan ook niet van een private monopolist worden verwacht dat deze een publieke dienst maatschappelijk efficiënt uitvoert en die financiert uit de overwinsten op private diensten (Schinkel, 2022). Zonder prijsregulering of concurrentie is het resultaat voorspelbaar: minimale publieke dienstverlening tegen maximaal toegestane winst, inefficiënties, en terugkerende, moeilijk verifieerbare subsidieverzoeken.
Regionaal concessiemodel
Er is echter een goede alternatieve inrichting van de brievenpostmarkt waarmee juist weer concurrentie wordt geïntroduceerd: beëindig het postmonopolie van PostNL door het brievenbedrijf los te knippen en onder publiek beheer te brengen, en besteed de exploitatie daarvan in regio’s aan (Haan en Schinkel, 2026a; 2026b).
In de eerste van de drie stappen wordt de brievenpostinfrastructuur van PostNL – waaronder sorteercentra, voorbereidingslocaties, brievenbussen, lopende contracten, de UPD-verplichting, en kernpersoneel – afgesplitst en in staatseigendom gebracht. De Staat kan het brievenbedrijf rechtstreeks overnemen en onderbrengen in een afzonderlijk overheidsbedrijf, waarna PostNL als pakketdienst verdergaat. De waarde van het brievenbedrijf is echter moeilijk vast te stellen. Een transparanter alternatief is om alle aandelen van PostNL over te nemen, het brievenbedrijf af te splitsen, en het pakketbedrijf zelfstandig opnieuw naar de beurs te brengen. De overheid betaalt dan de geldende marktwaarde van het geheel. Bij de huidige koers zou hiermee een bedrag van ongeveer 1,3 miljard euro gemoeid zijn – waarvan bijna 600 miljoen schuld. Als het brievenbedrijf daadwerkelijk verlieslatend is, zoals PostNL rapporteert, dan zou het afgesplitste pakketbedrijf mogelijk zelfs meer waard zijn dan het huidige hele PostNL.
In de tweede stap wordt de landelijke infrastructuur opgesplitst in regionale concessies. Een logische indeling is vijf regio’s, aansluitend bij de huidige sorteercentra: Noord (Zwolle), Zuid (Den Bosch), Zuidwest (Den Haag), Noordwest (Amsterdam) en Centrum (Nieuwegein). Elke regio omvat een operationeel sorteercentrum en het bijbehorende bezorggebied. De infrastructuur per regio wordt organisatorisch en administratief gescheiden, zodat deze afzonderlijk kan worden geëxploiteerd. Het overheidsbedrijf blijft eigenaar van de infrastructuur en is als verhuurder verantwoordelijk voor onderhoud en investeringen. Concessiehouders zijn gehouden aan eisen van zorgvuldig gebruik en krijgen inspraak in capaciteit en kwaliteit, waarop het beheerbedrijf toezicht houdt. In essentie is dit model vergelijkbaar met het spoor, waar overheidsbeheerder ProRail verantwoordelijk is voor de infrastructuur die door de exploitanten, de NS en diverse lokale treinvervoerders zoals Arriva en Connexxion, wordt uitgebaat.
Concurrentie óm de markt
In de derde stap worden de regionale concessies voor de UPD en de zakelijke brievenpost gezamenlijk periodiek openbaar aanbesteed onder gekwalificeerde exploitanten, bijvoorbeeld eens per vijf jaar. Mogelijke bieders zijn bestaande regionale bezorgers, samenwerkingsverbanden zoals BusinessPost, landelijke bezorgers van geadresseerde reclamefolders zoals Spotta, PostNL zelf, en buitenlandse spelers zoals BPost of DHL. De winnaar krijgt een tijdelijk regionaal monopolie en verzorgt het sorteren en de bezorging binnen de regio, en het doorzenden van post naar andere regio’s.
Aan de concessies worden reguleringsparameters verbonden, zoals afgiftetarieven tussen regio’s, arbeidsvoorwaarden en sancties bij niet-naleving. De maatschappelijk gewenste UPD-vorm, waaronder bezorgfrequentie en -zekerheid, wordt landelijk vastgesteld en geldt voor alle concessies, met één nationale postzegel. Dit model is vergelijkbaar met de organisatie van energienetten, waar gereguleerde regionale monopolies bestaan, zoals Liander en Stedin, die samen een landelijk dekkend netwerk met onderlinge afgifte vormen.
Geïnteresseerden in een regionale concessie bieden het bedrag waartegen zij die willen exploiteren. In winstgevende, dichtbevolkte regio’s zullen de biedingen positief zijn, terwijl minder rendabele, dunbevolkte regio’s mogelijk subsidie vergen. De veiling maakt zo de kosten en opbrengsten per regio transparant en minimaliseert de benodigde publieke bijdrage.
Geregelde aanbesteding van de postdienst sluit aan bij de Europese postrichtlijn, die momenteel herzien wordt om een competitieve interne markt te creëren (Europese Commissie, 2026). Een voordeel van regionale veilingen is dat concessies kleiner en daarmee toegankelijker zijn, wat toetreding vergemakkelijkt. Om een nieuw landelijk monopolie te voorkomen, mag elke partij een maximaal aantal concessies verwerven, bijvoorbeeld twee, zoals ook bij de radiofrequentieveilingen in 2023. Zo blijft ruimte voor meerdere bezorgers en nieuwe toetreders, en kan PostNL hooguit een regionale speler zijn. Cruciaal is dat per concessie voldoende concurrentie bestaat. In het uiterste geval waarin zich geen geschikte bieder aandient, kan de overheid tijdelijk de exploitatie van die regio op zich nemen.
De precieze vormgeving van de veiling en de voorwaarden vergen nadere uitwerking. Er moet rekening worden gehouden met bekende risico’s uit de veilingtheorie, zoals een incumbent bias, mogelijke samenspanning, en overbiedingen bij beperkte aansprakelijkheid en speculatie op overheidssteun. Voor deze problemen bestaan beproefde oplossingen in de gespecialiseerde literatuur en adviespraktijk. Zo kunnen informatievoordelen voor de zittende partij worden beperkt door een handicap (Milgrom, 2004). Samenspanning is verboden en in veilingdata vaak detecteerbaar. De ACM kan daar streng voor waken.
De transitie naar het concessiemodel zal een complexe zijn. Het ontwerp van de aanbesteding steekt nauw, maar is in essentie niet anders dan die van andere licentieveilingen. Nederland beschikt over ruime ervaring daarmee, onder meer bij tankstationlocaties langs snelwegen (Soetevent et al., 2014). De voordelen van concessieveilingen en de expertise om deze zorgvuldig toe te passen zijn bij het ministerie aanwezig.
Afgiftetarieven
Opsplitsing in regionale concessies vereist afgiftetarieven tussen de regio’s. Bij post van regio A naar B betaalt A een tarief aan B voor de eindbezorging. Het is efficiënt om de afgiftetarieven vast te stellen op de incrementele kosten van het bedrijf dat de brief bezorgt (Laffont en Tirole, 1994). Wat die kosten precies zijn, is voor de toezichthouder lastig te bepalen. Daarbij geeft het gebruik van de eigen kosten geen prikkel tot efficiëntie. Het regionale concessiemodel kan dit via benchmarking en maatstafconcurrentie ondervangen. Afgiftetarieven worden niet gebaseerd op de eigen kosten van regio B, maar op het gemiddelde van de andere regio’s. Kostenverlagingen leiden dan niet tot een verlaging van het ontvangen tarief, maar verhogen direct de eigen winst, mede doordat de concessiehouder daarmee zelf minder betaalt voor post die hij aan andere regio’s overdraagt.
Ook de maatstafbepaling moet zorgvuldig worden uitgewerkt, met correcties voor relevante regionale kostenverschillen en strenge controle op de gerapporteerde kosten. Met dergelijke methoden bestaat ruime ervaring, onder meer bij energienetten die worden gebenchmarkt.
Concurrentie óp de markt
Het regiomodel biedt ook het voordeel dat zakelijke verzenders weer keuze krijgen tussen meerdere bezorgdiensten. Terwijl zij nu vrijwel volledig afhankelijk zijn van PostNL, kunnen zij in het regiomodel hun bulk aan meerdere regionale bezorgers aanbieden tegen onderhandelde tarieven. Door de combinatie van regionale concessies en op de kosten gebaseerde afgiftetarieven ontstaat daarmee ook concurrentie óp de markt.
Neem bijvoorbeeld de Belastingdienst, die jaarlijks door het hele land vele miljoenen brieven verstuurt. In het regiomodel kan de Belastingdienst die aanbieden in die regio die de beste prijs-kwaliteitsverhouding biedt. In hun prijsstelling houden deze regionale bezorgers uiteraard rekening met de afgiftetarieven voor brieven die buiten de eigen regio worden bezorgd. De Belastingdienst kan, als dat goedkoper blijkt, er ook voor kiezen om brieven in meerdere regio’s aan te bieden, of gesorteerd in elke regio waar deze uiteindelijk moeten worden bezorgd. Ondanks hun regionale monopolie concurreren de concessiehouders zo toch om grote landelijke klanten, wat hen scherp en efficiënt houdt.
Brede bezorgmarkt als alternatief
Zowel de ACM als het ministerie suggereert dat de brievenpost uiteindelijk zal worden opgenomen in een ‘brede bezorgmarkt’, waarin pakket- en andere bezorgers concurreren (ACM, 2025; Tweede Kamer, 2026b). In dat model wordt een brief feitelijk behandeld als een licht brievenbuspakketje, zonder specifieke serviceverplichtingen. Pakketbezorging is echter iets anders dan een brievenpostdienst met een eigen, efficiënter sorteernetwerk dan dat voor brievenbuspakketjes. De bezorging van brieven in een brede bezorgmarkt zal daarom waarschijnlijk onregelmatiger en veel duurder zijn dan in een brievenpostmarkt tegen een uniform standaardtarief. Ook is niet duidelijk of er ruimte blijft op de brede postmarkt voor regionale postbezorgers. Het is de vraag of en onder welke voorwaarden het verdwijnen van de brievenpostdienst maatschappelijk wenselijk is.
Daarbij is niet duidelijk welk overheidsbeleid transitie naar een brede bezorgmarkt kan faciliteren. Noch de ACM, noch de minister schetst een concreet pad waarlangs en binnen welke termijn zo’n markt zich zou ontwikkelen. De UPD simpelweg opgeven in verwachting dat de brievenpost uiteindelijk door pakketbezorgers zal worden overgenomen mag een pragmatische uitweg lijken, maar laat consumenten en zakelijke verzenders, inclusief de overheid zelf, in een sterk afhankelijke positie. Daarbij lijkt een ongedeeld, verder versterkt en mogelijk gesubsidieerd PostNL-brievenpostmonopolie de transitie naar een level playing field voor meerdere bezorgnetwerken juist in de weg te staan, zeker zolang de bestaande postinfrastructuur brieven het efficiëntst afhandelt.
Conclusie
De Nederlandse postmarkt is vastgelopen en moet heringericht te worden op basis van een heldere visie op de toekomst van de brievenpost. De eerste vraag daarbij moet zijn voor welke bezorgkwaliteit de samenleving wil betalen – niet welke past binnen de door PostNL gerapporteerde kosten. Vervolgens dient de postmarkt op efficiënte levering te worden ingericht, om zo tegen de laagst mogelijke kosten het maatschappelijk gewenste kwaliteitsniveau van dienstverlening te kunnen uitvoeren. Van een versterkt PostNL-monopolie, waarop de Postwetswijziging nu inzet, kan dit niet worden verwacht. Een alternatieve inrichting van de brievenpostmarkt benut daarentegen concurrentie óm en óp de markt voor een efficiënte, betaalbare en betrouwbare dienstverlening, onder publieke regie en met ruimte voor toetreding van efficiëntere en meer innovatieve nieuwe aanbieders.
De alternatieve marktinrichting biedt een uitweg uit de impasse rond de Postwetswijziging, die al sinds maart 2020 in de Tweede Kamer voorligt en waarover brede onvrede bestaat (Benjamin, 2025). Het sluit bovendien aan bij de herziening van de Europese postrichtlijn, waarin concurrentie in de postdienst uitgangspunt is (Europese Commissie, 2026). Voor zo’n betere marktinrichting moet de wetswijziging wel terug naar de tekentafel voor een fundamentele herziening.
Nu PostNL de UPD-verplichting, de publieke taak waaraan het bedrijf zijn positie op de brievenmarkt historisch te danken heeft, wil teruggeven aan de Staat, ligt het voor de hand dat het daarbij ook de onderliggende brievenpostinfrastructuur om de UPD mee uit te voeren, overdraagt. De nieuwe Postwet dient de basis te leggen om daarmee de brievenpostmarkt opnieuw in te richten, open te stellen, en nieuwe concurrentie mogelijk te maken.

Literatuur
ACM (2019) Verbod van concentratie PostNL N.V. en SHM Beheer II B.V. ACM Besluit, 5 september.
ACM (2025) De postmarkt in transitie: Bouwstenen voor een visie op de postmarkt. ACM Rapport, 24 april.
ACM (2026) ACM start onderzoek naar PostNL. ACM Nieuwsbericht, 13 februari.
Belastingdienst (2026) Postdienstverlening Rijksoverheid. Aanbesteding, 9 januari. Te vinden op www.tenderned.nl.
Benjamin, J. (2025) Iedereen is ontevreden over wat het kabinet wil met de postbezorging. NRC, 4 juli.
Bloch, F. en A. Gautier (2008) Access pricing and entry in the postal sector. Review of Network Economics, 7(2), 207–230.
CBb (2018) Uitspraak ECLI:NL:CBB:2018:440. College van Beroep voor het bedrijfsleven, 3 september. Te vinden op uitspraken.rechtspraak.nl.
CBb (2022) Geen vergunning van de minister voor overname Sandd door PostNL. College van Beroep voor het bedrijfsleven, Persbericht, 2 juni. Te vinden op www.rechtspraak.nl.
CBb (2025) Geen vergunning voor overname Sandd door PostNL. College van Beroep voor het bedrijfsleven, Persbericht, 2 december. Te vinden op www.rechtspraak.nl.
Damme, E. van (2020) Concentratie postsector is niet in het algemeen belang. ESB, 105(4783), 130–133.
Europese Commissie (2026) New EU Delivery Act: EU to reform postal rules. Initiatief, te vinden op ec.europa.eu/info/law/better-regulation.
Haan, M.A. en M.P. Schinkel (2026a) Herstel van de brievenpostmarkt: Een voorstel voor structurele hervorming, position paper voor de vaste commissie Economische Zaken van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, 17 maart. Te vinden op marcohaan.nl.
Haan, M.A. en M.P. Schinkel (2026b) Herstel van de brievenpostmarkt: Een voorstel voor structurele hervorming. Markt & Mededinging 2, te verschijnen.
KVGO (2024) KVGO uitermate teleurgesteld in kabinetsbeleid postvoorzieningen. Koninklijk Verbond Grafische Ondernemingen, Persbericht, 3 oktober.
Laffont, J.-J. en J. Tirole (1994) Access pricing and competition. European Economic Review, 38(9), 1673–1710.
Milgrom, P. (2004) Putting auction theory to work. Cambridge, VK: Cambridge University Press.
PostNL (2025a) PostNL: UPD-voorstel onuitvoerbaar, structureel verlieslatend en economisch onverantwoord. PostNL Persbericht, 30 juni. Te vinden op newsroom.postnl.nl.
PostNL (2025b) PostNL verzoekt minister om intrekking verplichting UPD. PostNL, Persbericht, 5 september. Te vinden op newsroom.postnl.nl.
Rijksoverheid (2025) Kabinet besluit tot aanpassing bezorgtijd post per juli 2026 en juli 2027. Nieuwsbericht, 19 december.
Schinkel, M.P. (2022) On distributive justice by antitrust: The Robin Hood cartel. Journal of Competition Law & Economics, 18(3), 584–612.
Schinkel, M.P., S. Onderstal, B. Tieben en C. Behrens (2019) ACM toont de kleren van Mona Keijzer in postfusie. Blog op esb.nu, 2 oktober.
Soetevent, A.R., M.A. Haan en P. Heijnen (2014) Do auctions and forced divestitures increase competition? Evidence for retail gasoline markets. The Journal of Industrial Economics, 62(3), 467–502.
Tweede Kamer (2020) Voorstel van Wet (Postwetswijziging), 35423, nr 2.
Tweede Kamer (2025a) Nota van wijziging bij wetsvoorstel tot wijziging Postwet 2009, 35423, nr. 10.
Tweede Kamer (2025b) Beslisnota bij Besluiten omtrent subsidie, intrekking en aanbesteding van de universele postdienst, DGED/103073167.
Tweede Kamer (2025c) Motie van het lid Thijssen over zorgen dat toegang tot het netwerk behouden blijft voor regionale postbedrijven, 29502, nr. 201.
Tweede Kamer (2026a) Toegang tot het landelijk postnetwerk, DGED / 10596446.
Tweede Kamer (2026b) Antwoorden SO vragen VC EZ – voorhang Postbesluit 2009, DGED/103891929.
VEB (2026) PostNL schuift met winsten van kwakkelend postbedrijf naar pakketten. Vereniging van Effectenbezitters, Persbericht, 19 maart.
Auteurs
Categorieën