Ga direct naar de content

Rechts schat ongelijkheid lager in dan links – maar vrijwel iedereen zit ernaast

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: augustus 14 2025

De vermogensongelijkheid in Nederland is veel groter dan de inkomensongelijkheid, maar de meeste mensen zijn zich nauwelijks bewust van dit verschil. Hoe zijn hun percepties verdeeld naar politieke voorkeur, en beïnvloedt dit hun voorkeuren wat betreft de belasting op arbeid en kapitaal?

In het kort

  • Hoewel het werkelijke onderscheid groot is, zien Nederlanders weinig verschil tussen inkomens- en vermogensongelijkheid.
  • Nederlanders zien zichzelf bijna allemaal als gemiddelde ­verdieners en bezitters.
  • Politieke kleur en informatievoorziening beïnvloeden percepties, maar hebben nauwelijks impact op belastingsvoorkeuren.

De vermogensverdeling is de laatste decennia een politiek thema geworden. De verkiezing van Donald Trump en zijn entourage van miljardairs leidt tot vragen over de politieke macht van de allerrijksten in westerse landen (Robeyns, 2019; Reich, 2020). De toegenomen rijkdom onder de babyboomers roept ook bezorgdheid op over de komende golf van erfenissen en het ontstaan van een ‘inheritocracy’ (The Economist, 2025). Onder economen leidt dit tot verhitte debatten over vermogensbelastingen in allerlei vormen (Piketty en Zucman, 2014; Mankiw, 2015; Saez en Zucman, 2019; Chari et al., 2020; Scheuer en Slemrod, 2021). In Nederland zijn de hoogte van de hypotheekrenteaftrek en de erfbelastingen hete hangijzers (Stellinga, 2025).

De aandacht voor vermogens is relatief recent, want traditioneel ligt de focus van economen bij de inkomensverdeling. Sinds de Tweede Wereldoorlog is de hoeveelheid vermogen echter in bijna alle westerse landen sterk gestegen in verhouding tot het inkomen (Piketty en Zucman, 2014; Waldenström, 2024). Tevens zijn in de afgelopen decennia steeds meer data over vermogen beschikbaar gekomen, bijvoorbeeld door het werk van de World Inequality Database (Chancel et al., 2021). In Nederland heeft het Centraal Bureau voor de Statistiek een goed beeld opgebouwd van wie wat bezit in ons land.

Uit die toegenomen aandacht voor vermogens ontstaat een nieuw beeld van de ongelijkheid in Nederland.De inkomensongelijkheid is in Nederland namelijk relatief laag ten opzichte van andere OESO-landen: De rijkste tien procent van de Nederlanders verdient ongeveer 26 procent van het (netto)inkomen (Bruil et al., 2022). Maar als je kijkt naar vermogen in plaats van inkomen, is Nederland een stuk minder gelijk. De rijkste tien procent bezit ongeveer 62 procent van al het vermogen (CBS, 2020). Dit verschil zie je in alle OESO-landen: de top tien-procent verdient ongeveer 30 tot 45 procent van het inkomen, en bezit 45 tot 70 procent van al het vermogen (Chancel et al., 2021). Wel is hierbij een belangrijke kanttekening dat vermogen lastig te definiëren is. Als je bijvoorbeeld pensioenkapitaal meerekent (dat een aantal kenmerken van vermogen heeft, maar niet alle) dan valt het aandeel van de top tien-procent rijken in Nederland naar 48 procent van het totaal: bescheidener dan 62 procent, maar nog altijd een stuk hoger dan de inkomensongelijkheid.

In de discussie over ongelijkheid maakt het dus nogal uit of het gaat over inkomen of vermogen. Het is echter niet duidelijk hoeveel het publiek van dit onderscheid meekrijgt, en hoe het überhaupt denkt over ongelijkheid in Nederland. In Douenne et al. (2024) beschrijven we op basis van een enquête hoe Nederlanders de ongelijkheid percipiëren In dit artikel gaan we dieper in op de politieke drijfveren van die percepties en de beleidsvoorkeuren die daaruit volgen. We gebruiken hiervoor dezelfde enquête als Douenne et al. (2024). Deze enquête is gehouden in juni en juli 2023 en vond plaats onder 4.501 deelnemers aan het LISS surveypanel, representatief voor de Nederlandse samenleving.

Publieke percepties

We vroegen een deel van de deelnemers naar hun schatting van het inkomensaandeel van de rijkste tien procent, een ander deel naar het vermogensaandeel, en weer een ander deel deelnemers naar beide.

Figuur 1 toont dat deelnemers weinig verschil zien tussen de inkomens- en vermogensverdeling. Het gemiddelde verschil in de schattingen is nog geen vier procentpunt, een fractie van het echte verschil. Deelnemers overschatten gemiddeld het inkomensaandeel van de top tien-procent (46,4 procent tegenover 26 procent) en onderschatten het vermogensaandeel (49,8 procent tegenover 62 procent). Het verschil in gemiddelde schattingen is iets groter in de groep deelnemers die gevraagd werd voor beide verdelingen een schatting te geven (7,6 procent), maar blijft veel kleiner dan het echte verschil (Douenne et al., 2024).

Politieke voorkeur kleurt perceptie

De grote spreiding van de percepties geeft aan dat mensen weinig idee hebben van de echte verdeling. Ook hebben verdelingen een dubbele piek, met name die van de vermogensverdeling, wat doet vermoeden dat de deelnemers in verschillende (politieke) kampen vallen. In figuur 2 splitsen we deelnemers in drie politieke groepen (links, rechts, centrum). Politieke voorkeur is gedefinieerd op basis van de partij waarop werd gestemd tijdens de laatste verkiezingen (2021), verkregen uit de LISS Politics and Values-enquête.GroenLinks, SP, PvdA, Partij voor de Dieren en DENK worden geclassificeerd als Links; CDA, D66, ChristenUnie, 50PLUS en Volt Nederland worden geclassificeerd als Midden; VVD, PVV, SGP, Forum voor Democratie en JA21 gelden als Rechts; Blanco en Overige partijen zijn weggelaten. De steekproef bestaat uit deelnemers in de Inkomens- en Vermogenscondities in het experiment die gekoppeld konden worden aan een van deze partijen uit de LISS Politics and Values-enquête. Respondenten van wie we geen informatie over hun politieke oriëntatie hebben, zijn uitgesloten.

Het is duidelijk dat links georiënteerde deelnemers ongelijkheid hoger inschatten dan rechts georiënteerde deelnemers, met gematigde deelnemers daartussen in. Dit laat zien dat politieke stromingen een verschillend beeld hebben van de economische realiteit in Nederland. Het is echter ook duidelijk dat de verschillen binnen de stromingen groter zijn dan die ertussen.

Relatieve positie

We vroegen deelnemers ook om een schatting van hun relatieve positie in de inkomens en/of vermogensverdeling; dat wil zeggen, het percentiel waarvan zij deel uitmaken. Ook hier gaven we de helft van de deelnemers informatie over hun correcte positie, gebaseerd op hun belastinggegevens bij het Centraal Bureau voor de Statistiek die we vooraf konden inkijken. Iets minder dan 4.000 deelnemers gaf toestemming voor deze link, wat ons een unieke inkijk geeft in de juistheid van hun schattingen.

Een vergelijking van de schattingen met hun daadwerkelijke vermogen en inkomen laat zien dat vrijwel niemand denkt dat ze in het onderste of bovenste kwart van de verdeling zitten. Met name de extremen van de distributie over- of onderschatten hun positie sterk: deelnemers in de rijkste één procent denken dat een derde van de Nederlanders rijker is dan zijzelf, terwijl de armste één procent (van wie het vermogen negatief is) denkt dat een derde nog armer is dan zijzelf. Deze ‘­middle-class bias’ is al eerder vastgesteld in de inkomensverdeling in andere landen (Cruces et al., 2013; Hvidberg et al., 2023), maar blijkt dus minstens zo sterk voor vermogen.

Daarnaast is er een sterke overlap tussen de gemiddelde schattingen van hun relatieve inkomens- en vermogenspositie. Dit betekent niet dat deelnemers altijd dezelfde schatting geven voor beide verdelingen, maar gemiddeld zijn deelnemers net zo goed (of slecht) geïnformeerd over hun relatieve inkomens- als over hun relatieve vermogenspositie.

Dit soort mispercepties is van belang voor de politieke besluitvorming. Als de armen hun relatieve positie te hoog inschatten, is het niet erg aantrekkelijk om voor algemene herverdelingsmaatregelen te stemmen. Daarentegen zou een belasting op de ‘allerrijksten’’ juist wel aantrekkelijk kunnen zijn, niemand denkt immers dat die hem/haarzelf betreft.

Beleidsvoorkeuren

We vroegen deelnemers aan ons onderzoek om hun favoriete (gemiddelde) belastingvoet aan te geven over verschillende grondslagen. Deelnemers gaven aan op welke voet ze inkomen uit arbeid en kapitaal (zoals dividenden) willen belasten, voor inkomens van respectievelijk 2.000, 5.000 en 50.000 euro per maand. Daarnaast vroegen we ze naar hun preferenties voor de erfbelasting op bedragen van 10.000, 100.000 en een miljoen euro tussen ouders en kinderen.

Figuur 3 toont dat deelnemers een progressieve belasting willen voor alle drie de grondslagen. Dat wil zeggen, de gemiddelde gewenste belastingvoet neemt toe naarmate het te belasten bedrag groter wordt.

Het tweede inzicht is dat mensen inkomen uit kapitaal en arbeid redelijk gelijk willen belasten. De gewenste belastingen op arbeid zijn gemiddeld iets hoger dan die op kapitaal, maar het verschil is slechts enkele procentpunten.

Ten derde komen de uitkomsten tussen verschillende politieke achtergronden vrij sterk overeen. Linkse deel­nemers willen wel een progressiever belastingsysteem, wat zich met name uitdrukt in hogere belastingen voor de hoogste inkomens en op erfenissen.

Ten vierde zien we dat de opvattingen over de wenselijke belastingvoeten erg gespreid zijn, vooral als het gaat om de hogere inkomens en erfenissen. Als het bijvoorbeeld aankomt op de belasting op erfenissen van een miljoen – een situatie die steeds meer voor zal komen nu de babyboomers beginnen te overlijden – zijn gewenste belastingvoeten van zowel nul procent als vijftig procent of hoger geen uitzondering. Ook binnen politieke stromingen zien we een erg gespreide verdeling van belastingvoorkeuren.

Het is niet eenvoudig deze voorkeurstarieven direct te vergelijken met de daadwerkelijke Nederlandse tarieven in 2023, die verschillen in de breedte van de schijven, het bestaan van belastingvrije sommen etc. Maar in het algemeen kunnen we zeggen dat de gemiddelde gewenste erfbelasting hoger ligt dan de daadwerkelijke tarieven (0 procent tot 23.000 euro, 10 procent tot 138.000 euro en 20 procent daarna). De gemiddelde gewenste belastingen op arbeidsinkomen liggen redelijk dicht bij de daadwerkelijke niveaus (37 procent tot 73.000 euro en 49,5 procent daarna). De gewenste belastingen op vermogensinkomsten zijn een stuk progressiever, en voor de hoogste inkomens hoger, dan de daadwerkelijke tarieven (32 procent over inkomen uit box 3 vermogen vanaf 57.000 euro in 2023). Gemiddeld wensen Nederlanders dus geen belastingverlaging, hoewel de vraagstelling deze antwoorden natuurlijk kan beïnvloeden.

Ten slotte vroegen we mensen ook naar hun preferenties voor de hypotheekrenteaftrek, de mogelijkheid om rente op de hypotheek van het belastbaar inkomen af te trekken – een impliciete subsidie op huizen-, en dus vermogensbezit. Figuur 4 laat een zeer gepolariseerd beeld zien. Ter linkerzijde ligt de modus bij een vrijwel volledige afschaffing, terwijl de modus (en het gemiddelde) ter rechterzijde hoger ligt dan de huidige aftrek van ongeveer 37 procent. Net als bij de andere beleidsvoorkeuren is variatie in preferenties binnen een politieke oriëntering echter groot.

Effect informatie daadwerkelijke ongelijkheid

In het experimentele deel van het onderzoek kregen sommige deelnemers informatie over de daadwerkelijke ongelijkheid in de inkomens- en/of vermogensverdeling. Deze informatie beïnvloedde de beoordeling van de rechtvaardigheid van de verdeling. Met name de vermogensongelijkheid, die immers door de meeste deelnemers sterk werd onderschat, werd na informatievoorziening als onrechtvaardiger beoordeeld. Er was een klein omgekeerd effect na informatie over de inkomensongelijkheid, die immers gemiddeld werd overschat (Douenne et al., 2024).

Maar hoewel de mening over beide ongelijkheden dus veranderde, had dat geen noemenswaardige invloed op de beleidsvoorkeuren van de respondenten. Een mogelijke verklaring is het minimalistische karakter van de interventie, die slechts bestond uit het communiceren van een statistiek (het aandeel van de top tien-procent). Het zou interessant zijn om te kijken of uitgebreidere informatie, met meer visuele en emotionele componenten, wel tot verschuivingen zou kunnen leiden.

Het effect van informatie toont ook aan dat respondenten moeite hebben om het inkomen en het vermogen conceptueel uit elkaar te houden. Als deelnemers informatie krijgen over een van de twee verdelingen (inkomen of vermogen) zien we een polarisatie in het rechtvaardigheidscijfer tussen inkomens- en vermogensongelijkheid. Als ze echter worden geïnformeerd over beide ongelijkheids­niveaus, beoordelen ze beide verdelingen als gemiddeld rechtvaardig, zonder een significant onderscheid te maken. Dat wijst erop dat mensen over economische ongelijkheid denken als een enkele grootheid, waarvan inkomen en vermogen slechts componenten zijn.

Feitelijke basis nodig in democratie

De mispercepties over ongelijkheid die we vinden in ons onderzoek kunnen het democratische proces schaden. De democratie gedijt bij een goede feitelijke basis waarop mensen beleidsvoorstellen kunnen evalueren. Zo zijn productieve discussies over armoedebestrijding, hypotheekrenteaftrek en belastingtarieven gebaat bij kennis van de economische verdeling. Ook kunnen kiezers een betere afweging maken tussen politieke partijen als ze hun eigen economische positie kunnen inschatten. Om die redenen zou rudimentaire kennis over economische verdeling deel moeten uitmaken van het curriculum in het voortgezet onderwijs. In de politiek gaan ook stemmen op om kiezers beter te informeren over hun economische positie (Tweede Kamer, 2023). Onze studie laat zien dat zulke kennis voor veel mensen verrassende inzichten zal bieden. Welke politieke conclusies ze daaruit zullen trekken, blijft grotendeels een open vraag.

Getty Images

Literatuur

Bruil, A., C. van Essen, W. Leenders et al. (2022) Inequality and redistribution in the Netherlands. CPB Discussion Paper, maart.

CBS (2020) Pensioenvermogen en vermogensongelijkheid. CBS Statistische Trends, 3 december.

Chancel, L., T. Piketty, E. Saez en G. Zucman (2021) World inequality report 2022. World Inequality Lab. Te vinden op wir2022.wid.world.

Chari, V.V., J.P. Nicolini en P. Teles (2020) Optimal capital taxation revisited. Journal of Monetary Economics, 116, 147–165.

Cruces, G., R. Perez-Truglia en M. Tetaz (2013) Biased perceptions of income distribution and preferences for redistribution: Evidence from a survey experiment. Journal of Public Economics, 98, 100–112.

Douenne, T., O. Sund en J. van der Weele (2024) Do people distinguish income from wealth inequality? Evidence from the Netherlands. CEPR Working Paper, 191974.

Hvidberg, K.B., C.T. Kreiner en S. Stantcheva (2023) Social positions and fairness views on inequality. The Review of Economic Studies, 90(6), 3083–3118.

Mankiw, N.G. (2015) Yes, r > g. So what? The American Economic Review, 105(5), 43–47.

Piketty, T. en G. Zucman (2014) Capital is back: Wealth-income ratios in rich countries 1700–2010. The Quarterly Journal of Economics, 129(3), 1255–1310.

Reich, R.B. (2020) The system: Who rigged it, how we fix it. Londen: Vintage.

Robeyns, I. (2019) What, if anything, is wrong with extreme wealth? Journal of Human Development and Capabilities, 20(3), 251–266.

Saez, E. en G. Zucman (2019) The triumph of injustice: How the rich dodge taxes and how to make them pay. New York: W.W. Norton & Company.

Scheuer, F. en J. Slemrod (2021) Taxing our wealth. The Journal of Economic Perspectives, 35(1), 207–230.

Stellinga, M. (2025) Waarom de erfbelasting (niet) omhoog moet (2). NRC, 14 februari.

The Economist (2025) The new inheritocracy. The Economist Weekly Edition, 1 maart.

Tweede Kamer (2023) Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2024), 36418, nr. 77.

Waldenström, D. (2024) Wealth and history: A reappraisal. Explorations in Economic History, 94, 101624.

Auteurs

Plaats een reactie