Het investeringsplan in het rapport Wennink (2025) verdient steun, maar de nadruk op gevestigde partijen en clusters, techniek, en optimisme over industriebeleid zijn blinde vlekken die de effectiviteit van het plan kunnen beperken.
Het rapport Wennink (2025) zet de noodzaak van hogere productiviteitsgroei terecht centraal. Na jaren van politiek debat over koopkracht en herverdeling is dat een welkome koerswijziging. Nederland behoort al jaren tot de langzaamste groeiers in productiviteit, en het hoge niveau brokkelt geleidelijk af (De Vries en Van Leeuwen, 2024).
De diagnose is scherp: Nederland verliest terrein op concurrentiekracht, de R&D-intensiteit is te laag, en trage en complexe regulering werkt remmend. De groeiambitie van anderhalf tot twee procent is ambitieus en het nastreven waard.
Maar het voorgestelde recept – een investeringsprogramma van 151–187 miljard euro – heeft vier blinde vlekken die de effectiviteit kunnen ondermijnen.
Generieke maatregelen onderbelicht
Het rapport constateert dat het proces van creatieve destructie in Nederland stokt (Adema et al., 2025). De keuze voor gerichte investeringen in vier strategische domeinen in plaats van nieuwe topsectoren is winst. De instrumenten richten zich op het wegnemen van knelpunten voor concrete projecten: snellere vergunningen, een Nationale Investeringsbank, een Agentschap voor Baanbrekende Innovatie. Dat helpt de 51 opgenomen investeringsproposities omdat er dan sneller geschakeld kan worden.
Generieke maatregelen die het ondernemersklimaat versterken – soepeler faillissementsrecht, lagere drempels voor starters – blijven echter onderbelicht in het rapport. Dat is een gemis, want doorbraakideeën kunnen overal vandaan komen. ASML was ooit een kleine spin-off, geen nationale prioriteit. Strategisch kiezen is nodig, maar het moet hand in hand gaan met een ondernemersklimaat dat experimenteren in de volle breedte mogelijk maakt.
Daarbij moeten we er voor waken geen oplossingen aan te dragen die nu weinig effect sorteren – in de huidige krappe arbeidsmarkt is versoepeling van ontslagrecht moeilijk een prioriteit te noemen. De aandacht moet vooral uitgaan naar facilitering van productiviteit en innovatie vanuit de overheid, met voldoende expertise binnen ministeries om die te ondersteunen (Van Ark et al, 2025).
Techneuten én ondernemers nodig
Het rapport concentreert zich op het creëren van STEM-talent, zoals meer bèta-afstudeerders en internationale kenniswerkers. Maar een talentagenda die alleen techneuten voortbrengt mist een belangrijke motor voor groei: ondernemerschap.
Innovatie vereist een symbiotische relatie tussen uitvinders en ondernemers die op groei gericht zijn (Akcigit et al. 2025). Zonder dergelijke transformatieve ondernemers blijven uitvindingen op de plank liggen. Er is behoefte aan ondernemende afstudeerders die niet alleen hun eigen vakgebied kennen, maar ook kunnen samenwerken tussen disciplines – om bijvoorbeeld nieuwe technische ideeën en methoden te vertalen naar een bredere markt. De integratie van AI in de zorg vraagt informatici, medici én ethici; en de energietransitie vergt ingenieurs, economen én gedragswetenschappers.
Te wenkend industriebeleid
Industriebeleid is belangrijk in de huidige geopolitieke context, en economen moeten niet al te dogmatisch zijn over nut en noodzaak (Juhasz et al., 2024). Maar de vormgeving van industriebeleid bepaalt het succes.
Industriebeleid betekent ook afscheid nemen. Kiezen wat je steunt impliceert kiezen wat je niet steunt (Inklaar, 2025). Wennink beperkt dat ‘zuur’ echter voornamelijk tot ingrepen in de landbouw en de papierindustrie, en specifieke actoren als uitzendbureaus, slachterijen en schoonmaakbedrijven. Zonder expliciete de-prioritering raken middelen versnipperd over te veel projecten.
Bovendien moeten we geen gouden bergen verwachten van industriebeleid. Veel interventies zullen zich niet volledig terugverdienen. Recent CPB-onderzoek naar defensie-uitgaven illustreert dit: weglekeffecten en loonstijgingen ondermijnen de gehoopte bbp-effecten, zeker wanneer een kleine open economie op eigen houtje opschaalt (Van der Wal et al., 2025). De grote groei-effecten van R&D-uitgaven waarop het rapport Wennink leunt (Erken et al., 2025) zijn evenmin zeker (Van der Wal et al., 2025). Juist die onzekerheid maakt robuuste evaluatiemechanismen essentieel – inclusief de bereidheid om tijdig te stoppen wanneer projecten niet leveren.
Tot slot wordt de effectiviteit van industriebeleid bepaald door de schaal. Een Nederlands DARPA is geen goed idee – Nederland is daarvoor te klein. Dit vraagt om Europese coördinatie, of op zijn minst aansluiting bij initiatieven van grote landen zoals Duitsland, Frankrijk en Italië.
Concentratie komt met kosten
Het rapport maakt duidelijke ruimtelijke keuzes: investeringen moeten zich concentreren rond de Brainport Eindhoven, de Mainport Rotterdam en de Amsterdamse kenniseconomie. Clustering levert productiviteitsvoordelen, maar leidt ook tot kosten die het rapport negeert.
Concentratie vergroot de congestie in de meest succesvolle regio’s en leidt tot woningtekorten, infrastructuurdruk, en arbeidsschaarste. Bovendien versterkt het de brain drain uit andere regio’s. Rodríguez-Pose (2018) betoogt dat ‘places left behind’ niet alleen economisch stagneren maar ook politiek radicaliseren. Een noodklok-narratief – groei boven alles – overtuigt juist mensen in die regio’s zelden. Dan helpt het niet om de vraag te negeren voor wie we eigenlijk groeien en waar die groei neerslaat.
Tot slot
Het rapport Wennink verdient waardering voor de sterke analyse, de focus op productiviteit en de ambitie. Maar om de plannen effectief te laten zijn, kunnen de volgende vier correcties helpen. Eén: versterk de bredere bedrijvendynamiek en faciliteer als overheid. Twee: breidt de talentagenda uit van techneuten naar ondernemers en interdisciplinaire samenwerking. Drie: wees realistisch over industriebeleid – kies wat je niet steunt, zoek Europese schaal, en bouw evaluaties in. Vier: weeg de kosten van concentratie expliciet af tegen de baten, in plaats van op voorhand te kiezen voor de drie hubs. Dit zijn geen ‘softe’ toevoegingen; het zijn voorwaarden voor groei die economisch effectief én politiek haalbaar is. En het helpt tevens om het narratief een breder draagvlak te geven.
Literatuur
Adema, Y., L. Bettendorf, E. van Bezooijen et al. (2025) Proces van creatieve destructie verzwakt in Nederland. CPB Policy Brief, november.
Akcigit, U., H. Alp, J. Pearce en M. Prato (2025) Transformative and subsistence entrepreneurs. NBER Working Paper, 33766.
Ark, B. van, S. Millard, A. Pabst, et al. (2025) Joining Up Pro-Productivity Policies in the UK, The Productivity Institute and National Institute of Economic and Social Research.
Erken, H.P.G., M. Every en W. Remmen (2025b) The economic returns on defense R&D. Rabobank Rapport, 15 januari.
Inklaar, R. (2025) Durf te kiezen bij industriebeleid, te beginnen bij wat je niet steunt. ESB, 110(4843), 129.
Juhasz, R., N. Lane en D. Rodrik (2024) The New Economics of Industrial Policy. Annual Review of Economics, 16, 213–242.
Wennink (2025) De route naar toekomstige welvaart: Een sterk Nederland in een relevant Europa. Te vinden op rapportwennink.nl.
Rodríguez-Pose, A. (2018) The Revenge of the Places That Don’t Matter. Cambridge Journal of Regions, Economy and Society, 11(1), 189–209.
Wal, E. van der, M. Katz en K. Kramer (2025) Macro-economische effecten van hogere defensie-uitgaven. CPB: November 2025.
Vries, K. de en E. van Leeuwen (2024) Groei Nederlandse productiviteit relatief laag door afbouw gaswinning. ESB, 110(4843), 104–106.
Auteurs
Categorieën