De bereikbaarheid van landelijke gebieden staat onder druk. Door ruimtelijke concentratie van voorzieningen en een afnemend aanbod van openbaar vervoer nemen afstanden en reistijden naar dagelijkse activiteiten toe. Veel inwoners zijn daardoor afhankelijk van de auto om mee te kunnen doen in de maatschappij.

Vanwege indirecte lijnen, lage frequenties en weinig haltes is traditioneel openbaar vervoer in gebieden met een beperkte en verspreide vervoersvraag voor slechts een kleine groep reizigers een realistisch alternatief. Regio’s met veel landelijk gebied bundelen daarom steeds vaker vervoersstromen op centrale ov-assen en bedienen de rest van het netwerk met vraaggestuurd vervoer zonder vaste dienstregeling, zoals flex- en doelgroepenvervoer, en met deelmobiliteit zoals deelfietsen en -auto’s. Hierdoor wordt de vervoerscapaciteit efficiënter benut en verbetert de dekking in tijd en ruimte, door een flexibeler en fijnmaziger aanbod. Tegelijkertijd ontstaan er institutionele afhankelijkheden, omdat verschillende actoren elk een schakel in dezelfde reis verzorgen. In mijn proefschrift onderzoek ik hoe overheden kunnen sturen op deze multimodale integratie.
Met een spelexperiment analyseer ik ex ante strategische keuzes van vervoersaanbieders en infrastructuurbeheerders op de lokale schaal van een hub. Daaruit wordt duidelijk dat ze deze keuzes beperkt op elkaar afstemmen. Dit coördinatieprobleem op lokale schaal is het resultaat van institutionele fragmentatie op regionale of zelfs nationale schaal.
Om de fragmentatie te begrijpen, onderzocht ik twee beleidsnetwerken aan de hand van een sociaal-netwerkanalyse en interviews met actoren zoals vervoersautoriteiten, ov-maatschappijen, deelmobiliteitsaanbieders en infrastructuurbeheerders. De structuur van deze netwerken laat zien dat actoren vooral samenwerken in clusters, gericht op bijvoorbeeld regionaal busvervoer, doelgroepenvervoer of deelmobiliteit, en dat verantwoordelijkheden en beleidsinstrumenten sterk versnipperd zijn. Door de beperkte overlap tussen de clusters komt integratie moeilijk van de grond en blijft ze afhankelijk van kleinschalige en kortlopende initiatieven.
Om de multimodale integratie te verbeteren, moeten overheden bepalen welk basisniveau van bereikbaarheid ze willen garanderen. Daarbij dient een schaalniveau te worden gekozen dat aansluit bij regionale vervoersstromen, zodat vraag en aanbod van multimodaal vervoer op elkaar kunnen worden afgestemd. Dat vraagt om centrale sturing van het basisaanbod, maar ook om ruimte voor lokale maatschappelijke initiatieven die dit basisaanbod aanvullen. Het accepteren van enige redundantie lijkt daarbij onvermijdelijk, omdat bij het streven naar een bereikbaarheidsminimum consistente dekking zwaarder weegt dan optimale efficiëntie.
Auteur
Categorieën