Door meer te vangen dan goed is voor het visbestand concurreren visserijbedrijven elkaar kapot. Overbevissing wordt zelden genoemd als verklaring voor de malaise in de Nederlandse kottervisserij; die malaise zou toe schrijven zijn aan externe factoren als windparken op zee. Hoe zit het en wat kunnen we hiervan leren voor de toekomst?
In het kort
- Vijftig jaar lang zijn Noordzeetong en -schol overbevist; langdurige overbevissing geldt ook voor garnalen.
- Pas na een dramatische daling van het vangstsucces en vele saneringsrondes is overbevissing gestopt.
- In afwezigheid van vangstbeperkingen dreigt overbevissing ook in de recent opgekomen visserij op inktvis.
Het gaat slecht met de Nederlandse kottervisserij, een vloot die op de Noordzee en omliggende wateren op zeeleven op en net boven de bodem jaagt. De kottervisserij krimpt al sinds eind jaren tachtig (figuur 1); slechte bedrijfsresultaten waren al van veel eerdere datum (Den Dulk et al., 1975). Veertig jaar geleden bestond de vloot nog uit 600 schepen, maar die is na vele saneringsrondes stap voor stap uitgedund tot ongeveer 200 schepen in 2024. Ook nu is er een uitkoopregeling voor de garnalenvisserij, ingegeven door “overbevissing en het vangen van garnalen voordat ze volgroeid zijn” (Tweede Kamer, 2025). Naar verwachting 50 kotters zullen aan deze regeling meedoen (RVO, 2026).

De kottervisserij stelt met een jaarlijkse omzet van 200 miljoen euro in de economische statistieken weinig voor (WUR, 2025), maar aandacht ervoor is gerechtvaardigd vanwege de negatieve externe effecten ervan op de zee en daarmee op onze leefomgeving. Dan gaat het niet alleen om overbevissing, maar ook om de niet-beprijsde effecten op het zeemilieu: de vissers jagen met vangsttechnieken, zoals bodemsleepnetten, op zeeleven op of net boven de bodem. Naast verstoring van de flora betekent dat ook de dood van veel andere dieren dan die waar het visserijbedrijf op uit is: 99 procent van de inhoud van bodemsleepnetten is ongewenste bijvangst en gaat weer overboord, goeddeels dood of verminkt (Vollaard en De Zeeuw, 2025). De kottervloot bevist miljoenen hectares zeebodem per jaar, ook in natuurgebieden (Dunkley, 2024), en heeft dus een grote impact.
In de media wordt de malaise in de kottervisserij vaak toegeschreven aan zaken die buiten de sector liggen: windparken op zee, regeldruk, hoge brandstofprijzen en de Brexit (PZC, 2021; NOS, 2022; 2025). Overbevissing wordt zelden genoemd als oorzaak, terwijl de ontwikkeling van de vloot (figuur 1) daar goed bij past.
Overbevissing betekent méér vangen dan economisch gezien verstandig is, gegeven de negatieve invloed van vangsten nu op vangsten later (Gordon, 1954). Dit gaat even goed, maar door de hoge visserijdruk beginnen de visbestanden en daarmee de vangsten al snel terug te lopen. De vis reproduceert zich onvoldoende snel om de sterfte door visserij het hoofd te bieden. De visserijbedrijven gaan vervolgens met steeds meer inspanning – bijvoorbeeld met extra motorvermogen, de oorzaak achter de stijging in figuur 1 – achter de slinkende visbestanden aan, waardoor bedrijfsresultaten verslechteren. De hierop volgende neergang kan lang duren, omdat vissers niet zomaar wat anders gaan doen (Kraan et al., 2023) en de overheid overcapaciteit vaak met subsidies in stand houdt (Englander et al., 2025).
Wat hier misgaat, is dat visserijbedrijven weliswaar collectief gebaat zijn bij duurzaam gebruik van de visbestanden, maar daar individueel niet naar handelen – het klassieke economische probleem van de ‘gemene weiden’ (commons). Elk bedrijf draagt maar een deel van de last van afnemende visbestanden – het effect op andere bedrijven is een externaliteit – en is beter af door zo veel mogelijk vis te vangen.
In dit artikel ga ik in op de vraag in hoeverre de malaise in de sector is toe te schrijven aan externe factoren of aan overbevissing. Dit is een belangrijke vraag, ook nu de kottervloot sterk is gekrompen. Als overbevissing een belangrijke factor blijkt, dan heeft beleid om vangsten te beperken door onder meer quotaregelingen dus gefaald. Het voorkómen van overbevissing blijft belangrijk, omdat een deel van de vloot de focus inmiddels heeft verlegd naar nieuwe soorten waar nog geen vangstbeperkingen voor gelden, zoals de pijlinktvis (Van de Pol, 2025).
Overbevissing
Bij overbevissing zijn de in de loop der tijd gecumuleerde vangsten lager dan zou kunnen. Om te weten welke vangsthoeveelheid op de langere termijn (voor de visserij) het meest gunstig is – en of dus op enig moment sprake is van overbevissing – zijn inschattingen nodig van de omvang van visbestanden en de invloed van de visserij daarop. Die inschattingen maakt de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (ICES). ICES (2023), waar ook Nederlandse biologen deel van uitmaken, schat jaarlijks de bestanden van de belangrijkste doelsoorten, stelt de ‘maximale duurzame vangst’ vast, en adviseert de Europese Commissie over vangstlimieten om de doelen van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid te bereiken. ICES gebruikt hiervoor modellen, die niet perfect zijn want het betreft schattingen, maar ze zijn wel beter geworden, onder andere dankzij de gegevens die de industrialisering van de Noordzeevisserij opleveren (Quirijns et al., 2007).
De voor de kottervisserij belangrijke doelsoorten tong en schol – goeddeels door Nederlandse bedrijven bevist – zijn vijftig jaar lang overbevist, zo blijkt uit cijfers van ICES (CLO, 2025). Tussen 1967 en 2021 lag de sterfte van tong door de visserij boven het optimale niveau. Hierdoor nam de totale tongvangst al in de jaren zestig af, ondanks de sterk groeiende vlootinzet. Met de tong ging het niet goed: tussen toen en nu is het geschatte tongbestand gehalveerd. Voor schol, een tien tot twintig keer groter bestand dan tong, lag de visserijdruk tussen 1959 en 2008 boven het voor de visserij optimale niveau.
De hoge visserijdruk is ook terug te zien in het slinkende aandeel vissen dat kan doorgroeien. Er is de helft minder tong in de categorie ‘groot’ in verhouding tot de categorie ‘middel’, zo blijkt uit een vergelijking van visafslaggegevens voor 2017–2019 met de vooroorlogse jaren (Schouten, 1942).
Vangstsucces
Als er sprake is van overbevissing op de platvissen tong en schol, dan moet dat terug te zien zijn in een daling van het vangstsucces. Het vangstsucces is een maatstaf van de reële productiviteit van de visserij; de vangst per eenheid inspanning (kader 1). Om het vangstsucces van de visserij op tong en schol in beeld te brengen, heb ik voor de periode 1951–2024 gegevens over vangsten gerelateerd aan gegevens over de inzet van de vloot. De visserij op tong en schol vormt een belangrijk deel van de kottervisserij: de platvisvloot vormt grofweg driekwart van de totale vlootinzet, uitgedrukt in pk-dagen, oftewel het motorvermogen maal het aantal dagen op zee. Tong en schol zijn goed voor tachtig procent van het vangstgewicht van platvis.
Kader 1: Vangst boven quotum
Wat in de vangstgegevens voor een deel buiten beeld blijft, is de vangst boven het quotum. Die illegale vangst ontstond na introductie van vangstbeperkingen in de jaren zeventig. Illegale vangsten waren vooral groot in de jaren tachtig: feitelijke vangsten konden wel meer dan de helft hoger liggen dan geregistreerde vangsten (Tweede Kamer, 1987; Van der Kroon, 1994; Daan, 1997). Visserijecologen wisten deze vangsten voor een deel te achterhalen, maar voor een deel ook niet.
Ook rond de eeuwwisseling werden de quota voor tong en schol ‘volgevist’ en bestond er een prikkel tot het ontduiken ervan. Als we ervan uitgaan dat de historische gegevens over de vlootinzet grofweg kloppen, was het vangstsucces in deze jaren groter dan de officiële cijfers suggereren.
Ook aangelande ondermaatse vis – dat is vis die te klein is om te mogen verhandeld – kan het beeld van de visvangst verstoren. De handel in ondermaatse vis is aantrekkelijk, want een relatief eenvoudige manier om illegaal bij te verdienen (Van der Kroon, 1994). Wanneer deze vis in veilingkisten vermengd wordt met vis die wel aan de maat is, zoals recent nog geconstateerd (NVWA, 2022), vergroot dit het vangstsucces. Wanneer deze vis op de zwarte markt verdwijnt, blijft die buiten de vangstcijfers. Dit zijn belangrijke kanttekeningen, maar deze verstoringen lijken geen drijvende kracht achter de langetermijntrend in het vangstsucces waar ik mij op richt.
Het vangstsucces – het vangstgewicht per ingezette pk-dag – kwam in een vrije val met de groei in de vlootinzet (figuur 2). Sinds de jaren vijftig is het vangstsucces met driekwart afgenomen. Ondanks een dubbel zo grote vlootinzet ligt het vangstgewicht aan tong en schol nu half zo laag als bij de opkomst van deze visserij. De afname in het vangstsucces is gerealiseerd vóór het instellen van de vangstbeperkingen, eind jaren zeventig, begin jaren tachtig. Thurstan et al. (2010) vinden eenzelfde ontwikkeling voor de Britse bodemvisserij. Het vangstsucces voor tong en schol begint weer te stijgen vanaf 2009. Dit is bijna volledig toe te schrijven aan betere (gemelde) scholvangsten. Die verbeterden wellicht door de almaar dalende vlootinzet en de toename in het scholbestand (ICES, 2020; 2025a). Deze opleving – en de toename van de vlootinzet – was van korte duur. Recent is het vangstsucces voor tong en schol weer terug op het eerdere, lage niveau, en is de vloot verder uitgedund.

De cijfers over het vangstsucces illustreren hoe overbevissing heeft bijgedragen aan de neergang van de platvisvisserij. Het teruglopen van de vangsten door overbevissing was toentertijd ook geen verrassing voor de sector. Zo stelde de voorzitter van het Produktschap Vis, de organisatie die de vissers vertegenwoordigde, in 1975: “En zij die in de bedrijfstak werkzaam zijn, hebben dit zien komen, alleen heeft men verzuimd om maatregelen te nemen. Hoewel men wist dat het verkeerd ging.” (Visserijnieuws, 1975). Hij memoreert hoe de Vissersbond, de belangenorganisatie voor vissers, al in 1972 aangaf dat alles boven een totaal motorvermogen van 90.000 pk leidt tot overbevissing. Die grens was volgens mijn gegevens al in 1963 overschreden.
De situatie in de garnalenvisserij, de laatste twintig jaar goed voor tien tot twintig procent van de inzet van de kottervloot, is vergelijkbaar. Ook daar steeg de vlootinzet spectaculair, waarna het vangstsucces hard afnam (figuur 3). Na een dieptepunt in 1981 is de vlootinzet tot 2010 weer gaan groeien. Het vangstsucces is ook gestegen, al fluctueert dat zeer, omdat dit sterk afhankelijk is van fluctuaties in de zeewatertemperatuur en in de bestandsgrootte van vissoorten waarvoor de garnaal een prooidier is. Recent valt het vangstsucces ver terug, en drukt een hoge visserij-inspanning de resultaten (Quirijns et al., 2021). Dit is ook de perceptie van de garnalenvissers (Visserijnieuws, 2025). Een uitkoopregeling met een totaalbudget van 40 miljoen euro moet de vangstcapaciteit verkleinen (RVO, 2026). Onduidelijk is nog hoe sterk de vangstcapaciteit hierdoor zal dalen.

Externe factoren
Veelgenoemde externe factoren – Brexit, windmolenparken, natuurgebieden, hoge olieprijzen, klimaatverandering – kunnen de neergang en daarmee de huidige malaise in de kottervisserij niet goed verklaren, omdat de timing niet klopt. De grote daling in het vangstsucces vond al plaats voordat een van deze factoren van invloed was. De Brexit en windmolenparken zijn van recente datum. De gevolgen van de Brexit werden pas voelbaar vanaf 2021. Bovendien bleef voor doelsoorten als tong en schol ook na de Brexit voldoende quotum beschikbaar. Het eerste grotere windmolenpark, boven Ameland, dateert van 2017. Het verlies aan vangstgebieden door gebouwde – en door nog geplande parken – is minimaal (Mol et al., 2019, Jongbloed et al., 2021).
Visserijbedrijven zijn ook weinig visgronden verloren vanwege natuurbescherming: in het overgrote deel van de Nederlandse natuurgebieden is visserij, ook met bodemsleepnetten, toegestaan (Dunkley, 2024).
Een hoge brandstofprijs speelt wel al langer. De (reële) gasolieprijs is de laatste twintig jaar ruim twee keer zo hoog als in de twintig jaar ervoor. Dat lijkt meer een extra duw bovenop de eerder ingezette neergang. Een veel drastischer, langdurige stijging van de gasolieprijs eind jaren zeventig, begin jaren tachtig had een beperkt effect op de vloot (figuur 1 en 2). Een hoge brandstofprijs lijkt vooral te bijten als het al slecht gaat.
Ten slotte heeft klimaatverandering – en daarmee een noordwaartse verplaatsing van schol, voor een deel onbereikbaar voor de Nederlandse kotters – pas vanaf de jaren negentig een geleidelijk toenemende invloed (Engelhard et al., 2011). Bovendien staat daar de toename van andere, lucratieve doelsoorten zoals de inktvis tegenover (Van der Kooij et al., 2016).
Tot slot
Dat overbevissing de hoofdoorzaak is achter de malaise in de kottervisserij, is niet alleen van historisch belang. Het betekent dat de prikkels tot overbevissing er nog altijd zijn. De natuur was de wal die het schip heeft doen keren, niet een vooruitziende blik van de betrokken overheden. Het ontbreken van effectief overheidsingrijpen is dus het probleem (Daan, 1997).
Het pikkels voor overbevissing zijn nu vooral relevant voor de twintig jaar geleden opgekomen flyshootvisserij, een vloot van twintig kleine en middelgrote kotters die met een sleepnet aan lange lijnen in de zuidoostelijke Noordzee en het Kanaal vissen op onder meer pijlinktvis, rode poon en mul. Vooral de vangsten van inktvis zijn enorm. Voor deze soorten bestaan nog geen vangstbeperkingen en het is de vraag hoe houdbaar de grote vangsten zijn. Zo liggen volgens ICES (2025b) de recente vangsten van mul – met veel aanlanding van jonge, nog onvolwassen vis – veertig procent hoger dan voor de lange termijn gezond is. Het lijkt een kwestie van tijd voor het tij keert. De eerste tekenen van een ommekeer zijn er al: het vangstsucces in deze visserij is de afgelopen tien jaar bijna gehalveerd (WUR, 2025). In afwezigheid van door de overheid opgelegde vangstbeperkingen zal de cyclus van harde groei en vervolgens krimp zich hier herhalen. Het beperken van vangsten vóórdat dit vanzelf gebeurt door uitputting van het zeeleven blijft dus van groot belang, ook nu de kottervloot is gedecimeerd.

Literatuur
CLO (2025) Visserijdruk in de Noordzee, 1947–2023. Compendium voor de Leefomgeving, 4 februari.
Daan, N. (1997) TAC management in North Sea flatfish fisheries. Journal of Sea Research, 37(3-4), 321–341.
Dulk, A. den, J. de Jager en W. Smit (1975) Visserij in cijfers – 1974. LEI Rapport, mei. Te vinden op edepot.wur.nl.
Dunkley, F. (2024) A quantification of bottom towed fishing activity in marine Natura 2000 sites. Marine Conservation Society, Rapport, april.
Engelhard, G.H., J.K. Pinnegar, L.T. Kell en A.D. Rijnsdorp (2011) Nine decades of North Sea sole and plaice distribution. ICES Journal of Marine Science, 68(6), 1090–1104.
Englander, G., J. Zhang. J.C. Villaseñor-Derbez et al. (2025) Input subsidies and the depletion of natural capital: Chinese distant water fishing. Journal of Environmental Economics and Management, 130, 103127.
Gordon, H.S. (1954) The economic theory of a common-property resource: The fishery. The Journal of Political Economy, 62(2), 124–142.
Hildebrandt, A.G.U. (1952) Onderzoek naar de rentabiliteit van de garnalenvisserij in 1950. Landbouw-Economisch Instituut, Rapport, 174. Te vinden op edepot.wur.nl.
ICES (2020) Working group on beam trawl surveys. ICES Scientific Report, 2(47). Te vinden op ices-library.figshare.com.
ICES (2023) Advice on fishing opportunities. Report of the ICES Advisory Committee. Te vinden op ices-library.figshare.com.
ICES (2025a) Plaice (Pleuronectes platessa) in Subarea 4 (North Sea) and Subdivision 20 (Skagerrak). ICES. Te vinden op ices-library.figshare.com.
ICES (2025b) Sole (Solea solea) in Subarea 4 (North Sea). ICES. Te vinden op ices-library.figshare.com.
Jongbloed, R.H., J. Steenbergen en J.E. Tamis (2021) Gebiedsverkenning van drie windenergiegebieden in de Noordzee. Wageningen Marine Research, Rapport, C100/21.
Kooij, J. van der, G.H. Engelhard en D.A. Righton (2016) Climate change and squid range expansion in the North Sea. Journal of Biogeography, 43(11), 2285–2298.
Kraan, M.L., N.A. Steins, X. Verschuur et al. (2023) Sociale en culturele waarde van visserij voor de visserijgemeenschap. Wageningen Economic Research, Rapport, 2023-053.
Kroon, O. van der (1994) Ministerie in crisis. Amsterdam: L.J. Veen.
Mol, A., H. van Oostenbrugge en N. Hintzen (2019) Wind op Zee: Bepaling van de waarde van geplande windparkgebieden voor de visserij. Wageningen University & Research, Nota 2019-011.
NOS (2022) Einde dreigt voor Nederlandse kottervisserij door Brexit, windmolens en dieselprijs. NOS Nieuws, 28 december.
NOS (2025) Bijna een derde garnalenvissers stopt: ‘Mijn schip wordt gereduceerd tot oud ijzer’. NOS Nieuws, 26 december.
NVWA (2022) Fraudebeeld visserijketen 2017–2020. Rapport, 5 september.
Pol, L. van de (2025) Een nieuwe visserij in kaart: ontwikkeling van de Nederlandse pijlinktvisvisserij. Visserijnieuws, 7 juli.
PZC (2021) Van windmolens tot brexit: dit zijn de zeven plagen van de vissers. PZC Nieuwsartikel, 14 augustus.
Quirijns, F.J., O.A. van Keeken en W.L.T. van Densen (2007) 5 years of F-project: a final report. IMARES Rapport, C058/07. Te vinden op edepot.wur.nl.
Quirijns, F., U. Beier, B. Deetman et al. (2021) Beschrijving garnalenvisserij. Wageningen Marine Research, Rapport C049/21.
RVO (2026) Sanering garnalenvisserij. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
Schouten, A. (1942) De Nederlandsche groote trawlervisscherij. Proefschrift Universiteit Utrecht. Utrecht: Kemink en Zoon. Te vinden op dspace.library.uu.nl.
Thurstan, R.H., S. Brockington en C.M. Roberts (2010) The effects of 118 years of industrial fishing on UK bottom trawl fisheries. Nature Communications, 1, artikel 15.
Tweede Kamer (1987) Rapport over de visquoteringsregelingen. Kamerstuk 19955, nrs 1-5.
Tweede Kamer (2025) Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Kamerstuk 36800 XIV, nr. 1.
Visserijnieuws (1975/2025) Een half jaar quotering en wat daaraan voorafging. Visserijnieuws, 45, p. 4.
Visserijnieuws (2025) Van huis en haard verdreven. Visserijnieuws, 45, p. 1.
Vollaard, B. en A. de Zeeuw (2025) Kennis van dode teruggooi nodig voor het maken van keuzes over vis. ESB, 110 (4842), 74-77.
WUR (2025) Visserij in cijfers 2025. Te vinden op agrimatie.nl
Auteur
Categorieën