
De Verenigde Staten hebben sinds het aantreden van president Trump voor schokgolven gezorgd door ongekend hoge invoertarieven op te leggen aan vrijwel alle handelspartners. De regering-Trump suggereert dat buitenlandse producenten de tarieven ‘betalen’. De invoerheffingen blijken echter niet alleen de prijzen van geïmporteerde goederen te verhogen, maar ook die van binnenslands geproduceerde goederen.
De figuur toont dat sinds de invoering van de eerste handelstarieven van 25 procent op goederen uit Canada en Mexico op 4 maart 2025 de prijzen ervan met 3,8 procent toenamen, en tegelijkertijd de prijzen van binnenslands geproduceerde goederen met 2,9 procent toenamen. Dat betekent dat de kosten van tarieven voornamelijk terechtkomen bij de Amerikaanse consument die hogere prijzen betaalt voor zowel geïmporteerde goederen als binnenslands geproduceerde goederen. Daar komt bij dat deze lastenverhoging voor consumenten regressief zal zijn: lagere inkomensgroepen consumeren immers een groter gedeelte van hun inkomen.
De gelijktijdige stijging van de binnenlandse productieprijzen kan twee oorzaken hebben. De eerste mogelijke oorzaak betreft strategisch prijszettingsgedrag: binnenlandse producenten zouden de verminderde concurrentiedruk van buitenlandse aanbieders kunnen benutten om hun eigen marges te vergroten. Een andere mogelijke oorzaak is de sterke fragmentatie van hedendaagse productieketens waardoor binnenlandse fabrikanten afhankelijk zijn van geïmporteerde intermediaire goederen. Brede tarieven belasten deze intermediaire goederen en verhogen zo de kosten van binnenlandse productie, omdat de heffingen op intermediaire goederen doorgerekend worden in de prijzen van binnenslands geproduceerde goederen.
Het onderzoek naar de VS-heffingen geeft EU-beleidsmakers inzicht in de afruilen die aanwezig zijn bij de inzet van invoertarieven en biedt leerzame lessen voor de inzet van het eigen handelsinstrumentarium.
Auteurs
Categorieën