De afgelopen tien jaar is de beleidsaandacht voor ongelijke leerprestaties in het onderwijs toegenomen (Borghans en Diris, 2021). Maar wanneer zijn ongelijke leerprestaties een onderwijsprobleem? Alleen al het stellen van die vraag leidt vaak tot stevige discussies. De een krijgt het verwijt als gelijke-kansenfanaat elk verschil in onderwijsuitkomsten te problematiseren en het onderwijs daarbij aan te wijzen als de grote boosdoener. De ander wordt verweten met meritocratische oogkleppen op de invloed van onderwijs te negeren en ongelijke leerprestaties enkel toe te schrijven aan individuele verschillen in talent en inzet.
Om te bepalen of ongelijke leerprestaties een onderwijsprobleem zijn, is het zaak te weten welke mechanismes aan die verschillen ten grondslag liggen. Dat verzandt al gauw in nature-nurture-discussies. Zijn ondergemiddelde prestaties te wijten aan een gebrek aan talent of inzet, of heeft een leerling niet het onderwijs kunnen genieten dat nodig was om diens talenten te ontplooien? Talent is geen gestold gegeven en laat zich lastig onafhankelijk van de omgeving waarin het tot uiting komt, vaststellen. We weten niet zeker hoe een leerling had gepresteerd wanneer die ander onderwijs had gevolgd.

Toch is er ook veel wat we wel weten. We zien structurele verschillen in de leerprestaties tussen groepen leerlingen met een of meer dezelfde achtergrondkenmerken (CPB, 2020). We weten dat leerprestaties ongelijker worden na de overgang naar een andere onderwijsomgeving (Korthals, 2015). We kunnen drempels aanwijzen die bepaalde leerlingen belemmeren in hun leerontwikkeling (Onderwijsraad, 2025). In zulke gevallen hebben we reden om ongelijke leerprestaties te benaderen als een onderwijsprobleem, en te kijken naar het onderwijs(beleid) voor een antwoord op de vraag hoe het beter zou kunnen.
Die conclusie wordt nog weleens geïnterpreteerd als een problematisering van ongelijke onderwijsuitkomsten per se. Er wordt bijvoorbeeld gewezen op verschillen in cognitieve aanleg en opgemerkt dat niet iedere leerling naar het vwo hoeft. Er wordt gesteld dat ieder talent telt in onze samenleving en dat onderwijs meer is dan het streven naar de beste prestaties. Dat is allemaal waar, maar geen reden om in de genoemde situaties genoegen te nemen met ongelijke leerprestaties. Onderwijs vervult een bepalende rol in de levensloop van individuen en in het functioneren van onze samenleving. Aanwijzingen dat bepaalde leerlingen minder kansen hebben om de vruchten te plukken van dat onderwijs zouden ons aan moeten zetten tot actie.
Al bij de start in het basisonderwijs zien we verschillen die worden gerelateerd aan de thuisachtergrond van leerlingen (CPB, 2020). Juist daarin ligt een belangrijke bestaansreden voor het onderwijs. Door alle kinderen een aantal jaren naar school te laten gaan, is hun leerontwikkeling niet louter afhankelijk van wat zij toevallig in hun thuisomgeving meekrijgen. Onderwijs reikt alle leerlingen leerstof en begeleiding aan en investeert extra in leerlingen die voor hun ontwikkeling sterker afhankelijk zijn van de schoolomgeving. Het lukt echter onvoldoende om de prestatiekloof in het basisonderwijs te verkleinen (zie Claes et al. in deze ESB). Versterking van de voor- en vroegschoolse educatie en van extra ondersteuning in het basisonderwijs voor leerlingen die dat nodig hebben, worden aangewezen als kansrijke interventies (Borghans en Diris, 2021; Onderwijsraad, 2023).
Extra investeren in de kansen van jongeren in het voortgezet onderwijs (vo) en mbo is echter evenzeer nodig. Het onderwijskansenbudget ontbreekt in het mbo en ligt in het vo aanzienlijk lager dan in het basisonderwijs – en er ligt momenteel een plan om het volledig af te schaffen. Armoede verdwijnt echter niet na de basisschool, net zomin als andere sociaal-economische verschillen die samenhangen met een ongelijk verloop van schoolloopbanen. Tot aan hun startkwalificatie zouden leerlingen met een verhoogd risico op onderpresteren een extra steuntje in de rug moeten krijgen (Onderwijsraad, 2025).
Tot slot zien we dat de overgang naar het voortgezet onderwijs, wanneer het niveau wordt bepaald waarop leerlingen hun schoolloopbaan vervolgen, fungeert als brandpunt van ongelijkheid. Gelijkpresterende leerlingen met verschillende achtergronden krijgen ongelijke kansen om in te stromen in een van de routes in het vervolgonderwijs, waarna hun prestaties verder uit elkaar gaan lopen. Daarmee produceert en reproduceert het onderwijs sociale ongelijkheid, in plaats van deze te reduceren. Minder vroege en minder rigide selectie verkleint de prestatiekloof (Onderwijsraad, 2021 ; Somers et al., 2024).
Waar ongelijke leerprestaties gerelateerd zijn aan een tekortschietende of zelfs aanjagende rol van het onderwijs, hebben we werk te verrichten om goed onderwijs voor alle leerlingen te waarborgen. Verkiezings- en regeringsprogramma’s staan doorgaans bol van vergezichten over een kenniseconomie waarin ieder talent telt. Maar onderaan de streep wordt onderwijs telkens als kostenpost benaderd, waarop met wat wegstrepen quick wins worden behaald op de rijksbegroting (Onderwijsraad, 2024). Dat doet op de langere termijn schade, voor individuele leerlingen en voor de samenleving. Wie niet op de blaren wil zitten, investeert dus structureel in goed onderwijs voor iedereen.
Literatuur
Borghans, L. en R. Diris (2021) Ongelijkheid in het Nederlandse onderwijs door de jaren heen. In: A. Gielen, D. Webbink en B. ter Weel (red.), Ongelijk Nederland. Amsterdam: Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde, p. 37–43.
CPB (2020) Ongelijkheid van het jonge kind. CPB Notitie, december.
Korthals, R.A. (2015) Tracking students in secondary education: Consequences for student performance and inequality. Proefschrift Universiteit Maastricht, ROA.
Onderwijsraad (2021) Later selecteren, beter differentiëren. Advies, 15 april.
Onderwijsraad (2023) Briefadvies over voorzieningen jonge kind. Advies, 21 september.
Onderwijsraad (2024) Onderwijs als investering. Onderwijsraad Advies, 26 januari.
Onderwijsraad (2025) Armoede en onderwijs. Advies, 16 april.
Somers, M., P. Bles en K. Wessling (2024) Gemengde brugklassen kunnen nadelen vroege selectie ondervangen. ESB, 109(4834), 268–271.
Auteur
Categorieën