Ga direct naar de content

Nobelprijs economie biedt Europa kritische spiegel

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: december 10 2025

In oktober kregen Joel Mokyr, Philippe Aghion en Peter Howitt de Prijs van de Zweedse Rijksbank voor Economische Wetenschappen ter nagedachtenis aan Alfred Nobel – kortweg de Nobelprijs voor de Economie. Wat heeft het trio voor de wetenschap en de wereld betekend? En wat kan Europa daarvan leren?

In het kort

  • Volgens de laureaten komt groei voort uit kennis, en wordt innovatie aangejaagd door concurrentie en marktdynamiek.
  • Om uit het productiviteitsslop te raken zou Europa kennis en marktdynamiek moeten stimuleren.

De Nobelprijs voor de Economie 2025 is toegekend aan drie onderzoekers die ons begrip van economische groei en innovatie fundamenteel hebben verdiept: Joel Mokyr, Philippe Aghion en Peter Howitt (Nobel Prize Committee, 2025). Op het eerste gezicht vertegenwoordigen zij verschillende tradities, maar hun werk convergeert tot één gezamenlijk verhaal: duurzame groei ontstaat door de ontwikkeling en toepassing van kennis, waar nieuwe ideeën ruimte krijgen, en waar gevestigde belangen niet te veel bescherming genieten.

De prijs markeert daarmee niet alleen de erkenning van drie invloedrijke oeuvres, maar ook de rijpheid van een intellectuele synthese waarin geschiedenis, theorie en empirische analyse samenkomen. Die synthese biedt cruciale lessen voor Europa en Nederland, waar de noodzaak tot verbetering van de concurrentiekracht steeds meer wordt gevoeld.

Kennis

Joel Mokyr heeft zijn carrière als economisch historicus gewijd aan het verklaren van de industriële revolutie en de rol die kennis daarin speelde. In plaats van te wijzen op markten, instellingen of natuurlijke hulpbronnen, legt hij de nadruk op de institutionele infrastructuur die accumulatie en verspreiding van kennis mogelijk maakt.

Cruciaal in het werk van Mokyr (1990; 2002; 2009) is het onderscheid tussen propositionele kennis (begrijpen waarom dingen werken) en prescriptieve kennis (weten hoe kennis te gebruiken). In het achttiende-eeuwse Groot-Brittannië, waar de industriële revolutie ontstond, kwamen deze werelden samen. Door de Verlichting, waarin nieuwsgierigheid, empirisch onderzoek en praktische toepasbaarheid centraal kwamen te staan, ontstond er een open en inclusieve samenleving, waar samenwerking niet door grenzen of hiërarchie wordt beperkt, en waar uiteindelijk veel economische groei ontstond. Vakopleidingen, werkplaatsen en genootschappen vormden zo bruggen tussen ambachtslieden, ingenieurs en natuurfilosofen.

De kennisuitwisseling was tijdens de industriële revolutie ook vaak plaatsgebonden: het was in werkplaatsen, academies en genootschappen waar ideeën en ambacht samenkwamen en uiteindelijk voor innovatie en groei zorgden.

De plaatsgebondenheid van kennis is nog steeds relevant, en er is ondertussen ook micro-economisch bewijs voor Mokyrs inzicht dat kennisnetwerken, en daarmee de economie, profiteren van nabijheid en interactie. Zo laat Moretti (2021) zien dat uitvinders die verhuizen naar grotere kennisclusters gemiddeld meer en betere octrooien produceren. Als kennisproductie uniform over het land verdeeld zou zijn, zou het totale aantal octrooien met zo’n elf procent dalen. Akcigit et al. (2017) laten zien hoe uitvinders op lokaal niveau van invloed waren op economische activiteit. En Hanson et al. (2025) tonen hoe anderhalve eeuw beleidsinnovatie in de Verenigde Staten een netwerk van intermediaire organisaties creëerde die middelen verdelen langs verticale toeleveringsketens.

Innovatie

Philippe Aghion en Peter Howitt kozen een andere route om de motor van groei te begrijpen. Hun werk bouwt voort op Joseph Schumpeters idee van creative destruction. Bestaande bedrijven kunnen veel marktmacht hebben, maar die positie kan alleen in stand blijven doordat ze continu investeren in innovatie. En zelfs dan kan een nieuwe toetreder met een beter product of betere dienst komen en de plaats innemen van het oude bedrijf. Terwijl Solow (1956) technologische vooruitgang nog als exogeen modelleerde, maakten Aghion en Howitt (1992) deze dus endogeen als het resultaat van bedrijven die investeren in onderzoek en ontwikkeling.

In de modellen van Aghion en Howitt houden concurrentie en innovatie elkaar in evenwicht. Te weinig concurrentie leidt tot zelfgenoegzaamheid, omdat de kans klein is dat een innovatieve toetreder de positie van bestaande bedrijven bedreigt. Te veel concurrentie ondermijnt juist de prikkel om te investeren in innovatie, omdat bedrijven dan maar kort kunnen profiteren van een voorsprong. Innovatie loont immers alleen wanneer bedrijven hun investeringen terug kunnen verdienen; als scherpe concurrentie de marges richting nul drijft, wordt dat steeds lastiger.

Ook de ontwikkeling en verspreiding van kennis speelt een rol. Wanneer leidende bedrijven een te grote voorsprong hebben, wordt het voor volgers moeilijker om ze uit te dagen, wat de dynamiek van innovatie eveneens verzwakt (Aghion et al., 2005).

Inzichten blijven relevant

James Watt verbeterde in de achttiende eeuw de stoommachine niet als eenzame uitvinder, maar dankzij nauwe samenwerking met vaklieden en instrumentmakers (Miller, 2019). Zijn voorbeeld laat zien wat Mokyr, Aghion en Howitt benadrukken: vooruitgang is een collectieve prestatie van samenlevingen die samenwerking en experiment belonen. Empirische studies ondersteunen de relevantie van het werk van de laureaten.

Zo laat Creanza (2025) zien hoe een fusiegolf in de Verenigde Staten rond het begin van de twintigste eeuw R&D-laboratoria mogelijk maakt en zo innovatie versnelde. Daarbij laten Akcigit en Ates (2023) met Amerikaanse microdata zien dat dalende kennisverspreiding tussen de meest innovatieve bedrijven en achterblijvers de toenemende marktconcentratie, afnemende bedrijven­dynamiek en tragere productiviteitsgroei verklaart.

De inzichten van de laureaten zijn bijzonder actueel. Voor Nederland documenteren Adema et al. (2025) een daling van de oprichtingsratio van bedrijven, groeiende productiviteitsverschillen binnen sectoren, en een concentratie van innovatie bij een kleine groep gevestigde ondernemingen. Dit sluit aan bij Decker et al. (2020) die voor Amerikaanse bedrijven vinden dat de verplaatsing van werkgelegenheid de productiviteit na 2000 sterk verzwakte, vooral bij jonge hightechbedrijven, en bij Berlingieri et al. (2024) die documenteren dat de productiviteitskloof
tussen frontier en achterblijvers in zestien OESO-landen de laatste jaren is toegenomen. Deze trends weerspiegelen de dynamiek die Aghion en Howitt modelleerden: een economie waar gevestigde bedrijven dominant blijven en nieuwkomers te weinig kans krijgen, raakt haar vernieuwingsvermogen kwijt. Maar ook Mokyrs historische observatie past hier: economische vooruitgang stokt wanneer koplopers in een markt uitlopen op de volgers, wat wijst op een gebrekkiger verspreiding van kennis.

De Nobelprijs vormt in het bijzonder een spiegel voor Europa. Het rapport van Draghi (2014) over de toekomst van Europese concurrentiekracht becijfert dat de EU jaarlijks 750 tot 800 miljard euro extra moet investeren om de innovatiekloof met de VS en China te dichten. Europa besteedt gemiddeld 2,3 procent van het bruto binnenlands product aan onderzoek en ontwikkeling, tegenover 3,5 procent in de VS.

Maar het gaat niet alleen om geld: ook fragmentatie, beperkte schaalvoordelen en gebrekkige kennisstromen remmen de productiviteitsgroei (Draghi, 2024). Vanuit Aghions en Howitts perspectief is dit een probleem van onvoldoende creative destruction: Europese markten beschermen nationale kampioenen te lang, terwijl nieuwkomers worden afgeremd door regelgeving en een gebrek aan financiering (EIB, 2024). Vanuit Mokyrs perspectief is het een kwestie van falende kennisdiffusie: universiteiten, bedrijven en overheden opereren te gescheiden, en de kennisinfrastructuur blijft nationaal versnipperd. Het lijkt erop dat dergelijke versnippering in Europa een groter probleem is dan in de VS (Balland et al., 2025). Zonder kennisinfrastructuur geen innovatie; zonder concurrentie geen prikkel om die kennis toe te passen.

Groei vraagt lef

Het werk van de laureaten maakt duidelijk dat groei niet het automatische gevolg is van markten of technologie, maar van samenlevingen die leren, delen en vernieuwen. Duurzame groei vraagt om nieuwsgierigheid om te blijven leren, openheid om kennis te delen, en het lef om het oude los te laten. De uitdagingen van vandaag, van productiviteitsstagnatie tot klimaatverandering, vereisen een herwaardering van kennis en vernieuwing. Investeren in onderwijs, wetenschap en ondernemerschap is geen kostenpost, maar de enige manier om toekomstig welzijn veilig te stellen. Groei moet worden verdiend, onderhouden en beschermd.

Getty Images

Literatuur

Adema, Y., L. Bettendorf, E. van Bezooijen et al. (2025) Proces van creatieve destructie verzwakt in Nederland. CPB Policy Brief, november.

Aghion, P. en P. Howitt (1992) A model of growth through creative destruction. Econometrica,60(2), 323–351.

Aghion, P., N. Bloom, R. Blundell et al. (2005) Competition and innovation: an inverted-U relationship. The Quarterly Journal of Economics, 120(2): 701–728.

Akcigit, U. en S.T. Ates (2023) What happened to US business dynamism? Journal of Political Economy, 131(8), 2059–2124.

Akcigit, U. en T. Nicholas (2019) History, microdata, and endogenous growth. Annual Review of Economics, 11, 615–633.

Akcigit, U., J. Grigsby en T. Nicholas (2017) The rise of American ingenuity: Innovation and inventors of the golden age. NBER Working Paper, 23047.

Balland, P.A., V. Di Girolamo, F. Benoit et al. (2025) Divided we fall behind: Why a fragmented EU cannot compete in complex technologies. R&I Paper Series. Working Paper 2025/04. Te vinden op op.europa.eu.

Berlingieri, G., P. Blanchenay en C. Criscuolo (2024) The great divergence(s). Research Policy, 53(3), 104955.

Bettendorf, L., D. Freeman en Y. Adema (2021) Covid-19 support distorted the process of creative destruction in the Netherlands. VoxEU Column, 3 november. Te vinden op cepr.org.

Creanza, P.P. (2025) Factories of ideas? Big business and the golden age of American innovation. Working paper, 6 november. Te vinden op pierpaolocreanza.github.io.

Decker, R.A., J. Haltiwanger, R.S. Jarmin en J. Miranda (2020) Changing business dynamism and productivity: Shocks versus responsiveness. The American Economic Review, 110(12), 3952–3990.

Draghi, M. (2024) The future of European competitiveness. Europese Commissie Rapport, september. Te vinden op commission.europa.eu.

EIB (2024) Investment barriers in the European Union 2023. European Investment Bank, Rapport, 13 februari.

Freeman, D., L. Bettendorf, G.H. van Heuvelen en G.W. Meijerink (2024) Business dynamics and productivity growth in the Netherlands. CESifo Working Paper, 11071.

Hanson, G.H., D. Rodrik en R. Sandhu (2025) The U.S. place-based policy supply chain. NBER Working Paper, 33511.

Miller, D.P. (2019) The life and legend of James Watt: Collaboration, natural philosophy, and the improvement of the steam engine. Pittsburgh: University of Pittsburgh Press.

Mokyr, J. (1990) The lever of riches: Technological creativity and economic progress. Oxford, VK: Oxford University Press.

Mokyr, J. (2002) The gifts of Athena: Historical origins of the knowledge economy. Princeton, NJ: Princeton University Press.

Mokyr, J. (2009) The enlightened economy: An economic history of Britain 1700–1850. New Haven: Yale University Press.

Moretti, E. (2021) The effect of high-tech clusters on the productivity of top inventors. The American Economic Review, 111(10), 3328–3375.

Nobel Prize Committee (2025) Scientific background: Sustained economic growth through technological progress. Te vinden op www.nobelprize.com.

Solow, R. (1956) A contribution to the theory of economic growth. The Quarterly Journal of Economics, 70(10), 65–94.

Auteurs

Categorieën

Plaats een reactie