Ga direct naar de content

Niet beperking van stroomvraag is nodig, maar verplaatsing uit piekuren

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: januari 8 2026

Al jaren spoort de overheid huishoudens en bedrijven aan om elektriciteit te besparen. Maar is dat nog wel zo verstandig, nu de elektriciteitsopwekking steeds schoner wordt?

In het kort

  • Inzetten op generieke elektriciteitsbesparing was logisch toen vervuiling bij de productie onvoldoende belast werd.
  • Nu productie schoner is, frustreert generieke elektriciteits­besparing juist de energietransitie die vraagt om elektrificatie.
  • Beleid gericht op begrensde rationaliteit of op verplaatsing van elektriciteitsverbruik naar buiten de piekuren is wel nuttig.

Energiebesparing is al decennia een belangrijk beleidsdoel in het energiedomein. Energiebesparing is een van de rationales van de energiebelasting (Rijksoverheid, 1995), een van de vijf uitgangspunten van het Nationaal Plan Energiesysteem (Rijksoverheid, 2023), en een separaat Europees beleidsdoel met bijbehorende doelstellingen (Europese Commissie, 2012).

Dit beleidsdoel is ontstaan in een periode waarin het energiesysteem vrijwel geheel op fossiele energie draaide, maar past niet goed bij een energiesysteem dat steeds zwaarder op hernieuwbare elektriciteit dient te leunen.

In dit artikel beargumenteren we vanuit een welvaartseconomisch perspectief dat generiek besparingsbeleid voor elektriciteitsconsumptie plaats dient te maken voor doelgericht besparingsbeleid.

Welvaartseconomisch perspectief

In de welvaartstheorie leidt een besparing zonder verlies van nut tot welvaartswinst: er kan dan meer met de beschikbare middelen. Het marktmechanisme voorziet daarbij in een prikkel voor efficiëntie: bedrijven pogen goederen en diensten tegen zo laag mogelijke kosten te produceren, en dus met zo min mogelijk benutting van schaarse productiefactoren.

Zo bezien is separaat beleid ten behoeve van besparing, bij afwezigheid van marktfalen, niet nodig. In een goed werkende markt worden de hoeveelheid tafels, televisies of tennislessen bepaald door het nut dat consumenten eraan ontlenen, versus de kosten die nodig zijn om erin te voorzien. Besparingsbeleid is in dat geval zelfs welvaartsverlagend: het belemmert transacties die meer nut opleveren dan ze aan schaarse productiemiddelen vergen.

Bij energie zijn er vier vormen van potentieel marktfalen denkbaar waardoor het marktmechanisme niet goed werkt en energiebesparingsbeleid welvaartsverhogend kan zijn. We gaan steeds na of de legitimiteit voor energiebesparingsbeleid vanuit deze vormen van marktfalen overeind blijft als elektriciteit een dominantere rol inneemt in het energiesysteem en de productie daarvan hernieuwbaar wordt.

Onbeprijsde externe effecten

Lange tijd leunde de elektriciteitsproductie op fossiele brandstoffen, die voor negatieve externe effecten zorgen, zoals luchtvervuiling en CO2-uitstoot. Niet al deze externe effecten werden beprijsd, waardoor beleid gericht op energiebesparing verstandig was om de effecten langs die weg te beperken.

Inmiddels ziet de elektriciteitsproductie er heel anders uit: meer dan de helft van de in Nederland opgewekte stroom is nu hernieuwbaar (CBS, 2025) en in 2030 zal dat naar verwachting bijna driekwart zijn (PBL, 2024). Daardoor treedt het belangrijkste negatieve externe effect – de CO2-uitstoot – in slechts beperkte mate op. En waar dit effect nog wel optreedt, wordt het door het Europese emissiehandelssysteem op een efficiënte manier beprijsd.

Groeiend elektriciteitsverbruik leidt de komende jaren in veel gevallen juist tot emissiereductie, zowel door fossiele energiebronnen te vervangen als – heel direct – bij koolstofverwijdering.

De andere externe effecten van hernieuwbare elektriciteitsproductie zijn een stuk beperkter en worden óf meegenomen in de prijs, óf aangepakt via normering. De kosten van grond, arbeid en materialen zijn allemaal onderdeel van de productiekosten en dus ingeprijsd. Geluidsoverlast en horizonvervuiling pakt de Nederlandse overheid aan via normen en dat is geschikter dan generiek besparingsbeleid omdat normen direct sturen op het externe effect.

Geopolitieke onafhankelijkheid

Energiebesparing kan ervoor zorgen dat we minder afhankelijk zijn van niet-bevriende landen. Tijdens de energiecrisis in 2021 en 2022 werd afhankelijkheid van import van energie pijnlijk duidelijk. Bij hernieuwbare energie spelen deze geopolitieke afhankelijkheden een veel kleinere rol. Hoewel we nog steeds afhankelijk kunnen zijn van andere landen voor bijvoorbeeld zonnepanelen en windturbines en de daarvoor benodigde grondstoffen, is de geopolitieke impact van een leveringsstop van kapitaalgoederen veel minder acuut dan van een leveringsstop van fossiele energiedragers als aardgas, olie en kolen. Reeds geïnstalleerde wind- en zonneparken worden veel minder geraakt door importbeperkingen. Sterker nog: elektriciteit is juist een bouwsteen van geopolitieke onafhankelijkheid, aangezien bij elektrificatie in eigen land opgewekte stroom vaak geïmporteerde fossiele brandstoffen vervangt.

Kosten piekbelasting

Door de energietransitie lopen de kosten van aanleg en onderhoud van het elektriciteitsnetwerk sterk op (Rijksoverheid, 2025), maar generiek besparingsbeleid leidt niet per se tot minder kosten. De relatie tussen verbruik en de noodzaak voor infrastructurele investeringen is namelijk complex en indirect: verbruik op momenten buiten de piek leidt niet tot grotere investeringen. Bovendien worden de kosten voor infrastructurele investeringen conform het kostenveroorzakingsbeginsel neergelegd bij gebruikers, al is hier nog veel ruimte voor betere toepassing van dit beginsel (Rijksoverheid, 2025) – de netbeheerders werken momenteel aan de vormgeving hiervan (ACM, 2024). Gerichtere instrumenten zoals tijdsgedifferentieerde tarieven kunnen het marktmechanisme helpen om vraag en aanbod beter bij elkaar te brengen; generiek energiebesparingsbeleid kan dat niet.

Begrensde rationaliteit

Verbruik van energie is niet altijd een rationele afweging van kosten en baten. Het bekendste voorbeeld hiervan is het vermogen van stofzuigers: omdat veel consumenten zich blindstaarden op het vermogen van het product, hebben producenten een prikkel om onnodig inefficiënte stofzuigers te produceren. Dat kan reden zijn voor overheidsingrijpen: de Europese Ecodesign-­regulering die efficiëntie van producten voor consumenten normeert, is een goed voorbeeld van proportioneel en geëigend energiebesparend ingrijpen zonder welvaartsverlies voor consumenten.

Ook verspillen huishoudens en bedrijven soms energie doordat ze onvoldoende investeren in energiebesparende maatregelen die zorgen voor een lagere energierekening. In deze gevallen kan gericht beleid dat irrationeel of inefficiënt energieverbruik voorkomt welvaartsverhogend zijn. Een goed voorbeeld is de energiebesparingsplicht voor bedrijven en maatschappelijke instellingen, die maatregelen met een terugverdientijd van minder dan vijf jaar verplicht.

Deze gevallen van begrensde rationaliteit zijn echter onvoldoende onderbouwing voor generiek beleid gericht om stroom te besparen. Het kan bijvoorbeeld zeer legitiem zijn om meer elektriciteit te verbruiken om huizen te verwarmen of te koelen ten behoeve van een groter wooncomfort.

Risico’s voor de energietransitie

Behalve dat een beleid voor generieke elektriciteits­besparing vanuit welvaartseconomisch perspectief dus niet de juiste beleidsinterventie is, kan het ook op twee manieren de energietransitie frustreren.

Voldoende vraag nodig

Beleid voor generieke elektriciteitsbesparing staat op gespannen voet met het belangrijkste onderdeel van de energietransitie: elektrificatie. In het toekomstige energiesysteem vormt elektriciteit de ruggengraat, aldus het Nationaal Plan Energiesysteem. In 2050 moet de industrie grotendeels geëlektrificeerd zijn, net als de mobiliteit en de gebouwde omgeving, resulterend in een verviervoudiging van de elektriciteitsvraag naar ruim 2.000 petajoule per jaar (Rijksoverheid, 2023).

Om dat doel te bereiken moeten de verschillende schakels in het energiesysteem gelijktijdig dezelfde kant op bewegen: opschaling van hernieuwbare energiebronnen, uitrol van elektriciteitsinfrastructuur én snelle vraagontwikkeling. Als de vraagontwikkeling stokt, ontstaat het risico op onderbenutting van dure infrastructuur en verslechterende businesscases voor hernieuwbare productie – en zo kan de energietransitie stranden. Een concreet voorbeeld hiervan is het uitstel  van de vergunning voor windparken door de tegenvallende elektriciteitsvraag (Tweede Kamer, 2025).

Om transitiefalen te voorkomen doet het narratief ertoe. Om de schakels allemaal gelijktijdig dezelfde kant op te bewegen, is er een duidelijk signaal nodig dat de Nederlandse economie moet elektrificeren. Op korte termijn hoort daar eerder stimulering van elektriciteitsgebruik bij dan ontmoediging.

Overvloedig aanbod benutten

Een tweede reden waardoor generiek besparingsbeleid bij elektriciteit schadelijk kan zijn, is de variabiliteit van productiekosten. Omdat de marginale kosten van wind- en zonne-energie vrijwel nihil zijn, zijn de groothandelsprijzen voor elektriciteit steeds vaker vrijwel 0 (of zelfs negatief). In 2024 was de elektriciteitsprijs negen procent van de uren nihil of negatief, tegenover twee procent in 2022 (ANWB, 2025). Het resultaat is dat windmolens en zonnepanelen afgeschakeld worden, zodat nu al ongeveer tien procent van de capaciteit onbenut blijft (Visser, 2025). Een goed dat steeds vaker zo overvloedig is dat het (vrijwel) gratis is, leent zich niet voor generieke besparingsdoelen. Voor een efficiënt energiesysteem is het juist van belang om zo goed mogelijk gebruik te maken van deze overvloedige schone energie, en prikkels daarmee in lijn te brengen.

Transitieproof besparingsbeleid

Energiebesparing in brede zin was lange tijd een legitiem beleidsdoel, met name vanwege de fossiele aard van de energievoorziening. Productie ging gepaard met CO2-uitstoot, luchtvervuiling en sterke strategische afhankelijkheden. Deze maatschappelijke kosten waren grotendeels niet beprijsd, waardoor er overproductie en -consumptie optrad.

De welvaartseconomische rationale voor generiek beleid voor elektriciteitsbesparing – waarvan het belangrijkste voorbeeld de energiebelasting op elektriciteit – is in de energietransitie echter zwak. Elektriciteitsbesparingsbeleid is geenszins no regret, ondanks dat dit wel vaak wordt betoogd. Zulk beleid ontmoedigt óók consumptie waar marktfalen niet speelt, en heeft wél de nadelen van transitiefalen, marktverstoring en het onbenut laten van energieoverschotten. Zeker wanneer de (relatieve) prijzen van elektriciteit beïnvloed worden door het beleid, verstoort het investeringsbeslissingen in elektrificatie, en zet het een kunstmatige rem op de noodzakelijke elektriciteitsvraag.

Wel is er ruimte voor gericht besparingsbeleid. Begrensde rationaliteit kan een legitieme aanleiding zijn voor bijvoorbeeld de Ecodesign-regulering en de energiebesparingsplicht. Dit beleid kan zich richten op elektriciteitsgebruik dat tegen relatief lage kosten kan worden beperkt.

Bovenal zou de transitie gebaat zijn bij een focus op consumptieverplaatsing naar momenten dat er veel hernieuwbare elektriciteit beschikbaar is, zodat vraag en aanbod gedurende de dag beter op elkaar aansluiten. Dit leidt tot minder CO2-uitstoot, aangezien het aanbod doorgaans het hoogst is als de zon schijnt of de wind waait. Daarnaast zorgt het ervoor dat we minder (van import afhankelijke) fossiel opgewekte elektriciteit gebruiken, en meer lokale hernieuwbare elektriciteit. En een verlaging van het gebruik in de piekuren belast het het elektriciteitsnetwerk minder. Op deze manier kunnen uitstoot en dure investeringen in het elektriciteitsnet voorkomen worden, hetgeen daadwerkelijk bijdraagt aan lagere maatschappelijke kosten zonder nut in te leveren.

Getty Images

Literatuur

ACM (2024) ACM steunt het uitgangspunt om netkosten eerlijker te verdelen over kleinverbruikers. ACM Publicatie, 21 oktober.

ANWB (2025) Hoe vaak komen hoge en lage stroomtarieven voor? ANWB Bericht.

CBS (2025) Helft elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen. CBS Statistiek, 10 maart.

Europese Commissie (2012) Directive 2012/27/EU of the European Parliament and of the Council of 25 October 2012 on energy efficiency, amending Directives 2009/125/EC and 2010/30/EU and repealing Directives 2004/8/EC and 2006/32/EC. Te vinden op eur-lex.europa.eu.

PBL (2024) Klimaat- en Energieverkenning 2024. PBL Rapport, 5490.

Rijksoverheid (1995) Wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met de invoering van een regulerende energiebelasting. Rijksoverheid, kst-24250-3. Te vinden op officielebekendmakingen.nl.

Rijksoverheid (2023) Nationaal Plan Energiesysteem. Rijksoverheid, Rapport.

Rijksoverheid (2025) Schakelen naar de toekomst: IBO Bekostiging Elektriciteitsinfrastructuur. Rapport, 7 maart.

Tweede Kamer (2025) Ontwikkelingen tenders windenergie op zee IJmuiden Ver Gamma en Nederwiek I-A. Kamerbrief Ministerie van Klimaat en Groene Groei, DGKE-DRE / 97628620.

Visser, B.M. (2025) Grafiek op x.com/BM_Visser/status/1954430009856426366.

Auteurs

Plaats een reactie