Vaak wordt gedacht dat een hoger opleidingsniveau automatisch gepaard gaat met een betere arbeidsmarktpositie. Maar de verschillen tussen onderwijsrichtingen zijn soms groter dan die tussen niveaus.
In de appendix bij dit artikel is een overzicht te vinden van de salarissen van alle opleidingsrichtingen tien jaar na afstuderen
In het kort
- Lonen vertonen een duidelijke hiërarchie naar onderwijsniveau, maar de verschillen tussen opleidingsrichtingen zijn ook groot.
- Een mbo-bbl-diploma kan op de arbeidsmarkt meer opleveren dan een hbo- of zelfs wo-diploma in een andere richting.
- Mbo-bbl biedt op de korte en lange termijn vaker een vast contract, en een hoger startloon dan mbo-bol.
De krapte op de arbeidsmarkt is hardnekkig, met name in sectoren als zorg, techniek en onderwijs (Bakens et al., 2025). Tegelijkertijd woedt er een debat over de waardering van verschillende onderwijsniveaus. Terwijl in het verleden sterk werd ingezet op ‘opwaartse scholing’, klinkt de laatste jaren juist nadrukkelijk de oproep tot herwaardering van het mbo. Zo is in het coalitieakkoord van D66, VVD en CDA opgenomen dat mbo-studenten dezelfde toegang krijgen als andere studenten tot voorzieningen zoals huisvesting, sport en cultuur (Coalitieakkoord, 2026).
Ondanks de beleidsmatige herwaardering van het mbo, leeft in publieke percepties en studiekeuzes vaak het idee dat ‘hoger’ onderwijs leidt tot betere arbeidsmarktkansen. Het niveau zegt echter niet alles, want arbeidsmarktuitkomsten verschillen ook sterk tussen opleidingsrichtingen (Bol en Heisig, 2021). Niet voor niets noemt het coalitieakkoord dat er betere voorlichting moet komen over baankansen van opleidingen (Coalitieakkoord, 2026).
Tot op heden ontbrak echter een integrale vergelijking van de arbeidsmarktkansen op de korte en lange termijn van alle opleidingsrichtingen in Nederland, over mbo, hbo en wo heen.
In dit artikel vergelijken wij daarom alle opleidingsrichtingen in Nederland op drie uitkomsten: maandloon, het hebben van een vast contract en het hebben van een baan van ten minste drie dagen per week. Dit bekijken we zowel vijftien maanden als tien jaar na afstuderen. In het mbo maken we onderscheid tussen drie niveaus (2, 3 en 4) en twee leerwegen: de beroepsopleidende leerweg (bol) is meer onderwijsgericht, waarbij lessen op school worden aangevuld met stages bij een leerbedrijf, en de beroepsbegeleidende leerweg (bbl), waarbij de studenten in dienst gaan bij het leerbedrijf met aanvullend lessen op school.
Data en methoden
We maken gebruik van het integrale Studie & Werk-bestand van SEO Economisch Onderzoek waarin onderwijsgegevens zijn gekoppeld aan administratieve arbeidsmarktgegevens via de microdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek (kader 1). Hierdoor kunnen we de arbeidsmarktintrede van cohorten gediplomeerden van mbo-, hbo-bachelor- en wo-masteropleidingen zowel vijftien maanden als tien jaar na afstuderen volgen. Gediplomeerden die doorstuderen en degenen die naar het buitenland vertrekken laten we buiten beschouwing (Van der Ven en Prins, 2026).
Kader 1: Studie & Werk
Het Studie & Werk-bestand is een onderzoeksbestand van SEO Economisch Onderzoek waarin onderwijsgegevens zijn gekoppeld aan administratieve arbeidsmarktgegevens via CBS Microdata. Hierdoor kunnen alle gediplomeerden van mbo-, hbo- en wo-opleidingen sinds 2006 over langere tijd op de arbeidsmarkt worden gevolgd.
Het Studie & Werk-bestand maakt het mogelijk om verschillen in arbeidsmarktuitkomsten tussen studenten, opleidingen en opleidingsrichtingen systematisch te analyseren, zowel op korte als op langere termijn. Het wordt onder meer ingezet voor analyses van de arbeidsmarktpositie van afgestudeerden, de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, studiekeuzegedrag en macrodoelmatigheid van het onderwijs.
Het bestand wordt regelmatig ingezet in beleidsonderzoek en evaluaties op het terrein van onderwijs en arbeidsmarkt. Voor nadere informatie of mogelijke toepassingen kan contact worden opgenomen met de auteurs.
De basis van de analyses is een categorisering van individuele opleidingen (op CROHO- of CREBO-niveau, de officiële registraties van respectievelijk hbo/wo- en mbo-opleidingen) in opleidingsclusters. Zo vallen de wo-masteropleidingen Economics, Business Economics en Economics and Business allemaal binnen het cluster Economie. Er zijn in totaal 75 wo-clusters, 72 hbo-clusters en tussen de 16 en 35 clusters in het mbo, afhankelijk van de combinatie van leerweg (bol/bbl) en niveau (2/3/4). Deze clusters hebben we in de analyses geaggregeerd naar de ISCED-indeling, met onder andere 7 clusters voor Wiskunde en Natuurkunde en 26 voor Economie, Administratie, en Recht.
Om opleidingsrichtingen onderling vergelijkbaar te maken, schatten we regressiemodellen waarin voor iedere combinatie van opleidingsrichting en onderwijsniveau marginale effecten worden berekend. Bij de binaire uitkomstmaten ‘heeft baan van drie dagen’ en ‘heeft vast contract indien werkend’ passen we een logit-model toe, bij de continue uitkomstmaat van het maandloon passen we een log-lineair regressiemodel toe. Om de resultaten terug te rekenen naar eurobedragen is gebruikgemaakt van de zogenoemde smearing estimator van Duan (1983), die corrigeert voor de vertekening die ontstaat bij het exponentiëren van log-lineaire regressies. In de regressiemodellen controleren we voor geslacht, leeftijd, migratieachtergrond, opleidingsniveau van de ouders, vooropleiding, werkervaring tijdens de studie en het afstudeerjaar. Door naar de marginale effecten per opleidingsrichting te kijken, weerspiegelen de gepresenteerde verschillen de systematische verschillen tussen opleidingsrichtingen, geschoond van de verstorende invloeden van de controlevariabelen. De afstudeercohorten 2021/2022 en 2022/2023 bestuderen we vijftien maanden na afstuderen en de afstudeercohorten 2012/2013 en 2013/2014 bekijken we na tien jaar.
Het resultaat is een landelijke ‘ranking’ van opleidingsrichtingen naar arbeidsmarktuitkomsten, zowel op korte als op langere termijn. In dit artikel lichten we de belangrijkste patronen uit. De ranking van maandlonen tien jaar na afstuderen van alle opleidingen is te vinden in de appendix bij de online-versie van dit artikel op esb.nu.
Grote verschillen in maandloon
Het maandloon uit loondienst vormt de meest uitgesproken scheidslijn tussen opleidingsrichtingen. Eén jaar na afstuderen verdienen wo-afgestudeerden gemiddeld het meest, gevolgd door hbo, terwijl mbo-bol gemiddeld lager uitkomt (figuur 1). Opvallend is echter dat mbo-bbl-opleidingen qua loon vaak dichter bij hbo-opleidingen liggen dan bij mbo-bol, afgaande op de medianen.

Binnen elk onderwijsniveau is de spreiding aanzienlijk (figuur 1). Sommige mbo-richtingen kennen hogere lonen dan bepaalde hbo- en wo-richtingen. De verschillen binnen niveaus zijn daarmee substantieel en onderstrepen dat het onderwijsniveau op zichzelf geen volledige verklaring biedt voor inkomensverschillen.
Binnen brede opleidingsdomeinen zoals economie, administratie en recht is sprake van een duidelijke gelaagdheid: mbo-opleidingen onderaan de loonverdeling, hbo in het midden en wo bovenaan. In domeinen als techniek, industrie en bouw en zorg en welzijn is de overlap tussen onderwijsniveaus daarentegen aanzienlijk groter. Opvallend is dat bbl-opleidingen ook binnen deze brede opleidingsdomeinen vergelijkbaar scoren met hbo-opleidingen. In de richting techniek, industrie en bouw is het maandloon doorgaans hoger bij bbl-opleidingen dan bij hbo. Dit onderstreept dat het onderwijsniveau samenhangt met arbeidsmarktuitkomsten, maar dat het de verschillen tussen opleidingsrichtingen slechts gedeeltelijk verklaart.
Tien jaar na afstuderen nemen de loonverschillen tussen onderwijsniveaus verder toe (figuur 2). Met name wo-opleidingen laten een sterke loongroei zien. Daarmee lopen ze duidelijk uit op de andere niveaus. Het hbo bevindt zich tussen het mbo en wo. De loonverschillen tussen bol en bbl worden op langere termijn kleiner, wat wijst op een inhaaleffect voor bol-gediplomeerden. Een verklaring kan zijn dat de werkervaring die bbl-studenten tijdens hun opleiding opdoen direct van grote waarde is voor bedrijven. Bol-studenten hebben na de opleiding (doorgaans) minder praktijkervaring, wat zij in de eerste jaren van hun carrière inhalen. Op termijn doet het salaris van bol niet onder voor bbl, maar er is wel een risico dat zij een achterstand houden in termen van opgebouwd vermogen.

De verschillen tussen onderwijsniveaus worden goed duidelijk in sectoren als economie, administratie en recht, waar de wo-afgestudeerden na tien jaar hoge salarissen ontvangen, mbo-opleidingen relatief lage en hbo-clusters ertussenin vallen (figuur 2).
De sterke positie van wo-clusters in deze richting valt ook op: het verschil in loon tussen de opleidingsniveaus is veel duidelijker voor economie, administratie en recht, dan voor techniek, industrie en bouw, of wiskunde en natuurkunde. Ook in het hbo zien we dat bijvoorbeeld zorgclusters achterblijven op clusters van opleidingen in de richting van economie, administratie en recht. De verschillen bij mbo-clusters zijn kleiner: hier steken maar enkele technische opleidingen juist boven de rest uit.
Een lager startloon zegt echter niet alles: wanneer we het verband analyseren tussen het maandloon na vijftien maanden en de latere loonontwikkeling per opleidingsniveau, zien we dat hbo- en bol-opleidingen met relatief lage startsalarissen later de grootste groei in maandloon zien.
Eenzelfde analyse per opleidingsrichting toont hetzelfde beeld voor kunst, taal en geschiedenis: opleidingen met een laag startsalaris laten de grootste loonstijging zien. Voor economie, administratie en recht zien we ook een sterke loonontwikkeling, hoewel het startsalaris al hoog is.
Vaste contracten: sterke start voor bbl
Als we kijken naar vaste contracten valt het op dat bbl-gediplomeerden één jaar na afstuderen relatief vaak een vaste aanstelling hebben (figuur 3). In dat opzicht is hun arbeidsmarktpositie vergelijkbaar met, en soms gunstiger dan, die van hbo- en wo-afgestudeerden. Bol-gediplomeerden zitten aan de onderkant van de verdeling.

Er bestaat verder aanzienlijke spreiding binnen opleidingsrichtingen. Na een opleiding in de richting techniek, industrie en bouw is de kans op een vast contract in het minst gunstige geval zo’n dertig procent, terwijl in andere opleidingen in dezelfde richting tachtig procent of meer van de afgestudeerden een vast contract heeft. Deze spreiding wordt niet ingegeven door het opleidingsniveau: er zijn wo- en hbo-opleidingen met een kans op een vast contract van rond de dertig procent en bol- en vooral bbl-opleidingen met een kans groter dan zestig procent.
Na tien jaar ligt het aandeel vaste contracten onder werkenden in loondienst bij de meeste opleidingen doorgaans boven de tachtig procent, en de verschillen tussen onderwijsniveaus zijn dan aanzienlijk kleiner (figuur 4). Wel blijft het aandeel vaste contracten onder bol-gediplomeerden gemiddeld lager dan bij bbl, hbo en wo. Het inhaaleffect van bol op bbl is hier minder sterk aanwezig dan bij het salaris.

In enkele richtingen, met name in kunst, taal en geschiedenis, en dienstverlening, is het aandeel vaste contracten zowel op korte als op langere termijn relatief laag. De verschillen met andere opleidingen nemen in de tijd wel af, maar verdwijnen niet volledig.
Beperkte verschillen in omvang van werk
De verschillen tussen opleidingen, als het gaat om het hebben van een baan in loondienst van ten minste drie dagen per week, zijn relatief klein, zowel één als tien jaar na afstuderen. Waar verschillen optreden, hangen deze deels samen met het aandeel zelfstandigen binnen opleidingsrichtingen, dat in de loop der tijd toeneemt. Daardoor ligt de kans op een baan in loondienst van minstens drie dagen per week na tien jaar bij veel opleidingen lager dan na vijftien maanden. Opleidingsniveau is voor deze uitkomstmaat minder onderscheidend dan voor loon en vaste contracten.
Conclusie
Opleidingsrichting is minstens zo bepalend voor arbeidsmarktsucces als het onderwijsniveau. Bij het maandloon is over het algemeen sprake van een hiërarchie naar onderwijsniveau: wo boven hbo, hbo boven mbo-bol, en deze verschillen nemen op langere termijn verder toe. Opvallend is dat mbo-bbl ongeveer rond het hbo zit, en bij technische beroepen zelfs wat hoger.
Tegelijkertijd is ook binnen niveaus een duidelijke rangorde tussen opleidingsrichtingen zichtbaar. Zo verdienen afgestudeerden in economie en recht structureel meer dan afgestudeerden in zorg (hbo) of techniek (wo). In die zin weerspiegelen de maatschappelijke opgaven zoals vergrijzing, digitalisering en energietransitie zich maar beperkt in de relatieve beloning tussen opleidingsrichtingen.
Binnen het mbo valt vooral de dynamiek tussen bol en bbl op. Kort na afstuderen verdienen bbl-gediplomeerden meer dan bol-gediplomeerden, en hun loon ligt in veel gevallen op het niveau van hbo- en soms zelfs op dat van wo-afgestudeerden. Na tien jaar is er echter sprake van een duidelijke inhaalslag van bol ten opzichte van bbl. In euro’s gemeten convergeert de waarde van beide diploma’s daarmee op langere termijn, ondanks de verschillen bij arbeidsmarktintrede.
Voor vaste contracten is het onderwijsniveau minder onderscheidend dan bij het loon. De verschillen tussen niveaus en richtingen nemen in de tijd bovendien sterk af. De opvallende uitzondering zijn bbl-gediplomeerden: zowel op korte als op langere termijn hebben bbl-gediplomeerden relatief vaak een vaste aanstelling. Werkplekleren blijkt daarmee een bijzonder sterke opleidingsvorm in termen van arbeidsmarktzekerheid.

Literatuur
Bakens, J., S. Dijksman, D. Fouarge et al. (2025) De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2030. ROA Rapport, 008.
Bol, T. en J.P. Heisig (2021) Explaining wage differentials by field of study among higher education graduates: Evidence from a large-scale survey of adult skills. Social Science Research, 99, 102594.
Coalitieakkoord (2026) Aan de slag: Bouwen aan een beter Nederland. Coalitieakkoord 2026–2030. Te vinden op www.kabinetsformatie2025.nl.
Duan, N. (1983) Smearing estimate: A nonparametric retransformation method. Journal of the American Statistical Association, 78(383), 605–610.
Ven, K. van der, en H. Prins (2026) Nederland verliest ook eigen afgestudeerden. Statistiek te vinden op esb.nu, 16 januari.
Auteurs
Categorieën