Ga direct naar de content

Nederlanders onderschatten hun levensverwachting

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: januari 5 2026

De inschatting van de eigen levensverwachting is een relevante factor bij tal van financiële kwesties. Van de opbouw van pensioenvermogen, het moment van pensioneren tot de inrichting van de pensioenperiode waarbij kosten voor zorg en wonen aan de orde zijn. Maar schatten mensen hun levensduur wel goed in? En welke gevolgen heeft een verkeerde inschatting?

In het kort

  • Steeds meer mensen moeten eigen keuzes maken over hun pensioenopbouw.
  • Veel mensen onderschatten de kans om 90 jaar te worden; die onderschatting is het grootst bij hoogopgeleide vrouwen.
  • Het verkeerd inschatten van de eigen levensverwachting kan zorgen voor verkeerde pensioenkeuzes.

Het inschatten van onze eigen levensverwachting wordt steeds belangrijker nu in het nieuwe pensioenlandschap meer risico’s over de totale opbouw worden verschoven naar individuele deelnemers. Dit kunnen zzp’ers zijn, maar ook werknemers: het tweedepijlerpensioen is niet altijd even genereus (AFM, 2023) en de deelname aan een tweedepijlerpensioen onder werknemers in de financiële sector en de ICT is bijvoorbeeld veel lager dan in andere sectoren (Biesenbeek et al., 2022). Daar komt bij dat pensioenuitvoerders tegenwoordig meer keuzevrijheid kunnen bieden dan vroeger: men kan het moment waarop het pensioen ingaat variëren, de mogelijkheid om een bedrag ineens op te nemen overwegen, of kiezen voor een hoog-laag-constructie. Bij al dit soort keuzes liggen gevaren op de loer en is kennis van pensioen relevant. Helaas is de financiële geletterdheid vaak beperkt, vooral onder vrouwen (Bucher-Koenen et al., 2017) en wordt pensioeninformatie zelfs ontweken; een op de vijf deelnemers gaat naar eigen zeggen pensioeninformatie het liefst uit de weg (Van Dalen en Henkens, 2025).

Iemand die verwacht niet lang van het pensioen te kunnen genieten, zal eerder geneigd zijn het pensioen eerder of ruimer te besteden. De consequenties van het verkeerd inschatten van de eigen levensverwachting kunnen groot zijn. Bissonnette et al. (2016) laten voor de Verenigde Staten zien dat het misrekenen van langlevenrisico voor individuen kan leiden tot een sterk lagere welvaart.

Het is daarom van belang om te weten hoe accuraat subjectieve levensverwachtingen zijn en hoe ze zich verhouden tot de levensverwachting volgens demografische experts. Om dit te weten te komen, hebben we een survey uitgevoerd onder een representatieve dwarsdoorsnede van Nederland en vergelijken we deze inschattingen in dit artikel met de leeftijd- en opleiding-specifieke CBS-prognoses die op dat moment golden.

Kans om 90 jaar te worden

Uitgaande van de huidige (periode)sterftecijfers van het CBS bereikt grofweg één op de drie vrouwen en één op de vier mannen die nu jonger zijn dan 60 de leeftijd van 90 jaar of ouder (figuur 1). De kans om 90 jaar te worden ligt aanmerkelijk hoger naarmate men ouder is. Het gaat hier om de huidige sterftecijfers (periodecijfers) van het CBS, welke zijn gebaseerd op de sterfte die nu wordt waargenomen, en de veronderstelling dat de sterftekansen in de toekomst gelijk blijven.

Dit is echter een conservatieve schatting voor de toekomstige tijd. Algemeen wordt verwacht dat de sterftecijfers verder zullen dalen, door bijvoorbeeld medische vooruitgang en de verbetering van leef- en werkomstandigheden (Vaupel et al., 2021). Om hiermee rekening te houden, maakt het CBS ook prognosecijfers van de levensverwachting, gebaseerd op de inzichten van Janssen et al. (2013). In dit prognosemodel wordt ervan uitgegaan dat op lange termijn de stabiele, dalende trend in de sterftekansen in West-Europa (en dus ook in Nederland) doorzet.

Op grond van de CBS-bevolkingsprognose is de kans van jonge mensen om 90 jaar of ouder te worden daardoor aanzienlijk hoger dan op basis van de (periode)sterftecijfers van 2024 (figuur 1). Zo heeft een vrouw die in 2025 18 jaar is een veel grotere kans (73 procent) om 90 jaar te worden dan een vrouw die nu 60 is (51 procent) (figuur 1). Dit soort prognoses zijn echter omgeven door onzekerheid en de verdere stijging van de kans om de 90 jaar te worden kan ook lager uitkomen dan hier getoond (Dowd et al., 2025).

Individuele percepties van een lang leven

Om inzicht te krijgen in hoe oud mensen zelf denken te worden hebben wij in juni 2024 deelnemers van het LISS-panel (N = 2.377) gevraagd: “Hoe groot acht u de kans dat u 90 jaar of ouder wordt?” Die vraag kon men beantwoorden door een waarschijnlijkheidspercentage (in intervallen van tien procent) te kiezen.

Voor iedere respondent hebben we ook de levensverwachting geschat op basis van geslacht, leeftijd en opleiding. Op die manier kan worden vastgesteld in hoeverre de percepties van de levensverwachting zich verhouden tot wat de prognosemakers van het CBS verwachten op basis van dezelfde determinanten. Aangezien het CBS geen prognoses geeft op basis van opleiding, gaan we uit van de CBS-schattingen die wel rekening houden met veranderingen in de levensduur naar leeftijd en geslacht, maar veronderstellen we dat het huidige opleidingseffect op de levensverwachting in de toekomst gelijk blijft. Daarbij leunen we dus op de perdiodecijfers.

De prognose van de kans om 90 jaar oud te worden toont duidelijke verschillen naar opleidingsklassen en naar leeftijdsgroepen. Hierbij hebben jongeren en hogeropgeleiden een veel hogere kans om 90 jaar of ouder te worden (de prognose in figuur 2).

Die daadwerkelijke verschillen in levenskans zien we niet terug in de subjectieve levensverwachting (de perceptie in figuur 2). Over de gehele linie is er sprake van een onderschatting van de kans om 90 jaar of ouder te worden. Hoewel hier uitsluitend een onderschatting te zien is, moet men wel in het achterhoofd houden dat het hier om gemiddelden gaat.

Er zijn grote verschillen tussen groepen zichtbaar in de mate waarin ze hun levensverwachting onderschatten (figuur 3). Vooral hogeropgeleide onderschatten hun levensverwachting; hogeropgeleide vrouwen tot 60 jaar onderschatten de kans om 90 jaar te worden met bijna 35 procentpunt (het verschil tussen prognose en perceptie). Omdat veel pensioenbeslissingen pas worden overwogen of genomen in de aanloop naar de pensioendatum, is de middelste leeftijdsgroep (45–66) een belangrijke groep. Ook in deze leeftijdsgroep valt op dat vooral hoog­opgeleiden minder accurate verwachtingen om 90 jaar of ouder te worden hebben dan middelbaaropgeleiden.

Ook prognosemakers zijn in het verleden vaak in de valkuil van onderschatting van de levensverwachting gevallen. Zo hebben het CBS en vergelijkbare buitenlandse statistische bureaus hun prognoses in het verleden bijna stelselmatig naar boven toe moeten bijstellen (SDO, 2024, p. 72–75). Als deze onderschatting van demografische experts een constante blijkt te zijn dan zal de subjectieve inschatting van de levensverwachting nog verder naast de uiteindelijke levensverwachting liggen.

Conclusies

De perceptie van de eigen levensverwachting is een relevante factor bij tal van pensioenbeslissingen, maar ook breder bij het nadenken over zaken als de kosten voor zorg en wonen. Onderschatting van een lang leven blijkt eerder regel dan uitzondering. Dat is veelzeggend, omdat grote delen van de bevolking zich klaarblijkelijk niet erg bewust zijn van een verdere stijging van de levensverwachting en de kracht van (medische) vooruitgang. Die onderschatting hoeft niet noodzakelijk een zorg te zijn: binnen het huidige Nederlandse pensioenstelsel zijn mensen immers automatisch beschermd tegen het langlevenrisico.

Voor sommige groepen kan dit echter wél gevolgen hebben. Dat geldt met name voor zzp’ers die vaak onvoldoende pensioen opbouwen. Velen van hen denken eerder aan langer doorwerken dan aan extra pensioensparen om hun AOW aan te vullen (Van Dalen et al., 2022). Maar ook werknemers die wel pensioen in de tweede pijler opbouwen, kunnen risico lopen wanneer de pensioenopbouw veel minder is dan men zich had voorgesteld. De AFM (2023) schatte dat de ruime meerderheid van een miljoen deelnemers met een premieregeling een beperkt pensioen opbouwt.

Daarnaast zullen vele jongvolwassenen de invloed van het nieuwe pensioenstelsel gaan merken, waarin meer verantwoordelijkheid bij het individu komt te liggen. Kennis over pensioen, en dus ook over de eigen levensverwachting, wordt voor hen steeds belangrijker. Ook vormen vrouwen, die in onze analyse hun levensverwachting sterk onderschatten, een risicogroep. De beperkte betrokkenheid bij het pensioen en het vaker overlaten van financiële beslissingen aan de partner vergroten dit risico (Bucher-Koenen et al., 2017). Dit is met name zorgwekkend omdat vrouwen veelal langer leven dan mannen, en in relaties vaak het langst overblijven.

Getty Images

Literatuur

AFM (2023) Verkenning grijze vlek binnen DC-regelingen. AFM Rapport.

Biesenbeek, C., K. de Boer, C. van Ewijk et al. (2022) Werkenden met tekortschietend pensioen. Netspar Occasional Paper, 05/2022.

Bissonnette, L., M.D. Hurd en P.-C. Michaud (2017) Individual survival curves comparing subjective and observed mortality risks. Health Economics, 26(12), e285–e303.

Bucher-Koenen, T., A. Lusardi, R. Alessie en M. van Rooij (2017) How financially literate are women? An overview and new insights. The Journal of Consumer Affairs, 51(2), 255–283.

Dalen, H.P. van, en K. Henkens (2025) Vermijding van pensioeninformatie is een reëel verschijnsel met reële consequenties. Tijdschrift voor Pensioenvraagstukken, 21(3), 5–10.

Dalen, H. van, M. Damman en K. Henkens (2022) De verweesde zzp’er in pensioenland. Artikel op www.mejudice.nl, 31 mei.

Dowd, J.B., A. Polizzi en A.M. Tilstra (2025) Progress stalled? The uncertain future of mortality in high-income countries. Population and Development Review, 51(1), 257–293.

Janssen, F., L.J.G. van Wissen en A.E. Kunst (2013) Including the smoking epidemic in internationally coherent mortality projections. Demography, 50(4), 1341–1362.

SDO (2024) Gematigde groei: Rapport van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050. Te vinden op www.rijksoverheid.nl.

Stoeldraijer L., C. van Duin, P. Feijten et al. (2024) Kernprognose 2024–2070: een miljoen inwoners erbij in 2037. CBS Statistische Trends, 17 december.

Vaupel, J.W., F. Villavicencio en M.-P. Bergeron-Boucher (2021) Demographic perspectives on the rise of longevity. Proceedings of the National Academy of Sciences, 118(9), e2019536118.

Auteurs

  • Harry van Dalen

    Hoogleraar aan Tilburg University en onderzoeker bij NIDI-KNAW

  • Kène Henkens

    Onderzoeker en themaleider bij NIDI-KNAW, hoogleraar UCMG, Rijksuniversiteit Groningen

Plaats een reactie