Internationale handelsrelaties staan onder druk. Zet dit grote Nederlandse bedrijven aan om zich terug te trekken op hun Nederlandse of Europese kernmarkten?
In het kort
- Het aandeel omzet buiten Nederland en buiten Europa is de laatste twintig jaar vrijwel constant gebleven.
- Nederlandse bedrijven hebben wel het aandeel buitenlandse activa afgebouwd.
- Mogelijk draagt de beperking van (Nederlandse) productieactiviteiten in het buitenland bij aan de huidige handelsconflicten.
Volgens sommige journalisten, wetenschappers en politici heeft de globalisering haar langste tijd gehad. Vaak wordt verwezen naar de toegenomen handelsspanningen, Brexit, verzet tegen ‘globalisme’, de oorlogen in Oekraïne en het Midden-Oosten, de gevolgen van de pandemie, of de invloed van nieuwe industrielanden zoals China die een andere wereldorde zouden nastreven (Cui et al., 2023).
Nederlandse ondernemingen zijn niet immuun voor deze internationale spanningen en handelsbelemmeringen. Onze bedrijven worden in de Verenigde Staten (VS), China maar ook India in toenemende mate geconfronteerd met politiek gemotiveerde marktcondities die het voor buitenlandse ondernemingen moeilijker maken succesvol te opereren. Daarmee vergeleken bieden Nederlandse en Europese markten een relatief stabiele en voorspelbare omgeving, die bovendien, indien nodig, door lobbying kan worden beïnvloed.
In dit artikel onderzoeken we of Nederlandse ondernemingen, geconfronteerd met de internationale spanningen en handelsbelemmeringen, zich inderdaad geleidelijk op hun Nederlandse en Europese kernmarkten terugtrekken. Zijn Nederlandse bedrijven economisch minder afhankelijk van het buitenland? Bevinden we ons inderdaad in een tijdperk van ‘de-globalisering’?
Data en methode
We gebruiken data over de internationalisering en globalisering van de honderd grootste Nederlandse beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde ondernemingen in deze eeuw van Worldscope. Wij analyseren hun omzet en activa buiten Nederland en buiten Europa. Aangezien we langetermijnontwikkelingen willen vaststellen, beschouwen we de periode 2001–2024. Om dubbeltellingen te vermijden hebben we dochterondernemingen en bedrijven waarin andere Nederlandse bedrijven in onze sample een meerderheid bezaten, verwijderd.
Aangezien wij in ieder jaar van de periode 2001–2024 de honderd grootste bedrijven nemen, hebben we een ongebalanceerd panel van 2.389 observaties en 248 unieke bedrijven met hun hoofdkwartier in Nederland (kader 1). Gezamenlijk vertegenwoordigden deze bedrijven, dankzij hun omzet in het buitenland, de afgelopen jaren een waarde van tachtig à negentig procent van het bruto nationaal product in Nederland.
Kader 1 Internationale omzet en omzet buiten Europa
Shell en Unilever waren gedurende het grootste deel van de onderzoeksperiode ‘binationale’ ondernemingen met een hoofdkwartier in zowel Nederland als het Verenigd Koninkrijk (VK). Beide ondernemingen waren bepalend voor de Nederlandse economie en waren daarom onderdeel van ons onderzoek tot 2019 (Unilever) en 2021 (Shell), toen beide volledig Brits werden. Shell rapporteerde tot 2021 overigens alleen de omzet buiten Europa, niet buiten Nederland. Voor Shell hebben we daarom alleen de omzet buiten Europa in ons onderzoek opgenomen. Unilever rapporteerde tot 2019 de gecombineerde omzet in het VK plus Nederland als binnenlandse omzet. Voor Unilever hebben we deze gecombineerde omzet als binnenlandse omzet genomen. Dit betekent dat het wegvallen van Shell en Unilever uit de Nederlandse top honderd slechts een beperkte invloed heeft op de trends die wij in dit artikel rapporteren.
Onze analyse is tweeledig (vergelijkbaar met Rugman en Verbeke, 2004; Rosa et al., 2020). Ten eerste kijken we of Nederlandse bedrijven meer of minder internationaal zijn geworden, gemeten naar het percentage omzet en activa buiten Nederland. Bij bedrijven die geen internationale omzet of activa melden, hebben wij deze op nul gesteld. Dit betekent dat we de gemiddelde internationaliseringsgraad van Nederlandse bedrijven waarschijnlijk onderschatten.
Daarnaast hebben we de wereldwijde ontwikkeling van Nederlandse bedrijven onderzocht, gemeten naar het percentage omzet en activa buiten Europa. Hier bekijken we in welke mate bedrijven zich richten op andere werelddelen. Waar bedrijven alleen cijfers rapporteren voor de regio Europa, Midden-Oosten en Afrika (EMEA), in plaats van alleen Europa, hebben wij deze EMEA-cijfers genomen als indicator van de Europese omzet of activa. Als er geen regionale cijfers werden gerapporteerd, hebben wij de conservatieve aanname gemaakt dat er geen verkopen of activa buiten Europa waren. Dit betekent dat wij het percentage omzet en activa buiten Europa waarschijnlijk eveneens onderschatten.
Het percentage internationale (en wereldwijde) omzet wordt gezien als de beste indicator om de financiële afhankelijkheid van buitenlandse markten te meten (Sullivan, 1994). Het percentage internationale (en wereldwijde) activa geeft aan in hoeverre een bedrijf onderzoeks-, productie- of distributieactiviteiten in het buitenland heeft. De percentages internationale (en wereldwijde) omzet en activa correleren, maar drukken verschillende vormen van internationalisering uit: een bedrijf dat uitsluitend exporteert heeft een veel groter aandeel omzet dan activa in het buitenland.
Buitenlandse omzet vrijwel constant
Figuur 1 toont dat in de periode 2001–2024 de verhouding tussen de omzet die in Nederland is gerealiseerd ten opzichte van de omzet in het buitenland opvallend constant is. In 2001 genereerden de honderd grootste Nederlandse bedrijven gemiddeld 50,3 procent van hun omzet in het buitenland. In 2024 was dit 49,4 procent.

De figuur toont verder dat de honderd grootste Nederlandse bedrijven in 2024 bijna driekwart van hun totale omzet binnen Europa genereerden, en slechts een kwart buiten Europa. Dat is logisch, het is immers minder ingewikkeld om een product of dienst in Duitsland of in Zweden te verkopen dan in Zuid-Korea of Brazilië. De fysieke afstanden en de culturele verschillen, en de daarmee verbonden kosten, zijn gemiddeld lager binnen Europa. Bovendien zijn de handelskosten dankzij de Europese Unie lager.
Het aandeel omzet buiten Europa is vrijwel gelijk gebleven gedurende de onderzoeksperiode, maar kent sinds 2014 wel een lichte daling. Het ligt voor de hand dat dit komt door de iets hogere economische groei in Nederland dan in belangrijke omringende markten zoals Duitsland of Frankrijk, waardoor de Nederlandse omzet verhoudingsgewijs sneller is gegroeid.
De twintig grootste Nederlandse ondernemingen realiseerden gedurende 2001–2024 gemiddeld een hoger percentage van hun omzet in het buitenland dan de overige grote bedrijven, en genereren een hoger percentage van hun omzet buiten Europa. Dit is een bekend patroon: in de meeste landen hebben de allergrootste bedrijven gemiddeld een hogere internationaliseringsgraad (Ruigrok et al., 2025a; 2025b).
Het percentage buitenlandse omzet lijkt bij de twintig grootste bedrijven de laatste jaren wel iets te dalen. Het gemiddelde verschil tussen de allergrootste en de overige grote bedrijven lijkt dus iets kleiner te worden. Dat zou het wellicht minder lastig maken om in de toekomst gemeenschappelijke noemers voor Nederlands economisch beleid te vinden. Bijvoorbeeld op het gebied van industrie-, technologie-, handels- en mededingingsbeleid, of de regelgeving rondom internationale belastingen. Figuur 2 toont echter dat de bewegingen die achter figuur 1 schuilgaan vooral erg heterogeen zijn. Aan de ene kant genereren ondernemingen als Philips, ASML en AkzoNobel gedurende de periode 2001–2024 constant een zeer hoog percentage van hun omzet in het buitenland, vaak meer dan negentig procent. Bedrijven als Randstad en Ahold Delhaize (na 2010) hebben zich in de loop der jaren eveneens steeds sterker op buitenlandse markten georiënteerd. Aan de andere kant heeft ING zich uit veel internationale markten teruggetrokken. In 2008, na de uitbraak van de financiële crisis, eiste de Nederlandse overheid bijvoorbeeld als voorwaarde voor staatssteun dat ING de activiteiten van ING Direct in Noord- en Zuid-Amerika, Azië en Oceanië zou verkopen. In hetzelfde jaar moest ABN Amro door de Nederlandse overheid worden gered; de nieuwe afgeslankte bank kon alleen haar Nederlandse activiteiten behouden. NN (als spin-off van ING) heeft zich na de heroprichting eveneens voornamelijk op de Nederlandse markt gericht.

Internationale activa gedaald
Grote Nederlandse bedrijven hebben een veel lager percentage internationale activa dan omzet (figuur 3). Dit patroon past bij een exportgerichte economie met een groeiende dienstensector, en dat zien we in veel landen terug. In het begin van deze eeuw namen de activa van grote Nederlandse bedrijven in het buitenland verhoudingsgewijs sterk toe. Dit was ingegeven door hoge economische groeicijfers in de periode tot 2008 en een bijna ongebreideld wereldwijd optimisme (Wereldbank, 2007). Met name de twintig grootste bedrijven hebben in de eerste jaren van deze eeuw hun buitenlandse activa verhoudingsgewijs snel uitgebreid.

Na 2008 hebben alle grote Nederlandse ondernemingen hun internationale activa echter weer snel teruggebracht, met name buiten Europa. Deze ontwikkelingen kunnen niet worden los gezien van de wereldwijde financiële crisis vanaf 2008. Enerzijds leidde deze tot aanmerkelijk lagere groeicijfers en in veel landen tot een economische recessie en nationale reddingsoperaties van systeemrelevante banken. Anderzijds beseften veel managers, ook buiten de financiële sector, dat internationale omzetverwachtingen soms te positief waren ingeschat. Dit noopte hen de wereldwijde strategie te herzien en sommige buitenlandse activiteiten af te stoten.
Opnieuw schuilt er een opmerkelijke heterogeniteit achter het patroon in figuur 3. Bedrijven als Randstad en (vanaf 2013) Heineken hebben hun internationale activa gedurende de onderzoeksperiode verhoudingsgewijs uitgebreid. Het tegenovergestelde geldt voor bedrijven als ING en AkzoNobel.
Geen de-globalisering
De honderd grootste Nederlandse bedrijven blijven qua omzet dus sterk op internationale, en dan vooral Europese markten, aangewezen, maar houden daarbij steeds minder buitenlandse activa aan. Het is daarom voorbarig te stellen dat Nederlandse of Europese bedrijven ‘de-globaliseren’. De term ‘de-globalisering’ suggereert ten onrechte dat wereldwijde financiële of zakelijke afhankelijkheden gemiddeld afnemen. Dat is niet het geval. De vaststelling dat Nederlandse en Europese ondernemingen de laatste tien tot vijftien jaar gemiddeld een dalend percentage activa in het buitenland aanhouden, is geen indicatie van re-shoring – het proces waarbij een bedrijf zijn productie of andere bedrijfsactiviteiten terugbrengt naar het eigen thuisland. De kostennadelen en arbeidsschaarste in Nederland maken het onverminderd aantrekkelijk om bijvoorbeeld in Azië te produceren. Deze productie in het buitenland vindt echter steeds minder plaats door het Nederlandse bedrijf zelf, en meer door een lokale (bijvoorbeeld Aziatische) specialist of toeleverancier (Nordås, 2020). Dankzij deze internationale uitbesteding (outsourcing) hoeven ondernemingen tegenwoordig minder productieactiviteiten in het buitenland aan te houden.
Wereldwijde herconfiguratie
Onderzoek naar andere Europese landen laat vergelijkbare patronen zien. Bij de honderd grootste bedrijven met het hoofdkwartier in het Verenigd Koninkrijk is de internationale omzet, ondanks fluctuaties, bijna constant is gebleven (Ruigrok et al., 2025a). Voor deze bedrijven blijft de Europese markt eveneens de belangrijkste, hoewel de Europese omzet na Brexit verhoudingsgewijs terugloopt. Grote Britse bedrijven hebben net als hun Nederlandse tegenpolen hun buitenlandse activa duidelijk verminderd. De honderd grootste bedrijven uit Spanje en Italië vertonen onderlinge verschillen, maar laten eveneens een constant percentage internationale omzet zien en zelfs een lichte toename van hun omzet buiten Europa (Ruigrok et al., 2025b). Er is dus veeleer sprake van een wereldwijde herconfiguratie, waarbij bedrijven steeds meer onderdeel uitmaken van internationale waardeketens.
Deze wereldwijde herconfiguratie zou ook de actuele handelsconflicten kunnen verklaren: stopzetting van productieactiviteiten in het buitenland, leidt bij sommige handelspartners tot weerstand. De druk om meer in de VS of in China te investeren, kan er in de toekomst toe leiden dat het percentage buitenlandse activa weer toeneemt, en is een mogelijke verklaring dat de dalende trend in buitenlandse activa na vijftien jaar tot stilstand is gekomen.

Literatuur
Cleveland, W.S. en S.J. Devlin (1988) Locally weighted regression: An approach to regression analysis by local fitting. Journal of the American Statistical Association, 83(403), 596–610.
Cui, V., I. Vertinsky, Y. Wang, en D. Zhou (2023) Decoupling in international business: The ‘new’ vulnerability of globalization and MNEs’ response strategies. Journal of International Business Studies, 54, 1562–1576.
Nordås, H.K. (2020) Make or buy: Offshoring of services functions in manufacturing. Review of Industrial Organization, 57, 351–378.
Rosa, B., P. Gugler en A. Verbeke (2020) Regional and global strategies of MNEs: Revisiting Rugman & Verbeke (2004). Journal of International Business Studies, 51(7), 1045–1053.
Rugman, A.M. en A. Verbeke (2004) A perspective on regional and global strategies of multinational enterprises. Journal of International Business Studies, 35(1), 3–18.
Ruigrok, W., W. Lin en X. Zhang (2025a) The S-shaped internationalisation pattern of UK multinational enterprises: An empirical investigation 2001–2022. In: V.J. Sadeghi, R. Sadraei, S. Munjal en S. Khorana (red.), Navigating disruptions and transformations in international business. Cham, Palgrave Macmillan, p. 271–286.
Ruigrok, W., W. Lin en X. Zhang (2025b) Alike but a world of difference: An analysis of internationalization trajectories of Italy’s and Spain’s largest companies from 2001 to 2022. Journal of Industrial and Business Economics, 52(4), 891–911.
Sullivan, D. (1994) Measuring the degree of internationalization of a firm. Journal of International Business Studies, 25(2), 325–342.
Wereldbank (2007) Global economic prospects 2007: Managing the next wave of globalization. Washington DC: World Bank.
Auteurs
Categorieën