In het kort
Een korte reactie van Erik Verhoef is te vinden onderaan deze blog.
In ons artikel (Mouter en de Vries, 2026) werken wij uit hoe collectieve betalingsbereidheid kan worden gebruikt om effecten van overheidsbeleid te waarderen. In zijn blog betoogt Erik Verhoef (2026) dat collectieve betalingsbereidheid ongeschikt is als waarderingsmethode voor maatschappelijke kosten-batenanalyses (MKBA’s). De blog van Verhoef is om twee redenen waardevol. Enerzijds geeft het een goed overzicht van een aantal misvattingen over onze aanpak die niet alleen bij Erik Verhoef leven, maar ook bij andere economen. Anderzijds kan het worden gebruikt om toekomstige studies naar collectieve betalingsbereidheid te verbeteren.
Onze collectieve betalingsbereidheid aanpak kent volgens Verhoef vier ‘fundamentele problemen’. In deze reactie laten wij zien dat dit ofwel misvattingen zijn óf uitgangspunten zijn die wat ons betreft wel degelijk wenselijk zijn in een MKBA.
Vraagstelling zo consequentieel mogelijk
Een ‘fundamenteel probleem’ van onze aanpak is volgens Verhoef dat we strategisch antwoordgedrag in de hand werken door onze deelnemers te vragen zich voor te stellen dat hun antwoorden een effect kunnen hebben op beleid. Het risico is volgens Verhoef dat deelnemers antwoorden geven die zodanig afwijken van hun eigen voorkeur dat de studie-uitkomst uiteindelijk juist zo dicht mogelijk bij die eigen voorkeur uitkomt. Verhoef verwijst naar het bekende handboek van Johnston et al. (2017) om te onderbouwen dat de suggestie moet worden voorkomen dat enquêteantwoorden beleidskeuzes zullen beïnvloeden.
Wanneer we dit handboek doorlezen, lezen we alleen het tegenovergestelde: meerdere malen wordt geadviseerd om de aanpak van onze experimenten te volgen. Het betalingsmechanisme moet zo bindend mogelijk zijn geformuleerd, bijvoorbeeld door gebruik te maken van vraagstellingen met een referendum format (aanbevelingen 10 en 11) en de vraagstelling moet zo consequentieel mogelijk zijn (aanbeveling 13). Consequentialiteit betekent dat deelnemers aan een keuze-experiment het idee hebben dat hun antwoorden consequenties in de werkelijkheid kunnen hebben.
Onderzoeken tonen aan dat experimenten die deze ‘consequentialiteit’ in acht nemen veel betrouwbaardere informatie opleveren dan puur hypothetische experimenten, waarbij respondenten het idee hebben dat hun keuzes vrijblijvend zijn (Carson et al., 2014; Vossler en Evans, 2009; Vossler et al., 2012). Vossler en Watson (2013) voerden bijvoorbeeld eerst een keuze-experiment uit waarin deelnemers werd gevraagd naar hun voorkeuren over een natuurbeschermingsprogramma dat leidde tot een verhoging van de lokale belastingen. Een tijd later volgde een referendum over hetzelfde onderwerp. Dit gaf hen de mogelijkheid om de externe validiteit van het keuze-experiment te testen. Vossler en Watson stelden vast dat de keuzes van deelnemers die het experiment als consequentieel ervoeren overeenkwamen met hun keuzes in het referendum, terwijl dit niet gold voor de deelnemers die het experiment als hypothetisch ervoeren.
Onze consequentiele aanpak is dus geheel in lijn met het handboek, en wordt daarin zelfs aanbevolen.
Meewegen effecten voor anderen
Volgens Verhoef is een tweede ‘fundamenteel probleem’ van onze aanpak dat wij de aanname moeten doen dat individuen elkaars preferenties kennen om weloverwogen keuzes te maken in onze experimenten. Dit is volgens hem problematisch omdat dit geen realistische aanname is. Op de schaal van een gemeente is het onmogelijk dat alle mensen elkaars voorkeuren goed kennen. Wij zijn het eens met Verhoef dat aannemen dat mensen elkaars preferenties op zo’n schaal goed kennen onrealistisch is.
In onze aanpak nemen we daarom ook niet aan dat mensen elkaars voorkeuren kennen, maar dat deelnemers de beleidsoptie kiezen die volgens hen qua beleidseffecten het meeste nut oplevert en dat zij de belastingverhoging in hun keuze meewegen (Mouter en de Vries, 2026). Deelnemers kunnen effecten voor zichzelf en effecten voor anderen meewegen in hun keuzes. We nemen dus aan dat individuen effecten voor anderen mee kunnen wegen in plaats van preferenties van anderen. Verschillende wetenschappelijke studies ondersteunen onze aanname. Jacobsson et al. (2007) laat bijvoorbeeld zien dat altruïstische voorkeuren zich voornamelijk richten op effecten die anderen ervaren, niet op het nut of de preferenties van anderen.
Altruïsten krijgen de kans om hun altruïsme te uiten
Een derde ‘fundamenteel probleem’ dat Verhoef ziet in onze aanpak is dat de belangen van egoïsten zwaarder zullen wegen dan de belangen van meer sociaal ingestelde mensen. Dit illustreert hij met een gedachte-experiment waarin een egoïst (persoon A) veel geluidsoverlast ervaart en een altruïst (persoon B) minder problemen heeft met het geluid. A kiest in een collectief betalingsbereidheidsexperiment vanuit eigenbelang. B heeft geen last van het geluid, maar maakt dezelfde keuze als A, omdat hij de belangen van A even sterk meeweegt als zijn eigen belang.
Verhoef vindt het ‘zeer onwenselijk’ dat B meebetaalt aan het oplossen van het probleem van A. Dit is in feite een ethische vraag of je naast egoïstische voorkeuren ook altruïstische voorkeuren moet meenemen in de waardering van overheidsbeleid. Is het echt zo erg dat mensen die weinig problemen ervaren willen meebetalen aan het oplossen van problemen van mensen die grote problemen ervaren? Wij zien het juist als een sterk punt van onze aanpak dat het mensen in staat stelt om altruïstische preferenties te kunnen uiten over effecten van overheidsbeleid. We illustreren dit met een tegenvoorbeeld.
We hebben nu een wereld met drie personen. Persoon X is zwaar gehandicapt en kan moeilijk reizen. Personen Y en Z hebben geen handicap, maar staan regelmatig in de file. Zij willen maar wat graag dat de files worden opgelost en hebben hier een hoge private betalingsbereidheid voor. Als we Verhoefs perspectief kiezen en iedereen alleen de eigen individuele voorkeuren mag uiten, dan scoort een filemaatregel beter in de MKBA dan een even dure oplossing om openbaar vervoer toegankelijker te maken voor gehandicapten.
In onze benadering kunnen individuen ook naar effecten voor anderen kijken. Stel dat Y en Z het belangrijker vinden dat de overheid ervoor zorgt dat mensen met een beperking goed kunnen reizen, dan dat de overheid doet aan filebestrijding. Ze vinden het toegankelijk maken van het openbaar vervoer voor mensen met een beperking een kerntaak van de overheid en ze vinden dat mensen zelf andere keuzes moeten maken als ze niet in de file willen staan. In het collectieve betalingsbereidheidsexperiment offeren Y en Z dus effecten voor henzelf op voor toegankelijker vervoer voor de gehandicapte X. Via collectieve betalingsbereidheid scoort de investering om het openbaar vervoer toegankelijker te maken voor mensen met een beperking dus beter dan de filemaatregel.
Is het onwenselijk dat mensen in onze benadering in de context van publiek beleid niet alleen de effecten voor zichzelf, maar ook de effecten voor anderen mee kunnen wegen? Volgens Verhoef wel. Wij denken dat dit meewegen juist wenselijk is. Zo bevat de definitie van ‘brede welvaart’ van het Planbureau voor de Leefomgeving (2021) bijvoorbeeld expliciet altruïstische elementen: “De kwaliteit van leven in het hier en nu en de mate waarin deze wel of niet ten koste gaat van die van latere generaties of van die van mensen elders in de wereld.”
Kortom, wat Verhoef een ‘fundamenteel probleem’ noemt, lijkt vooral een ethische vraag, waarover je van mening kunt verschillen.
Preferentiesoevereiniteit is breder dan consumentensoevereiniteit
Het laatste ‘fundamentele probleem’ dat Verhoef noemt is dat onze aanpak inbreuk maakt op preferentiesoevereiniteit. Dit definieert hij als de natuurlijke en vanzelfsprekende wens van mensen om zelf over de eigen voorkeuren en keuzes te gaan. Volgens Verhoef doet onze aanpak hier een inbreuk op doordat deelnemers aan collectieve betalingsbereidheidsexperimenten de mogelijkheid hebben om preferenties van anderen te herwegen. Verhoef noemt als voorbeeld een automobilist die hard rijdt om snel thuis te zijn. In zijn voorbeeld kennen andere deelnemers een lage weging toe aan deze preferentie (“al dat gejakker is nergens goed voor”). Zo maken de andere deelnemers volgens Verhoef inbreuk op de preferentiesoevereiniteit van de jakkerende automobilist.
Wederom is dit een misvatting van Verhoef. Onze aanpak maakt geen inbreuk op preferentiesoevereiniteit, maar onderscheidt twee typen preferenties. Namelijk de preferenties die mensen hebben over de allocatie van hun eigen schaarse middelen (private betalingsbereidheid) en preferenties over de manier waarop collectieve schaarse middelen moeten worden besteed aan publieke goederen (collectieve betalingsbereidheid). Mensen behouden in onze benadering hun consumentensoevereiniteit. Ze kunnen hun eigen geld vrijelijk besteden aan een kaartje voor een concert of een tube tandpasta. En in hun eigen tijd kunnen ze ervoor kiezen om snel naar huis te rijden.
In de huidige MKBA-praktijk is de private-betalingsbereidheidsbenadering leidend: die gaat ervan uit dat voorkeuren in de context van privékeuzes zonder problemen te gebruiken zijn in de context van het beoordelen van publiek beleid. Daar plaatsen wij kanttekeningen bij.
Als iemand geld wil betalen om snel ergens met de auto te zijn, dan gaat de private-betalingsbereidheidsbenadering ervan uit dat die persoon ook vindt dat een overheidsinvestering in het bestrijden van files maatschappelijke waarde oplevert. In ons artikel geven we echter een aantal voorbeelden die laten zien dat voorkeuren van private middelen besteden verschillen van voorkeuren over de besteding van collectieve middelen. We stellen daarom voor om consumentenvoorkeuren te gebruiken voor het waarderen van private goederen en om collectieve betalingsbereidheid te gebruiken om effecten van publieke beleidsopties te waarderen.
Er is dus geen sprake van een inbreuk op preferentiesoevereiniteit. We nemen alleen preferenties over effecten van publiek beleid als uitgangspunt om de maatschappelijke waarde van publieke goederen vast te stellen in plaats van ‘consumentenpreferenties’.
Geen vervanging van verkiezingen
Verhoef noemt in zijn blog onze aanpak een aantal keer ‘het electorale perspectief’ en ook ‘een aanpak om verschuivingen in stemverhoudingen in referenda te bepalen’. Dit zijn vreemde benamingen aangezien wij nergens in ons artikel de suggestie doen dat ons onderzoek een soort verkiezingen is. Dit soort benamingen leiden eerder tot meer misvattingen dan een helder beeld van onze methode.
Berekeningen
Dat Verhoef de kern van ons argument rond preferentiesoevereiniteit niet goed heeft begrepen blijkt uit zijn claim dat de reiswaarderingen in ons artikel niet plausibel zijn. Deze zijn stukken lager dan de gemiddelde reistijdwaardering uit talloze revealed- én stated-preference-studies naar hoe mensen reistijdwinsten en -verliezen in hun eigen mobiliteitskeuzes waarderen. Dat onze waarderingen verschillen is juist een reden om collectieve betalingsbereidheid serieus te nemen. Collectievebetalingsbereidheidsstudies zouden weinig toevoegen als ze tot dezelfde waarderingen zouden leiden als privatebetalingsbereidheidsstudies.
Mouter et al. (2018) hebben tien redenen vastgesteld waarom mensen reistijdwinst relatief onbelangrijk vinden in de context van overheidsbeslissingen, terwijl ze dit in hun eigen mobiliteitskeuzes zwaar wegen. Het gaat hier om relatieve waarderingen tussen deelnemers uit een internetpanel die keuzes maakten in een private context en deelnemers uit ditzelfde panel die keuzes maakten in een publieke context. Verhoefs punt dat de genoemde lage tijdswaardering in collectieve betalingsbereidheidsexperimenten versterkt wordt doordat mensen met een lage tijdwaardering vaker geneigd zijn vragenlijsten in te vullen, gaat dus niet op.
In zijn blog merkt Verhoef ook op dat we een rekenfout maken door de waarderingscoëfficiënt voor één verkeersdode per jaar te delen door de waarderingscoëfficiënt van een eenmalige belastingverhoging. Op basis hiervan concluderen we dat de waardering voor een statistisch mensenleven 6,3 miljoen euro bedraagt. Hier heeft Verhoef een punt. Dit hebben we in nieuwe studies hersteld door alle attributen in jaren uit te drukken. Daardoor kunnen de coëfficiënten makkelijker met elkaar worden vergeleken.
Breng private- en collectieve betalingsbereidheid naast elkaar in beeld
In zijn blog geeft Verhoef aan dat het beter is om waarderingen op basis van consumentenvoorkeuren (private betalingsbereidheid) en publieke voorkeuren (collectieve betalingsbereidheid) naast elkaar in beeld te brengen dan om ze te vermengen. Hier valt wat voor te zeggen. Verhoef werkt uit dat de collectievebetalingsbereidheidbenadering er toe kan leiden dat bepaalde beleidsopties hoger gewaardeerd worden dan via private betalingsbereidheid, omdat veel mensen dit zien als zogenaamde ‘merit goods’. Of andersom dat bepaalde beleidsopties via collectieve betalingsbereidheid lager worden gewaardeerd, omdat veel mensen dit zien als ‘demerit goods’. Mouter et al. (2025) zien inderdaad dat deelnemers aan een participatieve waarde evaluatie zaken als minimale toegankelijkheid van ziekenhuizen prioriteren, omdat ze dit zien als een basistaak van de overheid. Wij kunnen ons vinden in de suggestie van Verhoef om zowel een MKBA uit te voeren op basis van private betalingsbereidheid als op basis van collectieve betalingsbereidheid.
Collectieve betalingsbereidheid heeft verschillende voordelen (Mouter en de Vries, 2026). De ene benadering hoeft de ander niet uit te sluiten. Als je vanuit twee perspectieven naar iets kijkt, dan zie je immers meer dan als je vanuit één perspectief kijkt.
Literatuur
Carson, R., T. Groves en J. List (2014) Consequentiality: a theoretical and experimental exploration of a single binary choice. Journal of the Association of Environmental and Resource Economists, 1(1/2), 171–207.
Jacobsson, F., M. Johannesson en L. Borgquist (2007) Is altruism paternalistic? The Economic Journal, 117(522), 761–781.
Johnston, R.J., K.J. Boyle, W.L. Adamowicz et al. (2017) Contemporary guidance for stated preference studies. Journal of the Association of Environmental and Resource Economists, 4(2), 319–405.
Mouter, N., S. van Cranenburgh en G.P. van Wee (2018) The consumer-citizen duality: ten reasons why citizens prefer safety and drivers desire speed. Accident Analysis & Prevention, 121, 53–63.
Mouter, N., J. Mulder en M.O. de Vries (2025) How do citizens prioritize the accessibility goals of the Dutch national government against other transport goals? Results of a participatory value evaluation. Transportation Research Part A: Policy and Practice, 200, 104643.
Mouter, N. en M. de Vries (2026) Breid kosten-batenanalyse uit met analyse collectieve betalingsbereidheid. ESB, te verschijnen.
Musgrave, R.A. (1959) The theory of public finance: a study of public economy. New York: McGraw-Hill.
Planbureau voor de Leefomgeving (2021) Brede welvaart en mobiliteit. Den Haag: PBL.
Vossler, C.A., M. Doyon en D. Rondeau (2012) Truth in consequentiality: theory and field evidence on discrete choice experiments. American Economic Journal: Microeconomics, 4(4), 145–171.
Vossler, C.A. en M.F. Evans (2009) Bridging the gap between the field and the lab: environmental goods, policy maker input, and consequentiality. Journal of Environmental Economics and Management, 58, 338–345.
Vossler, C.A. en S.B. Watson (2013) Understanding the consequences of consequentiality: testing the validity of stated preferences in the field. Journal of Economic Behavior & Organization, 86, 137–147.
Auteurs
Reactie: Erik Verhoef
In hun naschrift pogen Mouter en De Vries (M&dV) mijn kritiek te weerleggen op hun waarderingsmethode, die nu ook volgens henzelf leidt tot bijvoorbeeld een reistijdwaardering van 4 cent per uur. Alles bespreken in de mij gegeven ruimte lukt niet, maar gelukkig maken M&dV me het gemakkelijk.
- De steun die M&dV menen te vinden in Johnston et al. (2017), is er niet. Daar wordt een referendumformat alleen aanbevolen voor “non-use values” van puur publieke (milieu-)goederen. Een belasting als keuzeattribuut ondervangt dan strategisch (free-riding) gedrag. De consequentialiteit die Johnston et al. bepleiten betreft de geloofwaardigheid van daadwerkelijk moeten betalen volgens gegeven antwoorden. Niemand is daar tegen. Wat ik echter met Johnston et al. adviseer te vermijden, is iets anders: strategische bias; anders antwoorden dan de werkelijke voorkeuren.
- Het is natuurlijk niet altruïsme dat ik onwenselijk zou vinden, maar het impliciet systematisch zwaarder wegen van preferenties van niet-altruïsten.
- Preferetiesoevereiniteit in waarderingscijfers voor MKBA’s is geenszins inconsistent met een democratisch proces waarin burgers hun politieke voorkeuren uitspreken.
- Ik vind het onbegrijpelijk dat M&dV zelf niet zien dat de interpretatie van hun coëfficiënten de marginale effecten op stemverhoudingen in een geldgewogen referendum weerspiegelen. Dat dat “vreemd” is, ligt aan de methode – niet aan mij.
- En nee: ik suggereer NIET om óók MKBA’s uit te voeren op basis van hun methode.
Categorieën
2 reacties
Ha Niek, en jij weer bedankt voor jouw reactie! Inmiddels hebben we de discussie per mail voortgezet en dat lijkt me ook goed, maar voor de geinteresseerde meelezer toch nog een korte laatste reactie op de hoofdpunten uit jouw reactie:
1. Johnston et al bevelen referendum format echt alleen aan voor public non-use values. Specifiek zeggen ze: "The NOAA panel (Arrow
et al. 1993) recommended that questions be framed as a referendum vote, where the implied implementation criteria would be majority rule. When considering this recommendation, we note that the panel’s specific focus was the estimation of non-use values for public goods in the United States. In contrast, this article [ETV: hier bedoelen ze hun eigen artikel] considers broader applications that may include use values and contexts in which referendum votes may be inapplicable or unrealistic." (p.351). Het is ook logisch, als je bedenkt wat zij eigenlijk bedoelen met een "referendum vote" (zie punt 2 hieronder). Dat wijkt op een cruciaal punt af van wat jullie voorstellen.
2. Johnston et al benoemen als "referendum vote" het gebruik van een tax instrument voor het waarderen van puur publieke non-use values (waar ik me helemaal in kan vinden). De discrete-keuze vraag is dan iets als "welke optie zou u kiezen in een referendum?" waar alternatieven verschillen in kwaliteit van het milieugoed en een belasting, waarbij het tax instrument beoogt de effecten van free-riding te minimaliseren. Jullie vraagstelling, en mijn kritiek op dat aspect als het doel is om waarderingscijfers voor MKBA context te verkrijgen, richt zich op jullie vraagstelling "wat vindt u dat de overheid zou moeten doen"? Laat ik een lichte karikatuur van mezelf nemen. Als ik een enquete naar beste kunnen zou beantwoorden zou ik op de eerste vraag mijn oprechte preferentie geven (die inderdaad altruisme kan omvatten omdat ik ook vind dat bijvoorbeeld mijn geliefde of kinderen mogen genieten van mooie natuur en ik daar met liefde voor meebetaal). Op de tweede vraag zou ik antwoorden wat mijn beste inschatting is van wat Pareto efficient is (daar wordt de "lichte karikatuur" relevant). Dat is veel breder altruisme: ik vind dat de overheid ieders belangen fair zou moeten meenemen; ook die van mensen die ik zelf nooit uit altruisme inkomenssteun zou (kunnen) verstrekken (wat ik aan mijn geliefde of zonen wel zou doen). Jullie vraagstelling leidt daarmee tot ratio's van coefficienten die zich niet laten aggregeren tot de maatschappelijke betalingsbereidheid voor zuiver publieke goederen, om de redenen die ik in het naschrift gaf.
3. Daarmee kom ik tot het fundamentele probleem met toepassing van die kengetallen in MKBA die ik signaleer. Dat is het punt van het paard achter de wagen: je vraagt respondenten als ik in feite om een inschatting te maken van wat ik denk dat uit een correcte MKBA zou komen. "Ik" dan als de hierboven geintroduceerde lichte karikatuur van een volledige gelover in "rough randomness", zodat consequent toepassen van potentiele pareto verbeteringen uiteindelijk iedereen beter af maakt dan wanneer je dat niet zou doen.
Dank Erik voor je reactie! Dit helpt de discussie weer een stap vooruit. Met een aantal punten ben ik het eens, met een aantal niet en er is een punt dat ik niet goed volg.
Punt 1: We zijn het eens dat consequentialiteit belangrijk is in een keuze-experiment omdat je daarmee strategisch (free-rider) gedrag kunt voorkomen en dat je dit met een belastingattribuut kunt realiseren. Daarom kiezen wij ook voor een belastingattribuut in onze experimenten. Het is opmerkelijk dat je je toch nog zorgen maakt om strategische bias, wat juist wordt geminimaliseerd door consequentialiteit in te bouwen. Het is niet duidelijk waar je zorgen vandaan komen. Ik ben niet bekend met empirische literatuur waaruit blijkt dat er sprake is van significante strategische bias in keuze-experimenten waarin consequentialiteit is ingebouwd. Ken jij die empirische literatuur wel? Als die er is, laat ik mij graag overtuigen.
Het is opmerkelijk dat je zegt dat Johnston et al. (2017) alleen het referendumformat aanbevelen voor “non-use values” van puur publieke (milieu-) goederen. In regel twee van hun samenvatting staat bijvoorbeeld: “These recommendations consider the use of SP methods to estimate both use and non-use (passive-use) values, and cover the broad SP domain including contingent valuation and discrete choice experiments.” Het lijkt er dus op dat hun aanbevelingen gelden voor zowel gebruikswaarden als niet gebruikswaarden.
Wel is het natuurlijk zo dat de meerwaarde van collectieve betalingsbereidheid vooral groot is bij niet-gebruikswaarden en effecten van overheidsbeleid die mensen in het dagelijks leven niet of nauwelijks afwegen tegen hun privé inkomen.
Punt 2: Als je altruïstische voorkeuren niet onwenselijk vindt, dan neem ik aan dat je ook vindt dat je die moet meewegen in een MKBA. Dit juich ik toe. Maar als je dubbeltellingen wil voorkomen in MKBA’s dan betekent het meenemen van altruïstische preferenties nou eenmaal dat de altruïst iets moet opofferen (bijvoorbeeld meer belasting betalen) ten behoeve van de effecten voor de ander. Dus de effecten van altruïsten krijgen dan een lager belang en de effecten van niet-altruïsten een groter belang.
Je geeft aan dat je dit ‘zeer onwenselijk’ vindt. Dit werd in de jaren 90 ook door Diamond en Hausman gezegd. Maar Diamond en Hausman werden toen door Hanemann (1994) op de vingers getikt. Hij vindt hun voorstel een paternalistische interventie in de sociale welvaartsfunctie en dus een schending van standaard economische theorie. Hanemann haalt onder meer Nobelprijswinnaars Arrow en Becker aan. "It need not be assumed here that an individual's attitude toward different social states is determined exclusively by the commodity bundles which accrue to his lot under each. The individual may order all social states by whatever standards he deems relevant (Arrow, 1950)." En Becker (1993, p. 386): "Individuals maximize welfare as they conceive it, whether they be selfish, altruistic, loyal, spiteful, or masochistic."
Kortom, als altruïsten hun belangen willen opofferen voor de belangen van niet-altruïsten, dan moeten ze dat zelf weten. In lijn met Arrow, Becker en Hanemann vellen wij geen oordeel over hun preferenties. We moeten de sociale welvaartsanalyse niet gaan vertroebelen met eigen morele perspectieven als ‘het is onwenselijk dat preferenties van niet-altruïsten systematisch een zwaarder belang krijgen’. Daar moeten wij ons als economen verre van houden.
Dan nog een geruststelling. In je blog maak je je zorgen dat altruïsten zich bekommeren om egoïsten. Maar die zorg is niet nodig. Als we naar recente keuze-experimenten kijken, dan zien we dat altruïsten zich vooral bekommeren om dieren (Mouter et al., 2019), kwetsbare verkeersdeelnemers zoals kinderen en ouderen die niet meer de straat op durven (Mouter et al., 2024) en om mensen met een handicap of om mensen die in armoede leven (Mouter et al., 2025). Ik ken geen experiment waar altruïsten zich specifiek bekommeren om de belangen van egoïsten.
Punt 3: Hier ga je niet in op onze reactie. We zijn het eens met wat je schrijft. Ons punt is alleen dat jij je onnodig zorgen maakt over het verlies aan preferentiesoevereiniteit door onze aanpak. Dat je niet ingaat op onze reactie komt misschien door de beperkte ruimte in het naschrift. Ga er gerust in de comments verder op in.
Punt 4: Bij het vierde punt is een uitgebreide reactie niet nodig. Het gaat erom dat je voorstelt om onze methode voor iets anders te gebruiken dan het doel waarvoor deze ontwikkeld is. Wij hebben onze aanpak nooit ontwikkeld als een soort vervanging van verkiezingen, dus het helpt de discussie in een economentijdschrift niet om ons in de mond te leggen dat we de methode daarvoor hebben ontwikkeld. Laat onze discussie gaan over hoe wenselijk het is om private betalingsbereidheid en/of collectieve betalingsbereidheid te gebruiken voor MKBA’s.
Punt 5: bij het vijfde punt maak je duidelijk geen voorkeur te hebben voor het uitvoeren van MKBA’s op basis van collectieve betalingsbereidheid. Dat mag net zo goed als dat wij een voorkeur hebben om dit wel te doen. Het is duidelijk dat we andere aannames maken over de maatschappelijke waarderingscijfers die nodig zijn voor een goede en bruikbare MKBA voor beleidsmakers. Ik denk dat twee vervolgstappen het debat verder kunnen helpen:
1) De voordelen en nadelen van beide aanpakken beter op een rijtje zetten inclusief empirische onderbouwing. Dus niet zeggen dat er sprake is van strategische bias, maar dit empirisch onderbouwen 😉. En dus ook niet alleen maar kritiek geven, maar ook de sterkte punten behandelen.
2) Onderzoeken welke aannames (die van jou of die van ons) beter aansluiten bij de informatie over maatschappelijke waarde die een MKBA voor beleidsmakers moet opleveren om hen in staat te stellen om te sturen op brede welvaart.
Ik ben benieuwd wat je van deze stappen vindt.
Referenties:
Arrow, K.J. (1950) A Difficulty in the Concept of Social Welfare. The Journal of Political Economy, Vol. 58, No. 4. (Aug., 1950), pp. 328-346.
Becker, G.S. (1993) "The Economic Way of Looking at Life" (Coase-Sandor Institute for Law & Economics Working Paper No. 12, 1993).
Diamond, P., Hausman, J., 1994. Contingent Valuation: Is some number better than no number. The journal of economic perspectives 8 (4), 45-64.
Hanemann, W. M., 1994. Valuing the environment through contingent valuation. Journal of economic perspectives, 8(4), 19-43.
Mouter, N., Ojeda-Cabral, M.A., Dekker, T., van Cranenburgh, S. 2019. The valuation of environmental effects and travel time: a holistic perspective. Research in Transportation Economics 76, 100733.
Mouter, N., Mulder, J., De Vries, M.O. (2024). Resultaten van de raadpleging over de ruimte in Amsterdam. Een onderzoek voor de werkgroep Amsterdam Maakt Ruimte, in opdracht van de gemeente Amsterdam.
Mouter, N., Mulder, J., De Vries, M.O. 2025. How do citizens prioritize the accessibility goals of the Dutch national government against other transport goals? Results of a Participatory Value Evaluation. Transportation Research Part A 200, 104643.