Dat ESB een dossier zou maken over weerbaarheid was onvermijdelijk. Niet alleen hebben de Russische inval in Oekraïne, de tweede Chinaschok en het trumpistische America first inmiddels overduidelijke economische consequenties, ook dwingen deze geopolitieke ontwikkelingen Nederland en Europa om ander – welvaartstheoretisch slechter – beleid te maken.
Lang wilden economen niet aan zulk beleid. Vaak, misschien wel te vaak, heb ik de afgelopen jaren bij panelgesprekken gezeten waarin een geopolitiek denker duidelijk maakte dat de wereld écht veranderd was, waarna de econoom van dienst de baten van internationale markten en multilateralisme uitspelde – waarna iedereen onvoldaan huiswaarts keerde.
Inmiddels staat weerbaarheid echter wel op de economische beleidsagenda – het gesprek is opgeschoven van ‘Moet dat nou?’ naar ‘Hoe?’
Ook institutioneel is er veel aandacht voor het thema. Bij iedere organisatie die aan economische beleidsontwikkeling doet, startte het afgelopen jaar een weerbaarheidsteam, iedere adviesorganisatie bouwt in razend tempo expertise op en de beroepsvereniging KVS, en ook ESB, organiseerde bijeenkomsten over weerbaarheid in al zijn facetten. Ook riepen het Ministerie van Defensie en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid economen op om bij te dragen aan weerbaarheid (Davidse en Aalbersberg, 2025) en publiceerden we een themanummer over Europese veiligheid (ESB, 2025).
Die oproepen zijn nodig, want denken over weerbaarheid staat in de kinderschoenen en het instrumentarium is lang niet af. Ziesemer (2025) vat de literatuur samen en Barbara Baarsma, Ruth Smalbraak en Cascha van Wanrooij brengen in dit dossier met een meta-analyse in kaart hoe Nederlandse beleidseconomen tegen weerbaarheid aankijken. De bijdrage van Hala Naoum Néhmé, Arieke Reiding en Martin Linssen aan dit dossier tekent zowel de beperkingen als de snelle ontwikkeling van het denken. Vijf jaar geleden ontwierpen zij een afwegingskader voor zelfvoorziening. Nu roepen zij het Ministerie van Financiën op om het kader bij te blijven werken.
Sterke economie
Dat gebrek aan kennis over weerbaarheid lijkt het meest zichtbaar in het buitenlandse economisch beleid. Op geen ander economisch beleidsterrein stonden de heilige huisjes van open economie en generiek beleid zo stevig – nog steeds lijkt Nederland moeite te hebben met de erkenning dat we ‘that ASML country’ zijn. In zijn column voor dit dossier vraagt Michiel Sweers van het Ministerie van Buitenlandse Zaken daarom economen om hulp.
De artikelen daarna geven aan die oproep gehoor. Arnold Tukker, Joris Vierhout en Wimar Bolhuis bieden een taxonomie van aanvallend en verdedigend economisch beleid en Camille Mehlbaum en Bas Heerma van Voss, en verder Daan Pisa en Amber Geurts, stellen dat beleidsmakers daarvoor detailinformatie nodig hebben over sectoren, waardeketens voor specifieke producten en de bedrijven die daarin actief zijn.
De terugkerende discussie gaat daarbij over de waarde van openheid. In een blog op esb.nu schreven Swets en Van Wanrooij (2026) dat economische omvang ook offensief gebruikt kan worden, omdat toegang tot die markt waarde heeft. In dit dossier past Robin van Boxtel dat denken toe op de relatie van de EU met het Mondiale Zuiden en roept hij ertoe op om onze openheid strategisch in te zetten. Bied nu markttoegang en vraag later op een ander vlak om een wederdienst.
Sociaal kapitaal en netwerken
Weerbaarheid vraagt behalve om een sterke economie ook om een samenleving die met tegenslagen om kan gaan. De ervaring in Oekraïne is dat sociaal kapitaal doorslaggevend is voor hoe goed dat gaat, zo leerden we vorig jaar van de Oekraïense hoogleraar Tymofii Brik: als mensen elkaar vóór een crisis al weten te vinden, en dus veel sociaal kapitaal hebben, zullen ze dat tijdens een crisis ook doen. Ze ontwikkelen dan samen manieren om met tegenslagen om te gaan en verlichten de hulpvraag bij de overheid. De Nederlandse aanpak van zelfredzaamheid dient daarom aangevuld te worden met een inzet op samenredzaamheid, zo concluderen Rutger Schilpzand en ik in het verslag van de rondetafelbijeenkomst die ESB naar aanleiding van Briks bezoek aan Nederland organiseerde.
Een goede plek om met de opbouw van sociaal kapitaal te starten is de arbeidsmarkt, aldus Lisa Herzog. Roland Bal gaat een stap verder en concludeert op basis van een evaluatie van de organisatie van de zorg in de coronacrisis dat professionals en hun netwerken belangrijker waren in het bestrijden van die crisis dan centrale besluitvorming. Geef daarom in een crisis professionals vertrouwen.
Sociaal kapitaal is echter machteloos als fysieke netwerken of cruciale internationale productienetwerken uitvallen. In de verschillende pijlers van de Weerbaarheidsopgave besteedt de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV, 2024) daarom veel aandacht aan deze onderwerpen. In dit dossier vullen Lize Nauta, Wouter Remmen, Jeffrey Powell en Meindert Flikkema die analyse aan op de energie-afhankelijkheid, Carin van der Cruijsen en Nicole Jonker op het betalingsverkeer en Paul de Bijl, Freek van Gils en Jan Tichem op de afhankelijkheid van met name Amerikaanse AI- en cloudbedrijven.
Opschaling krijgsmacht
Een sterke economie en een veerkrachtige samenleving stellen in staat om te incasseren, een afschrikwekkende krijgsmacht verlaagt de kans klappen te krijgen. Om af te schrikken moet de krijgsmacht wel worden opgeschaald en vernieuwd – de Russen hebben in Oekraïne de grootste moeite omdat zij langzamer innoveren – en daarvoor is een hechtere relatie met een eigen militaire industrie nodig.
Om zo’n eigen industrie op te bouwen moet de krijgsmacht strategischer gaan inkopen, schrijft Ruben Nicholas. En moeten er veel mensen worden geworven in deze industrietak; iedereen die er werkzaam is, krijgt er een halve collega bij, zo rekenen Jesse Kremer, Arend Olthoff en Joris Canoy voor. Wel slaan de baten daarvan heel lokaal neer. Floris Jan Sander, Meindert Flikkema en Canan Tezgeç documenteren een flinke groei in de industrie-clusters Twente en in Brabant.
Eerder schreef ik dat een Europese aanpak van de Russische dreiging het meest efficiënt is (Lukkezen, 2025). Arend Olthoff en Jarno Roenhorst documenteren dat dat in de defensie-industrie niet goed haalbaar is. Nationale overheden hebben overal een zodanig dikke vinger in de pap, dat opschaling iets voor de langere termijn is. Maar wellicht dat we de opkomende dronemarkt wel Europees kunnen organiseren: Ron Stoop en Rens van Dam laten zien welke kansen dat zou bieden voor Nederlandse bedrijven.
Positief bijdragen
Het voornaamste doel van weerbaarheidsbeleid is om Nederland weerbaarder te maken, en als dat zou kunnen op een manier die de welvaart verhoogt is dat mooi meegenomen. Of, zoals minister Yeşilgöz stelt: “We willen dat de investeringen positief bijdragen aan ons innovatievermogen en de arbeidsmarkt.”
Macro-economisch heerst er scepsis over de claim dat hogere defensie-uitgaven tot substantiële groei van het nationaal inkomen zullen leiden. Nick Adžić en Bjorn Roozenbeek schrijven dat defensie-uitgaven andere uitgaven verdringen. Hugo Erken, Frank van Es en Lennart de Jong wijzen op de uitvoeringsproblematiek. Uitzondering lijken investeringen in de ontwikkeling van dual-use-technologieën te zijn. Wordt de technologie militair niets, dan is ze mooi wel ontwikkeld en heeft ze misschien civiele toepassingen. Daan de Leeuw, Camille Mehlbaum, Bas Heerma van Voss, Fulvia Marotta, Stefan Wöhrmüller en Andra Smădu stellen met patent- en handelsdata kansrijke sectoren vast en Jan van den Biesen en Luc Soete lichten de kansen voor de chipindustrie uit.
Maar ook de stimulering van defensie-R&D kent zijn grenzen. Vinzenz Ziesemer en Jasper H. van Dijk noemen het knap lastig om vier miljard euro per jaar via een nieuw op te richten defensie-ARPA weg te zetten en stellen verbreding van het fonds voor.
Tot besluit
Dat weerbaarheid op dit moment centraal op de beleidsagenda staat, betekent niet dat ‘het’ vanzelf goed komt met die weerbaarheid. Op een gegeven moment zal de maatschappelijke aandacht voor het thema verslappen en dan hangt de borging van weerbaarheid af van de mate waarin het een plek heeft weten te krijgen in de werkprocessen en in het hart van de overheid, van bedrijven en van burgers.
Belangrijker op dit moment dan een of andere weerbaarheidsmaatregel is daarom het borgen van aandacht voor het thema in onze instituties en in ons denken. Daarbij is de hele beleidsketen van belang. Van het structureel boven tafel krijgen van de juiste informatie – in ons verslag van een ESB-rondetafel over samenwerking met het bedrijfsleven qua weerbaarheid concluderen Vera Veltman en ik dat de informatiedeling fors verbeterd dient te worden. Tot het vertalen van deze informatie naar risico’s voor de veiligheid, wellicht met een planbureau voor veiligheid dat enige afstand tot de politiek heeft (WRR, 2017). En het meenemen van weerbaarheid in de beleidsontwikkeling, wat, aldus Sandra Pellegrom, kan door het toe te voegen aan het brede welvaartskader. Pas als weerbaarheid structureel wordt, wordt Nederland echt weerbaarder.
Literatuur
Davidse, K. en PJ. Aalbersberg (2025) Ook economen nodig voor weerbaarheid Nederland. ESB, 110(4844), 153.
ESB (2025) Europese veiligheid. ESB, 110(4844), themanummer.
Lukkezen, J. (2025) Europese aanpak van Russische dreiging is het meest efficiënt. ESB, 110(4844), 154–157.
NCTV (2024) Weerbaarheidsopgave. NCTV Publicatie, 6 december.
Swets, F. en S. van Wanrooij (2026) De bronnen van geo-economische macht. Blog op esb.nu, 17 februari.
WRR (2017) Veiligheid in een wereld van verbindingen. Een strategische visie op het defensiebeleid. WRR-rapport 98.
Ziesemer, V. (2025) Organiseren Europese weerbaarheid roept allerlei economische vragen op. ESB, 110(4844), 168–171.
Auteur
Categorieën