Tot 2050 loopt het tekort voor onderhoud van infrastructuur op tot vijftig miljard euro. Door dit hoge bedrag is er terughoudendheid om deze investering daadwerkelijk te doen. Een macro-economisch model laat zien wat deze investering oplevert en wat de financieringsopties zijn.
In het kort
- De effecten van infrastructuurinvesteringen op de economie zijn na vijf jaar groter dan die van overheidsconsumptie.
- Wel stijgt de overheidsschuld met zeven procentpunt als de investering gefinancierd wordt door er voor te lenen.
- Financiering door consumptieve overheidsuitgaven te verlagen of door de belastingen te verhogen, ligt daarom in de rede.
Volgens Bouwend Nederland loopt het tekort voor onderhoud aan infrastructuur op (FD, 2025). Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en de Algemene Rekenkamer berekenen een verwacht cumulatief tekort van ruim vijftig miljard euro tot 2050. Wennink (2025) noemt een publiek investeringsbedrag tussen de 19 en 62 miljard euro gedurende de komende tien jaar.
Onderhoudskosten van infrastructuur behelzen in elk geval vervangingsinvesteringen door de overheid; denk aan het onderhoud van (spoor)wegen, bruggen en tunnels. Uitgaven hieraan zijn niet populair, omdat deze weinig tastbaars op zouden leveren. In het recente coalitieakkoord wordt slechts 1,5 miljard euro extra gereserveerd voor infrastructuur, terwijl alleen al voor achterstallig onderhoud 8 miljard euro nodig is over de hele regeerperiode. Niettemin komt er gaandeweg meer aandacht voor onderhoud en andere publieke investeringen, ook omdat op verschillende plekken achterstallig onderhoud tot problemen leidt (FD, 2025). Verschillende fracties in de Tweede Kamer delen de zorg over de staat van infrastructuur in Nederland zo bleek in het debat daarover op 19 maart 2026. Minister Karremans zei vooral te willen “prioriteren”, terwijl de meeste kamerleden vonden dat er meer geld naar infrastructuur zou moeten gaan.
Toch hebben investeringen op termijn aanzienlijke opbrengsten. In dit artikel becijferen we die, niet zoals gebruikelijk is op projectniveau met een maatschappelijke kosten-batenanalyse, maar met een macro-economisch model. Daardoor staat de relatie met de andere sectoren van de economie centraal. Kader 1 geeft een duiding van dit model.

Speciale aandacht krijgt de wijze van financiering. Voorafgaand aan de formatie bepleitten politici in ESB dat de infrastructuurinvesteringen met schuld gefinancierd zouden moeten worden. Van Dijk en Kranenburg (2025) bepleiten de herinvoering van de gulden financieringsregel, wat inhoudt dat de overheid mag lenen voor de investeringen zelf en alleen de betaalde rente plus afschrijving op investeringen uit de lopende inkomsten dient te financieren. Ook Sneller et al. (2025) maken zich sterk voor een afwijkende – voordelige – behandeling van overheidsinvesteringen. Donders en De Kam (2025) staan nogal huiverig tegenover dit idee en Pieter Hasekamp pleit voor integrale financiering uit de lopende begroting, zoals ook voor andere overheidsuitgaven geldt (FD, 2026).
Maar de investeringen kunnen bijvoorbeeld ook worden gedaan door de consumptieve overheidsuitgaven te beperken. In de kabinetsverkenningen onder leiding van informateur Sybrand Buma viel te beluisteren dat sommige uitgaven – ‘investeringen’ – verkieslijker waren dan andere – ‘overheidsconsumptie’. Dit sluit aan bij de conclusie in het rapport-Wennink en het recente coalitieakkoord, waarin wordt aangegeven dat voor deze publieke investeringen ruimte binnen de begroting moet worden gecreëerd. Dat vraagt om minder consumptieve uitgaven en meer investeringen binnen de overheidsbegroting, zoals ook door de Studiegroep Begrotingsruimte (2025) is geadviseerd.
Uiteraard zijn er nog andere financieringsopties. In dit artikel beschouwen we drie varianten en zetten die af tegen schuldfinanciering. In de eerste substitueert de overheid investeringen voor haar consumptieve uitgaven. Dit is de variant zoals geadviseerd door de Studiegroep Begrotingsruimte (2025). De tweede legt de last gedeeltelijk bij bedrijven en in de derde variant wordt de aanpassing volledig bij de consumenten gelegd.
Impuls aan infrastructuur
We veronderstellen dat gedurende de komende 25 jaar de overheid een permanente impuls aan infrastructuur geeft van jaarlijks twee miljard euro. Deze extra uitgaven belopen dus gecumuleerd in de tijd vijftig miljard euro. De overheid leent het benodigde geld hiervoor.
Figuur 1 toont de effecten van deze impuls in infrastructuur op de productie, de consumptie, de werkloosheid en de overheidsschuld. Daarnaast zijn, ter vergelijking, de effecten van een jaarlijkse impuls van twee miljard euro aan materiële overheidsconsumptie afgebeeld.

In de eerste jaren presteert overheidsconsumptie beter dan overheidsinvesteringen. Dit spoort met de gedachte dat bij investeringen in infrastructuur de kost voor de baat uitgaat. Na vier jaar verandert dit. Terwijl de productie-effecten van meer overheidsconsumptie op een relatief laag en dalend niveau liggen, gaan de positieve effecten van een hoger peil van infrastructuur op de productie zich steeds duidelijker manifesteren. Uit onze berekeningen blijkt dat de private arbeidsproductiviteit per uur over 25 jaar – dankzij de extra overheidsinvesteringen – met bijna twee procentpunt toeneemt.
Hoewel de baten in termen van productie, consumptie en werkgelegenheid aan alle sectoren ten goede komen, verslechtert de schuldpositie van de overheid door de impuls in haar investeringen. Elke extra euro overheidsuitgave wordt gefinancierd met extra leningen. Daardoor is de overheidsschuld na 25 jaar toegenomen met zo’n zeven procentpunt van het bruto binnenlands product, oftewel met ruim 75 miljard euro. Hiervan is vijftig miljard euro voorbestemd voor de extra investeringen in infrastructuur, twintig miljard is het zogenoemde rente-op-rente-effect en vijf miljard bestaat uit afschrijvingen op (nieuwe) overheidsinvesteringen.
Verlaging van de overheidsconsumptie
Die schuldfinanciering is hoogstwaarschijnlijk een brug te ver, in de zin dat het grote effect op de reële economie door de impuls in infrastructuur niet opweegt tegen de explosief stijgende schuld. Als de extra uitgaven aan investeringen worden gefinancierd door de overheidsconsumptie met een gelijk bedrag te verlagen, zijn de langetermijneffecten op de reële variabelen vergelijkbaar met die in de variant met schuldfinanciering, maar verandert de schuldquote nauwelijks (figuur 2a). Ervaringen uit het verleden laten overigens zien dat bezuinigingen op de consumptieve uitgaven van de overheid niet zonder slag of stoot tot stand komen. Zeker nu de defensie-uitgaven volgens afspraak sterk zullen stijgen, is een daling van de overheidsconsumptie ingewikkeld.

Bedrijven betalen mee
In de tweede variant (figuur 2b) wordt de helft van de impuls in infrastructuur betaald door het bedrijfsleven via de vennootschapsbelasting; de andere helft loopt in de overheidsschuld.
In deze variant profiteert Nederland in termen van productie, consumptie en investeringen maximaal van de impuls in infrastructuur. Dit voordeel is groter dan wanneer de overheid de extra kosten helemaal zelf zou dragen, dankzij de hogere belastingaftrek van vreemd vermogen, wat resulteert in lagere kapitaalkosten. De zogenoemde user cost of capital brengt namelijk de (markt)rente ná belastingheffing in rekening. Een hogere belasting op vreemd vermogen heeft dus ook een positief effect. De nettowinst van bedrijven komt, na een lange aanloopperiode, uiteindelijk 6,5 miljard euro hoger uit dan op het basispad zonder beleid.
Vooral bedrijven profiteren van de productiviteitsverbetering door de extra investeringen in infrastructuur. De daaruit ontstane voordelen gaan uit boven de bijdragen die de overheid van bedrijven verlangt. De overheidsschuld stijgt daarentegen de eerste vijftien jaar met 3,5 procentpunt om zich daar vervolgens te stabiliseren. Het is een open vraag of de minister van Financiën kan leven met een mutatie in de overheidsschuld die uiteindelijk oploopt tot 3,5 procentpunt.
De rekening voor de consument
In de derde variant financieren de consumenten de impuls in infrastructuur via de directe belastingen van huishoudens (figuur 2c). Het belangrijkste voordeel ten opzichte van de vorige variant is de rustige ontwikkeling van de overheidsschuld, die dicht in de buurt van het oorspronkelijke niveau blijft liggen. De prijs die hiervoor moet worden betaald, zijn kleinere positieve effecten bij de reëel-economische variabelen, omdat consumenten een hogere lastendruk ondervinden ter financiering van de extra infrastructuur. Niettemin zijn de stijgingspercentages na verloop van een aantal jaren nog altijd stevig positief. Anderzijds zullen consumenten niet warmlopen voor een lastenverzwaring, terwijl bedrijven in eerste instantie gratis wegkomen en waaraan gezinnen – bij herhaling – verreweg het meeste bijdragen.
Tot besluit
Een investeringsimpuls in infrastructuur kan alleen werken als er voldoende gekwalificeerd personeel voorhanden is – en dat is maar zeer de vraag. Infrastructuur is berucht om haar hoge vacaturegraad. De Nederlandse economie bevindt zich momenteel in een situatie van repressed inflation (Malinvaud, 1977): er is aan bijna alle soorten werknemers een tekort, wat tot uitdrukking komt in een inflatie die ruim boven het Europese gemiddelde ligt. Vandaar het pleidooi van Wennink (2025) om vooral over de landsgrenzen heen te kijken voor extra aanbod van getalenteerde arbeid.

Literatuur
An, Z., A. Kangur en C. Papageorgiou (2019) On the substitution of private and public capital in production. European Economic Review, 118, 296–311.
Berben, R.-P., I. Kearney en R. Vermeulen (2018) DELFI 2.0, DNB’s macroeconomic policy model of the Netherlands. DNB Occasional Studies, 16–5.
Bettendorf, L., S. Boeters, A. van der Horst et al. (2021) Saffier 3.0: Technical Background. CPB Background Document, 21 december.
Dijk, I. van, en R. Kranenburg (2025) Meer publiek investeren vergt aanpassing van het begrotingsbeleid. ESB, 110(4849), 399–401.
Donders, J. en F. de Kam (2025) Invoering van het baten-lastenstelsel bij het Rijk is een lastig traject. ESB, 110(4849), 406–408.
FD (2025) Om bruggen en wegen te onderhouden zijn miljarden nodig, maar het budget is platgewalst. Het Financieele Dagblad, 19 oktober.
FD (2026) Meer investeren gewenst, maar binnen de begrotingsruimte. Het Financieele Dagblad, ingezonden opiniebijdrage door Pieter Hasekamp, directeur van het CPB, 23 januari.
Malinvaud, E. (1977) The theory of unemployment reconsidered. Oxford, VK: Basil Blackwell.
Sneller, J, H. Vijlbrief en G. Dordmond (2025) Laat het begrotingsbeleid toekomstgerichte politiek stimuleren. ESB, 110(4849), 402–405.
Studiegroep Begrotingsruimte (2025) De toekomst begint nu. 18e Studiegroep Begrotingsruimte, Rapport. Te vinden op www.rijksfinancien.nl.
Wennink, P. (2025) De route naar toekomstige welvaart: Een sterk Nederland in een relevant Europa. Rapport Wennink, december.
Auteurs
Categorieën