In de internationale literatuur is veel aandacht voor de marktconcentratie in de Verenigde Staten, waar een stijgende concentratie de welvaart lijkt te schaden via een lage productiviteitsgroei en afnemende bedrijfsdynamiek. Maar die inzichten gaan mogelijk niet op voor Nederland en de rest van Europa: hier is marktconcentratie wellicht deel van de oplossing.
In het kort
- In Nederland en de rest van Europa is de marktconcentratie niet of minder toegenomen dan in de VS.
- De Amerikaanse marktconcentratie lijkt een gevolg van de schaalvoordelen van ICT.
- De lagere marktconcentratie in Europa lijkt vooral het gevolg van de gemiste ICT-ontwikkelingen.
In de Verenigde Staten is de marktconcentratie de afgelopen dertig jaar gestaag toegenomen (Autor et al., 2020). Beleidsmakers maken zich zorgen over deze ontwikkeling, omdat toenemende marktconcentratie kan leiden tot meer marktmacht voor dominante bedrijven, waardoor prijzen stijgen en consumenten benadeeld worden (Atkeson en Burstein, 2008). Daarnaast kan marktconcentratie de bedrijfsdynamiek afremmen, bijvoorbeeld doordat grote bedrijven toetredingsbarrières opwerpen of kleinere concurrenten opkopen. Ook kan concentratie bijdragen aan inkomensongelijkheid, aangezien de winsten van dominante bedrijven vaak niet breed worden gedeeld (Impullitti en Rendahl, 2025). Mede door deze negatieve effecten is het debat over een proactiever mededingingsbeleid in de Verenigde Staten de afgelopen jaren nieuw leven ingeblazen (Kahn, 2024).
Is er ook in Nederland reden om bezorgt te zijn over marktconcentratie? Dit artikel analyseert in welke mate Nederland dezelfde trends ziet als de Verenigde Staten, en gaat in op de vraag of hogere marktconcentratie per se nadelig is, of juist goed nieuws kan zijn.
Positieve effecten van marktconcentratie
Hoewel marktconcentratie in het publieke debat vaak negatief wordt besproken, kan meer concentratie ook bijdragen aan hogere welvaart. Dat is het geval wanneer de concentratie bijvoorbeeld voortkomt uit technologische vooruitgang of het opheffen van belemmerende regelgeving. Zo kan een stijging in concentratie het gevolg zijn van een efficiënte herschikking van economische activiteit naar de meest productieve ondernemingen (Baqaee en Farhi, 2020; McKinsey, 2025), wat leidt tot hogere productiviteit op macro-economisch niveau. Ook is een zekere schaalomvang nodig om bedrijven in staat te stellen optimaal te profiteren van moderne informatie- en communicatietechnologieën met hoge vaste kosten (Mottironi, 2024). Bovendien kan marktconcentratie investeringen in innovatie winstgevender maken, wat de economische groei ten goede komt (Aghion en Howitt, 1992).
Toch zijn er grenzen aan elk van deze positieve effecten. De herschikking van economische activiteit naar productievere bedrijven kan gepaard gaan met prijsstijgingen en een daling van de arbeidsinkomensquote. Schaalvoordelen door hoge vaste (en lage marginale) kosten van moderne informatie- en communicatietechnologieën bevoordelen bovendien gevestigde bedrijven. Dit ontmoedigt toetreding, versterkt marktconcentratie en leidt uiteindelijk tot lagere productiviteitsgroei (De Ridder, 2019; 2024; Aghion et al., 2023). Tot slot neemt voor gevestigde bedrijven de prikkel tot verdere innovatie af als hun concurrentiepositie te sterk is ten opzichte van die van toetreders (Aghion et al., 2005; Cavenaile et al., 2025).
Trends in de Verenigde Staten
Er zijn verschillende aanwijzingen dat in de Verenigde Staten de negatieve effecten van marktconcentratie op de marge zwaarder wegen dan de positieve. Het winstaandeel van bedrijven in het nationaal inkomen is daar met tien procentpunt gestegen, terwijl de arbeidsinkomensquote met een vergelijkbaar percentage is gedaald (Barkai, 2020; De Loecker et al., 2020). Die winststijging komt vrijwel uitsluitend voor rekening van ICT-bedrijven (Van ’t Klooster en Teulings, 2023).
Aanvankelijk gingen de hogere winsten in de VS gepaard met extra groei: in de jaren negentig nam de productiviteit bijna twee keer zo snel toe als in de decennia daarvoor, vooral in sectoren die sterk leunen op informatie- en communicatietechnologie (Fernald, 2015).
Net als in andere ontwikkelde economieën is de Amerikaanse productiviteitsgroei in de afgelopen twintig jaar echter gehalveerd ten opzichte van eerdere perioden (Adler et al., 2017; Baarsma en d’Orey Neves, 2024). Tegelijkertijd is de bedrijfsdynamiek – gemeten aan het aantal nieuwe bedrijven en het aantal doorgroeiers – met ongeveer een derde afgenomen (Akcigit en Ates, 2021).
Empirische analyses op basis van microdata wijzen op een direct verband tussen marktconcentratie en de lagere groei (Akcigit en Goldschlag, 2023; 2025). Zo nam tussen 2000 en 2020 het aantal uitvinders dat bij grote bedrijven werkt met meer dan twintig procent toe. Dit terwijl de gemiddelde innovatiekracht van uitvinders (gemeten aan het aantal patenten) bij dit soort bedrijven gemiddeld zes tot elf procent lager is dan bij start-ups of scale-ups, waar het aantal uitvinders juist afneemt.
Marktconcentratie in Nederland
In welke mate zien we in Nederland dezelfde trends? Voor een open economie als de Nederlandse is marktconcentratie lastig nauwkeurig te meten, en wel om twee redenen. In tegenstelling tot de grotendeels gesloten Amerikaanse economie – waar invoer minder dan vijftien procent van het bruto binnenlands product bedraagt – is Nederland sterk verweven met andere Europese markten. Hierdoor geven cijfers over de binnenlandse afzet van in Nederland geregistreerde bedrijven slechts een onvolledig beeld van hun daadwerkelijke marktaandeel, wat kan leiden tot een overschatting van de marktconcentratie. Tegelijkertijd kunnen verschillende bedrijven in databases, zoals het Algemeen Bedrijvenregister, onderdeel zijn van dezelfde internationale groepen, wat juist tot een onderschatting kan leiden.
Onderzoek naar marktconcentratie in Nederland laat dan ook een gemengd beeld zien. Colciago et al. (2020) berekenen marktconcentratie op basis van het Algemeen Bedrijvenregister en vinden over de periode 2006–2016 een lichte toename van de gemiddelde concentratie binnen Nederlandse sectoren, gemeten op viercijferig niveau volgens de Standaard Bedrijfsindeling van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Bighelli et al. (2023) gebruiken vergelijkbare microdata voor meer sectoren tussen 2007–2017, maar meten op tweecijferig sectorniveau en constateren juist een lichte daling van de concentratie in Nederland.
Marktconcentratie op Europees niveau is minder gevoelig voor deze meetproblemen. De OESO heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar marktconcentratie in Europa en daarbij een methode ontwikkeld om bedrijven die tot dezelfde internationale groep behoren met elkaar te verbinden (Bajgar et al., 2023). Hun analyse laat zien dat veel eerder onderzoek de trend van toenemende concentratie onderschatte, omdat niet werd gecorrigeerd voor het feit dat gegevens over kleine bedrijven in microdata door de tijd heen steeds completer zijn geworden. Bajgar et al. concluderen dat sinds 2000 de concentratie in Europa is toegenomen, zij het in veel mindere mate dan in de Verenigde Staten: terwijl in de VS het marktaandeel van de acht grootste bedrijven in een sector met zo’n acht procentpunt is toegenomen, bedraagt die stijging in Europa minder dan drie procentpunt.
De bedrijfsdynamiek is wel goed op Nederlands niveau te meten, en Freeman et al. (2024) tonen aan dat deze in Nederland sinds 2006 is afgenomen. Bij een gezonde bedrijfsdynamiek weten productieve bedrijven tot de markt toe te treden en door te groeien, terwijl laagproductieve bedrijven krimpen of de economie verlaten. Daardoor zorgt bedrijfsdynamiek ervoor dat productiefactoren ingezet worden bij de bedrijven waar ze de meeste waarde kunnen creëren, met hogere productiviteit tot gevolg. Omdat er tegenwoordig relatief minder bedrijven worden opgericht, is de bijdrage van jonge bedrijven aan de bedrijfsdynamiek en de productiviteitsgroei afgenomen. De coronacrisis heeft de bedrijfsdynamiek in Nederland nog verder doen dalen (Agresti et al., 2022). Ook lijkt er in Nederland een gebrek aan efficiënte herschikking van economische activiteit naar productieve bedrijven (Bun en De Winter, 2022), een patroon dat in meerdere Europese landen zichtbaar is (Biondi et al., 2025).
Tegelijkertijd laten Van Heuvelen et al. (2021) zien dat de gemiddelde markup (winstopslag) in Nederland tussen 2006 en 2016 niet is toegenomen. Deze bevinding wordt bevestigd door Bighelli et al. (2023). Dat de markups stabiel zijn gebleven, is relevant, omdat hoge winstmarges een drukkend effect kunnen hebben op de vraag naar producten en daarmee op de vraag naar arbeid, wat lagere lonen tot gevolg kan hebben (Colciago et al., 2020). In Nederland (en Europa) is de arbeidsinkomensquote – wanneer deze op internationaal vergelijkbare wijze wordt gemeten – redelijk stabiel gebleven, wat eveneens wijst op constante markups (Gutiérrez en Piton, 2020).
Samengevat, de trends in Nederland en Europa wijken dus af van die in de Verenigde Staten. In de VS nemen zowel de markups als de marktconcentratie toe, terwijl de bedrijfsdynamiek afneemt. In Nederland daarentegen blijven de markups stabiel, neemt de bedrijfsdynamiek wel af, maar lijkt de marktconcentratie slechts in beperkte mate toe te nemen.
Rol van technologie
Zijn de stabiele markups en beperkte toename van de marktconcentratie goed nieuws? Toen de eerste tekenen van toenemende concentratie in de Verenigde Staten zichtbaar werden, zagen veel Europese economen het uitblijven van die trend in Europa aanvankelijk vooral als bewijs van effectiever Europees mededingingsbeleid (Valletti, 2017). Inmiddels is er echter overtuigend empirisch bewijs dat technologische vooruitgang – met name op het gebied van communicatie- en informatietechnologie – een belangrijke motor is achter de stijgende markups en marktconcentratie. Naast het onderzoek naar Amerikaanse bedrijven door Van ’t Klooster en Teulings (2023) vindt ook onderzoek in Europa een sterke relatie tussen technologie en markups. Zo laten Calligaris et al. (2018) zien dat de stijging van markups waar deze zich voordoet, vrijwel altijd gerelateerd is aan het gebruik van digitale technologie. Ook laten Bajgar et al. (2025) zien dat de stijging in marktconcentratie sinds 2002 in zowel Europa als de VS nagenoeg afwezig is in sectoren met laag gebruik van immateriële productiefactoren, maar juist aanwezig is in sectoren die intensief gebruikmaken van zulke factoren.
Deze empirische literatuur suggereert dat het uitblijven van een duidelijke stijging van de marktconcentratie in Europa en Nederland wijst op een onvoldoende benutting van moderne technologie. Het gevolg is dat de Europese productiviteit al 25 jaar trager groeit dan die in de Verenigde Staten, wat deels verklaart waarom de Europese economie inmiddels dertig procent kleiner is dan de Amerikaanse. Zo laat Draghi (2024) zien dat Europa weinig tot geen voordeel heeft gehaald uit de technologische vooruitgang op het gebied van informatie- en communicatietechnologie. Een belangrijke reden daarvoor is dat de grootste industriële bedrijven in Europa actief zijn in sectoren waar deze technologie minder productiviteitswinst heeft opgeleverd. Het Nederlandse ASML vormt hierbij een uitzondering die de regel bevestigt.
Conclusie
De marktconcentratie in Nederland is nauwelijks toegenomen. Dat is mogelijk geen teken van succesvol mededingingsbeleid, maar een symptoom van het feit dat de natuurlijke schaalvoordelen van moderne informatie- en communicatietechnologie in Nederland en de rest van Europa nog niet optimaal worden benut. Als de marktconcentratie in Nederland door de toepassing van moderne technologie toeneemt, is dit dus niet per se een reden tot zorg. Op de marge zou hogere marktconcentratie in Nederland in de toekomst dus een bijverschijnsel kunnen zijn van het gebruik van moderne technologie, wat positief bijdraagt aan de productiviteit. Wel is het belangrijk dat mededingingsbeleid erop beducht is dat toetreders niet uit de markt worden geprijsd, zodat bedrijfsdynamiek wordt gestimuleerd en productiviteitsgroei in de toekomst niet ten koste gaat van een lagere arbeidsinkomensquote.

Literatuur
Adler, G., R.A. Duval, D. Furceri et al. (2017) Gone with the headwinds: Global productivity. IMF Staff Discussion Note, SDN/17/04.
Aghion, P. en P. Howitt (1992) A model of growth through creative destruction. Econometrica, 60(2), 323–351.
Aghion, P., N. Bloom, R. Blundell et al. (2005) Competition and innovation: An inverted-U relationship. The Quarterly Journal of Economics, 120(2),701-728.
Aghion, P., A. Bergeaud, T. Boppart et al. (2023) A theory of falling growth and rising rents. The Review of Economic Studies, 90(6), 2675–2702.
Agresti, S., F. Calvino, C. Criscuolo et al. (2022) Meer aandacht voor bedrijfsdynamiek vereist na de coronacrisis. ESB, 107(4811S), 38–41.
Akcigit, U. en S.T. Ates (2021) Ten facts on declining business dynamism and lessons from endogenous growth theory. American Economic Journal: Macroeconomics, 13(1), 257–298.
Akcigit, U. en N. Goldschlag (2023) Where have all the ‘creative talents’ gone? Employment dynamics of US inventors. NBER Working Paper, 31085.
Akcigit, U. en N. Goldschlag (2025) Measuring the characteristics and employment dynamics of U.S. inventors. Journal of Economic Growth, 30(2), 237–269.
Atkeson, A. en A. Burstein (2008) Pricing-to-market, trade costs, and international relative prices. The American Economic Review, 98(5), 1998–2031.
Autor, D., D. Dorn, L.F. Katz et al. (2020) The fall of the labor share and the rise of superstar firms. The Quarterly Journal of Economics, 135(2), 645–709.
Baarsma, B. en F. d’Orey Neves (2024) Onderwijs belangrijkste determinant van groei arbeidsproductiviteit. ESB, 109(4837S), 10–15.
Bajgar, M., G. Berlingieri, S. Calligaris et al. (2023) Industry concentration in Europe and North America. Industrial and Corporate Change, 34(3), 407–424.
Bajgar, M., C. Criscuolo en J. Timmis (2025) Intangibles and industry concentration: A cross-country analysis. Oxford Bulletin of Economics and Statistics, 27 januari. Te vinden op onlinelibrary.wiley.com.
Baqaee, D.R. en E. Farhi (2020) Productivity and misallocation in general equilibrium. The Quarterly Journal of Economics, 135(1), 105–163.
Barkai, S. (2020) Declining labor and capital shares. Journal of Finance, 75(5), 2421–2463.
Bighelli, T., F. di Mauro, M.J. Melitz en M. Mertens (2023) European firm concentration and aggregate productivity. Journal of the European Economic Association, 21(2), 455–483.
Biondi, F., S. Inferrera, M. Mertens en J. Miranda (2025) Declining job reallocation in Europe: The role of shocks, market power, and technology. Halle Institute for Economic Research, IWH Discussion Paper, 19/2023.
Bun, M. en J. de Winter (2022) Misallocatie kapitaal en arbeid tijdens coronacrisis verder toegenomen. ESB, 107(4811S), 42–45.
Calligaris, S., C. Criscuolo en L. Marcolin (2018) Mark-ups in the digital era. OECD Working Paper, 2018/10.
Cavenaile, L., M.A. Celik en X. Tian (2025) Are markups too high? Competition, strategic innovation, and industry dynamics. Working Paper University of Toronto, september. Te vinden op muratcelik.faculty.economics.utoronto.ca.
Colciago, A., D. Favoino en J. de Haan (2020) Omzetconcentratie gaat gepaard met een lagere arbeidsinkomensquote. ESB, 105(4787), 330–332.
De Loecker, J., J. Eeckhout en G. Unger (2020) The rise of market power and the macroeconomic implications. The Quarterly Journal of Economics, 135(2), 561–644.
Draghi, M. (2024) The future of European competitiveness. Europese Commissie Rapport, september. Te vinden op commission.europa.eu.
Fernald, J.G. (2015) Productivity and potential output before, during, and after the Great Recession. NBER Macroeconomics Annual, 29, 1–51.
Freeman, D., L. Bettendorf, G.H. van Heuvelen en G.W. Meijerink (2024) Business dynamics and productivity growth in the Netherlands. CESifo Working Paper, 11071.
Gutiérrez, G. en S. Piton (2020) Revisiting the global decline of the (non-housing) labor share. The American Economic Review: Insights, 2(3), 321–338.
Heuvelen, G.H. van, L. Bettendorf en G. Meijerink (2021) Markups in a dual labour market: The case of the Netherlands. International Journal of Industrial Organization, 77, 102762.
Impullitti, G. en P. Rendahl (2025) Market power, growth, and wealth inequality. CEPR Discussion Paper, DP19911.
Kahn, L. (2024) Dinner keynote with Jonathan Kanter and Lina Khan: Transcript. Stigler Center Antitrust and Competition Conference, 22 mei, Chicago. Te vinden op www.promarket.org.
Klooster, E.L. van ’t, en C.N. Teulings (2024) Monopolistic price-setting behavior of information technology firms. Economics of Innovation and New Technology, 33(3), 417–435.
McKinsey (2025) The power of one: How standout firms grow national productivity. McKinsey Global Institute Rapport, 6 mei.
Mottironi, B. (2024) Labour market power and aggregate productivity. BM – Research, Working Paper, 1 december. Te vinden op sites.google.com.
Ridder, M. de (2019) Immateriële productiefactoren kunnen groei van productiviteit afremmen. ESB, 104(4779), 517–519.
Ridder, M. de (2024) Market Power and Innovation in the intangible economy. The American Economic Review, 114(1), 199–251.
Valletti, T. (2017) ‘There is a clear perception that the European Commission is more active in antitrust than the U.S. agencies.’ Interview by ProMarket writers, 4 april.
Auteur
Categorieën