Vrouwen zijn in het afgelopen decennium veel meer uren gaan werken. Ging die toename binnen huishoudens hand in hand met een relatieve daling van arbeidsparticipatie van mannen?
In het kort
- Het arbeidsvolume van vrouwen is met ongeveer 300 miljoen uur meer toegenomen dan dat van mannen.
- Als vrouwen binnen een huishouden 100 uur per jaar meer werken, werken mannen slechts drie kwartier minder.
Vrouwen nemen binnen huishoudens vaak meer huishoudelijke taken op zich en zijn mede daardoor vaak minder actief op de arbeidsmarkt. Slechts negen procent van de paren geeft aan zorg en werk gelijk te verdelen (CBS, 2024). Dit is veel minder dan de helft van de paren die zegt zorg en werk gelijk te willen verdelen, een percentage dat het afgelopen decennium niet wezenlijk is veranderd (CBS en SCP, 2014).
Het bevorderen van de arbeidsparticipatie van vrouwen is door de jaren heen vaak een doelstelling van de overheid geweest. Niet alleen om de financiële onafhankelijkheid en gelijke kansen van vrouwen te bevorderen, maar ook omdat een toename van de arbeidsparticipatie de macro-economische groei kan stimuleren. Factoren als vergrijzing en krapte op de arbeidsmarkt vergroten bovendien de noodzaak om de arbeidsparticipatie te verhogen.
De overheid zet in op het stimuleren van de stap naar werk en het werken van meer uren voor wie wil en kan, onder meer via betaalbare kinderopvang, fiscale stimulering zoals de Inkomensafhankelijke combinatiekorting, verlofmaatregelen en verschillende publiekscampagnes.
En met succes, zo lijkt het. Met name vrouwen zijn tussen 2011 en 2022 per persoon veel meer uren gaan werken (van gemiddeld 533 naar 621 uur per jaar). Ook bij mannen zien we een toename, maar die is veel beperkter (van 831 naar 855 uur) en komt voornamelijk doordat ouderen meer zijn gaan werken. Figuur 1 toont dat mannen met een partner in 2022 net zo veel uren werkten als in 2011, terwijl met name vrouwen met kinderen veel meer zijn gaan werken. Hierdoor is het arbeidsvolume van vrouwen over deze periode met ongeveer 300 miljoen uur meer toegenomen dan dat van mannen.

Betekent de relatieve daling van de arbeidsparticipatie van mannen dat er een uitwisseling van werktaken heeft plaatsgevonden binnen huishoudens? Zijn mannen minder gaan werken omdat hun partners meer zijn gaan werken? Dat onderzoeken wij aan de hand van microdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek over de periode 2011–2022.
Herverdeling werktaken
Substitutie van werktaken binnen een huishouden kan op twee manieren plaatsvinden. Ten eerste kan een vrouw beginnen met werken op het moment dat de man volledig stopt met werken (de extensieve marge). Diverse studies, zowel in Nederland (Been et al., 2024; Cammeraat et al., 2023) als in Europa (Bredtmann et al., 2018) vinden hier indicaties van. Daarnaast kan er tussen werkende partners substitutie van het aantal gewerkte uren optreden waarbij de vrouw meer uren gaat werken op het moment dat de man minder uren werkt (of vice versa, de intensieve marge). Over dit gedeeltelijke substitutie-effect is weinig bekend.
Volledige substitutie
Er zijn per jaar ongeveer 7.000 tot 8.000 huishoudens waarin de ene partner begint te werken op het moment dat de andere partner stopt. Bij sommige huishoudens zal deze substitutie echter puur toevallig gebeuren en niet bewust. We schatten bij hoeveel huishoudens de substitutie puur toevallig plaatsvindt door voor ieder huishouden de kans te berekenen dat de werkende partner stopt en de niet-werkende partner begint met werken. Deze kansen zijn geschat aan de hand van een multinomiaal logitmodel dat rekening houdt met achtergrondkenmerken als leeftijd en huishoudenssituatie. Door de kansen van substitutie van werktaken op huishoudensniveau bij elkaar op te tellen, kan geschat worden bij hoeveel huishoudens de werktaken op grond van toeval volledig zouden moeten verschuiven.
Figuur 2 laat zien dat er bij paren zonder kinderen ongeveer evenveel vrouwen de werktaken van mannen bewust overnemen als andersom. Bij paren met kinderen is er wel bewuste (netto-)substitutie van werktaken van mannen naar vrouwen.

Over alle huishoudens met meerdere volwassenen zijn er op jaarbasis dus ongeveer 150 personen die de werktaken van hun partner volledig overnemen. Over de gehele periode zijn dat er ongeveer 1.800. Als we ervan uitgaan dat mannen gemiddeld 800 uur per jaar werken en vrouwen 600, dan is het volledige-substitutie-effect goed voor een verschuiving van het arbeidsvolume van mannen naar vrouwen van (800 + 600) × 1800 = 2,5 miljoen uur. Dit is ongeveer één procent van het verschil van 300 miljoen uur.
Gedeeltelijke substitutie
Substitutie kan binnen een huishouden ook optreden tussen partners die allebei werken. Interessant genoeg blijkt uit de Polis-data van het CBS dat als de ene partner van het ene op het andere jaar meer gaat werken, de andere partner gemiddeld genomen ook meer gaat werken. Dit effect is tussen 2012 en 2022 gestegen van drie naar zeven procent.
Een mogelijke verklaring voor dit omgekeerde substitutie-effect is dat omstandigheden die het aantal gewerkte uren kunnen beïnvloeden vaak voor beide partners gelden. Bij de geboorte van het eerste kind gaan vrouwen bijvoorbeeld minder werken (gemiddeld ongeveer 200 uur per jaar), maar mannen ook, al is het effect met ongeveer 50 uur beduidend geringer. Daarnaast maken jongeren in het begin van hun carrière steeds meer uren, terwijl ouderen steeds minder uren werken. Aangenomen dat de partners doorgaans ongeveer even oud zijn, kan de leeftijd dus eveneens verklaren waarom veranderingen van werkduur tussen partners positief gecorreleerd met elkaar zijn.
Gecorrigeerd voor de huishoudenssituatie en leeftijd is er wel sprake van een heel klein substitutie-effect van ongeveer −0,7 procent, dat in de loop der tijd nauwelijks veranderd is. Dit betekent dat als vrouwen op jaarbasis 100 uur meer gaan werken, mannen gemiddeld drie kwartier minder gaan werken. Op ongeveer vier miljoen paren, waarbij vrouwen tussen 2011 en 2022 ruim 100 uur meer zijn gaan werken, zouden mannen drie miljoen uren minder werken (≈ 0,7% × 4 miljoen huishoudens × 100 uur per huishouden). Dit verklaart ongeveer één procent van het verschil van 300 miljoen uur.
Conclusie
Het aantal gewerkte uren van vrouwen is harder gestegen dan dat van mannen, maar substitutie van werkuren binnen het huishouden lijkt bij deze ontwikkeling slechts een zeer geringe rol te hebben gespeeld. Volledige substitutie van werktaken is alleen zichtbaar bij paren met kinderen. Verder zien we dat als binnen een gezin een vrouw 100 uur per jaar meer gaat werken, de man ongeveer drie kwartier minder gaat werken.
Het bevorderen van arbeidsparticipatie van vrouwen beïnvloedt de arbeidsparticipatie van mannen nauwelijks. Enerzijds is het voor de totale arbeidsparticipatie positief dat de participatie van mannen niet te veel terugloopt als vrouwen meer werken. Anderzijds betekent het ook dat mannen hun werkuren kennelijk vrijwel niet terugschroeven om tot een gelijkere verdeling van zorgtaken te komen.

Literatuur
Been, J., E. Suari-Andreu en D. Wisselo (2024) Gender differences in the added (home) worker effect. Economics Letters, 244, 111998.
Bredtmann, J., S. Otten en C. Rulff (2014) Husband’s unemployment and wife’s labor supply: The added worker-effect across Europe. Ruhr Economic Paper, 484. Te vinden op papers.ssrn.com.
Cammeraat, E., E. Jongen en P. Koning (2023) The added-worker effect in the Netherlands before and during the Great Recession. Review of Economics of the Household, 21(1), 217–243.
CBS (2024) Emancipatiemonitor 2024. CBS.
CBS en SCP (2014) Emancipatiemonitor 2014. CBS en SCP.
Auteurs
Categorieën