De overheid streeft er al jaren naar om meer leraren voor de klas te krijgen. Ondanks dat de arbeidsmarktperspectieven voor pabo-afgestudeerden de afgelopen jaren zijn verbeterd, blijft het lerarenaanbod achter bij de vraag. Hoe aantrekkelijk zijn de arbeidsmarktperspectieven van pabo-afgestudeerden vergeleken met andere hbo-opleidingen?
In het kort
- Recente pabo-afgestudeerden hebben een betere arbeidsmarktpositie dan andere hbo-afgestudeerden.
- Tien jaar na afstuderen verdienen pabo-afgestudeerden nu vijf procent meer per uur dan andere hbo-afgestudeerden.
- De regionale loonverschillen voor leraren zijn kleiner dan voor overige hbo-afgestudeerden.
Onderwijs is een essentiële investering in het toekomstig verdienvermogen van Nederland. Uit de internationale literatuur is bekend dat één jaar extra scholing leidt tot een inkomensstijging van vijf tot tien procent (Krueger en Lindahl, 2001). Ook in Nederland worden vergelijkbare effecten van onderwijs gevonden (Gerritsen en Hartog, 2015). Het is dan ook niet verrassend dat onderwijs wordt gezien als een cruciale pijler voor de economische toekomst van Nederland (ter Weel et al., 2020; Onderwijsraad, 2024).
Er is de afgelopen jaren relatief weinig aanbod en veel vraag naar leraren op de Nederlandse arbeidsmarkt. In het primair onderwijs bedraagt het aantal openstaande vacatures en verborgen tekorten op dit moment ongeveer acht procent van de werkgelegenheid voor leraren en dit loopt op tot maar liefst zestien procent in de G5-gemeenten (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Almere) (Adriaens et al., 2023). Naar verwachting neemt deze krapte de komende jaren toe door een uitstroom van leraren richting pensioen (MinOCW, 2024). Tegelijkertijd wijzen Van Wickeren et al. (2025) erop dat, op basis van de leerling/leraar-ratio, niet gesproken kan worden van een landelijk lerarentekort. De overheid blijft intussen inzetten op het vergroten van het aantal leraren.
Een van de manieren om meer leraren voor de klas te krijgen, is door meer jongeren op te leiden tot leraar basisonderwijs. Ieder jaar beginnen tussen de veertig- en vijftigduizend jongeren met een afgeronde havo-opleiding aan hun vervolgopleiding. De studiekeuze die zij maken, hangt deels samen met economische factoren zoals baankansen, startsalaris en doorgroeimogelijkheden (Karreman et al., 2020). Juist over de arbeidsmarktpositie van leraren bestaat onduidelijkheid bij jongeren: zij gaan er regelmatig van uit dat leraren een laag startsalaris verdienen, maar passen dit beeld aan zodra zij geïnformeerd worden over het daadwerkelijke salaris (Haseth et al., 2024). Dat er onduidelijkheid bestaat over de hoogte van het salaris blijkt zelfs uit officiële communicatie. Zo stuitte een recente campagne van het ministerie om duidelijk te maken dat je in het onderwijs een “serieus salaris” kunt verdienen op veel kritiek van leraren die zich niet in het geschetste beeld herkenden (Van Helvert, 2025).
In dit artikel analyseren we de aantrekkelijkheid van het beroep van basisschoolleraar vanuit het perspectief van de arbeidsmarktkansen. We baseren onze bevindingen op analyses uit het jaarlijkse SEO-onderzoek Studie & Werk. Dit onderzoek brengt de arbeidsmarktpositie van afgestudeerden uit het mbo, hbo en wo in kaart, zowel één als tien jaar na het afstuderen. Daardoor kunnen we de arbeidsmarktpositie van startende leraren en leraren die al langer het beroep uitoefenen, vergelijken met andere afgestudeerden.
Methode
Om de startpositie van pabo-afgestudeerden in kaart te brengen maken we gebruik van administratieve microdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek. We richten ons op de afstudeercohorten tussen studiejaren 2006/07 en 2021/22. Hierdoor kunnen we de ontwikkelingen op zowel korte als middellange termijn inzichtelijk maken. We gebruiken de diplomabestanden van DUO om te bepalen wie in deze periode een hbo-diploma heeft gehaald. Vervolgens koppelen we deze gegevens aan de polisadministratie van UWV, die de gegevens bevat van alle werkenden in loondienst. Dit geeft ons informatie over de baankans en de lonen (zowel uurloon als maandloon) van alle hbo-afgestudeerden. Afgestudeerden die één jaar later als student in het onderwijs staan ingeschreven (doorstudeerders) nemen we niet mee in de analyse.
We vergelijken afgestudeerden van de pabo met afgestudeerden van andere hbo-opleidingen. Daarbij kijken we naar pabo-afgestudeerden die zowel binnen als buiten het onderwijs werken na één en tien jaar. We nemen dit bredere perspectief omdat de opleiding als springplank fungeert voor de verdere carrière. Zo kunnen we analyseren hoe aantrekkelijk de keuze voor de pabo is ten opzichte van andere opleidingen van hetzelfde niveau.
Goede startpositie voor pabo-afgestudeerden
Van het pabo-afstudeercohort 2021/22 heeft 94 procent binnen één jaar een baan, van wie 89 procent een baan in het onderwijs vindt (figuur 1). Voor andere hbo-afgestudeerden is de baankans gemiddeld elf procentpunt lager.

Ook voor eerdere pabo-afstudeercohorten geldt dat tussen de 90 à 95 procent binnen één jaar na afstuderen een baan vond, al lag het percentage van deze cohorten dat een baan in het onderwijs vond lager (69 procent voor afstudeercohort 2011/12). De verbeterde baankansen hangen mogelijk samen met de toegenomen krapte op de arbeidsmarkt voor leraren. Hierdoor is het voor huidige afstudeercohorten eenvoudiger om in het onderwijs een baan te vinden dan voor pabo-afgestudeerden in eerdere cohorten.
Het uurloon van pabo-afgestudeerden is één jaar na afstuderen ongeveer dertien procent hoger dan het uurloon van overige hbo-afgestudeerden (figuur 2). Het afstudeercohort 2021/22 heeft een bruto maandloon van 3.177 euro en een bruto uurloon van 20,94 euro. Hiermee is het bruto maandloon (uurloon) 415 euro (2,42 euro) hoger dan dat van andere hbo-afgestudeerden. Dat het verschil in maandloon relatief groter is dan het verschil in uurloon komt doordat beginnende docenten gemiddeld meer uren werken dan afgestudeerden in andere opleidingsrichtingen.

Dit loonverschil is al langer zichtbaar: voor de vijf voorgaande afstudeercohorten (2016/17–2020/21) lag het bruto maandloon (uurloon) gemiddeld 258 euro (1,58 euro) hoger dan dat voor andere hbo-afgestudeerden. De pabo biedt dus structureel goede arbeidsmarktperspectieven (Van der Ven, 2025).
Positie ook goed op middellange termijn
Een goed startsalaris zegt nog weinig over de verdere loopbaanontwikkeling. Als de baankans van pabo-afgestudeerden groot is, maar werkgevers deze mensen enkel tijdelijke contracten aanbieden, geeft dit minder langeretermijnperspectief. Goede baankansen in het begin gaan dan immers gepaard met onzekerheid over de toekomst. Zo geldt ook dat een hoog startsalaris voor pabo-afgestudeerden niet per se betekent dat er in de toekomst ook sprake zal zijn van salarisgroei. Hierdoor kunnen andere hbo-afgestudeerden op termijn betere mogelijkheden hebben, ook al ligt hun startsalaris lager. Daarom analyseren we ook de kansen op een vast contract en de loongroei van pabo-afgestudeerden in de loop der tijd.
Van het laatste cohort pabo-afgestudeerden (2021/22) heeft ongeveer 73 procent na één jaar werken een vast contract (figuur 3). Dat is fors hoger dan bij andere hbo-opleidingen, waar ongeveer de helft (49 procent) van alle werkende hbo-afgestudeerden na één jaar een vast contract heeft. Daarmee hebben recente pabo-afgestudeerden ook vaker na één jaar een vast contract dan pabo-afstudeerders van tien jaar geleden. De pabo-afstudeerders van tien jaar geleden hadden juist minder vaak een vast contract dan overige hbo-afgestudeerden (23 tegenover 35 procent).

De salarisgroei van pabo-afgestudeerden was de afgelopen jaren bovendien hoger dan voor andere hbo-afgestudeerden. Tien jaar na afstuderen verdienen pabo-afgestudeerden vijf procent meer per uur dan andere hbo-afgestudeerden. Dit is een sterke verbetering ten opzichte van eerdere afstudeercohorten. Het pabo-afstudeercohort uit 2006/07 verdiende namelijk tien jaar na afstuderen gemiddeld een dertien procent lager uurloon dan andere hbo-afgestudeerden. De onderwijssector speelt hierin een belangrijke rol, aangezien tachtig procent tien jaar na afstuderen nog steeds in het onderwijs werkzaam is. Deze bevinding is in lijn met eerder onderzoek dat laat zien dat de afgelopen jaren de salarissen in het onderwijs een inhaalslag hebben gemaakt (Heyma et al., 2024).
De hoogste lonen bij de hoogste tekorten
Idealiter is de arbeidsmarktpositie van leraren niet alleen goed op nationaal niveau, maar ook op regionaal niveau. Vooral voor de G5-gemeenten worden veel maatregelen genomen om meer leraren voor de klas te krijgen. Scholen geven namelijk aan dat het tekort in deze gemeenten het hoogst is, waardoor de vraag naar leraren hoog is (Adriaens et al., 2023). Wat dat betreft zou de arbeidsmarktpositie van leraren in de G5 het aantrekkelijkst moeten zijn. Bij een hoger salaris zijn leraren immers meer bereid om les te geven op scholen met tekorten (Ruijs et al., 2024). Bovendien liggen de kosten van levensonderhoud in deze steden vaak hoger dan daarbuiten. Om die reden is al eerder gepleit voor een toeslag om leraren in de Randstad meer te laten verdienen dan leraren in de rest van het land (Cörvers en De Graaf, 2019).
Om te onderzoeken of regionale verschillen in het lerarentekort ook tot uiting komen in loonverschillen, schatten we een regressiemodel met het uurloon tien jaar na het afstuderen als uitkomstvariabele. Uit deze analyses blijkt dat er nauwelijks een G5-premie is voor leraren (figuur 4). Pabo-afgestudeerden verdienen na tien jaar op basis van een veertig-urige werkweek 130 euro meer per maand als ze in een G5-gemeente werken. Bij de overige hbo-afgestudeerden is dat verschil meer dan twee keer zo groot: zij verdienen 293 euro meer wanneer zij in een G5-gemeente werken. Dit zegt overigens niet dat een pabo-afgestudeerde in een G5-gemeente minder verdient dan een overige hbo-afgestudeerde in de G5 – dat is namelijk niet het geval. Wel is het voor pabo-afgestudeerden dus financieel relatief minder interessant om in een G5-gemeente te gaan werken dan dat voor andere hbo-afgestudeerden is. Dit effect is zichtbaar voor vier van de vijf G5-gemeenten: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht. In Almere verdienen pabo-afgestudeerden fors meer (414 euro per maand), terwijl er voor overige hbo-afgestudeerden geen sprake is van een G5-premie.

Conclusie en discussie
Leraren hebben een goede arbeidsmarktpositie. Direct na het afstuderen verdienen pabo-studenten al jaren hogere lonen ten opzichte van andere hbo-afgestudeerden en hebben een hogere baankans. De kans op een vast contract en het loon op middellange termijn was lange tijd minder goed voor pabo-afgestudeerden, maar dit is in de laatste jaren volledig omgedraaid. Daarmee staan pabo-afgestudeerden er nu op vrijwel alle ‘harde’ aspecten van de arbeidsmarktpositie goed voor.
Wel zijn de regionale loonverschillen voor leraren relatief klein: leraren in een G5-gemeente verdienen weliswaar meer dan die buiten de G5, maar dit verschil is kleiner dan bij overige hbo-afgestudeerden. Uit eerder onderzoek is ook gebleken dat de regionale verschillen in het onderwijs kleiner zijn dan in de marktsector (Van der Werff et al., 2017).
Hoewel de arbeidsmarktpositie belangrijk is, weegt er meer mee bij de keuze voor het beroep van leraar. Op deze gebieden is het beeld vaak minder rooskleurig. Zo werken ongeveer vier op de vijf basisschoolleraren regelmatig over, met een gemiddelde van zeven uur per week. Mede daardoor ervaart meer dan negentig procent van de basisschoolleraren een hoge werkdruk (Van Mensvoort et al., 2023). Ook zorgt agressie op scholen voor negatieve werkomstandigheden voor docenten (Van Arendonk, 2025). Deze problemen worden niet opgelost door hogere uurlonen en vaste contracten. Op dit gebied zijn mogelijk dus stappen te zetten om de aantrekkelijkheid van het beroep van docent te verbeteren.

Literatuur
Adriaens, H., M. Elshout en S. Elshout (2023) Personeelstekorten primair onderwijs. Centerdata. Te vinden op www.rijksoverheid.nl.
Arendonk, F. van (2025) Scholen ervaren steeds meer problemen met agressieve ouders. Bericht op www.nationaleonderwijsgids.nl, 4 maart.
Cörvers, F. en D. de Graaf (2019) Geef leraren een grotestedentoeslag. De Volkskrant, 29 september.
Gerritsen, S. en J. Hartog (2015) De ontwikkeling van rendement op scholing 1962–2012. ESB, 100(4711), 340–343.
Haseth, D., J. Boasman, R. Verhagen et al. (2024) Vooral jongeren hebben perceptie van laag lerarensalaris, burgers en onderwijsprofessionals positiever over beloning. Rapportage beeldvorming beloning leraren. Te vinden op: www.rijksoverheid.nl.
Helvert, M. van (2025) Zoveel verdient een leraar écht: ‘6200 euro? Daarvan kunnen meeste docenten alleen maar dromen’. RTL Nieuws, 24 januari.
Heyma, A., J. van Kesteren en A. Rutten (2024) Arbeidsvoorwaarden publieke sector: Vergelijking arbeidsvoorwaarden tussen overheid, onderwijs, en zorg met andere (private) sectoren. SEO-rapport 2023-154.
Karreman, B., Z. Wang en F. van Oort (2020) Door leenstelsel kiezen havisten vaker studie met hoog verwacht salaris. ESB, 105(4792), 550–553.
Krueger, A.B. en M. Lindahl (2001) Education for growth: Why and for whom? Journal of Economic Literature, 39(4), 1101–1136.
Mensvoort, C. van, E. Luyten en J. Cuppen (2023) Grotere klassen en meer zorgleerlingen: Invloeden van klassenkenmerken op werkdruk, tevredenheid en verzuim. ResearchNed, juni. Te vinden op www.aob.nl.
MinOCW (2024) Feiten en cijfers over leraren en het lerarentekort. MinOCW Statistiek. Te vinden op www.rijksoverheid.nl.
Onderwijsraad (2024) Onderwijs als investering. Onderwijsraad Advies, 26 januari.
Ruijs, N., P. Bles, D. Bransen et al. (2024) Kansrijke interventies om leraren aan te trekken en te behouden. Ontwikkelkracht en Education Lab. Te vinden op www.voion.nl.
Ven, K. van der (2025) Tekortsectoren bieden al jaren het hoogste salaris en de beste baankansen. ESB, 110(4844), 180–182.
Weel, B. ter, T. Stolp en D. de Graaf (2020) Investeren in onderwijs loont. SEO-rapport 2020-40.
Werff, S. van der, C. Biesenbeek en A. Heyma (2017) Wat een leraar in het primair onderwijs verdient. SEO-rapport 2017-06.
Wickeren, S. van, T. van Dijk en M. Schellekens (2025) Het lerarentekort is geen landelijk maar een schoolspecifiek probleem. ESB, te verschijnen.
Auteurs
Categorieën