Ga direct naar de content

Laten we economen breder gaan opleiden

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: december 8 2025

Het economieonderwijs wordt steeds wetenschappelijker ­ingestoken. Er ontwikkelt zich zo een kloof tussen economie­opleidingen en de praktijk buiten het academische werkveld.

In het kort

  • Economen zijn steeds meer een waardevrije doch smalle blik op de economie gaan propageren.
  • Omdat economen waardevrij willen blijven, hameren ze vaker op doelmatigheid en verwaarlozen ze rechtvaardigheid.
  • Een relevante beleidseconoom vermengt kennis van de ­positieve economie met de normatieve economie.

Economie zal door de gemiddelde student vooral gezien worden als een discipline waarmee je concrete problemen in de praktijk kunt analyseren en aanpakken, en niet zozeer als een theoretische tak van sport. Alleen al het carrièrepad van de doorsneestudent wijst in die richting: slechts twee à drie procent van de studenten economie gaat momenteel door in het wetenschappelijk promotieonderzoek (cf. Tieleman et al., 2016). Van die groep verwerft weer een minderheid na afloop van de promotie een baan in de universitaire wereld. Kortom, het overgrote deel van de studenten komt op den duur te werken in de praktijk waar de mores en methodologie van de toegepaste economie geldt (Colander, 2018).

Diezelfde studenten worden evenwel opgeleid om de methodologie van de zuivere economische wetenschap voorop te stellen, waarbij waardeoordelen zo veel mogelijk worden vermeden. De sociale norm onder economen is om weg te blijven van normatieve economie. Zoals Van Damme (2016) deze houding omschrijft: “Economie gaat over hoe dingen zijn, niet over hoe ze horen te zijn.”

Die objectieve insteek klinkt logisch, maar miskent het feit dat er een gat gaapt tussen de ‘waardeneutrale’ wetenschap en de ‘waardegedreven’ praktijk. De praktijk vergt namelijk een brede kijk op economie en samenleving – zowel normatieve als positieve aspecten spelen een rol. En in de praktijk spelen niet-economische factoren vaak een grote rol. Wie alleen met een puur theoretisch-economische bril naar de wereld kijkt en op basis daarvan aanbevelingen doet, loopt het gevaar om een verkoper van halve waarheden te worden. Niet voor niets waarschuwde John Stuart Mill voor een eenzijdige kijk: “A person is not likely to be a good economist who is nothing else.”

Ook binnen het voortgezet onderwijs heeft de economische wetenschap een dominante status in het bepalen van het curriculum. Dat was al zo in de tijd van Heertje (1962) die in zijn eentje de standaard zette met De kern van de economie. Economie is zo tot op de dag van vandaag vooral een voorbereiding op de eisen van vervolgopleidingen, waardoor het onderwijsprogramma – hoe goedbedoeld ook – meer op een cursus ‘hoe leer ik de taal van academische economen’ lijkt, dan een geïnspireerd programma om economie en samenleving te begrijpen, in het groot en in het klein.

In dit artikel ga ik na hoe het economie­onderwijs zich door de geschiedenis van het vak heen gevormd heeft naar deze zuiver wetenschappelijke mal, en bespreek ik hoe deze smalle blik in het economieonderwijs de relevantie van economen in de samenleving kan ondergraven.

Van klassieke liberaal tot smalle econoom

De geschiedenis van het vak laat haar sporen na in het opleiden van economen. In de vroege ontwikkeling van de economische wetenschap trachtten klassiek liberale economen nog voorzichtig te zijn als het op het toepassen van economische theorie aankwam. De negentiende-eeuwse econoom Nassau Senior (1836) heeft die houding – dat beleid niet automatisch volgt wat de wetenschap voortbrengt – nog het meest duidelijk omschreven als: “The business of the Political Economist is neither to recommend nor to dissuade, but to state general principles, which it is fatal to neglect, but neither advisable, nor perhaps practical, to use as the sole, or even the principle guide in het actual conduct of affairs.” Dat recht is in zijn visie voorbehouden aan de staatsman die alle oorzaken die de welvaart beïnvloeden in het vizier heeft, en niet aan de theoreticus die slechts één oorzaak ziet. Een theoretisch model scherpt je intuïtie, maar is en blijft een vereenvoudigd beeld van de werkelijkheid.

Het toepassen van economie op de praktische problemen is wat John Neville Keynes (1891) – vader van John Maynard Keynes – omschreef als ‘the art of economics’: de kunst om beleid te formuleren waarbij de econoom zowel niet-economische elementen meeneemt als de wetenschappelijke inzichten van positieve economie (de werking van de economie) en normatieve economie (morele oordelen) combineert.

De houding van klassiek liberale economen verdween echter ongeveer in de jaren dertig van de vorige eeuw. Het beroemde essay van Lionel ­Robbins (1932) over de economie als wetenschap was voor menigeen de toetssteen van wat een serieuze econoom moet doen en ook niet moet doen. Wetenschappelijke economie moet volgens Robbins een economische analyse niet vermengen met waardeoordelen. Het enige waar het om draait is om de schaarste als drijvende kracht achter menselijk handelen te bestuderen. In 1981 zou hij deze interpretatie echter rechtzetten, en stellen dat hij verkeerd begrepen was met zijn vermeende stelling dat economen waardeoordelen zouden moeten vermijden (Robbins, 1981). Dat gold wat hem betreft alleen voor zuivere economische wetenschap, maar niet voor de toegepaste economie, dus ‘political economy’ oftewel de staathuishoudkunde.

Een dergelijke genuanceerde houding is echter niet meer terug te vinden in het invloedrijke essay van Milton Friedman (1953) over The ­methodology of positive economics, verplichte kost voor iedere Chicago-­econoom. In dit essay stelt hij dat de grote problemen in de wetenschap niet in de normatieve economie schuilen – mensen zijn het wel eens over de belangrijkste doelstellingen. Maar over hoe de economie echt werkt, daar valt volgens Friedman nog een wereld te winnen. Meningsverschillen over de economie komen volgens hem vooral voort uit verschillen in voorspellingen over hoe beleid uitpakt en niet zozeer uit verschillen in waarden. De ethische kant van economie waren zaken waar een ‘echte econoom’ zich niet mee behoorde te bemoeien.

De insteek van Chicago-economen als Milton Friedman, en later Robert Lucas, was om vooral weg te blijven bij activistisch overheidsbeleid en de positivistische economische wetenschap leidend te laten zijn in de vorming van beleid. De economische wetenschap kon volgens Friedman, net als de natuurwetenschappen, harde objectieve kennis genereren.

Met de methodologie die Friedman voorstaat verdwijnt de klassieke liberaal uit Chicago en versmalt het profiel van de econoom – en kruipt volgens Colander en Freedman (2018) de overmoed in de professie. Overmoed waarvan onder andere de kredietcrisis van 2008 het gevolg was. Men was te goedgelovig dat het theoretische bouwwerk ook in de praktijk goed zou werken. Zoals voorzitter Greenspan van de Federal Reserve schoorvoetend moest toegeven waarom de kredietcrisis was ontstaan: “I found a flaw in my ideology.”

Tinbergen voorbij

Ook in Nederland was de veranderende houding van economen merkbaar. Aanvankelijk heerste op Nederlandse economiefaculteiten de modelmatige benadering van Tinbergen en zijn leerlingen, en een pragmatische kijk op de beleidspraktijk. Echter, met de ambitie om aan te haken bij de internationale wetenschap eind jaren tachtig verdwenen langzaam maar zeker de telgen van Tinbergen uit beeld en werden de onderzoekspraktijk en methodologie van Amerikaanse topuniversiteiten als rolmodel gebruikt (Van Dalen en Klamer, 1995). In The making of an economist rapporteerden Klamer en Colander (1990) dat slechts drie procent van de promovendi van de topuniversiteiten in de VS het zeer belangrijk vond om ‘grondige kennis van de economie’ te hebben en 68 procent vond het zelfs gewoonweg ‘onbelangrijk’. Deze ontwikkeling konden we ook terugzien in Nederland en de omarming van de publish-or-perish-cultuur versterkte deze grondhouding (Van Dalen, 2021). De macro-economie als onderzoeksgebied – de moderne staathuishoudkunde – is vandaag de dag zelfs op het tweede plan gekomen. Empirische micro-economische analyses voeren nu de boventoon (Angrist et al., 2017).

De groeiende afstand van de economiefaculteiten tot de staathuishoudkunde veranderde tevens de beleids­praktijk en het -debat in Nederland: academische economen werden minder zichtbaar (Van Dalen, 2021). De internationalisering van de universiteit zou hier ook deels debet aan kunnen zijn. De universiteit is de afgelopen twintig jaar razendsnel van samenstelling veranderd: in 2003 was nog 20 procent van de wetenschappelijke staf binnen economiefaculteiten van buitenlandse origine, in 2023 is dit aandeel opgelopen tot 56 procent (Rathenau Instituut, 2025). Voor de wetenschap lijkt die internationale oriëntatie een goede ontwikkeling, voor het Nederlandse beleidsdebat kan het een verarming betekenen omdat de kennis van Nederlandse instituties of geschiedenis vaak beperkt zal zijn.

De valkuil van een smalle blik

Vanwege de zuiver wetenschappelijke, waardevrije doch smalle blik in het economieonderwijs ligt het gevaar op de loer dat studenten die later in het economische beleidsdomein belanden theoretische overwegingen een groter gewicht geven bij beleidsoverwegingen dan gerechtvaardigd is. Daarnaast is de beleidseconomie naar haar aard niet waardevrij: men moet immers de samenleving of de beleidsmakers in de praktijk overtuigen dat wat men voorstelt of doet het goede is. Omdat economen waardevrij willen blijven, hameren ze daarbij vaker op doelmatigheid en verwaarlozen of negeren ze aspecten van rechtvaardigheid, terwijl in de praktijk het rechtvaardigheidsaspect een gelijke, zo niet een grotere rol speelt in de ogen van kiezers en politici. Voorts is de horizon in de politiek vaak kort en deelbelangen zijn altijd belangrijker dan het algemeen belang waar economen zich op concentreren.

Het is dan ook begrijpelijk dat in het politieke domein vele economische plannen stranden. Het overtuigen van beleidsmakers of burgers vergt een geheel andere overtuigingskracht en inzet dan het overtuigen van eigen vakgenoten. In de wetenschap zit men al snel op één golflengte omdat men (bijna) dezelfde taal spreekt, maar in de praktijk kunnen discussies al snel ontsporen omdat woorden en beelden tellen en partijen op verschillende gedachten zetten. De boodschap die economen over willen brengen is vaak complex en eenvoud is goud in de politiek.

Blinder (2019) stelt in deze context dat academisch gevormde economen zichzelf vaak overbodig maken door slechts in één aspect van de beleidsvoorbereiding mee te doen, te weten de inhoud. Men vergeet dat politici de economische boodschap gebruiken zoals een dronkenman de lantaarnpaal: niet voor de verlichting die het biedt, maar voor de steun. Om de boodschap van economen opnieuw een nuttige plek in de beleidsvoorbereiding te geven, moeten economen zich inlaten met de andere drie aspecten die Blinder (2019) in de beleidsvoorbereiding onderscheidt: het belang van het politieke domein, de marketing van de boodschap, en het proces van overtuigen. Die eendimensionale houding van economen verklaart wellicht ook waarom academische economen niet meer de luis in de pels van regeringen en bedrijfsleven zijn en hoe bijvoorbeeld door overmoedig te leunen op theoretische modellen de financiële crisis van 2008 heeft kunnen ontstaan (Van Dalen, 2011; Colander en Freedman, 2018; Romer, 2020).

Nu zal het bepalen van de precieze vaardigheden die studenten voor de praktijk bijgebracht moeten worden ingewikkeld zijn, maar we kunnen ons oor wel te luister leggen bij welke vaardigheden economen die zelf in de praktijk werken uit ervaring belangrijk vinden. Tabel 1 geeft de belangrijkste eigenschappen van economen die buiten de muren van de universiteit in de praktijk werken (volgens een enquête uit 2015): de geslaagde praktijkeconoom ontwikkelt een brede kijk en wijkt juist af van de academische econoom – terwijl specialisatie de regel is binnen de wetenschap, is dit in de praktijk in veel mindere mate het geval. En terwijl uit de enquêteresultaten in tabel 1 blijkt dat het vormen van een visie op toekomstige ontwikkelingen de belangrijkste vaardigheid is van een econoom in de praktijk, lopen studenten aan tegen de limieten van zuiver wetenschappelijke modellen als middel om vooruit te kijken en een beleidsvisie te ontwikkelen. De valkuil van modelmatig voorspellen is dat men binnen een gesloten systeem nadenkt en dat men een beleidsvisie binnen dat systeem ontwikkelt. Een formeel model is transparant, maar er zijn altijd elementen die buiten beschouwing worden gelaten.

Implicaties voor het onderwijs en beleid

Als economen maatschappelijk relevant willen zijn, moeten ze dus een brede kijk weten te ontwikkelen.De eisen van de toegepaste econoom zijn nog het beste door John Maynard Keynes omschreven in zijn lofprijzing voor Marshall: een econoom moet een combinatie zijn van een filosoof, historicus, wiskundige en staatsman. Met andere woorden, men werkt interdisciplinair en neemt kennis van wat andere wetenschappen te berde brengen. Dichter in de tijd zien we dat ook terug bij Jan Tinbergen (1979). Zijn werkwijze behoudt een brede kijk door dogmatiek en subjectiviteit te minimaliseren, dicht bij de feiten te blijven, in interdisciplinaire teams te werken, en onderwerpen te kiezen die relevant zijn voor de meest belangrijke problemen van de dag.

Die brede kijk op economie en samenleving zouden we als uitgangspunt moeten nemen in het ontwikkelen van een economieopleiding of een -curriculum in het voortgezet onderwijs, en in het verlengde daarvan in het wo en hbo. Daarbij kan de kijk van de klassiek liberale econoom een goede inspiratiebron zijn: die zag beleidseconomie en wetenschap als twee verschillende domeinen of werelden met hun eigen methodologie. Binnen de wereld van de wetenschap worden waardeoordelen zo veel mogelijk vermeden en is de focus gericht op kenniscreatie en -verspreiding. En binnen de wereld van beleidseconomie komen die inzichten tezamen en spelen waardeoordelen uitdrukkelijk een rol in het evalueren en ontwerpen van beleidsopties, zolang men hier maar transparant over is. Niet alle economen hoeven dus volledig neutraal te zijn, en er is niet slechts één soort econoom of één soort economieleer (De Muijnk en Tieleman, 2021).

Zo’n brede kijk op economie kan bijvoorbeeld versterkt worden door in het economieonderwijs aandacht voor filosofie in te bouwen. Vanaf het prille begin zijn deze disciplines immers met elkaar verbonden geweest. De vaders van de economie, Adam Smith en David Hume, waren moraalfilosofen. De aandacht voor ethiek in de economische wetenschap zou ook in het voortgezet onderwijs al gestimuleerd kunnen worden, bijvoorbeeld door maatschappijleer sterker met economie te verbinden. Die diversiteit binnen de economie vergt een bredere insteek van het economieonderwijs.

Een bredere insteek van het economieonderwijs kan ook leerlingen ook enthousiaster maken voor het vakgebied. Vele onderwijscommissies – van Teulings I en II tot Jacobs – hebben zich gebogen over hoe economie in het voortgezet onderwijs anders of beter kan, maar het levert tot nog toe weinig vooruitgang en enthousiasme op (Banning en Canoy, 2016). Onderwijl telt het profiel ‘Economie en Maatschappij’ in het vwo al een aantal jaren een dalende instroom en wordt in populariteit overtroefd door ‘Natuur en Gezondheid’ (MinOCW, 2024). Alfred Marshall stuurde ooit zijn studenten de wereld in met de boodschap “with cool heads, but warm hearts”. Het zou mooi zijn als die intentie in zijn volle rijkdom weer terugkeert in het vak en in het curriculum van menig leerinstelling, van vmbo tot wo.

Getty Images

Literatuur

Angrist, J. et al. (2017) Economic research evolves: fields and styles. The American Economic Review, 107(5), 293–297.

Banning, C. en M. Canoy (2016) Gezocht: een multifocale economische bril. In: L. Bovenberg en F. Haan (red.), Economieonderwijs: Preadviezen 2016. Amsterdam: Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde, p. 71–79.

Blinder, A.S. (2019) The lamppost theory of economic policy. Proceedings of the American Philosophical Society, 163(3), 239–250.

Colander, D. (2018) The scope and method of applied policy economics. The American Economist, 63(2), 132–146.

Colander, D. en C. Freedman (2018) Where economics went wrong: Chicago’s abandonment of classical liberalism. Princeton, NJ: Princeton University Press.

Dalen, H.P. van (2010) De econoom in crisistijd: de tovenaarsleerlling ontwaakt. In J.H. Garretsen, R.M. de Jong-A-Pin en E. Sterken (red.), De economische toekomst van Nederland, KVS Preadviezen. Den Haag: Sdu uitgeversn p. 47 -74

Dalen, H.P. van (2021) How the publish-or-perish principle divides a science: The case of economists. Scientometrics, 126(2), 1675–1694.

Dalen, H.P. van, en A. Klamer (1995) Telgen van Tinbergen: Het verhaal van de Nederlandse economen. Amsterdam: Balans.

Dalen, H. van, A. Klamer en K. Koedijk (2015) De ideale econoom staat onder druk. Artikel op www.mejudice.nl, 16 september.

Damme, E. van (2016) Waarom doceren we ouderwetse economie? In:
L. Bovenberg en F. Haan (red.), Economieonderwijs: Preadviezen 2016. Amsterdam: Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde, p. 161–172.

Friedman, M. (1953) The methodology of positive economics. In:
M. Friedman, Essays in positive economics. Chicago: University of Chicago Press, p. 3–43.

Heertje, A. (1962) De kern van de economie. Leiden: Stenfert Kroese.

Keynes, J.N. (1891) The scope and method of political economy. Londen: Macmillan.

Klamer, A. en D. Colander (1990) The making of an economist. Boulder: Westview Press.

MinOCW (2024) OCW in cijfers. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Muijnk, S. de, en J. Tieleman (2021) Economy studies: A guide to rethinking economics education. Amsterdam: Amsterdam University Press.

Rathenau Instituut (2025) Het aandeel buitenlands wetenschappelijk personeel. Rathenau Instituut Datapublicatie, 14 november.

Robbins, L. (1932) An essay on the nature and significance of economic science. Londen: Macmillan.

Robbins, L. (1981) Economics and political economy. The American Economic Review, 71(2), 1–10.

Romer, P. (2020) The dismal kingdom: Do economists have too much power? Foreign Affairs, 99(2), 150–157.

Senior, N.W. (1836) An outline of the science of political economy. Londen: W. Clowes and Sons.

Tieleman, J., S. de Muijnck, M. Kavelaars en L. Fränkel (2016) De maatschappelijke econoom. In: L. Bovenberg en F. Haan (red.), Economieonderwijs: Preadviezen 2016. Amsterdam: Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde, p. 127–139.

Tinbergen, J. (1979) Recollections of professional experiences. Banca Nazionale del Lavoro Quarterly, 32(131), 331–360.

Auteur

  • Harry van Dalen

    Hoogleraar aan Tilburg University en senior onderzoeker bij NIDI-KNAW

Plaats een reactie