Ga direct naar de content

Langdurige arbeidsuitval door corona

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: januari 29 2026

De coronapandemie had grote directe gevolgen voor de economie. Daarnaast zijn er ook structurele arbeidsaanbodeffecten door langdurige gezondheidsklachten. Hoeveel mensen zijn er door corona langdurig arbeidsongeschikt geraakt? Een indicatie aan de hand van PCR-testdata.

In het kort

  • Na een besmetting daalt het aantal gewerkte uren tijdelijk met veertig procent.
  • Twee jaar na besmetting ontvangt 0,18 procent van de besmette ­personen een WIA-uitkering.
  • Besmettingen tussen juni 2020 en augustus 2021 hebben tot ruim 3.000 extra WIA-uitkeringen geleid.

Corona is niet alleen een gezondheidsprobleem, maar heeft ook duidelijke gevolgen voor de arbeidsmarkt. Op korte termijn viel een aanzienlijk deel van de besmette werkenden tijdelijk uit, omdat zij niet konden of mochten werken. Maar ook op langere termijn is bij een kleine groep sprake van langdurige arbeidsuitval.

In dit artikel becijferen we de langdurige uitval, om beter te begrijpen in welke mate corona het structurele arbeidsaanbod heeft verlaagd en heeft bijgedragen aan de toegenomen WIA-instroom. Vragen die urgent zijn, gezien het opdrogen van het arbeidsaanbod (Ebregt et al., 2022), de aanhoudende arbeidsmarktkrapte (Hasekamp en Scheer, 2024) en hervormingsambities in het arbeidsongeschiktheidsstelsel (Rijksoverheid, 2025).

Data en methode

Door PCR-testgegevens te koppelen aan administratieve data over gewerkte uren en uitkeringen kunnen we het causale effect van een infectie op het arbeidsaanbod en arbeidsongeschiktheid vaststellen (Möhlmann et al., 2026). De analyse is gebaseerd op circa 5,5 miljoen individuen van 18 tot 64 jaar die tussen juni 2020 en augustus 2021 bij de GGD zijn getest. Dat is ongeveer de helft van de Nederlandse beroepsbevolking. In deze periode kon iedereen met klachten zich laten testen bij een testlocatie van de GGD. Deze testgegevens zijn via de microdataomgeving van het Centraal Bureau voor de Statistiek beschikbaar gesteld en gekoppeld aan gewerkte uren en WIA-­uitkeringen. Meer informatie over het databestand CoronIT is te vinden in CBS (2021).

Figuur 1 toont het aantal positieve en negatieve testen per maand in onze data. Tijdens de pieken van de pandemie werden er rond één miljoen testen per maand afgenomen, waarvan tien tot vijftien procent positief was. Uiteindelijk raakte twintig procent van de in deze periode geteste personen minstens een keer besmet.

De schattingen zijn gebaseerd op een difference-in-differences-methode om positief en negatief geteste personen te vergelijken die in dezelfde periode een test aflegden. Daarbij is gecorrigeerd voor persoonskenmerken (zoals leeftijd en geslacht) en tijdseffecten. De figuren in dit artikel laten de oorspronkelijke data zien, nog zonder deze correcties. We kijken naar de eerste test en laten herinfecties buiten beschouwing.

Onze vergelijkingsgroep bestaat uit personen die in de onderzoeksperiode minimaal één keer negatief zijn getest bij de GGD en in die periode nooit positief. We kiezen voor deze groep om beide groepen zo vergelijkbaar mogelijk te houden. Personen met (alleen) negatieve testen hebben waarschijnlijk een soortgelijke testbereidheid en zijn vergelijkbaarder dan personen die nooit gingen testen. Alsnog verschillen onze behandel- en vergelijkingsgroep in sommige kenmerken. Zo is de vergelijkingsgroep gemiddeld iets ouder (39,9 versus 38,5 jaar) en vaker hogeropgeleid (48 versus 41 procent) dan de groep met een positieve test, maar voor deze kenmerken controleren we in de schatting.

Om het effect vast te stellen nemen we aan dat het arbeidsaanbod van positief en negatief geteste personen vergelijkbare trends zouden hebben gehad zonder infectie. De vrijwel parallelle ontwikkelingen in gewerkte uren vóór de test en in het aandeel WIA-uitkeringen in de 24 maanden na de test ondersteunen deze aanname.

Ondanks de hoge betrouwbaarheid van PCR-testen sluit een negatieve test een infectie niet voor honderd procent uit. Een onjuist resultaat leidt ertoe dat een persoon onterecht in de vergelijkingsgroep terechtkomt, wat resulteert in een onderschatting van het gemeten effect.

De gegevens over gewerkte uren zijn zelfgerapporteerd en afkomstig uit de Enquête Beroepsbevolking (EBB), terwijl de informatie over WIA-uitkeringen integraal beschikbaar is uit administratieve data van het CBS.

Kortetermijneffect op gewerkte uren

Direct na besmetting dalen de gewerkte uren fors, maar dit herstelt zich weer snel. Figuur 2 laat zien hoe het aantal gewerkte uren van positief en negatief geteste personen zich ontwikkelt. In de week na een positieve PCR-test ­werken mensen gemiddeld veertig procent minder uren dan vergelijkbare negatief geteste personen: de gewerkte uren dalen van gemiddeld 28 uur naar 17 uur per week. Het herstel volgt snel: na vijf weken liggen de gewerkte uren vrijwel op het niveau van vóór de besmetting.

Een verdiepende analyse laat verschillen per sector zien. In sectoren die fysieke aanwezigheid vereisen – zoals zorg en onderwijs – is de daling groter dan in sectoren waarin eenvoudiger kan worden thuisgewerkt, zoals IT en zakelijke diensten. Dit verschil tussen sectoren suggereert dat de daling in werktijd op korte termijn voornamelijk werd veroorzaakt door contactbeperkingen en in mindere mate door het ziektebeeld zelf. Echter, het verschil zegt niets over de aard van de langdurige arbeidsuitval: de instroom in de WIA twee jaar later betreft juist personen bij wie gezondheidsklachten dermate ernstig waren dat ze werkhervatting binnen twee jaar belemmerden.

Langetermijneffect op arbeidsongeschiktheid

Twee jaar na de test verhoogt een besmetting de kans op een WIA-uitkering met 0,18 procentpunt extra ten opzichte van de controlegroep. Dit kunnen personen zijn met langdurige long-COVID-klachten of personen met andere bestaande aandoeningen die door de infectie opnieuw zijn geactiveerd of verergerd. In beide gevallen ligt de oorzaak van de instroom in de WIA bij de corona-infectie twee jaar geleden.

Het snelle herstel van gewerkte uren bij de meeste besmette werkenden en de latere toename in WIA-instroom lijken op het eerste gezicht tegenstrijdig, maar beschrijven verschillende groepen. Voor de grootste groep is corona een tijdelijke verstoring. De verhoogde WIA-instroom wordt veroorzaakt door een kleine minderheid bij wie klachten langdurig aanhouden, en deze groep is te klein om met onze methode een statistisch significant effect in de gewerkte uren op lange termijn te meten.

Figuur 3 toont voor beide groepen – positief en negatief geteste – het aandeel personen met een WIA-uitkering. Voor negatief geteste personen lag dit aandeel aanvankelijk hoger door samenstellingseffecten: ouderen hebben vaker een WIA-uitkering, en deze groep is oververtegenwoordigd onder de groep met een negatieve test. In de eerste 23 maanden na de test ontwikkelen beide groepen zich ongeveer gelijk. Vanaf maand 24 is alleen bij de positief geteste groep een duidelijke stijging zichtbaar.

Dat het aantal WIA-uiterkingen na twee jaar duidelijk stijgt, sluit aan bij de Nederlandse systematiek van loondoorbetaling bij ziekte: werknemers komen pas twee jaar na de eerste ziektedag in aanmerking voor een WIA-­uitkering; tot die tijd betaalt de werkgever het loon door of is er recht op een Ziektewet-uitkering. Als werknemers binnen vier weken na werkhervatting opnieuw uitvallen, schuift de wachtperiode niet op. In principe zijn alle werknemers in loondienst verzekerd voor arbeidsongeschiktheid en kunnen zij na twee jaar een WIA-uitkering aanvragen. Na een aanvraag vindt een keuring plaats en wanneer de resterende verdiencapaciteit lager of gelijk is aan 65 procent wordt de WIA-uitkering toegekend.

De extra WIA-instroom komt neer op ruim 3.000 extra uitkeringen als gevolg van besmettingen tussen juni 2020 en augustus 2021. Dit is ongeveer zeven procent van de instroom in de WIA in een regulier jaar (in 2019 was de totale instroom bijvoorbeeld 45.800;  UWV (2020)). Een deel van de werkenden, bijvoorbeeld zelfstandigen, heeft geen recht op een WIA-uitkering. Als we hiervoor corrigeren, blijkt dat 0,24 procent van alle besmette werkenden langdurig arbeidsongeschikt raakt.

Het effect van een besmetting op de kans op een WIA-uitkering neemt sterk toe met de leeftijd: bij 18- tot 24-jarigen vinden we vrijwel geen effect (dit komt deels ook doordat jongeren zonder baan geen recht op WIA hebben), terwijl bij 55- tot 64-jarigen het effect ruim 0,4 procentpunt bedraagt. Over het algemeen genomen is onze testpopulatie jonger dan de gehele beroepsbevolking, waardoor de effecten op arbeidsongeschiktheid in werkelijkheid mogelijk iets groter zijn.

Conclusies

Werkenden die tussen juni 2020 en augustus 2021 met corona besmet raakten, werkten hierdoor in de weken daarna tot ongeveer veertig procent minder uren en hadden twee jaar later circa 0,18 procentpunt meer kans op een WIA-uitkering. Dit komt neer op ruim 3.000 extra WIA-uitkeringen. De schattingen vormen een ondergrens: het onderzoek bevat alleen eerste besmettingen tot de zomer van 2021, terwijl de eerste golf, en ook latere varianten en herinfecties, buiten beschouwing blijven. Ook geeft de studie geen inzicht in mensen met langdurige klachten die geen WIA-uitkering ontvangen, omdat zij binnen twee jaar weer konden werken of omdat zij onder de drempel van 35 ­procent arbeidsongeschiktheid vielen. Ook deze gevallen leiden waarschijnlijk tot lagere inzetbaarheid of productiviteit. Wel geven de cijfers een inschatting van het potentiële extra arbeidsaanbod indien de groep die na besmetting langdurige arbeidsongeschiktheid heeft ontwikkeld weer succesvol kan re-integreren.

In Nederland zorgen de twee jaar loondoorbetaling bij ziekte voor sterke re-integratieprikkels bij werkgevers. Het ligt voor de hand dat de langdurige arbeidsuitvaleffecten groter zijn in landen met minder prikkels. Internationaal vergelijkend vervolgonderzoek kan meer inzicht bieden in de effectiviteit van het Nederlandse systeem.

Getty Images

Literatuur

CBS (2021) GGD-testdata: 6,7 miljoen mensen deden minstens één coronatest. CBS Statistiek, 21 juni.

Ebregt, J., E. Jongen en B. Scheer (2022) Groei beroepsbevolking gaat sterk afvlakken. Artikel op esb.nu, 13 oktober.

Hasekamp, P. en B. Scheer (2024) Krappe arbeidsmarkt vraagt om keuzes: Beschouwing bij het Centraal Economisch Plan 2024. CPB, februari.

Möhlmann, J., T. Verlaat en B. Vogt (2026) Lasting impacts: COVID-19 infections and their effects on labor supply and disability insurance. CPB Discussion Paper.

Rijksoverheid (2025) IBO Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

UWV (2020) UWV jaarverslag 2019. UWV, 23 april.

Auteurs

  • Jan Möhlmann

    Onderzoeker bij het Centraal Planbureau

  • Timo Verlaat

    Onderzoeker bij het Centraal Planbureau

  • Benedikt Vogt

    Senior analist bij de German Federal Financial Supervisory Authority (BaFin)

Plaats een reactie