De economische impact van de oorlog in Iran is beperkter dan die bij eerdere grote energieprijsschokken. Dat komt door de afgenomen olieafhankelijkheid van moderne economieën en een groter aanpassingsvermogen.
In het kort
- De oorlog in het Midden-Oosten heeft relatief beperkte effecten op groei en inflatie, ondanks de grote olieprijsschok.
- De impact wordt beperkt door verminderde olieafhankelijkheid, strategische reserves en diversificatie van het olieaanbod.
De oorlog in het Midden-Oosten gaat volgens het International Energy Agency gepaard met de grootste verstoring van het energieaanbod ooit (IEA, 2026a). Door de blokkade van de Straat van Hormuz en beschadigde energieproductiefaciliteiten in het Midden-Oosten is in korte tijd twintig procent van het mondiale olieaanbod weggevallen – historisch veel (figuur 1) – en ongeveer een vijfde van de wereldwijde gasexport. Als gevolg hiervan is de olieprijs sterk toegenomen (figuur 2).
Figuur 1: Weggevallen aanbod van olie per dag als percentage van wereldwijde olieproductie

Figuur 2: Olieprijs

Data: Macrotrends; CBS | ESB
Toch zijn de economische gevolgen vooralsnog beperkt gebleven, vergeleken met eerdere grote energieprijsschokken (DNB, 2026a; ECB, 2026). Ook ligt de reële olieprijs niet hoger dan na eerdere olieprijsschokken (figuur 2, oranje lijn). De sterkste effecten worden in Azië gevoeld, waar in sommige landen het olie- en gasgebruik wordt gerantsoeneerd en economische activiteiten worden ingeperkt. Voor Europa, en ook Nederland, wordt dit jaar gerekend op een groeivertraging, maar niet op een recessie. Ook blijft het inflatie-effect beperkt. Daar mee lijkt de impact beduidend kleiner dan bij de oliecrises in de jaren zeventig en de gasprijsschok in 2022. De sterk gestegen olieprijs leidde vijftig jaar geleden tot stagflatie en ook in 2022 steeg de inflatie flink (DNB, 2022).
Verklaringen beperktere economische impact
Er zijn vier verklaringen waarom economieën minder gevoelig zijn geworden voor olieprijsschokken. Allereerst is de oliemarkt veerkrachtiger dan in de jaren zeventig door de opbouw van strategische reserves en internationale coördinatie. Na de oliecrises van de jaren zeventig hebben de grote olie-importerende landen strategische voorraden aangelegd. Die dienen als buffer, naast de reservecapaciteit bij producenten. Het Internationaal Energieagentschap, opgericht in 1974, speelt een cruciale coördinerende rol bij verstoringen. Via afspraken over vraagbeperking en collectieve inzet van voorraden kan een plotseling aanbodtekort deels worden opgevangen (IEA, 2026b). In recente crises – waaronder de huidige situatie – wordt deze buffer ook daadwerkelijk op grote schaal gebruikt. IEA-lidstaten hebben gezamenlijk circa 400 miljoen vaten uit hun voorraden op de markt gebracht, wat op korte termijn voor extra olieaanbod zorgt (IEA, 2026b). Dit voorkomt dat fysieke tekorten tot gedwongen productiestops leiden.
Ten tweede is het mondiale olieaanbod de afgelopen decennia diverser en flexibeler geworden. Hierdoor kan uitval van olieaanbod in de ene regio sneller worden gecompenseerd door extra productie elders. Het aandeel van producenten uit het Midden-Oosten in de wereldwijde olieproductie is gedaald tot minder dan een derde, terwijl nieuwe bronnen buiten die regio flink aan belang hebben gewonnen (EIA, 2023). Ook zijn de infrastructuur en marktintegratie verbeterd, door uitgebreidere pijpleiding- en terminalcapaciteit en liquide spotmarkten. Daardoor kan olie sneller worden omgeleid naar markten waar tekorten ontstaan. Vooral de opkomst van schalieolie in de Verenigde Staten, zo’n vijftien jaar geleden, heeft de aanpassingscapaciteit vergroot. De VS is inmiddels de grootste producent ter wereld en deze kort-cyclische productie kan relatief snel worden opgeschaald bij een aanbodschok (Goldman Sachs, 2023). De toegenomen diversificatie en flexibiliteit zorgt ervoor dat aanbodschokken minder snel tot langdurige fysieke tekorten leiden.
Een derde verschil met de jaren zeventig is de sterk gedaalde olie-intensiteit van de economie (figuur 3). Hoewel het totale energieverbruik is toegenomen, is het bruto binnenlands product (bbp) harder gegroeid, waardoor per euro bbp steeds minder energie wordt gebruikt. Tegelijkertijd is olie een kleiner onderdeel van de energiemix geworden, waardoor de olie-intensiteit nog sterker is gedaald. Bovendien daalt de olie-intensiteit niet alleen tijdelijk, maar ook structureel na een negatieve aanbodschok (figuur 3). Zo is Nederland sinds het begin van de jaren zeventig voor de productie van goederen en diensten ongeveer zeventig procent minder afhankelijk geworden van olie (DNB, 2026b). Dit komt door efficiëntere productieprocessen, de opkomst van andere energiebronnen en verduurzaming. Maar ook door structurele veranderingen in de economie, zoals het afgenomen belang van de industrie ten opzichte van diensten. Dat heeft de substitutie van olie naar andere energiedragers bevorderd. Daarnaast is ook het niet-energetisch gebruik van olie (bijvoorbeeld als grondstof) gedaald (Eurostat, 2026).
Figuur 3: Energie- en olie-intensiteit economie

Ten vierde zijn huishoudens en bedrijven minder gevoelig voor energieprijsschokken geworden. Door de stijging van het algemene prijspeil en nominale inkomens in de afgelopen decennia heeft eenzelfde prijsstijging van olie nu een kleiner effect op besteedbare inkomens dan vroeger. Daarnaast is het aandeel van energie in de consumptie van huishoudens gedaald (Eurostat, 2025), mede doordat huishoudens hun gasverbruik hebben teruggebracht (DNB, 2025). Ook hebben huishoudens geïnvesteerd in verduurzaming, waardoor ze minder kwetsbaar zijn voor energieprijsstijgingen (CPB, 2026a). Dat beperkt de doorwerking van de gestegen olieprijs naar de economie via het vraagkanaal. Tegelijkertijd zorgt de afgenomen olie-energie-intensiteit ervoor dat bedrijven minder gevoelig zijn voor hogere energiekosten, waardoor de doorwerking via het kostenkanaal ook beperkter is.
Verder versterken weerbaarheid
De afgenomen olieafhankelijkheid betekent niet dat de economische impact van de recente prijsschok per definitie beperkt is. Zo neemt vanwege de hogere energieprijzen de koopkracht van huishoudens af, waarbij met name lagere inkomens kwetsbaar zijn. Ook energie-intensieve sectoren en kleinere bedrijven, die afhankelijk zijn van import uit de Golfregio, zien hun kosten oplopen (CPB, 2026b).
Maar macro-economisch bezien is de economie een stuk weerbaarder geworden voor grote energieprijsschokken dan in het verleden. Dat betekent ook dat de noodzaak voor brede en generieke compensatiemaatregelen minder evident is. Eerdere episodes, zoals in 2022, laten zien dat steunmaatregelen effectief maar kostbaar kunnen zijn en dat gerichte steun effectiever is voor kwetsbare huishoudens en minder inflatoir werkt (DNB, 2025). Een les hiervan is dat eventuele overheidsmaatregelen tijdig, tijdelijk en gericht moeten zijn, zodat ze terechtkomen bij de meest kwetsbare huishoudens en bedrijven, zonder de aanpassingsmechanismen van de economie te verstoren.
Om de kwetsbaarheid voor schokken verder te verkleinen, kan het beleid structurele, transformatieve, aanpassingen stimuleren die de energietransitie bevorderen. De oliecrises van de jaren zeventig hebben investeringen in energie-efficiëntie en alternatieve energiebronnen in gang gezet. Dat heeft bijgedragen aan de lagere olie-intensiteit (RVO, 2024). Een les uit die periode is dat het doen van dergelijke investeringen cruciaal is om de weerbaarheid tegen toekomstige energieprijsschokken te vergroten.
Conclusie
Hoewel de oorlog in het Midden-Oosten een groote olieaanbodschokken veroorzaakt, is de economische impact in Europa vooralsnog beperkt. Tijdelijke en gerichte steun kan helpen, mits die de aanpassingsmechanismen van de economie niet verstoort. De mate waarin economieën bestand zijn tegen toekomstige energieprijsschokken hangt uiteindelijk af van hun vermogen zich aan te passen en hun afhankelijkheden te verminderen.

Literatuur
CPB (2026a) Inkomenseffecten van hogere energie- en brandstofprijzen. Publicatie, 18 juni.
CPB (2026b) De economische impact van hogere energieprijzen door de Iranoorlog. Publicatie, 16 april.
DNB (2022) Hoge inflatie, maar context anders dan in de jaren zeventig. Achtergrond, 28 juli.
DNB (2025) Energie-inflatie: De impact van de energiecrisis op huishoudens. DNB Analyse, 3 juli.
DNB (2026a) Voorjaarsraming 2026. DNB Ramingen, 12 juni.
DNB (2026b) Olieprijs stijgt: de gevolgen in perspectief. DNB Achtergrond, 27 mei.
ECB (2026) Macroeconomic projections. ECB, juni.
EIA (2023) Oil and petroleum products explained: where our oil comes from. Statistiek.
Eurostat (2025) HICP – item weights (1996–2025). Eurostat Data Browser, 20 augustus. Te vinden op ec.europa.eu.
Eurostat (2026) Supply, transformation and consumption of oil and petroleum products – monthly data. Eurostat, Data Browser, 22 juni. Te vinden op ec.europa.eu.
Goldman Sachs (2023) US shale: the marginal supplier matures. Goldman Sachs Global Investment Research, 22 oktober. Te vinden op www.gspublishing.com.
IEA (2026a) 2026 Energy crisis policy response tracker. IEA Overview, 12 juni.
IEA (2026b) Oil security and emergency response: Ensuring quick and effective response to major supply disruptions. Informatie.
RVO (2024) Historische beslissingen in het energiedomein met een grote impact. Publicatie.
Auteurs
Categorieën