De energietransitie is een ingeburgerd begrip en staat nauwelijks meer ter discussie. Dat was wel anders toen Annemarie Jorritsma, minister van Economische Zaken, 25 jaar geleden op het podium sprong om zich te presenteren als transitiemanager. Inmiddels zal echter niemand meer ontkennen dat er sprake is van hele fundamentele, chaotische en schoksgewijze veranderingen in ons energiesysteem: de definitie van transitie.
Terwijl Jorritsma en de Rijksoverheid de transitie naar zich toetrokken, beperkten zij de interpretatie ervan. Het begrip werd ooit geïntroduceerd vanuit het besef dat een centraal en fossiel energiesysteem op termijn onhoudbaar is en het zich dus wel zou moeten aanpassen. Het beleid zette echter vooral in op het beperken van de fossiele afhankelijkheid: de ‘manager van de transitie’ bleef uitgaan van een centraal (gestuurd) systeem. Het gevolg van deze beperkte transitie-interpretatie is dat de overheid, met alle bestaande partijen, al decennia primair inzet op technologische substitutie binnen het bestaande energiesysteem.

Het probleem is dat we door deze beperkte transitie-aanpak nog altijd zitten met de logica van ons op fossiele brandstoffen geënte, sterk gecentraliseerde, bestaande energiesysteem. Dat schrijft voor dat alles en iedereen moet worden aangesloten op het netwerk van (koperen) leidingen, oftewel de ‘koperen plaat’, dat de levering van energie extreem betrouwbaar moet zijn én je zoveel energie moet kunnen krijgen als je wil, dat aan die consumptie door overheid en markt verdiend wordt, en dat de investeringen kostenefficiënt moeten zijn.
Het wordt steeds duidelijker dat die logica niet houdbaar is. Netcongestie, conflicten over ruimtelijke inpassing: overals piept en kraakt het. En ondertussen lopen de kosten voor gebruikers en samenleving almaar op (Thijsen et al., 2025; SIL, 2025), terwijl er tegelijkertijd geld aan het systeem wordt onttrokken via de belastinginkomsten en bedrijfswinsten.
Gelukkig is er intussen een hele andere logica ontstaan: die van decentrale systemen in democratische handen, waarin het principe is om zo min mogelijk energie (en dus grondstoffen en ruimte) te gebruiken, waardoor de afhankelijkheid van andere landen, investeerders of machthebbers enorm afneemt. Denk bijvoorbeeld aan een buurtbatterij gekoppeld aan lokale zonnepanelen of energy hubs op bedrijventerreinen. Dergelijke decentrale energiesystemen, waarbij er in principe geen winst of belasting het systeem uit hoeft, zijn in potentie voor gebruikers veel goedkoper.
Maar zo’n duurzaam en democratisch energiesysteem betekent wel een verlies aan controle en macht op centraal niveau en een stuk minder inkomsten voor staat en markt. Het past bovendien slecht in bestaande regels, procedures en beleidsbenaderingen. De dominante beweging blijft dan ook om te blijven optimaliseren binnen de alles overheersende economische logica en spelregels die zijn ontwikkeld voor het centrale (en fossiele) energiesysteem. Om de decentrale potentie echt tot wasdom te laten komen, zijn fundamentele wijzigingen nodig in bijvoorbeeld belastingen, aansluitregels, transporttarieven, beprijzing en regelgeving in de bouw (Drift, 2025). Regels die alleen vanuit de ‘gevestigde orde’ aangepast kunnen worden om zo het speelveld gelijk te trekken en om decentraal een eerlijke kans te geven.
Aan de juiste randvoorwaarden voor een decentraal systeem wordt gelukkig steeds harder gewerkt (Rooijers, 2025), maar de komende jaren vergt het politieke besluiten op allerlei niveaus om de beschermingslaag van het oude af te bouwen en de nieuwe context te scheppen. Dat vraagt ook om een nieuw economisch perspectief: er valt immers beperkt aan decentrale systemen te verdienen omdat ze duurzaam en sociaal zijn. En politici hebben wel het vertrouwen nodig dat de investeringen in deze energiesystemen zich uitbetalen. Laten economen zich daar eens op werpen: hoe krijgen we decentrale energiesystemen (financieel) van de grond?
Literatuur
Drift (2025) Het decentrale manifest: De rem eraf. Manifest op drift.eur.nl.
Rooijers, E. (2025) Op bedrijvenpark Pannenweg kunnen ondernemers eindelijk de ruimte op het stroomnet delen Het Financieele Dagblad, 26 november.
SIL (2025) Hulp bij systeempijn: Uitdagingen voor de transformatie van de Nederlandse basisindustrie, en vier stoutmoedige ideeën. Rapport van het Sustainable Industry Lab, te vinden op sustainableindustrylab.nl.
Thijssen, M., K. Kreulen en J. Gubbels (2025) De netto maatschappelijke kostprijs van netcongestie. Rapport Ecorys, te vinden op open.overheid.nl.
Auteur
Categorieën