Ga direct naar de content

Koppeling AOW-leeftijd aan gemiddelde levensverwachting zorgt voor zeer ongelijke uitkeringsduur

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 4 2026

Volgens het regeerakkoord 2026 wordt vanaf 1 januari 2033 de AOW-leeftijd een-op-een gekoppeld aan de gemiddelde levensverwachting. Het doel is helder: als mensen langer leven, kunnen zij ook langer werken en blijft het pensioenstelsel financieel houdbaar, ook tegen de achtergrond van de opkomende vergrijzing. Het lijkt een logische maatregel, maar het reduceert iedereen tot één enkel gemiddelde en negeert substantiële verschillen tussen bevolkingsgroepen.

Gemiddelden als beleidsinstrument

De huidige systematiek is gestoeld op een AOW-leeftijd die afhankelijk is van de ontwikkeling van de gemiddelde levensverwachting van de totale bevolking. Dat is vanuit beleid relatief eenvoudig en voor de politiek overzichtelijk. Het is het echter ook een weinig specifieke benadering.

De extra levensjaren die in statistieken zichtbaar worden, zijn namelijk ongelijk verdeeld naar sociaal-economische status, opleidingsniveau, inkomen, beroep en gezondheid. Diverse analyses van het Centraal Bureau voor de Statistiek laten zien dat de levensverwachting bij 65 jaar sterk verschilt naar sociaaleconomische status, met verschillen van meerdere jaren (CBS, 2020–2024) .

De koppeling aan het gemiddelde leidt daarom tot aanzienlijke verdelingseffecten: laagopgeleiden en mensen in fysiek zware beroepen ontvangen relatief minder AOW-jaren, terwijl hoogopgeleiden en mensen in lichtere beroepen juist profiteren qua AOW jaren (Bolhaar et al., 2017). De WRR (2018) benadrukt bovendien dat hoger opgeleiden niet alleen langer leven, maar ook meer jaren in goede gezondheid doorbrengen, terwijl lager opgeleiden vaker gezondheidsproblemen hebben rond de pensioengerechtigde leeftijd. Voor deze groepen betekent een stijgende AOW-leeftijd dat zij langer moeten doorwerken, vaak in slechte gezondheid, voor een kortere uitkeringsperiode. Bovendien hebben deze groepen minder de mogelijkheid om via spaargeld of aanvullend pensioen eerder met pensioen te gaan (Ter Weel et al., 2017)

De ongelijke levensverwachting werd door de overheid onderkent en met sociale partners nader uitgewerkt in de tijdelijke vroegpensioenregeling voor zwaar werk van het pensioenakkoord uit 2019, die in 2025 werd gecontinueerd (Rijksoverheid.nl, 2024). Maar dergelijk flankerend beleid is niet geïntegreerd in de AOW-regeling, en alleen van toepassing als werkgevers en vakbonden er aan de cao-tafel uitkomen.

Flexibele koppeling aan de hand van risicostratificatie

Een alternatief voor de strikte een-op-een koppeling is een flexibele koppeling van de AOW-leeftijd aan levensverwachting via risicostratificatie, zoals toegepast in de gezondheidszorg. Hierbij wordt niet één bevolkingsgemiddelde gehanteerd, maar wordt rekening gehouden met de verschillen in levensverwachting tussen groepen op basis van groepspecifieke criteria.

In de gezondheidszorg worden behandelingen en preventieve interventies steeds vaker afgestemd op individuele risico- en gezondheidsprofielen (‘personalized medicine).

Net als bij ‘personalized medicine’ kan risicostratificatie bij de AOW de beleidsinterventie preciseren: de AOW-leeftijd kan flexibel worden aangepast, bijvoorbeeld door het criterium van beroepsdifferentiatie waarbij werknemers in fysiek zware of stressvolle beroepen eerder met AOW kunnen, terwijl lichtere beroepen langer doorwerken via een hogere koppelingsvoet. Risicostratificatie kan nog verder gespecificeerd worden via sociaaleconomische differentiatie waarbij groepen met een structureel lagere levensverwachting en/of minder gezonde jaren eerder toegang tot de AOW krijgen. Groepen met hogere risico’s op een kortere gezonde levensduur krijgen dan eerder toegang (en dus een lagere koppelingsvoet), terwijl anderen langer doorwerken (hogere koppelingsvoet). Dit bevordert het gevoel van rechtvaardigheid en daarmee draagvlak als ook efficiëntie waarbij gedacht kan worden aan voorkomen uitval, arbeidsongeschiktheid en zorgkosten.

Risicostratificatie is complex met potentieel lastige discussies over de criteria waarop de koppeling gebaseerd moet zijn en wellicht ook over privacy. En in tegenstelling in de gezondheidszorg spelen bij risicostratificatie in de AOW-discussie ook normatieve waarden een rol., zoals de mate van solidariteit of discussie omtrent gelijkheid van uitkomsten versus kansen: wil men dat iedereen evenveel AOW-jaren ontvangt (uitkomst), of dat iedereen de kans krijgt een eigen levensloop optimaal te benutten? Ook de uitvoering zal complexer worden en extra kosten meebrengen (FD, 2018). Daartegenover staat echter breed gepercipieerde eerlijke verdeling en mogelijke besparing van maatschappelijke kosten in de vorm van zorg-, en ziektekosten en WIA-instroom als gevolg van zware arbeid. En met de voortschrijdende technologische innovatie, zoals in de vorm van kunstmatige intelligentie, kunnen de complexiteit en de uitvoeringskosten dalen.

Conclusie

De voorgenomen een-op-een koppeling van de AOW-leeftijd aan de gemiddelde levensverwachting per 1 januari 2033, zoals vastgelegd in het regeerakkoord 2026, is beleidsmatig relatief eenvoudig, maar sociaal problematisch. Een flexibele koppeling via risicostratificatie, analoog aan de principes van ‘personalized medicine’, biedt een alternatief waarbij lasten en baten evenwichtiger tussen bevolkingsgroepen worden verdeeld – essentieel voor de legitimiteit en dus het draagvlak voor het pensioenbeleid in een vergrijzende samenleving.

Literatuur

Bolhaar, J., R, Dillingh en D. van Vuuren (2017) Langer doorwerken: keuzes voor nu en later. CPB Policy Brief, 2017/10.

CBS (2020–2024) Levensverwachting en gezonde levensverwachting naar inkomen, opleiding en welvaart; zie o.a. StatLine en themadossiers over sociaaleconomische gezondheidsverschillen.

FD (2018) Koppeling AOW-leeftijd aan opleidingsniveau lastig uitvoerbaar. Het Financieele Dagblad, 31 juli.

Rijksoverheid (2024) Akkoord over vroegpensioen zwaar werk en gezond doorwerken. Nieuwsbericht, 18 oktober.

Weel, B. ter, L. Kok, L. Kroon en A. van Soest (2017) Gevolgen flexibele AOW-leeftijd. Rapport SEO Economisch Onderzoek, 2017-48.

WRR (2018) Van verschil naar potentieel. Een realistisch perspectief op de sociaaleconomische gezondheidsverschillen. WRR-Policy Brief 7.

Auteur

  • Eddy Adang

    Universitair hoofddocent aan de Radboud Universiteit Nijmegen

Categorieën

1 reactie

  1. Jesse J de Haan
    1 week geleden

    Helder betoog en wellicht technisch, in theorie en zonder gedragseffecten een logisch idee, maar in de praktijk waarschijnlijk niet. Gezonde levensjaren zijn afhankelijk van veel verschillende inputs, deels gedetermineerd (genetisch, opvoeding), deels te beïnvloeden door de overheid en deels afhankelijk van persoonlijke keuzes en inzet. Risicostratificatie op basis van sociaal-economische status is daarom een slecht idee. Vooral omdat het de prikkels tot gezondheidsbevordering voor het individu en de overheid wegneemt.

    Je stipt zelf de discussie rondom solidariteit en gelijkheid omtrent uitkomsten versus kansen al aan. Ik zou het eerder een puur nivellerende maatregel noemen, die individuen met betere inputs (al dan niet zelf veroorzaakt) belast. Geen gezonde levensjaren overhouden bij de aanvang van de pensioensleeftijd is soortgelijk aan het niet genoeg verdienen en nooit (kunnen) sparen en opbouwen van vermogen. Wellicht onwenselijk, daarom bestaat er een nivellerende inkomensbelasting, maar in ieder geval een logisch gevolg van gedetermineerde inputs en individuele keuzes. Er is een optimaal belastingniveau om werken niet te ontmoedigen, risicostratificatie ontmoedigt de inzet op gelijke kansen van de overheid. Nog een interessante notie hierbij: vrouwen leven gemiddeld langer dan mannen, deels vanwege genetische aanleg, deels vanwege gezonder gedrag. Moeten mannen om deze reden dan een hoger pensioen krijgen?
    Het zwaarder belasten van gezond leven of licht werk zorgt dan vervolgens wel voor prikkels om ongezonder te leven of te werken, en is daarom een slecht idee, ook omdat er nog zoveel te winnen is bij gezondheidsbevordering. Laten we de focus bij de inzet op preventie, zoals de suikertaks en gelijke kansen vanaf jonge leeftijd houden.

    Tot slot, risicostratificatie op basis van beroepszwaarte is dan weer niet heel veel anders dan de huidige RVU-regeling, die ook tegen het gebrek aan een goede definitie van zware beroepen aanloopt. De sociale partners hebben afgesproken om 15.000 vroeg-pensionado’s per jaar als signaalwaarde van te veel gebruik aan te houden. Voor zo’n relatief kleine doelgroep lijkt het risicostratificatie-instrument een te grove maatregel. Zwaar werk en gezondheidsverschillen worden in de media de afgelopen dagen al aangehaald als redenen om niet mee te gaan in de AOW-verhoging, terwijl de focus zou moeten liggen op hoe we iedereen zo gezond mogelijk houden tot en na de pensioengerechtigde leeftijd.

Plaats een reactie