Ga direct naar de content

Kabinet-Jetten dreigt hypotheekrenteaftrek voor hogere inkomens verder te verhogen

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: maart 12 2026

De hypotheekrenteaftrek voor hogere inkomens is sinds 2023 gekoppeld aan het tarief in de tweede schijf. Als de compenserende lastenverzwaring voor het eigen risico wordt vormgegeven via een verhoging van de tweede schijf, dreigen hogere inkomens meer aftrek te krijgen. Het kabinet-Jetten kan dit voorkomen door deze aftrek los te koppelen van de tweede schijf en uit te gaan van een vast percentage.

Voor velen is de woonparagraaf van het kabinet-Jetten een teleurstelling. Peter Boelhouwer van de TU Delft geeft aan dat het nieuwe regeerakkoord met een valse start op de woningmarkt begint door de fiscale behandeling van het eigen huis ongewijzigd te laten en geen extra middelen voor woningbouw vrij te maken.

Maar de situatie lijkt erger: in de CPB-doorrekening van het coalitieakkoord wordt aangegeven dat het kabinet-Jetten de hypotheekrenteaftrek ‘verruimt’ (CPB/PBL (2026, blz. 18) en De Vos, 2026). Het CPB neemt aan dat de verhoging van het eigen risico tot 520 euro in 2030 gecompenseerd wordt met een extra belastingverhoging van bijna een procentpunt in de eerste en tweede schijf van de loon- en inkomstenbelasting. Omdat sinds 2023 de hypotheekrenteaftrek wordt afgetrokken tegen het tarief in de tweede schijf betekent dit dat de hogere inkomens een ruimere renteaftrek krijgen.

En mogelijk gaat die aftrek nog verder verruimd worden. Door het coalitieakkoord stijgt het aandeel mensen in armoede namelijk met 0,2 procentpunt naar 2,7 procent (CPB/PBL, 2026, blz. 13). Volgens de doorrekening komt dit door de lastenverzwaring als gevolg van het grotendeels achterwege blijven van de tabelcorrectiefactor en de schijftarieven in box 1. Vooral het hogere tarief in de eerste schijf resulteert in een lager sociaal minimum en daarmee samenhangende uitkeringen. Onder druk van de Tweede Kamer heeft het kabinet toegezegd om de armoedecijfers niet te laten stijgen tijdens de komende kabinetsperiode. Ook omdat het kabinet met een grote boog om het toptarief en andere belastingen zoals op vermogen heenloopt, ligt het dan voor de hand om het tarief eerste schijf iets minder te laten stijgen dan de tweede schijf. Dat heeft echter als gevolg dat hogere inkomens nog meer hypotheekrente kunnen aftrekken.

Déjà vu

Deze discussie roept bij mij een déjà vu op. Net voor de behandeling van het Belastingplan 2025 in de Eerste Kamer gaf ik in een blog op deze site aan dat het kabinet-Schoof de hypotheekrenteaftrek voor hogere inkomens met een 0,5 procentpunt verhoogt (Gradus, 2024). Ik stelde dat dit haaks staat op het kabinetsbeleid dat sinds 2014 de hypotheekrenteaftrek voor hogere inkomens geleidelijk afbouwt. Dit leidde tot veel vragen van Eerste Kamerleden. De toenmalige Staatssecretaris Van Oostenbruggen gaf aan dat dit een (onbedoeld) uitvloeisel van het opknippen van de eerste schijf in de huidige twee schijven is en tevens dat het effect op de hypotheekrenteaftrek beperkt is. Een meerderheid van de EK nam daarmee genoegen ook in de wetenschap dat een wetswijziging via de Tweede Kamer moet lopen en ervoor kon zorgen dat de behandeling van het belastingplan over de jaargrens heenloopt.

Nu dreigt het kabinet-Jetten wederom de hypotheekrenteaftrek voor hogere inkomens te verhogen. Zo’n hernieuwde verhoging is ongewenst, want het stimuleert de vraag op de woningmarkt extra, terwijl de markt de laatste jaren steeds overspannener is geraakt en het eigen huis voor de meeste middeninkomens onbereikbaar is geworden.

Hypotheekrenteaftrek werd juist afgebouwd

Een hernieuwde verhoging van de hypotheekrenteaftrek zou een verdere breuk betekenen met het in 2014 ingezette afbouwtraject. Om overbelening van hogere inkomens tegen te gaan, werd toen door het kabinet-Rutte II het tarief waartegen de hypotheekrente maximaal mag worden afgetrokken jaarlijks verlaagd met 0,5 procentpunt. Het zou daarmee dertig jaar duren voordat men op het tarief van de eerste schijf zou zijn.

Omdat de woningmarkt aan de vraagzijde forse tekenen van overspannenheid vertoonde, kwam het regeerakkoord van Rutte III in 2017 tot de conclusie dat dit afbouwtraject te lang is. Het maximale tariefpercentage waartegen hypotheekrenteaftrek kan worden afgetrokken ging vanaf 2020 in vierjaarlijkse stappen omlaag tot 37 procent in 2023. Hogere inkomens betaalden vanaf een inkomen (van circa 78.000 euro) een hoger tarief van 49,5 procent, maar mochten de hypotheekrente dus enkel tegen 37 procent aftrekken.

Relevant is ook dat de opbrengst van de versnelde afbouw van de hypotheekrenteaftrek volledig is gebruikt om de eigenwoningbezitters te compenseren door een verlaging van het eigenwoningforfait (Regeerakkoord Rutte III, p. 31). Sinds 2023 is daarom het eigenwoningforfait slechts 0,35 procent van de woningwaarde. Volgens de woningmarkteconomen verstoort dit de woningmarkt nog sterker dan de hypotheekrenteaftrek (Korevaar, 2025). Saillant is ook dat de afspraak uit dit akkoord om de wet Hillen in twintig jaar uit te faseren onder druk van de Tweede Kamer is gewijzigd in dertig jaar (Gradus, 2025).

Koppeling aan tweede schijf is het probleem

De afbouw van de hypotheekrenteaftrek werd onderbroken door de invoering van een extra schijf in de inkomstenbelasting in het Hoofdlijnenakkoord van het kabinet-Schoof. Deze knip had als doel om werken meer te laten lonen. Consequentie daarvan was dat hogere inkomens tegen een hoger marginaal tarief hypotheekrenteaftrek hebben dan lagere inkomens (Gradus, 2025). In 2025 gold een tarief van 37,48 procent voor de tweede schijf, waardoor hogere inkomens een hogere hypotheekrenteaftrek krijgen dan de inkomens die vallen in het lagere tarief (35,82 procent). Voor het huidig jaar is dit 37,56 procent en 35,75 procent voor het lagere tarief.

Nu dreigt een extra belastingverhoging in de eerste en tweede schijf van circa één procentpunt. In vergelijking met de situatie in 2023 en 2024 zou dit een verhoging van het aftrektarief voor hogere inkomens van 1,5 procentpunt betekenen. De verlaging in 2022 wordt daarmee voor de helft teruggedraaid, terwijl niemand het heeft over de ruimhartige compensatie voor woningbezitters destijds. Als het verschil tussen de eerste en tweede schijf verder omhoog gaat, wordt de extra aftrek voor hogere inkomens nog groter.  

Oplossingen

Het automatisme in de huidige wet dat de hypotheekrenteaftrek gekoppeld is aan de tweede schijf dient zo snel mogelijk doorbroken te worden. Er zijn twee oplossingen denkbaar. Ten eerste kan de wet zodanig worden aangepast dat iedereen tegen hetzelfde tarief de hypotheekrenteaftrek aftrekt. De kan door in artikel 2.10, tweede lid en 10.2a van de Wet inkomstenbelasting 2001 ‘de tweede schijf’ te wijzigen in ‘de eerste schijf’. Dit heeft als gevolg dat alle inkomens tegen hetzelfde tarief de hypotheekrenteaftrek mogen aftrekken. Ten tweede kan dit tarief gewijzigd worden in een vast percentage.

De tweede oplossing is te verkiezen boven de eerste oplossing. Indien wordt uitgegaan van het tarief in 2023 en 2024 van 37 procent, dan leveren beide oplossingen de schatkist jaarlijks circa 400 miljoen euro op, maar de tweede oplossing betekent dat de woningmarkt en de hypotheekrenteaftrek los komen te staan van inkomenspolitieke overwegingen. Dit zorgt in ieder geval in deze kabinetsperiode voor fiscale ‘rust’ in de hypotheekrenteaftrek en sluit aan bij het coalitieakkoord waarin werd gesteld dat de fiscale behandeling van het eigen huis ongewijzigd zou blijven.  

Literatuur

CPB/PBL (2026) Analyse coalitieakkoord 2026-2030: Analyse van de budgettaire en economische effecten van het coalitieakkoord.

Gradus, R (2024) Kabinet-Schoof verhoogt de hypotheekrenteaftrek voor hogere inkomens, esb.nu/blog, 25 november.

Gradus, R (2025) Fiscale behandeling eigen woning vraagt om forse herziening. Weekblad voor Fiscaal Recht, 7567(78), 22-27.

Korevaar, M. (2025) Nog beter dan de hypotheekrenteaftrek afschaffen: verhoog het eigenwoningforfait, IPE: 4 september.

Regeerakkoord Rutte III (2017) Vertrouwen in de toekomst: Regeerakkoord 2017 – 2021. (VVD, CDA, D66 en ChristenUnie).

Auteur

Categorieën

5 reacties

  1. R.H.J.M. Gradus
    1 maand geleden

    We zijn het eens dat 'in het regeerakkoord Rutte III werd gesproken van koppeling aan het basistarief' en dat dit uitgangspunt sinds 2025 is verlaten. Dit is mi ongewenst. Over de andere punten stuur ik je een mail.

  2. Stefan Groot
    1 maand geleden

    Excuses: ik bedoel overal 10.2a, ook waar 2.10a staat.

  3. Stefan Groot
    1 maand geleden

    Zie de ontwikkeling van artikel 2.10a van de Wet inkomstenbelasting 2001 en ook de bijbehorende wetsgeschiedenis. Hieronder de oorspronkelijke tekst (geldig t/m 2019), waarbij sprake is van een expliciete koppeling aan het tarief van de voorlaatste schijf (destijds 42%). Het klopt wel dat in het regeerakkoord Rutte III werd gesproken van koppeling aan het basistarief, maar dat was in het tweeschijvenstelsel dat we tot 2025 hadden, waar het basistarief dus de voorlaatste schijf was. Vanaf 2023 (na het bereiken van het eindpunt van de afbouw van het maximale aftrekpercentage, toen 36,93%), is er in 2.10a formeel sprake van een koppeling aan het verschil tussen de tweede en derde schijf. Vanaf 2025 is er weer een (klein) verschil tussen het basistarief en de tweede schijf, en zorgt de ongewijzigde formulering van 2.10a er (dus) voor dat de maximale hypotheekrenteaftrek gekoppeld is aan het tarief van de tweede schijf. Ergo: de systematiek is precies zoals deze ooit is bedacht, behalve dat het aantal schijven is teruggebracht. Van een beleidswijziging is geen sprake, de indexatie volgt uit de automatische werking van de wet.

    Artikel 10.2a. Jaarlijkse aanpassing correctie tarief aftrekbare kosten eigen woning
    1 Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in artikel 2.10, tweede lid, en artikel 2.10a, tweede lid, vermelde percentage bij ministeriële regeling vervangen door een ander percentage. Dit percentage wordt berekend door het te vervangen percentage te verhogen met 0,5%-punt en vervolgens te verminderen of te vermeerderen met eenzelfde aantal procentpunten als het aantal procentpunten waarmee het in de laatste kolom van de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel als vierde vermelde percentage bij het begin van het kalenderjaar is verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.

    2 In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt het in artikel 2.10, tweede lid, en artikel 2.10a, tweede lid, vermelde percentage ten hoogste gesteld op het verschil tussen de in de laatste kolom van de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel als vierde en derde vermelde percentages. Het in artikel 2.10, tweede lid, en artikel 2.10a, tweede lid, vermelde percentage wordt niet op een negatief percentage gesteld.

  4. R.H.J.M. Gradus
    1 maand geleden

    Het is onjuist te stellen dat een koppeling aan het tarief van de voorlaatste schijf van box 1 altijd het uitgangspunt van het beleid is geweest. Zowel in 2013 als in 2017 was het uitgangspunt om via jaarlijkse stappen dit terugbrengen naar het laagste tarief van 37% (zie dit artikel en artikel in 2024 met verwijzing naar sociale vlaktaks systematiek). Belangrijk is dit dat geen standaard aftrekpost is en de wisselwerking met de woningmarkt. Voor 2013 vond overbelening plaats en konden hogere inkomens tegen 52% aftrekken, terwijl eigen geld een lager belastingtarief had. In 2017 is een versnelling aangebracht vanwege de overspannenheid van de woningmarkt en zijn eerste en tweede schijf gelijkgeschakelt. Door de koppeling aan de tweede schijf dreigen hogere inkomens 1,5-procentpunten meer te kunnen aftrekken en het zou goed zijn om de systematiek te doorbreken met een vast tarief.

  5. Stefan Groot
    1 maand geleden

    De verbazing hierover bij sommige economen blijft mij verbazen. Bij de inperking van de hypotheekrenteaftrek vanaf 2013 is een koppeling aan het tarief van de voorlaatste schijf van box 1 altijd het uitgangspunt van het beleid geweest. Dat tarief was toen nog 42%. Het tarief in die box gaat soms iets omhoog en soms iets omlaag, en dan bewegen aftrekposten die aan dat schijftarief zijn gekoppeld dus mee. Een dergelijke koppeling is niet iets vreemds, maar juist de standaard: een belastingtarief dat wordt toegepast op een grondslag die wordt gevormd door belastbare inkomsten minus aftrekbare kosten. In verhouding tot het totale budgettaire beslag van de eigenwoningregeling is de verandering bovendien geneuzel in de marge. Er is geen sprake van een beleidswijziging (als in: het kabinet verhoogt de hypotheekrenteaftrek voor de hoge inkomens). Met dezelfde logica zou je, als de gemiddelde hypotheekrente omhooggaat, ook 'kabinet verhoogt hra' kunnen koppen.

Plaats een reactie