Ga direct naar de content

Isolatie slechtst geïsoleerde woningen drukt gasverbruik én energiearmoede

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: april 8 2026

Huishoudens met energiearmoede hebben een laag inkomen en zijn veel geld kwijt aan energiekosten. De helft van deze groep woont in een matig tot slecht geïsoleerde woning. Wat kost het om deze woningen te isoleren, en wat levert dat op in termen van gasbesparing en verlaging van energielasten?

In het kort

  • Gedegen isolatie van woningen van huishoudens met energiearmoede kost drie miljard euro; ruim 11.000 per woning.
  • Per geïnvesteerde euro is de gasbesparing in woningen van huishoudens met energiearmoede hoger dan gemiddeld.
  • Woningisolatie kan de energiearmoede niet geheel oplossen; dat vergt ook inkomensbeleid en energiebesparing.

In Nederland kampen huishoudens met energiearmoede. Deze huishoudens hebben een inkomen onder de 130 procent van de lage-inkomensgrens en hogere energiekosten dan een eenpersoonshuishouden in een woning met energielabel C, óf een woning van lage energetische kwaliteit (grofweg energielabels D–G), óf beide (CBS, 2024).

Mede dankzij een stevig pakket aan compensatiemaatregelen tijdens de energieprijspiek nam tussen 2000 en 2023 het aantal huishoudens met energiearmoede af van ruim 500.000 huishoudens (6,4 procent van het totaal) naar 330.000 huishoudens (4,0 procent). Met name de tijdelijke energietoeslag in 2022 en 2023 van gemiddeld 1.300 euro per jaar voor huishoudens met een laag inkomen heeft toename in energiearmoede binnen deze periode aanzienlijk geremd (TNO, 2024a).

Met de afschaffing van de energietoeslag in 2024 is de energiearmoede echter weer fors gestegen: het aantal huishoudens met energiearmoede is nu weer gelijk aan het niveau van het jaar 2000 (TNO, 2025). Er is de afgelopen jaren weliswaar fors bespaard op het gasverbruik (PBL, 2024) en de energieprijzen zijn gedaald ten opzichte van de piek in 2023, maar de energieprijzen liggen structureel hoger dan in de periode tot 2020.

Om energiekosten te besparen is renovatie van slecht geïsoleerde woningen hard nodig (Batenburg et al., 2023). Dit onderkent de overheid ook. Zo zijn er onder meer prestatieafspraken met woningcorporaties en particuliere verhuurders gekomen voor het uitfaseren van de slechtste energielabels per 2029, en zijn subsidies (onder andere ISDE) en gunstige leningen (Warmtefonds) voor individuele woningeigenaren mogelijk gemaakt (Tweede Kamer, 2024).

De maatregelen blijken tot nu toe echter niet genoeg om het aantal huishoudens met energiearmoede structureel naar beneden te krijgen. Het kost namelijk tijd om een woning op te knappen, zeker bij een krappe arbeidsmarkt. Ondertussen woont ongeveer de helft van de huishoudens met energiearmoede in een slecht geïsoleerde woning (label D of lager) (TNO, 2025).

Daarnaast is bekend dat verduurzamingssubsidies voor individuele woningeigenaren vooral terechtkomen bij rijke huishoudens die ook zonder subsidie in staat zijn de woning te verduurzamen (TNO, 2024b; CBS, 2025a; Droës en Van der Straten, 2025).

In dit artikel bekijken we voor het eerst wat de investeringskosten van isoleren zijn voor woningen van huishoudens met energiearmoede en wat het effect van de beoogde gasbesparing is. We kijken specifiek naar alle woningen gebouwd vóór 1992 – hierna gebouwde woningen zijn al redelijk tot goed geïsoleerd.

Model en data

We gebruiken voor onze analyse het ruimtelijke energie­model Hestia (Van der Molen et al., 2023). Dit model brengt de energetische kwaliteit, het isolatieniveau en installaties van alle woningen in Nederland in kaart op basis van woningkenmerken (zoals bouwjaar, oppervlakte en type woning) en technische kenmerken per bouwdeel, gecorrigeerd voor lokale en jaarlijkse temperatuurverschillen.

De energievraag voor ruimteverwarming wordt bepaald door de hoeveelheid warmte die ‘weglekt’ door muren, deuren, daken en gevels. Dit warmteverlies is afhankelijk van de isolatiegraad van deze verschillende bouwdelen in combinatie met het verschil tussen binnen- en buitentemperatuur.

Voor de analyse is het Hestia-model gekoppeld aan microdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) om de energievraag van individuele huishoudens te relateren aan de inkomens-, woning- en energiearmoede-situatie van elk huishouden en het daadwerkelijke energieverbruik.

In navolging van een eerder gepubliceerde gezamenlijke studie van TNO en CPB (Mot et al., 2024) gaan we uit van verduurzaming tot de door de Rijksoverheid in 2021 vastgestelde isolatiestandaard. Die is vastgesteld vanuit het uitgangspunt dat een woning met dit verduurzamingsniveau tot 2050 niet nogmaals geïsoleerd zou moeten worden bij aansluiting op een lagetemperatuurwarmtebron (Tweede Kamer, 2021). De isolatiestandaard komt ruwweg overeen met het isolatieniveau van energielabel A (exclusief de duurzame installaties die bij label A horen). Dit resulteert in een pakket aan benodigde maatregelen, de bijbehorende investeringskosten en de veranderde energievraag per woning. Het Hestia-model berekent vervolgens de verbetering in energetische kwaliteit en bijbehorende energiebesparing.

We kijken naar een toekomstige situatie, waarin we ex-ante geen rekening houden met het rebound­effect. Dit is een gedragsaanpassing die na betere isolatie een hoger energieverbruik uitlokt. In welke mate dit gedrag plaatsvindt, is moeilijk in te schatten. Enerzijds blijkt uit meerdere studies dat na energiebesparende maatregelen het verbruik structureel afneemt (Fowlie et al., 2018; Liang et al., 2018; ­Eichholtz et al., 2023; Roberdel et al., 2023). Anderzijds, is er een indicatie dat op de lange termijn het verbruik weer naar het oude niveau gaat, specifiek bij lagere inkomens (Peñasco en Díaz Anadón, 2023; Roberdel et al., 2023). Deze tegenstrijdigheid kan komen doordat een deel van de huishoudens, als gevolg van energiearmoede, onvoldoende of zelfs helemaal niet verwarmt (TNO, 2025). Isolatie maakt dan een eind aan deze onderconsumptie van energie, wat dit reboundeffect dus niet per se ongewenst maakt.

Totale isolatieopgave

Van alle gasgestookte woningen in Nederland gebouwd vóór 1992 voldoen er 4,8 miljoen in 2022 nog niet aan de isolatiestandaard (tabel 1). De totale investeringskosten voor het behalen van de isolatiestandaard voor deze woningen bedraagt zo’n 67 miljard euro. Per woning komt dat neer op gemiddeld 13.664 euro, waarmee jaarlijks zo’n 2,3 miljard kubieke meter gas bespaard kan worden – ongeveer een derde van het gasverbruik van alle Nederlandse huishoudens (CBS, 2023).

Slechte isolatie én energiearmoede

Binnen de groep huishoudens die in een woning wonen die nog niet voldoet aan de isolatiestandaard, kampen er 256.000 met energiearmoede. Ongeveer twee derde van deze huishoudens woont in een sociale huurwoning, de rest is ongeveer gelijk verdeeld over particuliere huur en koopwoningen. Bijna drie miljard euro is nodig om alle huishoudens met energiearmoede te isoleren tot de isolatiestandaard; met gemiddeld 11.664 euro per woning is dat goedkoper dan het gemiddelde voor alle woningen omdat het bij energiearmoede veelal kleinere woningen betreft.

Een subgroep van 23.200 huishoudens met energie­armoede heeft een woning van zeer lage energetische kwaliteit, overeenkomstig met ruwweg energielabels F en G. Voor deze subgroep is de verhouding van eigendomstypes omgekeerd: het merendeel van deze woningen zijn koopwoningen. Om deze zeer slecht geïsoleerde woningen tot de isolatiestandaard aan te passen, volstaat een half miljard euro; per woning is gemiddeld 21.291 euro nodig. Met afstand zijn de hoogste bedragen nodig voor particuliere koopwoningen van huishoudens met energiearmoede, vooral omdat deze woningen gemiddeld groter zijn dan zeer slecht geïsoleerde sociale huurwoningen – denk aan de archetypische slecht onderhouden overgeërfde ruime plattelandswoning.

De verwachte gerealiseerde gasbesparing volgt een logisch patroon: de gemiddelde besparing bij huishoudens met energiearmoede is 513 kubieke meter per woning, hoger dan bij de gemiddelde woning, en bij de huishoudens met de slechtste energielabels is de jaarlijkse besparing gemiddeld ruim 800 kubieke meter. Bij een variabel gastarief inclusief belasting van 1,30 euro per kubieke meter (het gemiddelde van midden-2024 tot midden-2025, volgens cijfers van het CBS) betekent isolatie tot aan de standaard een jaarlijkse besparing van gemiddeld 667 euro per huishouden met energiearmoede en 1.040 euro voor deze huishoudens in de slechtst geïsoleerde woningen.

Isoleren rendeert meer bij energiearmoede

Huishoudens in energiearmoede betalen een relatief groot aandeel van hun inkomen aan energiekosten, weergegeven met de energiequote. Een vaak gehanteerde vuistregel is dat een energiequote hoger dan acht procent betekent dat een huishouden te hoge energiekosten heeft (TNO, 2023). Het Tijdelijk Noodfonds Energie, dat huishoudens met een laag inkomen en een hoge energierekening hielp bij het betalen van die rekening, hanteerde dit als criterium om in aanmerking te komen voor steun. Figuur 1 laat per eigendomstype het effect van isolatie op de energiequote zien, vóór en ná het behalen van de isolatiestandaard. Hieruit blijkt uiteraard dat isoleren de energiequote doet dalen, maar ook dat na isolatie er huishoudens blijven met een energiequote boven de acht procent. Naar schatting gaat het na isolatie om 112.000 huishoudens, tegenover ruim 209.000 die vóór de isolatie een hoge energiequote hadden.

Uit figuur 1 blijkt dat door isolatie de energiequote sterker daalt in woningen van huishoudens met energiearmoede dan in andere woningen. Het effect is het sterkst bij de slechtst geïsoleerde woningen.

Bovendien ligt de mediane gasbesparing per geïnvesteerde euro in woningen met energiearmoede ongeveer een derde hoger dan voor alle woningen (figuur 2). Binnen de groep huishoudens met energiearmoede is de gasbesparing per geïnvesteerde euro iets lager voor de slechtste woningen – met uitzondering van de sociale huurwoningen – maar nog steeds hoger  dan voor alle woningen gemiddeld. Daarmee dragen investeringen in woningen van huishoudens met energiearmoede niet alleen bij aan armoedevermindering, maar zijn ze ook kosteneffectiever in termen van energiebesparing en CO2-reductie.

Ruimtelijke variatie impact verduurzaming

De gemiddelde impact van isoleren tot de isolatiestandaard voor huishoudens in energiearmoede varieert per gemeente. Een belangrijke reden hiervoor is dat stadswoningen gemiddeld kleiner zijn en het veelal appartementen betreft, terwijl woningen in buitengebieden vaker groter en vrijstaand zijn. Bovendien zijn de inkomens in de periferie van Nederland gemiddeld lager dan in de Randstad (CBS, 2025b). Aan de randen van Nederland, en met name in Noordoost-Nederland, is de energiearmoede gemiddeld het hoogst (TNO, 2024c). De hoogste energiebesparingen door isolatie concentreren zich dus ook in de noordelijke gemeenten, omdat daar relatief veel gestookt wordt – vanwege de grotere woningen en omdat het in het noordoosten van Nederland kouder is in de winter dan in het westen. Door isolatie is de afname van de energiequote dan ook gemiddeld het hoogst aan de randen van Nederland en met name in het noordoosten (figuur 3a). In deze gebieden daalt dus de diepte van energiearmoede dankzij isolatie het meest.

Figuur 3b laat zien dat met isolatie van woningen van huishoudens met energiearmoede de afname in intensiteit van de energiearmoede niet per se samenvalt met een afname in de frequentie ervan: de grootste dalingen van het lokale aandeel huishoudens met energiearmoede zijn verspreid over het land te vinden, met name in gemeenten in de Randstad. Bijvoorbeeld in Den Haag en Amsterdam leven veel huishoudens in de buurt van de energiearmoede-­grens; woningisolatie helpt hen naar een energiequote onder de acht procent. De meeste van de na isolatie overgebleven huishoudens met energiearmoede wonen in grote steden – simpelweg omdat er in steden meer mensen wonen – terwijl binnen gemeenten de hoogste percentages van deze overgebleven huishoudens te vinden zijn in landelijk gebied, met name in Noordoost-Nederland.

Conclusie en beleidsimplicaties

Woningisolatie kan een belangrijke bijdrage leveren aan de reductie van de energielasten van huishoudens met energiearmoede. De daling van de energiequote is voor deze huishoudens veel hoger dan voor een gemiddeld huishouden. Ook is de gasbesparing per geïnvesteerde euro in deze woningen gemiddeld hoger dan bij andere woningen. Binnen de groep huishoudens met energiearmoede loont een ‘slechtste-woningen-eerst’-aanpak: weliswaar is het isoleren van de woningen met de slechtste energie­labels het duurst, er valt gemiddeld ook het meeste gas te besparen. Hierdoor daalt de energiequote bij deze huishoudens in absolute en relatieve zin het meest.

Uit gecombineerde gegevens per buurt van TNO-energiearmoedekaarten (TNO 2025) en microdata over woningeigendom, valt af te leiden dat de frequentie en ernst van energie­armoede onder huurders sterk verschilt per woningcorporatie en commerciële verhuurder – vooral vanwege ruimtelijke variatie in leeftijd en (dus) kwaliteit van woningen en de mate van armoede van de huurders. Het lijkt zinvol om met woningcorporaties en grote particuliere verhuurders maatwerkafspraken te maken. Daarmee wordt extra overheidssteun verleend in ruil voor versnelde en grootschalige renovatie van woningen van huishoudens met energiearmoede. Hiermee kan het probleem worden doorbroken dat isolatiekosten voor de verhuurder zijn terwijl de lagere energierekening voor de huurder is. De investeringsprikkel is voornamelijk afwezig in de particuliere huursector, waar de investeringskosten voor woningen met de slechtste energielabels van huurders met energiearmoede hoog zijn, terwijl de verwachte gasbesparing beperkt is.

Het uitfaseren van koopwoningen met de slechtste energielabels kan wellicht een extra duw in de rug krijgen via innovatieve financiering van isolatiekosten, bijvoorbeeld in de vorm van aantrekkelijke gebouw-gebonden leningen, of middels een van inkomens en energielabel afhankelijke verduurzamingssubsidie, gekoppeld aan een hypothecair bouwdepot, al dan niet in combinatie met normering om koopwoningen met een zeer laag energielabel verplicht binnen een bepaalde termijn (zeg twee jaar) na aankoop te renoveren. Dat maakt de verduurzamingssubsidies zeer gericht en helpt starters op de woningmarkt omdat zo’n normering de aankoopprijs van de slechtste woningen vermoedelijk zal drukken terwijl de nieuwverworven woning na renovatie extra in waarde zal stijgen.

Ten slotte is innovatie in het organiseren van renovaties van cruciaal belang. Opschaling, standaardisering en industrialisering van renovatieprocessen kunnen de kosten drukken en de uitvoering versnellen, zeker in een krappe arbeidsmarkt.

Getty Images

Literatuur

Batenburg, A., F. Dalla Longa en P. Mulder (2023) Zowel verduurzaming als inkomenssteun nodig om energiekosten te drukken. ESB, 108(4827), 528–531.

CBS (2023) Gasverbruik Nederland in 2022 laagste in 50 jaar. CBS Statistiek, 13 februari.

CBS (2024) Methodedocument Monitor Energiearmoede 2019–2022. CBS Publicatie, 7 augustus.

CBS (2025a) Dashboard energiesubsidies woningen, 2021–2024. CBS Dashboard, 17 november.

CBS (2025b) Waar zijn de inkomens het hoogst? CBS Dossier Verstedelijking.

Droës, M. en Y. van der Straten (2025) Verduurzamingssubsidies bereiken armere huishoudens het minst. ESB, 110(4849), 427–429.

Eichholtz, P., L. Kattenberg en N. Kok (2023) Al jarenlang hoog rendement van woningisolatie maakt subsidies vrijwel overbodig. ESB, 108(4817), 28–31.

Fowlie, M., M. Greenstone en C. Wolfram (2018) Do energy efficiency investments deliver? Evidence from the Weatherization Assistance Program. The Quarterly Journal of Economics, 133(3), 1597–1644.

Liang, J., Y. Qiu, T. James et al. (2018) Do energy retrofits work? Evidence from commercial and residential buildings in Phoenix. Journal of Environmental Economics and Management, 92, 726–743.

Molen, F. van der, W. Poorthuis, A. Zwamborn et al. (2023) Functioneel ontwerp Hestia 1.0. PBL Rapport, 5196.

Mot, E., P. Mulder, V. Schippers et al. (2024) Inkomenseffecten van woning­isolatie naar de isolatiestandaard. CPB & TNO, september.

PBL (2024) Klimaat- en Energieverkenning 2024. PBL Rapport, 5490.

Peñasco, C. en L. Díaz Anadón (2023) Assessing the effectiveness of energy efficiency measures in the residential sector gas consumption through dynamic treatment effects: Evidence from England and Wales. Energy Economics, 117, 106435.

Roberdel, V.P., I.V. Ossokina, V.A. Karamychev en T.A. Arentze (2023) Energy-­efficient homes: effects on poverty, environment and comfort. Tinbergen Institute Discussion Paper, TI 2023-082/V.

TNO (2023) De energiekosten van verschillende typen huishoudens in Nederland: Een onderscheid naar inkomen, eigendomssituatie en woningkwaliteit. TNO Rapport, P10493.

TNO (2024a) Verhalen van mensen in energiearmoede. TNO Rapport, R10989.

TNO (2024b) Monitor ISDE 2023: Individuele woningeigenaren . TNORapport, 19 septemberjuni.

TNO (2024c) De energiearmoedekloof in Nederland: Een microdata-analyse van het niveau en de ongelijkheid van energiearmoede. TNO Rapport, R11693.

TNO (2025) Energiearmoede in Nederland 2019–2024. TNO Rapport, R11172.

Tweede Kamer (2021) Kamerbrief isolatiestandaard en streefwaardes voor woningen, 30196, nr. 749.

Tweede Kamer (2024) Kamerbrief tegengaan energiearmoede, DGKE-K / 87380699.

Auteurs

Categorieën

Plaats een reactie