Ga direct naar de content

Investeren in kinderopvang loont wel degelijk

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: september 22 2026

In zijn ESB-artikel trekt Buitenhek (2026) de conclusie dat de kosten van bijna gratis kinderopvang veel hoger zijn dan de maatschappelijk baten. Hij negeert in zijn beschouwing echter belangrijke, maar vooraf moeilijker te kwantificeren maatschappelijke baten.

De conclusie van Buitenhek dat investeren in bijna gratis kinderopvang niet zou lonen, staat in contrast met recente studies in de internationale literatuur die gunstige kosten-batenratio’s laten zien van investeringen in kinderopvang. Belangrijk is dat deze studies – in tegenstelling tot Buitenhek – meer baten meewegen dan enkel het directe kortetermijn-arbeidsmarkteffect op ouders met jonge kinderen. Zo nemen Jackson et al. (2025) in een analyse voor de VS anticipatie-effecten van toekomstige ouders en effecten op informele zorgverleners mee. Baker et al. (2026) evalueren de invoering van bijna gratis kinderopvang in Quebec en laten zien dat deze zich op termijn terugverdient via hogere belastinginkomsten en lagere uitgaven aan sociale zekerheid vanwege een positief effect op de carrières van moeders – die effecten zijn nog steeds zichtbaar als kinderen vijftien jaar oud zijn. Silliman en Mäkinen (2026) komen voor Finland tot een soortgelijke conclusie: op de korte termijn zijn de kosten hoger dan de arbeidsmarktbaten, maar op de lange termijn verdient de investering zichzelf terug.

Onderschatting van arbeidsmarktbaten

Dergelijke ex-post-analyses ontbreken voor Nederland omdat we hier nog geen bijna gratis kinderopvang hebben. Wel heeft het CPB een ex-ante-analyse uitgevoerd (CPB, 2020; Bolhaar et al., 2023), gebruikmakend van simulaties. Omdat veel effecten niet goed te schatten zijn, moeten in deze simulaties aannames worden gemaakt, die bepalend zijn voor de uitkomsten.

In ons eerdere artikel beschrijven we hoe die ex-ante-analyse de arbeidsmarktbaten van bijna gratis kinderopvang onderschat (Van Huizen en Plantenga, 2026). Zo wordt om pragmatische redenen een deel van de arbeidsmarkteffecten op nul gezet. Ook wordt geen rekening gehouden met de effecten van meer eenvoud en zekerheid van het nieuwe stelsel: de simulaties schatten in feite een effect van een verhoging van de toeslagen, niet de effecten van de stelselherziening. De analyse blijft bovendien beperkt tot ouders met jonge kinderen; anticipatie-effecten en effecten op grootouders blijven buiten beeld. In de Nederlandse context waar veel grootouders betrokken zijn bij de zorg voor hun kleinkinderen, impliceert dat een onderschatting omdat een deel van de arbeidsmarktbaten zal neerslaan bij informele zorgverleners. Ten slotte wordt in de CPB-analyses geen rekening gehouden met normen die op de langere termijn veranderen door beleid. Kleine initiële veranderingen creëren in de modellen dus geen sneeuwbaleffect met blijvende impact op het arbeidsmarktgedrag van toekomstige ouders. Ook blijven effecten op de carrièreontwikkeling van ouders, die centraal staan in de analyses van Baker et al. (2026) en Silliman en Mäkinen (2026), volledig buiten beeld. Geen wonder kortom, dat de gesimuleerde arbeidsmarktbaten beperkt zijn.

Investeringen zijn altijd lastig te beoordelen omdat de kosten op korte termijn redelijk helder zijn, maar de baten op lange termijn onzeker. Maatschappelijke investeringen zijn in dat opzicht geen uitzondering. Of het nou gaat om investeringen in onderwijs, innovatie of kinderopvang, als de baten moeilijk te kwantificeren zijn, worden ze vaak op nul gezet. Het gevolg is echter dat de politiek de verkeerde ‘prijs’ voorgehouden krijgt wanneer ze financiële keuzes maakt. Het betoog van Buitenhek (2026) illustreert dit probleem: belangrijke baten worden genegeerd en vervolgens wordt de conclusie getrokken dat de kosten van bijna gratis kinderopvang veel hoger zijn dan de maatschappelijke baten. Een gedegen maatschappelijke kosten-batenanalyse probeert de baten zo goed mogelijk te schatten, is helder over de onzekerheid rondom de omvang van de kosten en baten, en is transparant over de baten die niet worden meegenomen.

Effecten van afschaffing IACK

Simulaties kunnen beleidseffecten onderschatten maar ook overschatten. Met de invoering van bijna gratis kinderopvang wordt de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) afgeschaft. Buitenhek betoogt dat de IACK “juist een gerichte en veel effec­tievere prikkel [is] om te werken” en hij verwacht daarom nauwelijks een positief netto-arbeidseffect van de twee maatregelen – de invoering van bijna gratis kinderopvang en afschaffing van IACK. De onderzoekers van het CPB (2020, p. 4) zelf zijn voorzichtiger over de doelmatigheid van de IACK: “Een potentieel nadeel van de IACK ten opzichte van de kinderopvangtoeslag is wel dat deze minder zichtbaar is, waardoor het gedragseffect mogelijk lager uit zou kunnen komen.” Inmiddels is de IACK geëvalueerd en blijkt de regeling beperkt doelmatig (Cuelenaere et al., 2024). Ouders houden nauwelijks rekening met deze korting bij de beslissing om (meer) te werken. De meeste rechthebbenden geven zelfs aan de regeling niet te kennen of niet te weten of ze er recht op hebben. Oftewel, de CPB-simulaties onderschatten de arbeidsmarktbaten van bijna gratis kinderopvang, terwijl de negatieve effecten van het afschaffen van de IACK juist worden overschat.

Kinderopvang als maatschappelijke infrastructuur

Uit veel onderzoek blijkt: investeren in kinderopvang loont voor ouders, kinderen en de samenleving als geheel. In wetenschap en beleid wordt kinderopvang inmiddels breed erkend als belangrijk onderdeel van de maatschappelijk infrastructuur (Hermes et al., 2026). Tegen die achtergrond is er de afgelopen twintig jaar in Europa volop geïnvesteerd in kinderopvang. Nederland blijft achter, maar maakt met de stelselherziening in 2029 een inhaalslag. Zoals elke majeure stelselwijziging gaat de invoering van bijna gratis kinderopvang gepaard met risico’s (Plantenga et al., 2022) en zijn de baten van de investering vooraf moeilijk in te schatten. Ook blijven er knelpunten, zoals de arbeidseis, bestaan. Desondanks kan de invoering van bijna gratis kinderopvang in 2029 een belangrijke stap zijn richting betaalbare, kwalitatief hoogwaardige kinderopvang voor álle kinderen.

Literatuur

Baker, M., J. Gruber en K.S. Milligan (2026) Investing in mothers? The long-run impact of a universal child care program on maternal work and income. NBER Working Paper, 35514.

Bolhaar, J., F. Bucx, E. Jongen et al. (2023) Herziening financieringsstelsel kinderopvang: Maatschappelijke effecten van het voorgenomen kabinetsplan. CPB/SCP Publicatie, 21 juni.

Buitenhek, E. (2026) Kosten bijna gratis kinderopvang veel hoger dan maatschappelijke baten. ESB, te verschijnen.

CPB (2020) Doorrekening scenario’s kindvoorzieningen. CPB Notitie, december.

Cuelenaere, B., R. van Giesen en M. den Uijl (2024) Evaluatie heffingskortingen en tariefstructuur. Onderzoek in opdracht van Ministerie van Financiën, Centerdata, 10 april 2024. Te vinden op open.overheid.nl.

Hermes, H., P. Lergetporer, F. Peter en S. Wiederhold (2026) Time to close the socioeconomic gap in access to childcare. Nature Human Behaviour, 10(7), 1187–1190.

Huizen, T. van, en J. Plantenga (2026) Arbeidsmarktbaten van bijna gratis kinderopvang worden onderschat. ESB, te verschijnen.

Jackson, C.K., J.A. Turner en J. Bastian (2025) Universal Pre-K as economic stimulus: Evidence from nine states and large cities in the U.S. NBER Working Paper, 33767.

Plantenga, J., T. van Huizen en P. Leseman (2022) Het maatschappelijk belang van kinderopvang vereist prijsregulering. ESB, 107(4810), 270–273.

Silliman, M. en J. Mäkinen (2026) Life-cycle effects of public childcare: Evidence on children and their parents. CESifo Working Paper, 12372.

Auteurs

Categorieën

Plaats een reactie