Ga direct naar de content

Interne markt een succes, maar baten van verdere integratie onzeker

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: september 22 2026

De interne markt van de EU heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan onze welvaartsgroei. Recente studies wijzen op aanzienlijke potentiële baten van verdere integratie. Hoe realistisch zijn deze schattingen, en hoe haalbaar is het om de veronderstelde barrières beleidsmatig weg te nemen?

In het kort

  • Modelschattingen van de baten van verdere integratie van de interne markt moeten voorzichtig worden geïnterpreteerd.
  • Niet alle handelsbarrières kunnen door middel van beleid ­worden weggenomen.
  • Betekenisvolle verdere integratie vereist tevens vaak politieke keuzes die raken aan nationale beleidsruimte en soevereiniteit.

Schout en Van Riel (2026) discussiëeren in ESB met Rozen­daal en Van Gruisen (2026) over de baten van de interne markt. Wij sluiten ons in dit artikel aan bij Rozendaal en Van Gruisen die betogen dat het recente empirische bewijs gebaseerd op moderne onderzoeksmethoden overtuigend een positief effect van de interne markt op onze welvaart aantoont. De meest recente en relevante literatuur wijst erop dat de interne markt ook voor Nederland een economisch significante bijdrage heeft geleverd aan de welvaart (Straathof et al., 2008; Felbermayr et al., 2018; Mayer et al., 2018; In ’t Veld, 2019; Mion en Ponattu, 2019; Lehtimäki en Sondermann, 2021; Freeman et al., 2022).

Tegelijkertijd is de interne markt nog altijd niet voltooid. De rapporten van Draghi (2024) en Letta (2024) pleiten voor verdere verdieping van de Europese economische integratie. De Europese Commissie presenteerde daarop haar Single Market Strategy (EC, 2025), terwijl het Nederlandse kabinet in 2026 een eigen interne-markt­agenda publiceerde (Herbert, 2026).

De vraag is daarmee niet langer of de interne markt baten heeft opgeleverd, maar hoeveel welvaartswinst verdere integratie nog kan opleveren. Die vraag is lastig te beantwoorden; schattingen van de resterende handelsbelemmeringen lopen sterk uiteen. Het IMF schat de resterende handelsbelemmeringen binnen de EU als equivalent aan invoertarieven van 44 procent voor goederen en zelfs 110 procent voor diensten (Kammer, 2024). De ECB (2025) en Danmarks Nationalbank (2025) komen tot vergelijkbaar schattingen. Head en Mayer (2021) ramen de resterende belemmeringen daarentegen op slechts ongeveer acht procent.

In dit artikel betogen wij dat de modelschattingen voorzichtig moeten worden geïnterpreteerd. Zij geven namelijk slechts beperkt inzicht in welke fricties daadwerkelijk door beleid kunnen worden weggenomen.

Modelkeuze is belangrijke factor

De uiteenlopende uitkomsten van de studies naar handelsbelemmeringen hangen in belangrijke mate samen met verschillen in modelspecificaties en databronnen, waardoor de resultaten lastig vergelijkbaar zijn. Hoewel alle studies zwaartekrachtmodellen gebruiken, verschillen zij in de manier waarop binnenlandse handel wordt gemeten of geschat, welke controlevariabelen worden opgenomen, over welke periode het model wordt geschat en welke schattingsmethode wordt gebruikt.

Head en Mayer (2025) laten verder zien dat ook de gebruikte dataset veel uitmaakt. Zij passen dezelfde modelspecificatie toe op vier datasets die in recente studies worden gebruikt. De studies met de hoogste heffingsequivalenten gebruiken allemaal de TIVA-dataset van de OESO. Traditionele handelsdatasets, die vaker in de academische literatuur worden gebruikt, zoals CEPII of de dataset van Head en Mayer (2021) zelf, leveren juist lagere en sterker gedaalde equivalenten op. Dit betekent niet dat de ene studie zonder meer juist is en de andere onjuist. Wel maken de verschillen duidelijk dat de geschatte handelsbelemmeringen erg gevoelig zijn voor methodologische keuzes. Voor beleidsmakers is het daarom raadzaam niet te focussen op een of enkele studies, juist omdat de spreiding zo groot is.

Tariefequivalenten zijn geen beleidsknoppen

Een tweede reden voor voorzichtigheid betreft de interpretatie van de modeluitkomsten. In zwaartekrachtmodellen worden grensfricties afgeleid uit het verschil tussen binnenlandse handel en grensoverschrijdende handel. Omdat handel binnen een land per definitie geen landsgrens passeert, kan het verschil met handel tussen EU-landen worden geïnterpreteerd als een grenseffect. Om dat effect tastbaar te maken, wordt het vaak omgerekend naar een import­heffingsequivalent. Zo ook bij Kammer (2024), ECB (2025) en Danmarks Nationalbank (2025).

De omrekening naar een import­heffingsequivalent is intuïtief, maar beleidsmatig ook misleidend. Een importheffing is een concrete beleidsmaatregel die in beginsel kan worden verlaagd of afgeschaft. Een geschat importheffingsequivalent is daarentegen geen afzonderlijke beleidsbarrière, maar een samenvattende maat voor allerlei fricties tegelijk. Het omvat niet alleen administratieve lasten en verschillen in regelgeving, maar ook factoren als geografische kenmerken, verschillen in consumentenvoorkeuren, en imperfecte substitueerbaarheid van producten – factoren die niet, of slechts beperkt, door beleid kunnen worden beïnvloed.

Diensten illustreren de vaak beperkte beleidsruimte: een hoge geschatte grensfrictie voor diensten hoeft niet te betekenen dat er een even hoge beleidsbarrière bestaat. Een deel van die frictie kan voortkomen uit het feit dat veel diensten lokaal, relationeel of moeilijk schaalbaar zijn. Een kapper in Appelscha is voor de meeste consumenten geen volwaardig alternatief voor een kapper in Verona, ook niet als alle formele regels rondom de beroepskwalificatie voor kappers zouden worden geharmoniseerd.

Sommige studies presenteren, vanwege de niet volledige beleidsruimte, de geschatte importheffingsequivalenten daarom als een bovengrens. Deze nuance is verstandig, maar niet voldoende. Een bovengrens zegt immers nog steeds weinig over het deel van de gemeten frictie dat beleidsmatig kan worden weggenomen. Voor beleid is niet de totale gemeten frictie doorslaggevend, maar het deel dat kan worden toegeschreven aan gebrekkig of inefficiënt beleid. Juist daar schiet de literatuur nog tekort.

Benchmarks lossen het probleem niet op

Een manier waarop studies proberen om de interpretatie te verbeteren is via het gebruik van benchmarks. De ECB (2025) vergelijkt bijvoorbeeld de handelsfricties van EU-landen met Nederland, dat in de studie de laagste geschatte fricties heeft ten opzichte van andere EU-landen. Als andere lidstaten even geïntegreerd zouden zijn als Nederland, zouden hun handelsbarrières volgens deze benadering met ongeveer acht procent voor goederen en negen procent voor diensten kunnen dalen.

Die benadering is conservatiever dan het simpelweg optellen van alle geschatte importheffingsequivalenten, maar lost het kernprobleem niet op. Het blijft onduidelijk wat andere landen precies zouden moeten doen om ‘meer op Nederland’ te lijken. Gaat het om nationale beleidskeuzes, geografische ligging, logistieke infrastructuur, sectorstructuur of handelscultuur? En zelfs als duidelijk zou zijn welke factoren het verschil verklaren, volgt daaruit nog niet welke beleidsmaatregelen andere landen zouden moeten nemen. Het is bijvoorbeeld moeilijk voorstelbaar dat alle lidstaten zich zoals Nederland als doorvoerland kunnen specialiseren.

Hetzelfde probleem doet zich voor bij vergelijkingen met de Verenigde Staten. Wanneer studies, zoals Cerdeiro en Rotunno (2026), stellen dat de EU aan productiviteit kan winnen door de interne markt te integreren tot het niveau van de Amerikaanse binnenmarkt, blijft de vraag waar de beleidsknoppen precies zitten. De VS verschilt niet alleen in regelgeving, maar ook in taal, instituties, mobiliteit, sociale netwerken en economische geografie.

Integratie vereist moeilijke politieke keuzes

Hoewel de resultaten van de studies geanalyseerd door Head en Mayer (2025) aanzienlijk verschillen, laten ze over het algemeen wel een afvlakking van de daling van interne handelsbarrières zien (figuur 1). Het blijft echter onduidelijk waardoor deze afvlakking wordt veroorzaakt en hoeveel ruimte er nog is voor verdere integratie. De afvlakking kan erop wijzen dat nieuwe nationale maatregelen de interne markt steeds meer belemmeren, maar ook dat binnen de huidige institutionele structuur een groot deel van de potentiële integratiewinst al is gerealiseerd.

Het is in ieder geval duidelijk dat het eenvoudigste integratiepotentieel – het ‘laaghangende fruit’ – inmiddels grotendeels is benut. Het integratieproces van de interne markt van de EU verliep in golven. De grootste successen werden geboekt bij de integratie van goederenmarkten via de douane-unie, wederzijdse erkenning van productnormen en veiligheidseisen (de CE-markering). Later volgden succesvolle hervormingen in luchtvaart, telecom en betalingsverkeer. Sinds de jaren 2000 is de integratie echter steeds meer verschoven naar politiek gevoelige terreinen zoals diensten, energie, fiscaliteit en kapitaalmarkten. Juist daar is de voortgang beperkt gebleven.

De voorgestelde maatregelen in de EU Single Market Strategy (EC, 2025) en de interne-marktagenda van het kabinet (Herbert, 2026) zijn nuttig en kunnen handels­barrières binnen de interne markt verder verlagen, maar hebben vermoedelijk een relatief kleine macro-economische impact. Zo blijkt uit de impactanalyse van de Europese Commissie dat het wegnemen van het door Rozendaal en Van Gruisen (2026) aangehaalde voorbeeld van ­territorial supply constraints, Europese huishoudens ‘slechts’ 14 miljard oplevert, ofwel minder dan 0,1 procent van het bbp (EC, 2025). Ditzelfde geldt voor andere voorstellen zoals rondom het harmoniseren van etikettering en regels voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Dat betekent niet dat dit soort maatregelen niet verstandig of zinvol zijn, maar wel dat het onwaarschijnlijk is dat dergelijke maatregelen voldoende zijn om de structureel lage economische groei in Europa te keren.

Omdat zowel de Europese Commissie als het kabinet met een verdieping van de interne markt wel een groei-impuls beogen, is het belangrijk om ook te blijven kijken naar maatregelen met potentieel grotere economische effecten. Maar juist die maatregelen zijn politiek gevoelig, omdat ze bijvoorbeeld vaak raken aan nationale soevereiniteit. Zo kan vergaande harmonisatie van het ondernemings-, vennootschaps- en belastingrecht, zoals bepleit door Letta (2024) en Draghi (2024), substantiële economische baten opleveren. Daarentegen zal het afgezwakte voorstel voor een 28e vennootschapsrechtelijk regime (EU Inc.) naar verwachting slechts beperkte effecten hebben (EC, 2026).

Andere voorbeelden van vergaande harmonisatie zijn een beperking van uitzonderingen op EU-aanbestedings- en -staatssteun­regels voor defensiegoederen en het verdergaand wederzijds erkennen van beroepskwalificaties, een doelstelling die al sinds de oprichting van de interne markt bestaat (Europese Rekenkamer, 2024; ECIPE, 2025). Ook een meer uniforme implementatie van EU-regelgeving en het schrappen van bestaande nationale koppen kunnen helpen, maar vereisen wel compromis­bereidheid bij nationale overheden.

Aan de financiële kant van de economie zijn er eveneens tal van fricties die het vrije verkeer van kapitaal beperken. De voltooiing van de kapitaalmarktunie en de bankenunie, bijvoorbeeld door harmonisatie van nationale insolventie­regels, kan grensoverschrijdende financiering, risicodeling en kapitaalallocatie versterken. Tegelijkertijd raken dergelijke hervormingen direct aan nationale juridische stelsels, toezicht, crisisraamwerken en onderling vertrouwen (­Caivano et al. 2025; Brandão-Marques et al., 2026). Verdere integratie is daarmee niet alleen een technisch, maar vooral een politiek vraagstuk.

En zelfs als er politiek momentum komt om deze complexe dossiers op te lossen, blijft een deel van de gemeten fricties structureel. Niet elke dienst is even goed verhandelbaar, taalbarrières zijn en blijven een feit in de Unie en de geografie van Europa ligt ook vast. De beleidsagenda moet daarom scherp onderscheid maken tussen beleidsmatig wegneembare handelsbarrières en fricties die voortkomen uit economische afstand, voorkeuren en sectorstructuur.

Getty Images

Literatuur

Caivano M, P. Cova, K. Pallara et al. (2025) The economic impact of European capital market integration. Banca d’Italia. Questioni di Economia e Finanza, 957.

Brandão-Marques, L., D. Capelle, D. A. Cerdeiro et al. (2026) Deeper and More Integrated Financial Markets to Foster Growth and Resilience in Europe. International Monetrary Fund, Staff Discussion Notes, 10 juni.

Cerdeiro, D.A. en L. Rotunno (2026) EU barriers to scaling up: The case of fragmented product markets. VoxEU Column, 3 februari. Te vinden op cepr.org.

Danmarks Nationalbank (2025) Fewer barriers in the EU single market could increase Danish welfare. Danmarks Nationalbank, Analysis, 17.

Draghi, M. (2024) The future of European competitiveness: A competitiveness strategy for Europe. Europese Commissie Rapport, september. Te vinden op commission.europa.eu.

EC (2025) The single market: our European home market in an uncertain world. European Commission, COM(2025)500. Te vinden op single-market-­economy.ec.europa.eu.

EC (2026) Impact assessment report on the 28th regime corporate legal framework – ‘EU INC’. European Commission, SWD(2026)321 final. Te vinden op commission.europa.eu.

ECB (2025) What is the untapped potential of the EU Single Market? European Central Bank, Economic Bulletin, 8/2025.

ECIPE (2025) Openness and fragmentation in EU defence procurement. ECIPE Policy Brief, 20/2025.

Europese Rekenkamer (2024) The recognition of professional qualifications in the EU: An essential mechanism, but used sparsely and inconsistently. European Court of Auditors, Special report, 10/2024.

Felbermayr, G., J.K. Gröschl en I. Heiland (2018) Undoing Europe in a new quantitative trade model. IFO Working Paper, 250.

Freeman, D., G. Meijerink en R. Teulings (2022) Trade benefits of the EU and the Internal Market. CPB Communication, januari.

Head, K. en T. Mayer (2021) The United States of Europe: A gravity model evaluation of the four freedoms. The Journal of Economic Perspectives, 35(2), 23–48.

Head, K. en T. Mayer (2025) No, the EU does not impose a 45% tariff on itself. VoxEU Column, 13 november. Te vinden op cepr.org.

Herbert, H. (2026) Actualisering interne-marktactieagenda. Kamerbrief, 22 mei. Te vinden op open.overheid.nl.

Kammer, A. (2024) Europe’s Choice: Policies for growth and resilience. IMF Speech, 16 december.

Lehtimäki, J. en D. Sondermann (2021) Baldwin versus Cecchini revisited: The growth impact of the European Single Market. Empirical Economics, 63(2), 603–635.

Letta, E. (2024) Much more than a market: Speed, security, solidarity. Empowering the single market to deliver a sustainable future and prosperity for all EU citizens. Europese Raad, Rapport, april. Te vinden op www.consilium.europa.eu.

Mayer, T., V. Vicard en S. Zignago (2018) The cost of non-Europe, revisited. CEPII Working Paper, 2018-06.

Mion, G. en D. Ponattu (2019) Estimating economic benefits of the Single Market for European countries and regions. Bertelsmann Stiftung, Policy Paper, mei.

Rozendaal, R. en P. van Gruisen (2026) Economische baten zijn een sterk argument voor verdieping interne markt. ESB, 111(4861), 428–430.

Schout, A. en A. van Riel (2026) De baten van de interne markt worden overschat. ESB, 111(4861), 424–427.

Straathof, B.., G.-J. Linders, A. Lejour en J. Möhlmann (2008) The internal market and the Dutch economy: Implications for trade and economic growth. CPB, Document, 168.

Veld, J. in ’t (2019) Quantifying the economic effects of the Single Market in a structural macromodel. European Commission, Directorate-General for Economic and Financial Affairs, Discussion Paper, 094.

Auteurs

Plaats een reactie