Ga direct naar de content

Inleiding: Openheid in tijden van geopolitieke fragmentatie

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: december 1 2025

Dit inleidende hoofdstuk laat zien hoe geopolitieke verschuivingen, klimaatverandering en technologische transformatie intensievere Europese samenwerking voor Nederland noodzakelijk maken. De auteurs betogen dat de bijdragen in deze bundel laten zien dat meer nationale autonomie op veel beleidsgebieden een illusie is geworden. Ze pleiten voor pragmatische en selectieve integratie met, waar nodig, adequate compensatie voor structurele verliezers.

Over de Preadviezen

Al sinds halverwege de 19e eeuw publiceert economenvereniging KVS de Preadviezen, een artikelbundel waarin experts vanuit verschillende invalshoeken een specifiek onderwerp bespreken.

 

Thema van de Preadviezen 2025 is Openheid in tijden van geopolitieke fragmentatie en de redactie is in handen van Ralph de Haas, Marcel Timmer en Bob Rijkers. Bekijk hier de overzichtspagina van de Preadviezen 2025.

Internationale samenwerking en Europese integratie staan onder druk, ook in Nederland. Tegelijkertijd nemen de zorgen toe over veiligheid, autonomie en welvaart in een geopolitiek gefragmenteerde wereld. Tegen die achtergrond analyseren deze Preadviezen de veranderende positie van Nederland binnen de Europese en mondiale economie en brengen ze de bijbehorende beleidsdilemma’s in kaart. De hoofdstukken verduidelijken hoe mondiale ontwikkelingen – oplopende geopolitieke spanningen, de energietransitie, nieuwe technologieën en de groeiende macht van multinationals – Nederland voor fundamentele keuzes plaatsen. Deze trends vragen om nauwere Europese samenwerking, maar verdere integratie stuit vaak op politieke weerstand, zeker wanneer de baten diffuus zijn en de kosten ongelijk verdeeld.

De economische voordelen van internationale samenwerking zijn aanzienlijk. Samenwerking stelt landen in staat markten, kennis en technologieën te delen en daarmee schaalvoordelen te benutten. De Europese Unie (EU) illustreert dit: volgens recente schattingen van IMF-economen ligt het inkomen in de lidstaten dankzij het EU-lidmaatschap en de interne markt gemiddeld zo’n dertig procent hoger dan zonder dat lidmaatschap (Beyer et al., 2025). Dit vertaalt zich in lagere prijzen, meer keuze en betere investeringsmogelijkheden voor burgers en bedrijven. Daarnaast heeft Europese integratie ook fundamentele (zij het moeilijker meetbare) baten gebracht, zoals meer veiligheid en stabiliteit.

Deze voordelen leiden echter niet automatisch tot een breed draagvlak onder de Nederlandse bevolking. Hoewel 85 procent van de Nederlanders erkent dat ons land de toekomst niet beter aankan buiten de EU (Eurobarometer, 2023), maken velen zich zorgen over de keerzijden van ver(der)gaande integratie, zoals arbeidsconcurrentie en toenemende migratie. Deze spanning weerspiegelt een fundamentele asymmetrie: de baten van integratie zijn diffuus verdeeld over de bevolking, terwijl de kosten vaak zichtbaar en lokaal geconcentreerd zijn bij specifieke groepen – fabrieken sluiten, dorpen verliezen bedrijvigheid, gemeenten worden geconfronteerd met immigratie. Dit kan de politieke weerstand vergroten, zelfs bij substantiële netto-welvaartsbaten.

Het maatschappelijk draagvlak voor integratie dreigt hierdoor af te brokkelen. Een meerderheid van de Nederlanders (63 procent) vindt dat de regering zich minder op het buitenland moet richten, onder meer omdat veel mensen het idee hebben dat Nederland internationaal gezien meer doet dan andere landen, bijvoorbeeld op het gebied van asiel en klimaat (SCP, 2024). Sterker nog, een substantiële groep ziet het buitenland juist als oorzaak van binnenlandse problemen, bijvoorbeeld door Europese stikstofregels. Voor beleidsmakers ligt hierin een grote uitdaging: hoe kan de overheid Europese samenwerking bevorderen binnen een snel veranderende geopolitieke werkelijkheid, en tegelijkertijd zorgen voor een evenwichtige verdeling van lasten en lusten die het maatschappelijk draagvlak behoudt?

Voor deze bundel hebben we auteurs gevraagd vanuit hun expertise te reflecteren op internationale trends en de implicaties daarvan voor Nederland: welke Europese en mondiale ontwikkelingen signaleren zij, wat zijn de gevolgen, en wat betekent dit voor Nederlands beleid? De individuele hoofdstukken bieden gedetailleerde analyses van deze vragen. Deze inleiding vat de bijdragen samen en destilleert drie brede mondiale ontwikkelingen – geopolitieke verschuivingen, klimaatverandering en technologische transformatie – die het belang van intensievere Europese samenwerking onderstrepen. Tegelijkertijd waarschuwen meerdere auteurs ook voor de keerzijden van meer grensoverschrijdende samenwerking, waaronder verlies van nationale beleidsautonomie en een onevenwichtige verdeling van kosten en baten. De laatste paragraaf van deze inleiding bespreekt deze beleidsuitdagingen en concludeert dat meer autonomie voor Nederland een illusie is geworden.

Mondiale ontwikkelingen en de noodzaak van Europese samenwerking

Samenwerking in Europa heeft zich sinds de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal in 1951 schoksgewijs ontwikkeld. Een gemeenschappelijke markt voor goederen en arbeid, en in mindere mate voor diensten en kapitaal, werd met succes opgebouwd binnen Europa. Verschillen in voorkeuren en in productiefactoren faciliteerden de vreedzame uitwisseling van goederen en diensten, maar ook van ideeën en innovatie. De daaruit voortvloeiende specialisatie en arbeidsdeling leidden tot een efficiëntere allocatie van hulpbronnen (Spolaore en Wacziarg, 2012).

Tegelijkertijd bemoeilijkte Europese verscheidenheid in termen van etniciteit, taal en cultuur een verdere centralisatie van publieke taken zoals defensie en veiligheid (Alesina en Spolaore, 2005). Decennialang kon Europa hiervoor vertrouwen op de leidersrol van de Verenigde Staten binnen de NAVO, met free-riding en onderinvesteringen als gevolg. Recente geopolitieke ontwikkelingen – met name de hernieuwde verkiezing van Trump, de snelle opkomst van China en de oorlog in Oekraïne – hebben Europese regeringsleiders doen beseffen dat Europa zijn verdediging en strategische belangen niet langer kan afwentelen op anderen. De grote schaalvoordelen in gezamenlijk werken aan defensie en strategische autonomie lijken nu de politieke kosten van verscheidenheid te overtreffen. Bovendien dreigt Europa de internationale concurrentieslag te verliezen nu industriepolitiek wereldwijd wordt ingezet als handelswapen. Die urgentie wordt breed gevoeld, zoals blijkt uit de publieke discussies naar aanleiding van het Draghi-rapport (Draghi, 2024).

De rest van deze sectie bespreekt drie mondiale ontwikkelingen die intensievere Europese samenwerking voor Nederland noodzakelijk maken: geopolitieke verschuivingen, klimaatverandering en technologische transformatie.

Geopolitiek, handel en veiligheid

De oorlog van Rusland tegen Oekraïne en de afnemende betrouwbaarheid van de VS dwingen Europa tot meer defensieve en geopolitieke autonomie, zoals Anev Janse, Beetsma en De Vries beschrijven in hoofdstuk 2. De auteurs betogen dat defensiebeleid een Europees publiek goed is waarvan gezamenlijke uitvoering leidt tot meer effectiviteit en efficiëntie. Dit vereist centralisatie van beslissingen over de aankoop van materieel en financiering, bijvoorbeeld via gezamenlijke eurobonds. Daarnaast pleiten de auteurs voor Europese publieke financiering van aan defensie gerelateerd onderzoek en ontwikkeling. De daaruit voortvloeiende stimulering van private investeringen en innovatie kan de internationale concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven, waaronder toonaangevende ondernemingen zoals ASML, versterken.

De financiële dimensie van deze uitdaging wordt belicht door Claessens in hoofdstuk 3. Hij toont aan dat zonder pan-Europese banken Europa de financiële slagkracht mist voor de door Draghi bepleite investeringen in defensie, groene technologie en digitale infrastructuur. Terwijl Amerikaanse en Chinese banken wereldwijd opereren en strategische investeringen kunnen financieren, blijven Europese banken gevangen in nationale markten – een structurele zwakte die Europa’s geopolitieke ambities ondermijnt.

Voor Nederland is een proactieve houding van groot belang, anders loopt ons land het risico aan de zijlijn te blijven staan terwijl andere landen het Europese defensiebeleid vormgeven, met als gevolg dat we ook minder profiteren van de voordelen. De beste oplossing voor Europa, en ook voor Nederland, is een gemeenschappelijk defensiebeleid, zo betogen Anev Janse et al. Maar als dat op korte termijn niet haalbaar blijkt, kan een coalition of the willing, een kopgroep van EU-landen die samen optrekken, een praktische tussenstap zijn.

De behoefte aan Europese coördinatie uit zich ook in de wens strategische afhankelijkheden te verminderen, zowel wat betreft kritieke mineralen en energie als wat betreft sleuteltechnologieën en productie. Landen zoals China en de Verenigde Staten ondersteunen hun industrieën actief via subsidies, energiebeleid en marktbescherming (OESO, 2020; EBRD, 2024), terwijl gecoördineerde Europese tegenmaatregelen grotendeels uitblijven (Draghi, 2024). Coördinatie van Europees industriebeleid is daarom essentieel, niet alleen om de internationale concurrentiepositie te behouden, maar ook om een inefficiënte subsidiewedloop tussen lidstaten te voorkomen (Adviesraad Internationale Vraagstukken, 2022). Arezki en Van der Ploeg betogen verder in hoofdstuk 9 dat de toegang tot grondstoffen moet worden gediversifieerd om kwetsbaarheid voor individuele leveranciers te vermijden – denk aan de eerdere afhankelijkheid van Russisch gas. Zulke diversificatie wordt echter bemoeilijkt doordat industrie- en handelsbeleid steeds vaker als geopolitiek wapen worden ingezet.

Brakman, Garretsen en Van Marrewijk laten in hoofdstuk 6 zien hoe Trumps importheffingen en het America First-beleid de Nederlandse handel bedreigen. Hoewel de exacte impact afhangt van de uiteindelijke vorm en hoogte van de heffingen, schat De Nederlandsche Bank (DNB, 2025) dat deze, mits doorgevoerd, in 2026 kunnen leiden tot een daling van de economische groei met ongeveer één procentpunt. Brakman et al. benadrukken verder dat globalisering naast welvaartswinsten ook duidelijke verliezers kent. Handel stimuleert een efficiëntere internationale arbeidsverdeling, maar de voordelen zijn vaak ongelijk verdeeld. De zogenaamde China-schok illustreert dit: na de toetreding van China tot de WTO in 2001 overspoelden goedkope industriële producten de wereldmarkt. In de VS leidde dit tot langdurig banenverlies en inkomensdalingen in regio’s met arbeidsintensieve industrie (Autor et al., 2013). De effecten op de Duitse economie waren veel kleiner (Dauth et al., 2017), maar recente Chinese exporten van onder meer elektrische auto’s, batterijen en zonnepanelen lijken een aanzienlijke impact op de Europese industrie te hebben.

Zowel economen als beleidsmakers hebben de aanpassingskosten van internationale handel te lang onderschat. Volgens Brakman et al. ligt het antwoord niet in protectionisme, maar in beleid dat de veerkracht van de economie en werknemers vergroot. Flankerende maatregelen, zoals omscholing, inkomenssteun en regionale investeringen, moeten helpen om de voordelen van handel te behouden terwijl de lasten eerlijker worden verdeeld.

Energietransitie, klimaat en concurrentiekracht

Ook de energietransitie noopt tot intensievere Europese samenwerking. Van den Bijgaart, Bremer, Fischer en De Groot laten in hoofdstuk 4 zien dat de Nederlandse economie met zijn energie-intensieve industrie relatief kwetsbaar is voor klimaatbeleid. Nederlandse bedrijven worden geconfronteerd met stijgende prijzen voor broeikasgasemissies (EU-ETS) en hoge energiekosten, terwijl de VS en China hun industrie nauwelijks met CO2-heffingen belasten. Bovendien heeft de schaliegasrevolutie de VS een structureel kostenvoordeel in energie-intensieve productie gegeven (Arezki en Van der Ploeg, hoofdstuk 9). Dit creëert een ongelijk speelveld waarbij Europese industrie onder dubbele druk staat van zowel hogere energiekosten als een strenger klimaatbeleid. De auteurs beargumenteren, in lijn met het Draghi-rapport, dat versnipperd nationaal beleid leidt tot inefficiënte subsidiewedlopen tussen lidstaten, waarbij publieke middelen naar bedrijven vloeien zonder substantiële emissiereducties te bereiken. Een gecoördineerde Europese aanpak met geharmoniseerde steunregelingen en gezamenlijke investeringen in groene infrastructuur zou deze verspilling kunnen voorkomen en tegelijkertijd de schaal bereiken die nodig is voor kosteneffectieve verduurzaming.

Maar klimaatbeleid biedt ook strategische kansen. Door te investeren in schonere technologie kan Europa zijn afhankelijkheid van fossiele brandstoffen uit autoritaire regimes verminderen – een kwetsbaarheid die pijnlijk zichtbaar werd tijdens de energiecrisis na de Russische invasie van Oekraïne. Gerichte industriepolitiek op het gebied van groene technologie kan de Europese concurrentiepositie versterken. Arezki en Van der Ploeg wijzen bijvoorbeeld op de strategische positie van Nederland voor waterstof. De uitdaging is dus niet klimaatbeleid versus concurrentiekracht, maar om klimaatbeleid zo vorm te geven dat het beide doelen dient: strategische autonomie én economische veerkracht. Dit vergt echter een fundamentele heroriëntatie van gefragmenteerd nationaal beleid naar een meer geïntegreerde Europese strategie, waarbij kortetermijncompetitie tussen lidstaten plaatsmaakt voor langetermijnsamenwerking.

De verdeling van kosten en baten bij de energietransitie vereist bijzondere aandacht. Van den Bijgaart et al. en Arezki en Van der Ploeg tonen aan dat het Europese ETS en nationale heffingen de energiekosten met name verhogen voor huishoudens met lage inkomens en energie-intensieve bedrijven, terwijl grotere ondernemingen vaak worden ontzien via subsidies en compensatieregelingen. Daarbovenop leidt internationale concurrentie om nationale industrie te behouden tot inefficiënte subsidiewedlopen die het maatschappelijk draagvlak verder ondermijnen. Voor duurzame en strategische energie- en industriepolitiek is compensatie van verliezers – via inkomenssteun, scholing en investeringen in groene technologie – essentieel om draagvlak te behouden.

Technologie, arbeid en kapitaal

De opkomst van automatisering, kunstmatige intelligentie en de dominantie van bigtech vormt een andere grote uitdaging voor Nederland en Europa, zoals Graef uitlegt in hoofdstuk 7. De beurswaarde van de vijftig grootste bedrijven ter wereld vertegenwoordigt inmiddels zo’n 36 procent van het mondiale bbp (tegen 22 procent in 2000), waarbij deze bedrijven voor het merendeel in de VS zijn gevestigd (Bloomberg, 2021, update met data van companiesmarketcap.com). Dankzij schaalvoordelen, netwerkeffecten, en platformdominantie beïnvloeden deze ondernemingen niet alleen infrastructuur, arbeidsmarkten en belastingstelsels, maar ook kapitaalstromen en innovatiepatronen. Hiermee versterken ze de technologische en geopolitieke wedloop tussen de VS en China, terwijl Europa steeds meer buitenspel komt te staan.

Graef laat in haar bijdrage ook zien dat machtsconcentratie bij bigtech een nieuwe dimensie van ongelijkheid en afhankelijkheid introduceert. Dominante platforms beheersen informatievoorziening, communicatie en zelfs publieke diensten, waardoor burgers en bedrijven kwetsbaar worden. Dit beperkt niet alleen digitale autonomie, maar creëert ook structurele verliezers: platformwerkers zonder arbeidsrechtelijke bescherming, onderzoekers afhankelijk van commerciële infrastructuur, en publieke instellingen die geen grip hebben op hun eigen data. Het tegengaan van deze ongelijkheid vereist niet alleen dynamische Europese wetgeving – zoals de Wet digitale markten (DMA) – en strikte handhaving daarvan, maar ook actieve steun voor Europese alternatieven. Digitale onafhankelijkheid moet daarbij worden gezien als een publiek belang op zich.

De behoefte aan verdere Europese integratie wordt eveneens geïllustreerd door ontwikkelingen op fiscaal gebied. De toegenomen mobiliteit van kapitaal heeft multinationale bedrijven en rijke huishoudens in staat gesteld hun winsten en vermogens massaal via belastingparadijzen te verschuiven, inclusief naar Nederland, zoals Lejour laat zien in hoofdstuk 8. Dit heeft geleid tot een neerwaartse spiraal in effectieve vennootschapsbelastingtarieven, waardoor de belastingdruk steeds meer verschuift naar relatief immobiele arbeid, met name naar midden- en lagere inkomensgroepen. Deze verschuiving vergroot niet alleen economische ongelijkheid, maar bemoeilijkt ook nationaal fiscaal beleid, waardoor gecoördineerd EU-belastingbeleid urgenter is geworden. Zonder effectieve coördinatie – via minimumbelastingen, transparante winsttoerekening en beperking van fiscale concurrentie – dreigt verdere fragmentatie en een verlies van draagvlak voor Europese samenwerking.

Binnen de eurozone bestaat echter een tegenovergesteld probleem: te weinig kapitaalmobiliteit. Claessens toont in hoofdstuk 3 aan dat banken in de eurozone voornamelijk binnenlands opereren en nauwelijks actief zijn in andere eurozonelanden. Deze fragmentatie heeft concrete gevolgen: risicodeling tussen landen is minimaal, Nederlandse huishoudens betalen onnodig hoge hypotheekrentes, en Europese banken blijven te klein om wereldwijd te concurreren of de investeringsbehoeften van Europa adequaat te financieren. Voor Nederland, als open economie met een grote financiële sector, adviseert Claessens daarom drie concrete stappen: een progressiever beleid rond euro-obligaties; constructief meewerken aan een Europees depositogarantiestelsel in plaats van dit te blokkeren; en aandringen op een nieuw statuut voor pan-Europese bankgroepen zonder beperkingen op grensoverschrijdende activiteiten.

Ook de arbeidsmarkt kampt met structurele rigiditeit. Gautier en Muller laten in hoofdstuk 5 zien hoe nationale regelgeving en institutionele tekortkomingen de mobiliteit tussen sectoren en contractvormen beperken. De kloof tussen vaste en flexibele contracten zorgt voor onevenwichtigheden: vaste banen zijn vaak te goed beschermd, terwijl flexwerkers juist weinig zekerheid hebben. Deze segmentatie belemmert niet alleen technologische adoptie en investeringen in kennis, maar verslechtert ook de allocatie van arbeid en vergroot het risico op langdurige arbeidsongeschiktheid. De sterke toename van met name flexwerkers met psychische klachten in de WIA (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen) is daarbij een teken aan de wand. De auteurs benadrukken verder dat de uitdaging niet de globalisering zelf is, maar het institutionele kader dat onvoldoende ruimte biedt voor aanpassing. Inclusief arbeidsmarktbeleid vereist daarom meer flexibiliteit aan de bovenkant en ook meer zekerheid aan de onderkant: vast iets minder vast, flex iets minder flex, zoals ook betoogd door de commissie-Borstlap (Commissie Regulering van Werk, 2020).

Arbeidsmigratie binnen Europa, hoewel in deze Preadviezen minder nadrukkelijk besproken, illustreert een vergelijkbaar spanningsveld. Enerzijds draagt de relatief soepele mobiliteit binnen de EU bij aan het verminderen van krapte op de arbeidsmarkt en het beperken van loondruk. Anderzijds zet een aanzienlijke toestroom van migranten extra druk op de woningmarkt, infrastructuur en lokale voorzieningen (CPB, 2025). Dit dilemma illustreert een belangrijke les: beleid dat op het ene terrein verlichting brengt, kan elders nieuwe uitdagingen veroorzaken. Beleidsuitdagingen zijn immers vaak nauw met elkaar verweven.

Tussen autonomie en integratie: dilemma’s voor Nederlands beleid

Europese integratie biedt op macro-economisch niveau duidelijke voordelen, maar deze baten zijn vaak diffuus en moeilijk zichtbaar. Bovendien bestaan de baten gedeeltelijk uit de vermijding van toekomstige kosten. Intensievere defensiesamenwerking illustreert dit. Wat een kostenpost lijkt (hogere financiële bijdragen aan EU-initiatieven), bespaart juist geld vergeleken met nationale opbouw. De kosten van integratie daarentegen zijn wél zichtbaar (overdrachten naar de EU, verlies van beleidsautonomie) en ongelijker verdeeld (bijvoorbeeld door economische concurrentie). De beleidsuitdaging is daarom tweeledig: ten eerste de voordelen van integratie vergroten en zichtbaar maken en nadelen beperken, en ten tweede structurele verliezers adequaat compenseren.

Nationaal waar mogelijk, Europees waar nodig

Tot dusverre hebben Europeanen gekozen voor samenwerking tussen soevereine staten binnen een supranationale organisatie. De invoering van het eurosysteem leidde tot monetaire integratie zonder de ondersteuning van een volledig federaal model. Dit bijzondere institutionele arrangement biedt ruime mogelijkheid voor free-rider– en beggar-thy-neighbour-gedrag (Spolaore, 2013). Hoewel Europese instituties er tot nu toe redelijk in geslaagd zijn om de gevolgen daarvan te beperken, zoals de uiteindelijke bezwering van de eurocrisis in 2010–2014 heeft laten zien, dwingen de huidige mondiale ontwikkelingen tot een heroverweging van de taakverdeling tussen nationaal en Europees beleid op een aantal beleidsterreinen.

Defensie biedt een helder voorbeeld. Anev Janse, Beetsma en De Vries stellen in hoofdstuk 2 dat Nederland als middelgrote lidstaat simpelweg te klein is om zelfstandig een volwaardige defensie-infrastructuur op te bouwen. Effectieve luchtverdediging, nucleaire afschrikking en strategische capaciteiten vereisen schaal en coördinatie die alleen op Europees niveau te realiseren zijn. Wanneer deze investeringen op nationaal niveau worden aanbesteed, leidt dat tot aanzienlijke verspilling. De auteurs illustreren dit met het voorbeeld van tanks: binnen de EU worden meer dan twintig verschillende typen geproduceerd, wat vanwege een gebrek aan standaardisatie resulteert in hoge ontwikkelings-, onderhouds- en opleidingskosten. Bovendien belemmert het ontbreken van interoperabiliteit de gezamenlijke inzet bij Europese operaties. Ter vergelijking: de Verenigde Staten gebruiken één gestandaardiseerd model, waarmee zij aanzienlijke schaalvoordelen behalen. Europa verspilt hierdoor miljarden aan inefficiënte, gefragmenteerde productie.

Een tweede voorbeeld is bigtech. Zoals Graef betoogt in hoofdstuk 7, vereist effectieve regulering van Amerikaanse platformen als Google, Meta en Amazon Europese coördinatie. Versnipperd nationaal toezicht schiet tekort om de marktmacht van deze bedrijven te beperken. Europese regelgeving, zoals de Wet digitale markten, biedt een belangrijk instrument daartoe, maar vraagt om een gezamenlijke aanpak, duidelijke communicatie over beleidsdoelen en gerichte steun voor Europese initiatieven. Nederland moet hierin een proactieve rol spelen: niet alleen meebewegen, maar ook actief meesturen om een digitale omgeving te creëren waarin publieke waarden als keuzevrijheid, transparantie en veiligheid centraal staan.

Deze voorbeelden – defensie, digitale regulering – laten zien waar Europese coördinatie onmisbaar is. Hetzelfde geldt voor effectief klimaatbeleid en versterking van Europese concurrentiekracht, zoals in de bijdragen betoogd wordt. Maar de noodzaak van samenwerking op deze terreinen betekent uiteraard niet dat alle beleid naar Brussel moet of dat ieder beleidsvoorstel uit Europa per se te verkiezen valt boven nationale soevereiniteit. Flexibiliteit in implementatie van Europese regelgeving blijft van belang. Bovendien is Nederland als middelgrote economie in de positie om Europees beleid te beïnvloeden en mede te sturen, en zou daar meer gebruik van kunnen maken. En er zijn belangrijke beleidsdomeinen waarbij Europese coördinatie geen evidente voordelen heeft, zoals bij de inrichting van onderwijs, zorg en sociale zekerheid. Idealiter hanteert Nederland het subsidiariteitsbeginsel als leidraad: beleidsdomeinen worden ingericht op het bestuursniveau waar zij het meest doeltreffend kunnen worden uitgevoerd. Juist nu is het van belang om per terrein kritisch te evalueren welk niveau het meest effectief en legitiem kan handelen: nationaal waar mogelijk, Europees waar nodig.

Noodzaak van integraal beleid

Beleidskeuzes raken steeds vaker meerdere terreinen, waarbij beslissingen in het ene domein onvermijdelijk gevolgen hebben voor andere. De energietransitie illustreert dit. Arezki en Van der Ploeg pleiten voor pragmatisch uitstel van klimaatdoelen om bedrijven en huishoudens meer tijd te geven, en stellen voor ETS-opbrengsten te gebruiken voor compensatie van lage inkomens. Dit botst echter met industriebeleid: het verzwakken van klimaatnormen ondermijnt de beleidszekerheid die cruciaal is voor duurzame investeringen. Van den Bijgaart et al. benadrukken daarom dat ambitieuze langetermijndoelen behouden moeten blijven om de Europese concurrentiepositie te versterken.

Een tweede spanning betreft handelspolitiek: hoe bescherm je de industrie tegen oneerlijke concurrentie zonder te vervallen in protectionisme? Brakman et al. wijzen erop dat protectionisme op termijn innovatie schaadt, terwijl Arezki en Van der Ploeg juist gerichte, tijdelijke bescherming bepleiten voor strategische sectoren. Het streven naar open markten botst zo met nationale belangen in een veranderend geopolitiek landschap. De discussie over een nieuwe industriepolitiek draait om de vraag onder welke voorwaarden deze twee doelen te verenigen zijn (Juhász et al., 2024; Tagliapietra en Veugelers, 2023).

Ook op de arbeidsmarkt kunnen beleidsdoelen botsen, zoals Gautier en Muller laten zien. Aan de ene kant is bescherming van kwetsbare werknemers via scholing en herplaatsing essentieel om de gevolgen van globalisering en de energietransitie op te vangen. Aan de andere kant kan te veel bescherming de flexibiliteit van de arbeidsmarkt en de innovatiebereidheid van bedrijven ondermijnen. Ook hier is de uitdaging om een evenwicht te vinden: passende sociale bescherming terwijl bedrijven voldoende ruimte behouden om zich aan te passen.

Samenvattend kunnen we stellen dat meer autonomie voor Nederland op veel beleidsterreinen een illusie is geworden. De geopolitieke realiteit is dat Nederland vaak weinig te winnen heeft bij het blokkeren van Europese initiatieven en meer baat heeft bij een constructieve Europese betrokkenheid. Subsidiariteit blijft leidend: nationaal waar mogelijk, Europees waar nodig. De analyses in deze bundel tonen aan dat, hoewel Europese samenwerking risico’s kent, de kosten van verdere fragmentatie voor Nederland als handelsland veel zwaarder wegen. Effectief Europees beleid vereist een integrale benadering: flankerend arbeidsmarktbeleid, fiscale coördinatie, strategische digitale en energie-initiatieven, én sociale compensatie. Alleen zo worden de baten van internationale samenwerking breed verdeeld.

We hopen dat deze Preadviezen bijdragen aan een genuanceerder en evenwichtiger Europa-debat: voorbij behoudende reflexen en met oog voor maatschappelijk draagvlak.

Literatuur

Adviesraad Internationale Vraagstukken (2022) Slimme industriepolitiek: een opdracht voor Nederland in de EU. AIV-advies 120.

Alesina, A. en E. Spolaore (2005) The size of nations. Cambridge, MA: The MIT Press.

David H. Autor, David Dorn, Gordon H. Hanson (2013), The China Syndrome: Local Labor Market Effects of Import Competition in the United States, Ameriican Economic Review, 103(6), pp. 2121-68.

Beyer, R.C.M., C.Y. Li, en S. Weber (2025) Economic benefits from deep integration: 20 years after the 2004 EU Enlargement. International Monetary Fund, Working Paper, WP/25/47.

Bloomberg (2021) World-dominating superstar firms get bigger, techier and more Chinese. Bloomberg Artikel, 21 mei.

Commissie Regulering van Werk (2020), Eindrapportage: “IN wat voor land willen wij werken?

CPB (2025) De economische effecten van arbeidsmigratie. CPB Publicatie, juli.

Dauth, W., S. Findeisen en J. Suedekum (2017) Trade and manufacturing jobs in Germany. The American Economic Review, 107(5), 337–342.

DNB (2025) Hoe de Amerikaanse heffingen onze economie kunnen schaden. De Nederlandsche Bank, Nieuwsbericht, 1 mei.

Draghi, M. (2024) The future of european competitiveness. Europese Commissie Rapport, september. Te vinden op commission.europa.eu.

EBRD (2024) Navigating industrial policy. European Bank for Reconstruction and Development, Transition Report, 2024-25.

Eurobarometer (2023), Standard Eurobarometer 98 – Winter 2022-2023, Europese Unie.

Juhász, R., N. Lane en D. Rodrik (2024) The new economics of industrial policy. Annual Review of Economics, 16, 213–242.

OESO (2024), “The return of industrial policies: Policy considerations in the current context”, OECD Economic Policy Papers, No. 34, OECD Publishing, Paris.

SCP (2024) Continu onderzoek burgerperspectieven. SCP Bericht.

Spolaore, E. (2013) What is European integration really about? A political guide for economists. The Journal of Economic Perspectives, 27(3), 125–144.

Spolaore, E. en R. Wacziarg (2012) Long-term barriers to the international diffusion of innovations. NBER International Seminar on Macroeconomics, 8(1), 11–46.

Auteurs

  • Ralph de Haas

    Directeur Onderzoek, European Bank for Reconstruction and Development (EBRD) en adjunct-Hoogleraar Financiering aan de KU Leuven

  • Marcel Timmer

    Directielid bij het Centraal Planbureau (CPB) en Hoogleraar Economische groei  aan de Rijksuniversiteit Groningen

  • Bob Rijkers

    Hoogleraar Politieke Economie aan de Universiteit Utrecht

Categorieën

Plaats een reactie